Part 25
En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden tot Wotan.... „Groote Wot, spaar ons voor den oorlog.... drie vaarzen zal ik di offeren.... drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder vlek.... geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de schoften en niet op de borst.... Groote Wot, spaar ons voor de Frisen....”
Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:
Nerthus zal di garen, Nerthus zal di baren,
en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen ochtend, sleepte een berenvel bij de zakken en strekte zich op ’t vel uit en sliep in, het groote, grofgehouwen hoofd schuin tegen den graanzak geleund en de al grijzende, roodblonde baard, beschermend er voor....
En nog in zijn slaap, kneep soms plots de rechterhand zich ballend samen, alsof hij den boom van den ploeg omknelde of den steel van de saks.
HOOFDSTUK XIII.
Koning Solbert, die door vele boodschappers werd ingelicht, hoe groot de gisting was in zijn rijk, besloot zelf aan ’t hoofd van een schaar, Sogol en Harimona tegemoet te gaan om Sogol tot een zwaardgevecht te nooden. Maar eerst toen hij de schaar wilde vormen, ervoer hij hoe groot de invloed van den kroonpretendent was. Want de hertogen weigerden eensgezind op te komen. Daarentegen stroomden de arme vrijen toe, maar ook vele hoorigen, het gevaar van de gruwelijke straffen, die op ’t wegloopen gesteld waren, trotseerend, vluchtten van de gebieden, tot welks grond zij behoorden, en kwamen hun dienst aanbieden aan hun koning. Solbert deed toen door zijn herauten verkondigen, dat hij de hertogen wegens ontrouw en verraad bij het Groote Ding zou aanklagen en hun verbood, zich van hun haardsteden [17] te verwijderen. Daarentegen beloofde hij vrijdom aan elken hoorige, die zich trouw jegens den koning betoonde.
Toen ontstond er groote verwarring in het land. Want de hoorigen vluchtten allen van de gronden, waarop zij behoorden naar de residentie en boden zich voor ’t leger van Solbert aan die, wel voorziende dat hij, wanneer hij er niet in slagen zou Sogol onschadelijk te maken voor hij het Nervische gebied had betreden, een oorlog zou te voeren hebben tegen de edelen van zijn eigen rijk, volgens zijn koningsrecht al de hoorigen vrij verklaarde en ze van wapens voorzag. Daar er echter niet genoeg kort- en langzwaarden aanwezig waren voor zoo’n groot leger, want de wegen waren gevuld met dichte scharen hoorigen, die met vrouw en kinderen optrokken naar Waberloo, om hun vrijheid te verkrijgen, de hoorigen van de goederen aan de wegen onderwijl aansporend om mede op te trekken met hen, liet hij frammen, celten, saksen, goedendags, vuursteenbijlen, aaksten, slingers uitdeelen uit de arsenalen en toen er nog altijd te weinig wapens waren, stuurde hij de hoorigen naar zijn bosschen om knodsen te snijden.
De hertogen op hun beurt vormden ook een leger. Wel waren zij aanzienlijk minder in aantal, maar zij rekenden op hun grootere bedrevenheid in den wapenhandel, hun lange slagzwaarden en hun paarden.
Solbert trachtte in den korten tijd, die hem restte, zooveel mogelijk een ordelijk leger van de hoorigen te vormen. Hij stelde ze op in slagorde, regelde de afdeelingen naar de wapens, leerde ze de stormloopen, langzaam aan te vangen om niet bij aankomst aan de vijandelijke linie, amechtig te zijn. Nu eerst echter begon hij te begrijpen, waarom het grauw zoo hard door de heeren werd behandeld. Want hoewel zij voor de vrijheid, het hoogste goed, zouden strijden, was er onder hen geen eensgezindheid. Solbert had voor elke groep van vijftig, hoofdlieden aangesteld. Doch de hoorigen waren er niet toe te bewegen, de bevelen van deze hoofdlieden op te volgen, zeggend dat zij hun hooggeboren heeren niet waren ontloopen om zich onder ’t bevel van huns gelijken te stellen. De hoofdlieden daarentegen, overmoedig en opgeblazen, waren streng en harteloos en er ging geen dag voorbij of de afdeelingen vochten onder elkaar, sloegen hun hoofdmannen neer of de hoofdmannen straften hun onderhoorigen op dezelfde gruwelijke manier, die Solbert vroeger den heeren had verboden.
De leeftocht werd karig. Hoewel er in Waberloo groote kuilen met graan waren, daar de wintertijd was aangebroken en Solbert altoos voorbereid was geweest op aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen hongersnood heerschte, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een groot leger van schooiers te moeten onderhouden.
De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen ’s nachts naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.
Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die elkaars vrouwen tot echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten sleepten, zeker van straffeloosheid.
Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen. Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.
Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op het Ding de rechten van den koning altoos trachten te beperken en hem hun wil op willen dringen, maar trouw waren ze geweest en nooit zouden zij beproefd hebben het koningschap aan te randen.
De hertogen echter, die door boodschappers bericht ontvingen, dat koning Solbert een onderhoud met hen verlangden, vermoedden een krijgslist en lieten antwoorden, dat zij geen koning Solbert kenden maar alleen een koning Sogol, die elken dag verwacht werd en bij zijn aankomst door het Ding zou worden tot koning uitgeroepen.
Solbert nu, ziende dat hij door de edelen voor goed verstooten was en op de vrijgelatenen geen invloed kon uitoefenen, peinsde er over zijn rijk te verlaten en ver, in ’t land der Galliërs, zich terug te trekken om daar vergeten te gaan leven. Maar hij dacht aan Harimona en zijn verlangen om de schoone, heilige vrouw te zien was zoo sterk, dat hij niet besluiten kon weg te trekken. Zoo leefde hij dan in dagen vol onrust, hoofd van een bende vrijgelatenen, die elk oogenblik tot muiterij geneigd, hem alleen nog slechts tijdelijk een schijn van macht toestonden, omdat zij hem nog noodig hadden als aanvoerder in den aanstaanden strijd tegen de edelen. Maar zijn hart was al aan de zijde van degenen, die hij beoorlogen moest en hij zinde er op, de vrijgelatenen een smadelijken nederlaag te doen lijden, opdat zij opnieuw tot hoorigen zouden gemaakt worden, zoo zich wrekende wegens hun ondankbaarheid, ontrouw en verwatenheid.
De hertogen onderwijl hadden zich gereed gemaakt voor den grooten slag. Zij hadden de aanvoerders der afdeelingen benoemd, rustingen en slagzwaarden in gereedheid gezet en de paarden geoefend.
Doch het aantal der edelen was gering tegenover dat der vrijgelatenen en zij hadden zelfs geen dienstknechten, die de leeftocht-wagens zouden sturen en de nood-paarden gereed houden voor de strijders, wien ’t paard onder het lichaam werd gedood.
Toen kwam een edelvrouw, Vote genaamd, die vroeger tot de krijgsmaagden van koning Kundric behoord had, naar den Raad der Hertogen en bood zichzelve aan om een leeftocht-wagen te sturen, of een nood-paard gereed te houden.
De hertogen beraadslaagden en zij kwamen op het denkbeeld de edelvrouwen allen op te roepen om hen te helpen in den strijd tegen het grauw onder aanvoering van koning Solbert. De edelvrouwen nu, allen verbitterd op koning Solbert, die haar van heur dienstmaagden had beroofd, zoodat zij met hare dochters moesten arbeiden als slavinnen, waren blijde, hun mans te kunnen bijstaan. Ook waren zij in heur hart den nieuwen koning, die met een heilige vrouw naderde toegedaan, wel beseffend, dat zij weder tot aanzien zouden geraken. De strijdmaagden, waarvan er nu velen getrouwd waren, begonnen zich weder in ’t paardrijden te oefenen en leerden ook de andere vrouwen het rijden en strijden te paard. Zoo dan was in korten tijd het leger van de edelen, dank zij het aanbod van vrouwe Vote, ruim verdriedubbeld en de edelen hadden nu wagenvoerders en noodpaarden.
Maar hoewel het reeds was gaan vriezen, nog altijd kwamen Sogol en Harimona niet.
De edelen begonnen ongerust te worden en enkele van de vroegere strijdmaagden zeiden te vreezen, dat Sogol en de heilige vrouw door de andere strijdmaagden van Kundric, die nog in het woud waren gebleven, misschien waren overrompeld en gedood of gevangen gehouden.
Deze veronderstelling vond veel geloof toen Scandische zeelieden, teruggekomen van een reis naar het verre land en naar het land der Nerviërs getrokken om daar den winter door te brengen, daar de tocht naar het verre Scandia in den winter niet te volvoeren was en hun skigge na de groote reis te wrak waren om de winterstormen te kunnen doorstaan, verklaarden in het woud door niksen te zijn vervolgd, die hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een duivel in het vreemde land in ’t been was getroffen en daarom niet goed had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.
Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in ’t bosch maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden, waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.
Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.
Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee verdwenen.
Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de wereldzee heetten met reuzendieren, zwarte duivels, draken en reuzen te kampen, aan den haal waren gegaan voor een troepje naakte boschwijven.
Toen vereenigden de twaalf Scandische matrozen zich en trokken opnieuw naar het gevaarlijke woud, de messen scherp gewet in de gordels en vastbesloten, ter wille van hun eer, de boschwijven op te gaan vangen en ze als gevangenen naar het Nervische gebied te brengen.
HOOFDSTUK XIV.
Midden in het bosch, aan de grens van het Nervische gebied, was Sogol ’s morgens ontwaakt, door een snijdende pijn in de polsen. Hij had gedroomd, dat een kobold hem met een zwaard de handen afsloeg.
Toen hij ontwaakte bemerkte hij, dat hij in een donker vertrek was en dat zijn polsen en enkels gebonden waren met dunne, snijdende riemen.
„Harimona!” riep hij.
Zijn stem klonk hol en daaruit leidde hij af, dat hij zich in een gewelf bevond.
„Haun!” riep hij, „Haun! Haun!”
Maar hij kreeg geen antwoord. Hij trachtte zich nu op te richten, maar hij ervoer, dat hij ook met een riem, die om de bovenarmen liep, ruggelings aan den grond was bevestigd.
Hij rukte even met zacht geweld om de kracht zijner boeien te meten. Ze waren zoo sterk, dat hij er niet aan behoefde te denken, ze stuk te trekken.
Het was zwart duister om hem heen, zonder zelfs een schemer licht. Sogol begreep, dat hij gevangen genomen moest zijn tijdens zijn slaap; dat men hem geboeid had en dat Harimona en Haun eveneens òf gevangen òf verjaagd waren. Meer kon hij niet te weten komen. Het beste was zich kalm te houden en af te wachten. Voorloopig overtuigde hij zich ervan of hij nog ’t gebruik van al zijn ledematen had. Ja, zijn knieën kon hij nog buigen, zijn vingers bewegen en behalve het schrijnen van de striemen der riemen om zijn polsen, voelde hij geen pijn. Maar wel was zijn keel droog en had hij een grooten dorst. Doch zijn eigen lichamelijke kwalen telde hij weinig. Waar was Harimona? Lag ze ook zoo als hij, vastgebonden en versmachtend in een donker hol? Hij wilde weer roepen maar bedacht zich. Waarom zijn bewakers te wekken? De wijze, waarop zij hem gevangen hadden genomen en hier gevangen gezet bewees voldoende, dat zij hem kwaad wilden. Wie waren zijn gevangennemers? En hoe hadden ze hem zoo kunnen binden, zonder dat hij ontwaakt was?
Het zware, doezelige gevoel in zijn hoofd, de dorst gaven hem een aanwijzing. Hij moest zeker te voren door kruidendamp bedwelmd zijn geworden.
Sogol bracht zijn hoofd wat naar voren en berook zijn naakte, harige borst. En hij herkende den geur van ’t ginneblad, dat ook op feestdagen gebrand wordt in de heilige hagen, waar de priesters en priesteressen zich er door laten verhitten en dan tot zinneloozen lust worden geprikkeld. Maar wie te veel van den rook van ’t geroosterde ginneblad opsnuift, verliest het bewustzijn en valt in een diepen slaap, waaruit men niet altoos ontwaakt.
Hij was dus gevangen genomen òf door priesters of door vrouwen. Want mannen, zelfs de meest schunnige roover, zou een vijand niet op deze wijze onschadelijk maken.
Maar hoe lang had hij geslapen? En waren zijn gevangennemers wellicht overtuigd geweest, dat hij den doodslaap wel slapen zou en hadden zij hem hier zoo gebonden, levend in een graf gelegd?
Weer wilde hij schreeuwen, maar zijn instinct hield hem ervan terug. Neen, hij moest voorloopig zwijgen en stil onderzoeken. Hij was nu al zoo ver, dat hij wist, waardoor hij bedwelmd was en iets kon vermoeden van de persoonlijkheid zijner vijanden. Een poosje lag hij stil om tot rust te komen. Zoo hier te blijven liggen en te sterven ... was dat wel zoo vreeselijk? Die korte tijd van honger en dorst zou niet eeuwig duren. Maar wat dan?
Hij strekte zich lang en recht uit, als een die gestorven is en sloot de oogen, die vermoeid werden van in ’t duister zien en peinsde over den dood.
Hier lag hij nu, onverwrikbaar vastgebonden, in een levend graf. Zou de dood nu werkelijk een verlossing zijn? Wanneer zijn levensgeest was geweken, zou dit lichaam, dat nu nog ademde, welks zwaarte hij nu nog voelde, dat zijn levenskracht verraadde door ’t kloppen van ’t hart, het zware bonzen van de slapen, het zweeten van ’t voorhoofd, hier dan liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vergaan, weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke brei, waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand was al ’t vleesch vergaan en zijn beenderen zouden bloot komen, uitdrogen en op een dag, wellicht na eeuwen zou door een toeval een voorbijganger zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij ’t onderaardsche meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zijn doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd, waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen, waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen had, maar ook hij zou voor het geheim staan van het zwijgende graf en de mond, die nu nog kon roepen en spreken, zou dan een afgrijselijken, breeden grijnslach vertoonen met de witte tanden dreigend als in den bek van een dier. Zou daarmede dan alles gedaan zijn?... En als de beenderen verbrand werden en een hoopje asch in een urn lei of de asch werd verstrooid door de winden... was dan hij Sogol ook voorgoed verstrooid en niet weer te vinden uit den baaierd...?
Of was daar dan werkelijk een ander leven, een leven buiten dit, dat niet gebonden was aan aardsche banden, niet vastgeketend kon worden gelijk dit lichaam nu, dat hij op dit oogenblik voelde als iets vreemds, als iets dat niet van hem was, iets pijnlijks en wreeds dat hem vastbond aan een aardsch bestaan, een andere keten maar inderdaad gelijk aan de riemen, die hem nu vasthielden aan den rotsigen grond.
Waar gingen de gedachten heen uit zijn hoofd?
Die waren vrij en niet gebonden aan zijn lichaam. Want zie, nu lag hij hier toch vastgeriemd zoo, dat hij zich zelfs niet geheel kon oprichten en alles om hem heen was zwartdonker en hij hoorde geen geluid en wist niet waar hij was noch hoe hij hier gekomen was. En toch, in zijn hoofd, daar achter zijn voorhoofd, woelden gedachten en voorstellingen, plannen, overleggingen, berekeningen. Hij kon zich verbeelden vrij te zijn en te zweven uit dit donkere hol ver naar de vrijheid en hoog boven de landen, steeds hooger, hooger, gelijk een arend, die naar de zon vliegt... o nog hooger, nog hooger...
Neen, neen, neen... hooger niet... daar in de blauwe luchten begon het groote geheim weder en daar vond zijn vrije geest die andere riemen, die hem vastsnoerden in een ander gewelf, dat maar schijnbaar vrij en helder en doorzichtig en licht was, doch inderdaad al even donker als dit hier, waaronder hij nu vastgebonden lag...
En in dat andere gewelf zou de geest ook verpulveren in den baaierd, zooals zijn lichaam hier in dit zwarte hol.. wellicht, wellicht, wellicht, want iets ontzwond zijn lichaam dan toch en was niet door de riemen hier gebonden, die hij voelde schrijnen... En iets wellicht zou ook weer den geest ontzwinden, wanneer die zich oploste in de ruimte van het hemelgewelf zooals een brandoffer-geur, weggewaaid door den wind... en uit dien geest, zwevend in hoogere ruimte zou eens weder een fijnere geest opstijgen en uit dien weder een eeuwig, eeuwig, eeuwig, in gestadige fijnere, hoogere ontwikkeling, verrijzend steeds schooner uit zichzelf.
Hij lag zoo in het donker te peinzen. Nu hoorde hij een dof, klotsend geluid alsof er ver een paard liep.... Hij legde zijn oor op den bodem.... luisterde aandachtig met zijn scherp gehoor.... Dat was zijn paard.... hij herkende het aan ’t rhythme van ’t geklakkel der hoeven....
Maar de gedachte aan het geheim van den dood nam zoo zijn denken in beslag, dat hij niet zich bezighield met dat geluid, dat wellicht bevrijding kon beteekenen, maar bleef zweven met zijn gedachten in de ijle ruimten ver boven de aarde, waar de zielen konden zweven en zich van trap tot trap ontwikkelen tot hoogere volmaking.
Maar weer hoorde hij ’t geklikkeklak der paardehoeven en nu ook een zacht hinniken....
Ja... wèl was het zijn paard... Zijn paard ... zijn trouw, goed, groot paard, dat zijn meester misschien kwam zoeken...
Zou het hem vinden? Had het besef er van, dat hij hier in nood verkeerde? Hoe dikwijls nu al, gedurende de lange reis van de Renigo naar Nervië, had hij in gepeinzen gekeken naar dien grooten kop van zijn paard. En ook vaak had hij getuurd in de groote bruine oogen, zich afvragend wat die wilden zeggen, van welke ziel zij de spiegel waren. En welke gedachten huisden achter dat zware, groote been tusschen de twee ooren. In den haag van Lagdûn waren witte paarden, die voor heilig werden gehouden en uit hun brieschen voorspelden er de priesters de toekomst. Wanneer de groote koningen en zelfs de hertogen gestorven waren, doodde men in sommige streken hun hengsten en verbrandde de lijken van de paarden tegelijk met die van hun heeren, opdat deze in ’t Walhalla hun lievelingsros weder zouden kunnen bestijgen. Hadden de dieren ook een ziel? Steeg hun ziel ook op na den dood, bevrijd van aardsche slaafschheid? Ging hun ziel ook van trap tot trap hooger in een voortdurende ontwikkeling de hoogste volmaking tegemoet?
Wat was de ziel? Leefde zij zonder lichaam.... als een wind of als een geur of als een zonnestraal? [18]
En wanneer de dieren allen een ziel hadden, was dan na den dood de ziel van een laffen haas gelijk aan die van een moedigen ever? Of kwam de ziel van den haas, na diens dood tot hoogere volmaaktheid gekomen, in een hooger dier wonen, in een dier met grooteren moed en kracht?
Sogol bleef even geheel gedachteloos liggen. Het was hem of hier, in deze donkere krocht, waar hij machteloos en eenzaam te versmachten lag, opeens het groote licht des levens opging.
Hij voelde een grootsche, een alomvattende gedachte komen, maar weifelde om haar toe te laten in zijn hoofd.. Het was vrees en genot tegelijkertijd, dat wachten op de groote openbaring van zijn rede.... Wellicht... wellicht... wellicht.... o, hoe durfde hij die gedachte aan.... wellicht was de ziel van al wat leefde één wezen, maar zooals de lucht één ding was en toch elk levend wezen naar zijn aard en behoefte zijn deel van die lucht inademde, zoo kon dan ook elk een deel van die àl-ziel in zich omvatten en stervend zijn deel weer teruggeven, zooals de ademtocht teruggegeven werd.... Het heele leven zou niet anders dan één lange ademtocht zijn, ingehaald bij de geboorte en uitgezucht bij den dood.... De ziel van elk dier, ook het geringste, ware het een luis of een vlooi, was een gedeelte van dezelfde alziel van den mensch.... En het deel der alziel, dat heden in een luis leefde, zou na lange tijden van uit- en inademing, door verschillende trappen eindelijk den edelsten mensch kunnen bewonen. Daarna... ging dan dat zielsdeel voort in ontwikkeling zich vervolmakend, zou het den goden gaan bewonen? Was er dus waarheid in de sagen, die van de oude helden goden maakten?... [19] Begon dan de hemel reeds op aarde? En bij het kleinste, minst ontwikkelde dier? Wat zou het minst ontwikkelde dier wel zijn?
De slak? De oorworm? De oester? De zeester? Ja.... bij de zeester zouden de levende dieren zeker aanvangen... zonder kop, zonder oogen, zonder schelp.... Hij had ze dikwijls op het Nervische strand gezien, als jongen ze wel ’s morgens gezocht na den vloed, als ze nog leefden en de vijf punten bewogen. Ze hadden ze in de zon gedroogd, hij en de andere knapen en ze aan een draad geregen en op de borst gedragen. Lag er bedoeling in den vorm van dit dier, dat bijna op een plant geleek? Een ster was de aanvang van alle leven.... O, mocht ik bevrijd worden... De ster zou mijn zinnebeeld zijn en op mijn wapenschild zal ik haar afbeelden....