Part 2
De vorst was ter aarde gevallen en had vergiffenis gesmeed. Zij had hem als boete opgelegd blootsvoets en steeds achterwaarts gaande naar zijn rijk terug te keeren. Daar aangekomen, was hij van uitputting gestorven, niet vóór dat hij openlijk zijn zonde had beleden. En toen was zijn dochter gedood en daarmede was het geslacht der groote Chatten-vorsten ten einde en het rijk was gekomen onder een vorst uit ’t Rijnlandsche geslacht.
In het land der Brukteren was een vruchtbare streek, een groot, groot land maar het bleef woest en onbewoond, hoewel de stam der Brukteren zoo veel mannen telde, dat vrijen en edelen zich als hoorigen verpandden in de andere ouwen, daar ze in ’t eigen land verhongerden. Die vruchtbare streek dan bleef onbewoond en onbebouwd omdat Thor ze haatte. Niet zoodra waren er woningen gebouwd of de bliksem sloeg uit de lucht en doodde menschen en vee en zette de huizen in brand. Harimona had toen bevolen, dat voor elk huis en in elke weide een speer zou worden opgesteld zoo hoog als drie mannen boven elkaar en geheel van ijzer. De spits moest gewijd worden met het heilige teeken van het driebeen en de voet met het heilige teeken van het klaverblad. De speren zonden allen gewijd zijn aan de Harjazzi, de donkere ruiters van over de bergen, die Thors lijfwacht vormen.
En hoewel menigeen twijfelde, toch bleek het waar en een ieder kon zich er van overtuigen, gelijk menigeen deed, dat de gouden speren van Thor nu niet meer in de woningen sloegen en niet meer de menschen en de dieren doodden, maar vochten met de speren aan de Harjazzi gewijd en in de diepe aarde zonken en daar verdwenen. Dat kon ieder zien, die twijfelde aan de goddelijke gaven van Harimona. [1]
Want er waren ook twijfelaars en er waren er zelfs, die zeiden dat Harimona een vaderloos kind was voor allen, behalve voor dien aartsschelm van een Maresag, die groote schuren moest bouwen om de rijke offergaven te bergen, die van aller heeren landen werden aangedragen, goud en zilver en brons en wapens en lijnwaad en barnsteen en kostbare houtsoorten en prachtige pelzen. Ook ging het gerucht, dat Anertha vermoord was geworden evenals het kind van Recka, de voedstermoeder. Wie kon bewijzen, dat Anertha door den wilden man was geschoffeerd?
Maar dat zeide men alleen, wanneer er véél gedronken was of ’s winters, als men dagen achtereen in de hutten voor ’t haardvuur zat en niets meer wist te vertellen en nu in de vertrouwde sipschaft wel waagde te spreken over iets, dat daarbuiten geuit en aan Maresag overgebracht, zeker met het uitsnijden van de tong des lasteraars zou bestraft worden.
HOOFDSTUK III.
De jonge prins Istovar van Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Frisen, had de mare vernomen van de bruid Harimona, die door veel dappere daden gewonnen kon worden. De prinsessen van bloede waren uitgestorven en Tjilbard, de koning had het goedgevonden, dat zijn zoon de wonderprinses ging ten houwelijk winnen.
Hij had zijn zoon uitgerust met veel praal en staatsie. Prins Istovar kreeg het witte ros Zeven om te berijden. Het was de zoon van het beroemde ros Edem, dat in den strijd tegen de Sutoren, die de Frisen hadden willen verdringen, door zeven speren gewond, zonder berijder, toch was blijven medestrijden, inrennend op de horden der Sutoren en ze met zijn hoeven verpletterend. Zeven werd getooid met gouden schellekens in zijn manen, zoodat het schoone dier bij elke beweging van den korten hals een liefelijk geklingel deed hooren. Voorts kreeg Istovar mede, het kortzwaard Thoering, dat gesmeed was door een toovenaar in het land der zwarte lieden en door een koning van Scandia aan den vader van Tjilbard was ten geschenke gegeven.
Dit zwaard was met de spits gedoopt in ’t eeuwige vuur en wien met de spits ook maar de kleinste wonde werd toegebracht, moest sterven. Doch wie een slag kreeg met de scherpe snee, die kreeg slechts een wond, gelijk aan de wonden, door gewone zwaarden toegebracht. Dit nu was het geheim van Thoering. Wanneer men een gevaarlijken vijand had, die met overmacht, list of toovermiddelen vocht, bracht men hem bij den eersten strijdgang een kleine wonde toe met de spits van Thoering. Dan kon men rustig verder strijden en zich alleen tot de verdediging bepalen. Want zeker zou de vijand sterven aan de kleine wonde, die hij immers geen aandacht schonk en niet zooals een groote wond deed verbinden of sluiten met gesmolten was. Op ’t hoofd droeg Istovar den bronzen helm van zijn geslacht, om de armen de bronzen schermringen, waarop een zwaard afstuitte, op de borst de twee bronzen bukkels, kegelvormig waarop de speer of de pijl afgleed. Tot reisgeleide gaf koning Tjilbard zijn zoon, negen-en-veertig uitgelezen mannen, onder ’t bevel van Melle, den trouwen Leekenaar, beproefden boogschutter, in ’t schijfwerpen de beste van alle Frisen en vervaarlijk vechter met de saks, met de fram en met het steenen mes.
Zij hadden, voor zij in Rijnlanden aankwamen, velerlei avontuur gehad. Aan de grens van het Batouwsche gebied hadden verarmde Batouwers, die in drie oogsten al geen graan hadden kunnen binnenhalen, hun opgewacht en als prijs voor het doortrekken van hun gebied gevraagd voor elken man zooveel graan als op zijn schild kon liggen en voor den prins zelf zooveel graan als tusschen de pooten van Zeven kon gestort worden. Prins Istovar had geweigerd, omdat een prins van Mjellego zich geen schatting laat opleggen. Hij had daarom zijn mannen in de slagorde gesteld en Melle stond gereed om den aanval te leiden toen de Batouwers, anders dappere mannen, die samen met de Frisen tegen de Sutoren hadden gestreden, zeiden dat zij niet zich te weer zouden stellen omdat Sigbert, de hoofdman van de ouw, op reis was met zijn drie zonen.
Zoo trokken zij dan ongehinderd door de Batouw maar toen prins Istovar zag hoe schriklijk mager de vrouwen ende maagden waren, om nog niet te spreken van het vee en de huishonden, voelde hij ontferming en bij ’t verlaten van de Batouw sneed hij een berketak af en kerfde daarop met zijn mes vier sikkels en gaf dien den Batouwer, die hun uitgeleide deed met de mare, dat koning Tjilbard den brenger van den kerfstok zooveel graan zou geven als op één dag met vier sikkels kon gemaaid worden. Want de Frisen hadden overvloed daar zij vee ruilden met de volkeren links van de Sutoren en van de Sutoren zelf schatting hieven, vier sikkels van elken vrije gedurende den geheelen oogstmaand zoodat zij zelfs de pronkbeesten met haver voederden in plaats van gras, dat overigens rijkelijk groeide in ’t geheele land der Frisen en ver daarover heen op de eilanden. In het bosch der Widigensen waren ze ’s nachts overvallen door den hoofdman Aspriaan met zijn zeventig gezellen. Hem was de reis van prins Istovar niet aangezegd omdat hij van alle eer vervallen was verklaard, sedert hij ’t gastrecht geschonden had. Aspriaan had den hoofdman Jelle, die vee zou brengen naar Renegouw bij zich genoodigd en wetende dat Jelle een groot drinker was, had hij hem vele horens Widigenser meê te drinken aangeboden, dat met wilden honing en galappels gebrouwen wordt. Toen Jelle beschonken was, had Aspriaan hem zijn vee afgekocht, zeventig koppels uitgezochte beesten voor twee pak wonderkruiden, die op de borst gedragen waarborgen tegen het zwarte water, de ziekte die alle drinkers krijgen als ze oud worden. Toen nu Jelle den volgenden ochtend weer nuchter was en zijn mannen verzamelde en zijn vee zocht om verder te drijven, zeide Aspriaan, dat het vee reeds weg was gebracht naar zijn weiden en Jelle’s eigen mannen erkenden, dat hij ’t vee verkocht had voor twee pak wonderkruiden. Jelle, ziende welk een ramp door de dronkenschap ontstaan was, zond zijn mannen terug met zijn kortzwaard, gaf hun bevel, dit zwaard aan zijn zoon te geven, wanneer hij zweren wilde, nooit een droppel meê te zullen drinken en aan koning Tjilbard mede te deelen, wat zij gezien hadden. Nèt nam Jelle een steen op en sloeg dezen met de vuist met zoo zwaren slag tegen den eigen slaap, dat hij dood neerviel als geveld door een godsoordeel.
Koning Tjilbard had gerouwd om Jelle, die behalve grooten dorst geen andere ondeugden had, eerlijk, trouw en dapper was geweest. Aspriaan was wegens dit gedragen jegens een gast in den ban gedaan en onwaardig verklaard om beoorlogd te worden of in verbond mede ten oorlog te trekken.
Nu had hij prins Istovar een tijdlang in ’t woud gevolgd en gewacht tot allen de tenten hadden opgeslagen en rustten om ze zoo te overvallen, te vermoorden en te plunderen. Toen allen sliepen, wilde hij nader sluipen met zijn mannen. Maar Melle, hoewel moe van de dagreis, was gedachtig aan de opdracht van zijn koning, blijven waken over den prins. Hij was buiten de tent gegaan om te luisteren naar de geluiden van den nacht. Hij hoorde het krassen van den uil en het heesche blaffen van de wolven en het zingen van een nachtegaal. Hij wilde nu gerustgesteld slapen gaan, toen hij een kautsje zijn klagend oehoe-oehoe hoorde roepen. Als het kautsje ’s nachts roept, waart de dood rond en die het hoort weet, dat er iemand in zijn naaste omgeving moet sterven. Daarom klopte Melle’s hart van angst, want in hem kwam de gedachte op, dat wellicht prins Istovar op deze reis zou sterven en hij voelde zijn borst beklemd als hij bedacht hoe groot dan de droefenis van den koning zou zijn. Maar het kautsje huilde al weer, nu dichterbij en om het te verschrikken wierp hij een steen in de richting, vanwaar ’t geluid kwam. Doch geen vogel vloog op, maar een man in het donkere loof vloekte. Meteen had Melle den horen al van zijn gordel en aan den mond gebracht en hij blies het wek-signaal.... „Pahoen.... Pa.... hoen.... Pa.... hoen!” En nu kwamen zijn mannen uit hun tenten en Melle riep: „Te weer, Te weer!” en hijzelf stelde zich voor de tent van prins Istovar en ’t kortzwaard zwaaiend in ’t duister van ’t woud riep hij zijn daging: „Eén zwaard tegen één zwaard, twee saksen tegen één saks, hier staat Melle de Fries!”
Onderwijl waren de mannen al aan ’t vechten in ’t donker. Men wist niet wie vriend of vijand was, want de roovers riepen de Friesche krijgskreten na om verwarring te stichten. Maar Melle kon ’t hooren—wist wèl wie Friesch sprak als Fries en wie ’t sprak als Widigens en ziende, dat hier geen eerlijken strijd met wederzijdsche daging en getuigen gevraagd werd maar ’t laaghartige roovershandwerk werd gedreven, liet hij zijn mannen dien arbeid over en sprong in de tent om zijn prins weg te dragen. Toen, o schrik, prins Istovar was niet in de tent. Hij riep en kreeg geen antwoord. Hij blies op zijn horen hoewel de angst zijn adem beklemde, maar de prins antwoordde niet. Hij liep de tent weer uit en rende midden in ’t gevecht waar hij het sjirpen van de zwaarden en het vloeken van de roovers en de kreten der getroffenen hoorde. Daar sloeg een zwaard plat op zijn rug en hij zich omkeerend riep: „Een zwaard tegen een zwaard. Hier staat Melle de Fries.”
„Grendeldebliksem, waar is Zeven!”
„Aan den boom achter den tent, prins!” antwoordde Melle en hij trok den prins mede uit het gewoel, hem met zijn breed lichaam dekkend en aldoor zijn zwaard opgestoken om slagen te weren en roepend: „Hier staat Melle de Fries!” En achter de tent gekomen bleek Zeven al losgesneden en geroofd. Melle legde zijn oor op den grond en nu, in de verte hoorde hij de klingeltjes in de manen zacht tinken en de twee schreden door ’t duister naar dien kant, met de zwaarden vooruit om niet tegen de boomen te loopen en toen na een poos, als zij nu helderder de schelletjes hoorden, blies Melle op zijn horen het signaal en Zeven antwoordde met een angstig gehinnik alsof hij wel wilde maar niet kon komen.
Zij nu weer, liepen op ’t hinniken aan en Melle blies nogmaals, maar nu kwam er geen antwoord. Men scheen het edele dier gedood te hebben. Doch neen, de schelletjes kinkelden nog, nu dichterbij en nu heel dichtbij en Melle sprong vooruit, maar hij greep in een bos wier, waarin de belletjes hingen, doch ’t paard was weggevoerd en de roovers hadden listig hun van den goeden weg gebracht.
Toen riep dan prins Istovar, voor ’t eerst, terwijl Melle van angst beefde voor hem: „Hier staat der Friezen prins, Thoering staat nevens hem.”
En opeens werd het licht van rossen fakkel-schijn en zij zagen Zeven staan, die ze doeken om den neus hadden gebonden, zoodat hij niet hinniken kon en Aspriaan zelf was de roover en veel roovers om hem heen hielden nu fakkels en zwaarden hoog.
„Kom op met Thoering, melkknaap!” riep Aspriaan, op den prins toetredend met een langzwaard.
„Langzwaard tegen kortzwaard, Roovers-aard!” riep Melle, zich voor den prins stellend en toen Aspriaan opdrong sloeg Melle met zijn zwaard een zoo zwaren slag op dat van den roover, dat een stuk van de kling afbrak.
„Grendeldebliksem, dat is trouw!” riep de prins.
Maar nu week de roover terug en riep zijn mannen op om aan te vallen.
„Istovar der Friezen prins staat hier met Thoering. Man tegen man!” gebood de prins.
Maar de roovers erkenden geen wet en wilden moorden. Daarom snelde nu Melle vooruit en begon den aanval geducht en onverwacht en onderwijl sloop Aspriaan met een speer op den prins af, die zich met Thoering weerde.
„Doof de vuren!” riep Aspriaan. De mannen staken de fakkels in den grond maar nu sprong de prins in de richting waar hij Aspriaan het laatst gezien had en stak met Thoering en raakte en nu, op den roep van Melle afgaande, begon hij ook daar te steken en raakte weer en nog eens en nog eens tot Melle riep: Houdt op prins, of du raakt mij....
Zij raapten de fakkels op, vonden er een die nog smeulde, bliezen deze aan tot ze opvlamde en nu zagen ze, dat drie mannen dood lagen, ook Aspriaan en de anderen waren gevloden. Zeven lag spartelend bij den boom, in gevaar van te stikken, tot zij hem haastig de doeken afrukten en het edele dier hun herkende en mak medeliep.
Bij de tenten was de strijd afgeloopen. Zeven roovers waren gedood en twaalf van de Frisen. Zij brachten de rest van den nacht wakend door en eerst tegen den morgen konden zij de mannen begraven en een zendbode sturen met de mare aan koning Tjilbard.
Toen zij de roovers gingen begraven en Aspriaan ontkleedden, daar verschrikten zij, want de roover bleek geen man geweest te zijn maar een vrouw en prins Istovar weende zeer omdat de eerste vijand, die hij gedood had met Thoering, een weerlooze vrouw was geweest, wier bloed het zwaard ontheiligde.
Zij trokken ’s middags verder en reisden zeven dagen zonder ongevallen verder, toen zij in het groote woud de sporen van vier menschen bemerkten, drie van mannen en één van een vrouw. Zij volgden de sporen en liepen in dezelfde richting als hun reisdoel. Gingen die vier ook naar Harimona? Of waren het dwaalsporen van dolende reizigers. Zij bleven op hun hoede, waakten ’s nachts met tweeën tegelijk, altoos het zwaard naast zich, gereed tot plotselinge weer. Maar na vier dagen volgens, daar begonnen de sporen zich te kruisen en men zag, dat de mannen den weg zochten, her en der speurden, in de boomen klommen en dikwerf de vrouw over lange afstanden droegen, want dan zag men het spoor van haar smalle, kleine voeten niet terwijl de sporen van een der mannen dieper was, als droeg hij een last.
En onrustig vroeg de kleine bent zich af, wat deze vier lieden wel beoogden, hier alleen dwalend in de gevaarlijke wildernis.
HOOFDSTUK IV.
Nabij de zee, naar de richting van het land der Kaninefaten lagen twee groote eilanden, Veloog en Bedekoog. Ze waren bijna even groot maar Veloog was zandig en dor en Bedekoog vettig en groen. Veloog was rondom door zandbanken omgeven en stak hoog boven de zee uit. Bedekoog was laag aan de zee gelegen, zoodat de bewoners op terpen en in paalwoningen huisden en op de bergloo, die het eiland naar de landzijde afsloot, den tempel, den koningshof en de groote veestal hadden opgericht. Want als de zeegeest woedde, stroomde soms het water over ’t geheele eiland en dan was ’t alleen veilig op de terpen en in de huizen en op de bergloo, waar dan al ’t vee van ’t geheele eiland werd heengedreven. De bewoners van Veloog waren arme lieden en de Velagers dienden den Bedekauwers als veeknechten, als roeiknechten en als grasmaaiers en hunne vrouwen en dochters als dienstmaagden, spinsters en lichtekooien. Velagers en Bedekauwers waren afstammelingen van dezelfde sipschaft en het was de wil van Nehalennia geweest, dat de twee stammen zoo van elkaar verschilden.
Naar de heuchenis der priesters was in verre tijden, toen Tuisto de wereld had geschapen uit den leegen en duisteren afgrond in het land Iberia, dat nu de Massilianen bereizen om olie en granaatappels, de held Aujans geboren, die zich paarde met den ievermoer Beerd. Beerd baarde twee kinderen, Winnô, een jongeling en Harjasi, een maagd, die dadelijk na hun geboorte huwden en van den zeegeest een waterkoets kregen, waarin zij op de zeeën rondvoeren, getrokken door de vier witte meerpaarden. Harjasi baarde Harimella, die bij een storm uit de koets sloeg en aan de kust van ’t eiland van Nehalennia aandreef. De godin wekte Harimella op, en gaf haar als woonplaats het eiland Bedekoog, dat toen nog aan ’t land verbonden was en waarvan Veloog een deel uitmaakte. De twee zonen van Harimella, die zij baarde zonder door een man bekend te zijn, groeiden op tot sterke mannen, die zich zeer onderscheiden van alle lieden, die men in het land der Frisen of Bataven en verder over den stroom Mesa en den stroom Rîn kende. Zij hadden blauwzwart haar en zwarte oogen en een okergele huid. Beiden kozen, toen zij volwassen waren, een gemalin uit de priesteressen van Nehalennia en weldra ontstond een nieuw, vreemd en schoon geslacht van menschen met zwarte oogen en blonde haren of blauwe oogen en zwarte haren. De vrouwen kleedden zich in groene gewaden, die zij verfden door koperstof in algensap te doen gisten. De mannen scheerden het gelaat geheel kaal en droegen het haar kort. De twee gemalinnen van Winnô en Harjasi nu, die afgunstig op elkaar waren, bliezen hun gemalen in, elkaar te beoorlogen. Elk hoopte zoo, alleenheerschers te worden. Winnô weigerde zich op zijn broeder te werpen maar Harjasi vatte het plan ’s nachts Winnô te doorsteken. Doch dit werd Nehalennia onthuld en zij riep den zeegeest op, die in den nacht, dat de broedermoord zou gebeuren en Harjasi met zijn gemalin en de geheele sipschaft, kinderen en kleinkinderen, meer dan vijf honderd, vereenigd waren, zijn hoofd verhief en de golven deed opzetten en den storm woeden zóó, dat één golf waarop de sipschaft van Harjasi stond afscheurde van het land, waar Winnô en de zijnen sliepen. Nu was Harjasi alleen-heerscher op dat eiland en keerde niet weer, hoewel het eiland arm was en zijn sipschaft sober, en ten laatste in dienstbaarheid leefde. Winnô bracht Nehalennia een offer van dankbaarheid, door het kind, dat in den nacht van den scheidstorm geboren was in zijn sippe haar ter eere, den zeegod te brengen en deze, om zijn gunst te bewijzen, stak nogmaals zijn hoofd op en scheurde Winnô’s land van het land der Kaninefaten zoodat nu voortaan de bergloo niet meer door deze bestormd en beroofd kon worden.
Daar waren nu geslachten na geslachten overheen gegaan en Nehalennia bleef met haar gunst Bedekoog trouw, want alle weldaden werden over Bedekoog geschud uit den horen van Nehalennia. De zeevaarders van alle landen, die van het Paarden-eiland, die van Massilia, die van Belligou, Galligou en van het „vreemde land”, kwamen met hun schepen in de diepe fioord van Bedekoog landen om te rusten of om te ruilen of om van daaruit verder landwaarts in te trekken, hun schepen in de fioord van Bedekoog onder bewaking achterlatend. En die uit de binnenlanden kwamen met hun vlotten en kanen langs de Skalde en langs de Rîn, bleven ankeren in de Bedekoogsche fioord. Boven op de bergloo stond de tempel en op het dak van den tempel werd het eeuwige vuur gebrand ter eere van Nehalennia, zoodat die op de skiggen in zee, zoowel als die op vlotten al van verre konden zien, waarheen zij den steven moesten richten en waar zij veilig waren.
En alle die dan, brachten offers naar dan tempel en de koningen kregen geschenken, zooveel en zoo rijkelijk, want het zeevarende volk was gul, dat Bedekoog vermaardheid had tot ver in de wereld wegens de schatten en ook wegens de vele vreemdsoortige dingen, die daar te zien waren en die tweemaal ’s jaars, bij ’t begin van ’t jaar in den winter en bij ’t begin van het voorjaar, als de stroomen ontdooiden en de vlotten weder kwamen uit het binnenland, werden getoond met groote feestelijkheden. Daar waren dan wonderen, zooals in de wereld niet meer te zien zijn, zooals de heilige vogel Lorre, prachtig van vederen als geen andere, met een rooden staart en groene vleugels, die sprak en zong en floot als een mensch. De gevlekte wonderkoe, die een hals had zoo hoog als een boom en niet van den grond at maar van de boomen. Dan de betooverde prins „Kórj”, die in het „vreemde land” was gevonden met drie van zijn vrouwen en door een Massiliaan medegebracht. De drie vrouwen waren gestorven maar „Kórj” leefde. Hij was geheel bebaard gelijk een wilde man of een dier en hij had geen voeten maar twee paar handen, een paar zooals de mensch en een paar, daar waar de mensch voeten heeft. Hij kon spreken maar wegens een betoovering deed hij het niet en hij kon in boomen klimmen, beter dan eenig mensch en hij was sterker dan een man en zéér boosaardig, zoodat hij achter traliën van brons was opgesloten. Dan waren er gouden drinkvaten en het Massiliaansche vuurglas, dat in de zon gehouden een lijnwaad in brand zette en waarmede op zonnewenddag het heilige vuur in den tempel werd ontstoken.
Hoewel het land der Bedekauwers vruchtbaar was en er behalve gras ook graan kon groeien, behoefden de Bedekauwers al sinds lang niet meer te zaaien of te maaien. Want hun rijkdommen waren zoo groot, dat zij alles wat zij wenschten, konden ruilen en nog merkten zij niet, dat hun schatten verminderden. Daarom, wanneer er genoeg gemaaid was voor het vee der Bedekauwers, kregen de Velagers als loon al ’t overige gras dat te maaien was, ’t welk zij dan op kleine skiggen naar het arme Veloog roeiden.
Daar groeide alleen dor, spits gras, goed slechts om geiten en bokken te voederen. De Velagers leefden van schelpdieren, van vogeleieren, van visch, van garnalen, van geitevleesch en van den afval van de Bedekauwers. Daarom ook werden ze door de Bedekauwers geminacht en door de geheele streek noemde men hen schraaiers of hompeloopers of grisebarden, omdat ze lange baarden droegen en allen in grauwe kleederen gingen, daar zij geen purperen of groenen of witten konden ruilen.