Part 28
Een rijke weduwe, wier man onder Sogols vader had gestreden op ’t Paarden-eiland, ziende dat de prins een schamele pels en de heilige jonkvrouw een door de lange reis verscheurd gewaad droeg, zond heur zoon en heur dochter naar den jongen vorst om hun eigen gewaden aan te bieden. De zoon droeg een pels van blauw dassenbont, gevoerd met witte lamswol en de dochter een lange huifmantel van purperlaken met gouden boorden en kwasten.
Sogol wierp Harimona eerst den rooden mantel om de schouders en heur witte haren, beschenen door de zon, stroomden als gebleekte zijde over het purper van schouders en rug. Toen sloeg Sogol met waardigen zwaai zichzelf den blauwen pels om de schouders en stak haar vast met den bronzen sluitspeld voor den linkerschouder.
„Heer,” zeide de zoon, „mijn vader streed en stierf in uw vaders dienst.”
„Volg mi. Du zult mi dienen.”
„Heer,” vroeg de dochter, „sta mij toe, uw bruid te dienen.”
„Volg haar!” zeide Sogol.
En beiden, op schoone rossen stijgend, volgden achter Sogol en Harimona.
Voor een tempel aan den weg stonden de priesters blootshoofd, in witte gewaden, met lange grijze baarden en zongen een plechtigen lofzang, toen Sogol naderde.
Maar hij, met de punt van zijn bebloed zwaard naar hen duidend, gebood hen met luider stemmen te zwijgen.
Een der priesters, een groot, breedgeschouderd man met een rustigen tred, trad op Sogol toe en tot hem opziende vroeg hij:
„Heer, is di onze zang niet aangenaam?”
„Noch dijn zang, noch dijn wezen!” antwoordde Sogol en reed verder, de priesters niet meer met een blik verwaardigend.
Onderwijl hadden de zeelieden aan de velen, die hun om inlichtingen vroegen, van den moed en kracht van prins Sogol verteld. De manke stuurman, meestrompelend in den stoet, heette hem luidde zijn levensredder. De rijzige, kloeke Rytzell, met zijn blauwe, onvervaarde oogen, liep tusschen een drom edelen en verhaalde van de wonderdaden van prins Sogol. Ook had de prins met hem gesproken over de groote goden en hem afvallig gemaakt van Odin. De prins zou in Nervigo den nieuwen godsdienst invoeren, die den menschen moedig maakt en sterker dan al de kleine geesten van woud en stroom en de groote van de zeeën.
Voor een groot huis stond een schreiende vrouw.
Sogol hield zijn paard in.
„Wat deert di?” vroeg hij.
„Heer, mijn zoon u tegemoet rijdend, is van zijn ros gestort en ligt binnen met gebroken been!”
„Draag hem hier!” beval Sogol.
Hij steeg af van ’t paard en nu eerst zagen de Nervische edelen de hooge, waardige gestalte van hun nieuwen vorst.
Op een baar werd de zieke naar buiten gedragen. Sogol bevoelde de beide beenen van den jongen man. Het rechterbeen was bij den voet verstuikt, het linker had slechts een vleeschwond.
Sogol vroeg olie, wreef de voet met olie en rukte hem weder in ’t lid. Toen gebood hij de vleeschwonde met gekookt water schoon te wasschen, deed geplozen lijnwaad op de wonde leggen, verbond de wonde en beval den jongen man rust.
„Zal hij genezen?” vroeg de moeder.
„De volgende week verwacht ik hem op ’t kroningsfeest te Beldun!” antwoordde Sogol.
De moeder trad op Harimona toe en een tip van heur kleed grijpend, kuste zij de slip.
„Wotan were!” riep de zieke op de baar. En van alle zijden klonk een juichend „Wotan were! Wotan were!”
Het paard van Sogol, verschrikt door ’t geroep, begon te steigeren, stelde zich op de achterpooten met de voorpooten graaiend in de lucht.
De edelen zagen met bewondering, hoe Sogol het paard bedwong door de kracht zijner klemmende beenen.
Toen zij het dorp Waldsend bereikt hadden, waar de edelen, door kondschappers gewaarschuwd, in slagorde geschaard, mannen, vrouwen en jonkvrouwen, hem opwachten en het vorstelijk paar met een luid en herhaald: Wotan were! begroetten, traden zeven der oudste edellieden tot voor Sogol.
„Heer!” zei de woordvoerder, „de reis van Waldsend naar Frigsbeek, het naaste dorp op den weg naar Beldûn, is ver. Vóór den nacht is het niet te bereiken. Daarom smeeken wij di om de eer in onze stede te willen overnachten.”
„Wij zullen blijven,” antwoordde Sogol.
De zeven edellieden voerden hem door het dorp naar het groote Dinghus. Sogol en Harimona stegen af en traden het groote houten huis binnen.
Binnen in de hal brandde een groot houtvuur en terzijde waren zware eiken zetels met lederen kussens neergezet.
Links en rechts waren groote zijzalen. Daar ook waren groote houtvuren aangelegd en breede rustbedden met zachte pelzen belegd, stonden daarbij.
Sogol en Harimona zetten zich op de zetels voor den haard en rustten een wijle. Een edelvrouw met hare dochters naderde en vroeg wanneer de vorst en zijn bruid het maal wenschten te zien opgediend.
„Zoodra,” beval Sogol. „Buiten staan vijf Scandiërs. Laat ze binnentreden en disch voor hen op. Zij zijn vrienden van de Nerviërs.”
De vrouwen droegen groote kommen met warme wildbraadsoep, gebraden kippen, eierkoeken, rollen geperste hazelnoten en rood boschbessenkonfijt op. Zij zetten groote kommen met honingbier daarnevens.
Sogol en Harimona zaten aan en voor ’t eerst na vele weken, konden zij zich sterken aan een rustigen, welvoorzienen disch.
De vijf zeelieden traden beschroomd binnen, maar Sogol noodde ze aan zijn vorstelijke tafel en als gul gastheer gebood hij zijn nieuwen knaap, den zeelieden rijkelijk bier te schenken.
Maar hijzelf dronk matig. Nog steeds was hij er niet in geslaagd, een der vijf er toe te brengen, hem den weg naar het vreemde land te wijzen. Wel hadden Rytzell en de stuurman hem onderweg verhalen gedaan van ’t geen zij in ’t vreemde land, dat zij in hun taal Masar noemden, hadden beleefd en welke waren zij er heen brachten, barnsteen, gepolijste horens, bronzen knoopen en sluitspelden. Maar ’t meest toch verkregen zij door wapengeweld. Zij landden ’s nachts aan de kusten, sloegen hun mantels van stierhuid om met de horens boven op ’t hoofd en dan, onder gejoel en geschreeuw, stormden zij de dorpen binnen. De menschen, verschrikt door ’t geweld, meenden dat de duivels losgebroken waren en vluchtten uit hun huizen. Dan namen de lieden al wat hun behaagde en met hun buit snelden zij terug naar hun skig en zeilden snel weg of wanneer de wind niet gunstig was, werden de roeiriemen uitgestoken en de skig werd weggeroeid. Maar welke schatten in de Norigeensche skigge geborgen waren, had geen der zeelieden willen zeggen. Nu deed Sogol hun kroes na kroes volschenken.
Harimona, niet begrijpend maar ziende, dat de mannen beschonken raakten, stond op van tafel en door haar maagd gevolgd, ging zij naar het linksche zijvertrek om zich af te zonderen en rust te nemen. Zij liet de twee voorhangen van het toegangspoortje neervallen en legde zich op een der rustbedden neder, na heur maagd geboden te hebben, bij de edelvrouwen lijnwaad voor heur te halen en onderkleederen en voor een warm bad te zorgen.
Sogol zond alle aanwezigen uit het vertrek, behalve de vijf Norigenen.
Hij moedigde hen steeds maar tot drinken aan, zelf de kannen en kroezen vullend, hun zeggend, dat zij nu met den prins der Nerviërs dronken, maar dat zij zeker binnenkort met den koning der Nerviërs zouden drinken. Doch dan moesten zij niet zooals nu, kleine teugjes nemen gelijk kinderen, maar meer eer aan het brouwsel van ’t Nervische land schenken. Hij had altijd gehoord, dat de Nerigonen de beste drinkers waren van heel Germanje en hij hoopte dat hij zich niet vergist zou hebben.
De vijf zeelieden, hoewel ze al veel gedronken hadden, wilden niet de schande lijden, door den toekomstigen koning der Nerviërs geminacht te worden wegens hun gebrek aan dorst.
Sogol, ziende dat Rytzell een groote kan in een teug opdronk, knikte goedkeurend.
„Opperschipper,” zeide hij, „wie is thans koning van de Scandiërs?”
„Hallánder, heer!” [21]
„Zoudt di dijn koning mijn vriendschap willen gaan aanbieden?”
„De eer is groot, heer.”
„Zeg hem, dat Sogol, koning der Nerviërs, di zendt. Ik zal di een schoon zwaard medegeven om dijn koning te schenken en twaalf Nervische paarden met twaalf knechten.”
„Heer, du bent te goed voor mi...”
„Drink met mi, op het heil van koning Hallánder. Wotan were!”
Sogol hief zijn kroes op. De Scandiërs hieven hun kroezen eveneens op en ledigden ze tot op den bodem.
„Nu een lied, een Norigeensch lied!” riep Sogol.
Rytzell stond op en begon te zingen:
Een zeeman ging het zeegat uit, Al om ver weg te varen, En achter liet hij toen zijn bruid, Een meid met blonde haren.
Zijn liefje wachtte aan de heg, Alwaar de koetjes grazen. De skiggen voeren heel ver weg, De winden bleven blazen.
Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had, Zwom voor hem op de baren, Een meeremin in ’t pekelbad, Met lange, blonde haren.
De meermin sprak toen: „Schippersmaat, Ik kom di niet vervelen, De morgen rijst, het wordt al laat, Laat ons een beetje spelen.”
De zeeman zei: „Dou valsche kol, Ik ga met di niet mede, Speel di alleen dijn rolde bol, Mijn bruid wacht op de reede.”
De meermin sprak: „Dou domme maat, Dijn meid vrijt met een ander, Waarvan ze zich braaf kussen laat, Bij Wotan, ’t is een schande.”
Het meerwijf lonkte hem zoo zoet, Hij is haar gaan gelooven, De maat sprong bij haar in den vloed, Nooit kwam hij weer naar boven.
En aan het strand op verre ree, Stond toen de bruid te schreien, Zij stortte zich op ’t lest in zee, Daar rusten ze nu beien.
De andere zeelieden, goed beschonken, begonnen nu ook liedjes te zingen en Sogol, steeds zorgend dat de kroezen gevuld bleven, begon hen te roemen en voorzichtig uit te vragen naar den weg naar ’t vreemde land.
Rytzell, hoewel smoordronken, behield zijn geslotenheid. Maar de roes beving hem en hij stortte van de bank en bleef onder de tafel liggen ronken.
De manke stuurman, los van tong, begon nu van het vreemde land te vertellen. Het was een verward dronkemans verhaal, vol leugens en verdichtsels en hij vertelde de geschiedenis van zijn gevangenzetting en verlossing door de boschniksen alsof zij in ’t land Masar was voorgevallen. Maar tusschen het dronkenmansgelol door hoorde Sogol, dat de schepen altoos gericht werden links van de ster Raíts, zoodat met deze steeds recht achter de nôta van de skig moest zien. Op den terugtocht moest men weder op Raíts aanvaren, zoodat de ster nu recht voor den boeg stond.
Ook vernam hij, dat in ’t vreemde land niet aan Odin geloofd werd en niet aan Wotan, noch aan Thor of Freya. Zij hadden daar een vreemden god, die onzichtbaar was en de deugdzamen gingen stervend op in het niet. Maar de slechten werden na den dood in dieren veranderd, tot zij door leed gereinigd waren.
Meer dan dat kon hij niet te weten komen, want de zeelieden begonnen liedjes te lollen en vielen daarna één voor één terzij van hun zetels en begonnen te ronken.
Toen was Sogol tevreden. Hij riep edelen naar binnen en beval, dat men de dronken lieden naar hun rustbedden zou leiden.
De edellieden, ziende dat allen dronken waren behalve Sogol, voelden grooten eerbied voor den jongen vorst, die blijkbaar zoo goed drinken kon.
Nu ook legde Sogol zich ter ruste. Maar tegen den avond stond hij op, riep de oudsten der edelen bijeen en liet hen in de groote hal, zittend rondom het houtvuur, dat het vertrek met zachten rossen gloed verlichtte, verhalen wat in ’t land gebeurd was, sedert hij het had verlaten.
En vol verwondering hoorde hij van koning Kundric en zijn strijdvrouwen. Van de twisten tusschen de mannen en de vrouwen en van de regeering van koning Solbert, die de edelen had geknecht en de knechten geadeld en nu met de vrijgelatenen wachtte op den beslissenden slag, die de edelen hoopten onder Sogols aanvoering te zullen winnen.
In den nacht was Sogol weder alleen. Maar zijn gedachten waren niet bij de staatszaken.
Hij peinsde over het vreemde land, het wondere Masar, dat lag tegenover de ster Raíts en waar een god was, wiens zaligheid in vernietiging bestond.
En in zijn nachtdroom voer hij op een groote skig, over verre groene zeeën naar een heilig wit land, dat aan den einder oprees.
HOOFDSTUK XVI.
Koning Mise had een groot feestmaal doen aanrichten. Alle voorname Velagers waren uitgenoodigd en ook waren voorname Bedekauwers tot het feest toegelaten, hoewel zij arm waren, daar zij gedurende den winter dure leeftocht hadden moeten koopen voor de schatten, die op hun eiland waren opgekoopt. Het graan was tegen goud opgewogen en honig of kaas was bijna niet te krijgen geweest.
Maar Mise had gewild, dat ook de Bedekauwers zouden hooren hoe heldhaftig hij, de eens gesmade, zich op den tocht naar Renigo gedragen had.
Sedert den dood van hun heer waren Hall, Hamm en Hann in droevige stemming. Mager als geesten, in lompen gehuld, zwierven ze bedelend rond op ’t eiland, altoos sprekend over hun goeden koning Gise, die zoo ongelukkig aan zijn eind was gekomen.
Soms werden zij door Mise naar Veloog geroepen en voor een goed maal lieten de drie hongerhalzen zich vinden om een wedstrijd in ’t sprokespreken aan te gaan met Pill, Pimm en Pinn. Maar het was een onbegonnen werk, want koning Mise keurde al te voren hun sproken af en prees de sproken van Pill, Pimm en Pinn, hoewel de drie door ’t goede leven en de eer opgeblazen fluizen waren geworden, niet meer in staat een hartig woord te zeggen. Ze waren nu lafhartige en laaghartige vleiers en hun sproken bevatten niets anders dan de verheerlijking van koning Mise.
Tot diens geringste daden werden door de drie, hooggeroemd met overdreven woorden. Maar Mise was daarmede nog altijd niet tevreden en zoover gingen toen Pill, Pimm en Pinn, dat toen koning Mise eens, na een drinkgelag zichzelf en de gasten bekotst had, Pill sprak:
De kots van den koning, Smaakt zoet als honing.
Pimm zeide:
’t Volk in óvervloeden leeft, Als zijn koning overgeeft.
Pinn sprak:
Toen Mise véél gedronken had, Gaf hij den gasten elk nog wat.
Maar eindelijk vonden Hall, Hamm en Hann een middel om hun gedachten te uiten zonder gevaar te loopen getuchtigd te worden. In de bitterheid huns harten zeiden zij in hun sproken en boerden wat zij van Koning Mise meenden, maar zij deden alsof zij niet koning Mise maar koning Gise bedoelden.
Dan lachte koning Mise en alle Velagers lachten, tevreden dat de doode koning nog in zijn graf bespot werd en dat wèl door zijn eigen sproke-sprekers.
Hall, Hamm en Hann lachten dan ook met een bitteren grim en zoo dikwijls grimden zij, dat hun gezicht gram ging staan en om hun monden altoos een grijnslach speelde, die hun magere gelaten afschrikwekkend maakten.
Ook op het groote feest, waar de „Misère,” zoo was de titel van het heldendicht op de reis van den dapperen koning Mise naar ’t land van Renigo, zou worden voorgedragen door Pill, waren Hall, Hamm en Hann aanwezig. En zij stonden in zwarte pijen met de hoofden dicht bij elkaar, achter in de hal toe te luisteren en onder hun donkere pijen balden zij de vuisten, en hun mondhoeken trokken ze zoo ver naar achter van verbeten woede, dat hun lange, blauwe tanden te voorschijn kwamen.
Koning Mise, in een purper gewaad met breede, hermelijnen boorden en een groote kroon op ’t hoofd, zat op een gouden zetel, op een troon hoog boven de gasten uit, opdat tijdens de voordracht, de lieden den held van het heldendicht goed zouden kunnen zien. Want koning Mise wilde breken met het gebruik van den tijd, om helden eerst na hun dood te bezingen en ze als goden te verheerlijken. Hij wilde van zijn heldhaftigheid nog tijdens zijn leven genieten, en den indruk te zien, die het verhaal van zijn daden op het menschdom maakte.
Zoo zat hij dan hoog op den troon, goed voor allen zichtbaar en in zijn rechterhand hield hij een zwaard om bij de zinnen, waar dat te pas kwam, aan te toonen op welke wijze hij van het wapen gebruik had gemaakt om de gruwelijke monsters, draken en roovers te vellen.
Naast den troon was een stellage gemaakt met groene doeken behangen en in ’t midden daarop stond Pill, in een lang gewaad van fijngeweven, witte lamswol. Ter zijde stonden Pimm en Pinn, eveneens in blanke lamswollen gewaden.
Toen het dan stil was geworden, verhief Pill zijn stem en riep:
MISÈRE.
Pimm schreeuwde het eerste deel van den ondertitel uit:
„Of de waarachtige, heldhaftige daden van den hoogverheven, doorluchtigen, onversaagden, rechtvaardigen en zedigen koning Mise, beheerscher van Veloog....”
En Pinn besloot:
„Hoe dezelve, na in armoede en nederigheid te zijn uitgetrokken naar het verre land van Renigo, in gezelschap van den overmoedigen en weelderigen koning Gise van Bedekoog, om velerlei avontuur en gestadigen kamp, door den edelen hoogepriester Maresag wordt geschat om zijn kennis en wijsheid, door de heilige maagd in liefde wordt ontvangen en na haar gunst deelachtig te zijn geworden, met schatten beladen huiswaarts keert, alwaar het wonder van de uitdieping der fioord, tot loon van ’s konings deugdzaamheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid en godvruchtigheid, door Harimona’s toovermacht heeft plaats gehad.”
Een luid gejuich ging op uit de rijen der gasten. Koning Mise groette met zijn pronkzwaard dankend en wenkte dat men zwijgen zou, daar er nog meer kwam.
„Terwijl,” sprak Pimm,—de zin van Pinn weder voortzettend, „de overmoedige en grootsprekende koning Gise van Bedekoog, na door koning Mise uit velerlei gevaar te zijn gered, te Renigo aankomend, zoodanig het misnoegen van den hoogepriester Maresag en de heilige jonkvrouw Harimona verwekt, dat hij door de wacht wordt uitgedreven, op een ellendige ezelkar, gelijk een bedelaar en verachtenswaardige schooier, naar zijn rijk terugkeert, alwaar hij, door de toovermacht der hoogheerlijke vroede en alwijze jonkvrouw Harimona, zetelend in de heilige haag van Renigo, de fioord verzand vindt en ervarende, welke rampen hij, door zijn zedeloosheid, lafheid en eerloosheid over zijn volk heeft gebracht, zichzelf ellendiglijk den dood geeft. Slot!”
Een gejoel en gesis van verachting steeg op. De drie sproke-sprekers in de zwarte pijen, gingen nog dichter bij elkaar staan, zoodat hun kappen elkaars gezichten verborgen en niemand zag, dat de grijnzen om hun monden nog verbetener werden en hun holle oogen vochtig.
Nu breidde Pill de armen uit en met luider stem zeide hij op:
Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her; Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr, Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne, Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.
En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier, Geheeten was hij Giseman, zijn vader heette Tsier, Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood, En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.
De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed, Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed. Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht, Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.
De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur, En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur, De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog, Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.
Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof, Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof, In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd, Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.
Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel, Zij achtte niet op goud of goed, maar op wie haar beviel, En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit, Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.
De haven nu van Velago, die was heel dik verzand, En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land, Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee, Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.
De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw, Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou, Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand, Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.
De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw, Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou, Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid, Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.
De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag, En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach, Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal, De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.
De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep, Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep. Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag, Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.
De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau, Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw, En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen, Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.
Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht, Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht. De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek, En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.
Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer, En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer. Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid, Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.
De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag, En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag, De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk, De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.
Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest, De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd. Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên, En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.
De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard, Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard. De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak, En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.
Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo, Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo, Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman, En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.
Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond, En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond, Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans, Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.
Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot, Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood. De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek, En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.
Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man, Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan. Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn, En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.
Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd, Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd. Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min, Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.
Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon, En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon. De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit, Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.