Chapter 10 of 32 · 3996 words · ~20 min read

Part 10

„Heeft zij daartoe de macht?”

„Twijfelt di daaraan?”

„Dus zal zij mijn haven doen uitdiepen?”

„Ik beloof het di!”

„En zal zij mij tot bruidegom verkiezen?”

„Als du de voorwaarden vervult, zeker.”

„Baza, de geit en Whridlo, den hond, zal ik weten te overwinnen. Maar voor Frango, den draak vrees ik. Zoudt di mi den strijd tegen den recken en den draak niet willen schenken?”

„Als du mi dijn schat geeft, zeker!”

„Du zweert mi bij dijn priestereer, dat du mi voort zal helpen?”

„Ik zweer het, als du mi thans uw wonderschat geeft.”

„Welaan dan... zet u neder op dezen zetel en volvoer wat ik di gebiede.”

De oude priester, in kindsche hebzucht hopend op de wonderschat, die de vreemde koning uit het verre land had mede gebracht om Harimona’s gunst te koopen, zette zich op den zetel neder. Koning Mise knoopte zijn halsdoek los en deze aan Pimm gevend, beval hij hem den grijsaard dezen voor de oogen te binden.

„Waartoe dat?” vroeg de grijsaard angstig.

„Zeide ik di niet, dat de wonderschat door de blinden gezien wordt?”

Pimm bond den ouden gierigaard den doek voor de oogen.

„Ik zie niets!” zeide de oude man.

„De voorbereiding is nog niet gereed!”

Mise beval nu Pinn de beenen van den grijsaard met de slippen van diens rok vast aan de pooten van den zetel te binden en aan Pill de armen van den grijsaard met de slippen van diens overkleed vast aan de leuning van den zetel te snoeren.

„Ik zie nog niets!” kreunde de oude man.

„Geduld, geduld, kunt di een wolk van de zon schuiven als die daar voor hangt of moet di wachten tot zij zelve verdwijnt? Alzoo, priester de schat Hoe-Moor. Met geweld kan niemand hem verwerven. Het is een geschenk der goden, dat iemand toevalt.”

Onderwijl waren de drie schobberdebonken luidop lachend om den geblinddoekten en geketenden gek, hun aard volgend, dadelijk de schatten uit de schuur gaan dragen en stortten ze haastig in ’t ezelwagentje, zoodat het ezeltje zelf straks een groote hoeveelheid van den godenschat zou moeten bezitten, om blijmoedig deze te zware vracht te trekken.

De priester hoorde het op en neer loopen van de drie scharminkels wel, maar ook lachten zij zoo luide en herhaaldelijk en zeiden elkaar zulke vroolijke grollen, dat de oude man niet wist wat te moeten denken.

„Hoort di ze loopen en lachen?” vroeg Mise. „Luister, zij ontlasten zich van den wonderschat.”

De priester meende, dat ze de schatten uit den wagen in de schuur brachten en de drie deden dit dan ook, wanneer men aan hun grollen geloof wilde schenken.

Pinn sprak, een zware leemen pot met bronzen spiegels en beenen kammen torschend om ze naar ’t wagentje te dragen en daarin leeg te storten:

De schat er uit, de schat er in, Vat blinde, Hoe-Moor in dees zin.

Pimm sprak, een stuk zilver ter grootte van een kinderhoofd wegdragend:

Met veel Hoe-Moor en een beetje geld, Wordt zelfs de armste welgesteld.

Pill sprak, een pot met bronzen hoofdspangen en armspiralen wegsjouwend:

Zie hoe het volk een wond’re schat zich werft, Als het zijn priesters bindt, blindt en onterft.

„Hooren doe ik veel, maar zien doe ik niets!” riep de oude man uit, die ongeduldig werd, begeerig naar de wonderschat.

„In den tempel van de Hoe-Moor, gaat het al niet anders dan in den uwen, priester!” antwoordde de koning. En bemerkend, dat de schuur voldoende leeggedragen was, beval hij de drie rabouwen het zamelen van de schat te staken en elk naar zijn taak, den priester weder los te binden en den doek van de oogen te nemen. Onderwijl trok hij een van de gestolen Friesche sandalen uit en toen Maresag verbaasd rondkeek in den leeggestolen schuur, hield hij hem die onder den neus.

„Wat moet dat? Wat moet dat beteekenen!” kreet de grijsaard.

„Heer priester”, antwoordde Mise ernstig, „zult du di den wonderschat door onwijs bedragen doen ontgaan?...”

„Waar is de wonderschat?”

„Maar hier... voor dijn oogen...”

„Ik zie niets...”

„Ziet di dezen schoen niet, dezen schoonen, Friesche schoen?”

„Ja... dien zie ik...”

„Daarin is de schat.”

„Er is niets in...”

„Nog niet... maar dit is het wonder... Zet dezen schoen ’s avonds onder de schouw van Harimona en laat ze zich wenschen, wat ’t ook zij... Dan komen ’s nachts de goden, Thius, Wotan, Donar, Balder, Grendel en Frya en zij zullen in den schoen werpen, al wat du wenscht...”

„Maar waar zijn mijn schatten?”

„Die hebben de goden medegenomen om ze in den schoen te steken...”

„En de Hoe-Moor... ik wil den Hoe-Moor hebben...”

„Laat Harimona dien heden avond wenschen; dat is zoo goed als bidden... Tot morgen, heer priester... en denk aan dijn eeden en beloften...”

En Koning Mise, gevolgd door zijn drie trawanten, verliet statig de schuur, terwijl Maresag besluiteloos achterbleef, den leegen schoen in zijn hand houdend.

Het ezeltje kon nauw den wagen trekken en daar de vier haast hadden om naar hun loofhut te komen—want het werd avond—ging koning Mise vooroploopen, het ezeltje voorttrekkend aan ’t bit; Pimm en Pinn duwden elk aan een rad, terwijl achteraan Pill, zijn rug tegen het achterschot zettend, medehielp het ezeltje den last te verlichten.

Pimm zeide:

De Hoe-Moor van dees zaak, Brengt zware avondtaak.

Pinn sprak:

Een zware buit, Is licht gekruid.

Pill sprak:

’k Ga vooruit en terug, Daar ik duw met mijn rug.

Koning Mise antwoordde:

Voorwaarts gaan, maar omgekeerd, Hebben priesters steeds begeerd.

Sigbert en zijn drie zonen, hoewel vol verlangen wachtend op ’t oogenblik, dat zij tot de wijze jonkvrouwe toegang zouden erlangen, Sigbert om haar te smeeken de Batouw met een goeden oogst te zegenen, na drie jaren van misgewas, Herebaeld om verlof te krijgen met zijn beide broers Frango, Whridlo en Baza te gaan bestrijden, waren vol verbazing gedurende al die dagen, dat zij in de kampen wachtten. Prins Istovar had hun een mooie tent geschonken, die zij opgeslagen hadden in het kamp der vrijen en Sigbert, als aanvoerder van een saks, had een fram voor de tent in den grond gestoken, ten teeken van waardigheid.

Hierdoor kwamen andere aanvoerders van honderdlieden den stoeren Bataaf bezoeken en zij noodigden hem uit mede te gaan naar de groote meê-tenten, waar de drinkgelagen plaats vonden en ook gedobbeld werd.

Sigbert, Tjeerd en Reri, nadat zij eenmaal mee hadden gedaan aan een gelag, keerden vol afschuw terug. Dat waren geen menschen meer maar beesten, zeiden ze. Sigbert vond het schande, dat de groote priester, dat niet verbood. Ze zaten daar allen aan banken, de sakslieden en hun zonen en dronken uit groote horens bruin bier. Elke tafel had een voordrinker en niemand mocht den horen van den mond nemen, zoolang de voordrinker dronk. Zoo dan waren de zwakste drinkers ’t eerst beschonken en vielen van de bank of liepen naar buiten en lagen daar als zwijnen in hun braaksel. Anderen, die door de dronkenschap opgewekt waren, wierven om de sotte maegdekens die daar in groote getale om de tenten zwierven en dan slopen ze weg in ’t bosch om hun geneucht te zoeken, zoodat wie daar langs den woudrand wandelde, telkens vreemd gegil hoorde alsof diep in ’t woud de kabouters en kollen Thonarsdag vierden. Doch ook waren er veel schaamteloozen, die door den drank buiten bezinning gebracht, naakt met de sotte maegdekens ronddansten in reien of zoo midden in den kring, gelijk de dieren, zich omhelsden. En ’t kwam wel voor, dat een vrouw haar echtgenoot zoo betrapte en op het sotte maegdeke toeschoot en deze met een steen doodsloeg en schande schreeuwde over de ontucht. Ook wel, dat de andere sotte maegdekens haar vriendin verdedigden en dan vochten vrouwen tegen vrouwen en de beschonken mannen stonden daar lachend naar te zien. Of jammerende moeders en schreiende meisjes en knapen smeekten een beschonken vader om mee te gaan en niet langer te drinken waarop enkelen, die een goeden dronk hadden, zich lieten mee tronen, maar anderen, die door den drank woest werden, wierpen de vrouwen van zich af en men had het zelfs bijgewoond, dat een beschonken vader zijn eigen dochter, die hem smeekte af te laten van den horen, met een vuistslag neervelde. Het gruwelijkste was ’t op de kootjes-made. Daar, op een groot, geel lijnwaad, beproefden de spelers hun geluk en wierpen met gemerkte schape-kootjes. Rondom stonden in een wijden kring de toeschouwers en de spelers, die op hun beurt wachtten en ook de vrouwen en de kinderen van de spelers. Als dan de spelers gewonnen hadden was er gejuich en zij liepen naar rechts af. Maar de verliezers dropen naar links af, tenzij zij zich zelf verspeeld hadden en hun fram doorbraken, de stukken den winner gaven ten teeken van onderwerping en hem nu met gebogen hoofd volgden. Soms had een vader zijn dochter verspeeld en dan zag men de weeklagende en weenende maagd zich met weerzin verzetten tegen den winnaar, die haar wegvoerde naar zijn tent of naar het bosch en de andere mannen maakten pret, zeiden grollen en moedigden de weeklagende maagd aan met woorden als: „Het zal di geen smart doen, duifje!” of „Eenmaal geproefd, allemaal verlangd!”

Maar de moeder weende en begon den vader verwijten te doen en soms vloog de moeder, den vader aan, krabde hem in ’t gelaat, scholdt hem uit voor een lafbek en een grendelsboef, wat voor de toeschouwers een groot vermaak was en voor de winnende spelers een aanleiding, om den verliezer grollen toe te roepen. Vaak ook beschuldigde een speler den ander, dat hij de kootjes, door verboden bewegingen zoo had geworpen, dat ze altijd in zijn voordeel kwamen te liggen. Dan werden de andere spelers als getuige geroepen en als de partijen ’t niet eens werden, gingen ze terzij op ’t effen-veld en vochten een godsoordeel met de fram of het mes of de aakst of zoo ’t edellieden waren, met het kortzwaard. Menigeen verloor zoo het leven, hoewel hij in ’t recht was geweest en menig valsch speler, even vaardig met de fram als met de kootjes, werd zoo onrechtvaardig in ’t gelijk gesteld en werd rijk. De valsche spelers deden vooral veel moeite om de beschonkenen naar de kootjesmade te lokken, want die waren lichtvaardig met den inzet, zagen niet nauwkeurig toe en op ’t effen-veld al gemakkelijk neer te stooten.

Reri had hier een oogenblik gevaar geloopen. Sigbert en Reri stonden naar ’t kootjes-werpen te kijken toen een Chat, een grijsaard reeds, met een krachtigen, jongen Sveef strijd kreeg. De grijsaard had gezien, dat de Sveef, voor hij wierp, de drie kootjes langs een rendiertand had gewreven, die hij als amulet om den hals had hangen en wilde nu de winst, twee bronzen knoopen, niet uitbetalen, omdat de kootjes bezworen waren geweest. De Sveef zei, dat de Chat het loog en trok hem bij het lange, witte haar, zoo hem willend dwingen, de winst te betalen.

„Ik heb ’t ook gezien. De Chat heeft gelijk!” riep Reri plotseling.

„Grendeldebliksem, waar moei du di in, snotdolf!” riep Sigbert, bevreesd voor een gevecht en Reri meetronend. Reri, gewend zijn vader te gehoorzamen, wilde al meegaan, maar de grijsaard krijschte:

„Hier, de Batouwer zegt het ook... Hulpe, Hulpe... de Batouwer is getuige geweest!”

Nu kon Reri niet meer terug en de valsche speler op hem toetredend, riep: „Waar moei du di in, schooier!”

„Grendeldebliksem, ik ben een vrije Batouwer!” kreet Reri verontwaardigd. Maar toeschouwers, die hem en zijn vader met vernedering aanzagen, daar beiden uit armoede diervellen om de voeten gewikkeld hadden in stede van op sandalen te gaan, en in hun door de lange reis verplukte en kaalgeplekte schapenvellen gekleed waren als hoorigen, begonnen te hoonlachen. De jonge, krachtige Sveef, in zijn donkerblauw overkleed met witte dennenaald-ornamenten, om ’t middel gesnoerd door een breeden geellederen gordel met groote bronzen gesp, links een kortzwaard dragend in een lederen scheede, die met bronsbeslag, fraaie schelpen, en plaatjes gepolijst barnsteen was versierd, was dadelijk door rasgenooten omringd en een van de boschdeernen, die wegens haar groote statuur zéér door de mannen begeerd was, naderde in een wijd gewaad van lichtblauwe fijngeweven wol, riep lachend: „Hettel, sla den rabouw neer!”

„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep de Sveef, zijn zwaard trekkend.

„Mijn zoon vecht met de fram!” zei Sigbert, zich voor Reri stellend.

„Laat du di door vaderlief schutten?” lachte de Sveef.

Er waren er, die niet wisten, dat in de welvarende en vreedzame Batouw het kortzwaard in onbruik was geraakt en die meenden, dat een hoorige zich vermeten wilde met een vrij man te vechten. Zij riepen, dat men den knecht neer zou houwen. Maar de grijsaard, om wiens wil Reri in den strijd gewikkeld was, zei, dat de Batouwer vrij man was en anderen, die nu nader kwamen, verzekerden dat zij wisten, dat voor de tent van Sigbert een fram in den grond was gestoken.

„Ik trek alleen kortzwaard!” zei de Sveef verachtelijk.

„Ik dril alleen de fram!” riep Reri trotsch terug.

„Dan fram tegen kortzwaard!” gilde de boschdeern, die gaarne mannen zag vechten en verzot op ’t gezicht van bloed en wonden.

De ongelijken strijd werd met gemor door de toeschouwers begroet en een vrouw riep, zich tot de boschdeern wendend:

„Wat moeit du di, liederlijke paai. Ik ken di wel hoor. Wilt di onze mans hitsen?”

Een oude man, die veel aanzien had, omdat hij een commandostaf droeg, zei: „Kortzwaard tegen fram gaat niet. Maar als du effenen wil, vecht dan met de vuist!”

Een luid geklir met wapens, bewees, dat de heervoerder het goede voorstel had gedaan.

De Sveef, naar den struischen Batouwer opziende, wilde nog tegenspreken. Op ’t kortzwaard was hij een meester en dan kwam ’t meer op kunst dan op kracht alleen aan. Maar bij ’t vuistgevecht kon zelfs een ongeoefende met een slag een tegenstander neerslaan. Doch allen drongen nu op een vuistgevecht aan.

Sigbert waagde een laatste poging.

„Sveef!” zei hij, „doe liever den ouden man recht en laat di niet door mijn zoon neerslaan. Het is een goede raad van een vredelievend man....”

„Omdat du ’t zegt, vader.... welaan dan.... ik geef den grijskop nog een kans.... gooi op de kooten.”

Wel morden er nu enkelen, maar Sigbert en Reri gingen samen weg.

„Wat zou ’t geven, den smuigerd neer te slaan?” vroeg Sigbert zijn zoon. En de goedige, kinderlijke reus liep gehoorzaam mede. Achter hen kwam de groote deern aan:

„Wilt du min knecht worden?” vroeg zij Reri, daar zij zijn moed en zijn eenvoud had opgemerkt.

„Ga di weg?” zei Sigbert verachtelijk, haar met de hand dreigend.

Zij bleef staan, verwonderd over die twee arme lieden, die een zoo rijken en begeerlijken post afsloegen.

Maar eenige uren later was de Sveef, door de deern opgehitst, voor de tent van Sigbert en zijn zonen gekomen en had ze voor „lafaards!” uitgekreten en ze gedaagd, op elk wapen en op elke voorwaarde. Sigbert en Reri hadden niet willen vechten maar Tjeerd had gemeend, dat ’t schande was voor de menschen, die niet wisten, dat Batouwers alleen vochten als ’t noodig was en niet om ’t vermaak van den strijd en dat Reri een hals was, om zich zoo te laten tarten.

Toen was Reri dan buiten de tent gegaan en was op den Sveef toegeloopen, die met veel stamgenooten daar stond en hij had den Sveef van den grond getild en hem, ondanks spartelen en wanhopig verzet, als een pop beurtelings rechts en links van zich neerzettend en weder optillend en hem daarna met de beide handen boven ’t hoofd houdend vroeg hij: „Waar de knaap vechten wou, boven den grond of in den grond?”....

„Op den grond, op den grond!” schreeuwde de Sveef, in machtelooze woede zich wringend.

„Daar ben di mijn portuur niet, knaap!” lachte Reri en zette hem voor zich neer. Maar nu trad uit de kring der stamgenooten een reus van dezelfde grootte als Reri en deze vroeg:

„Ben ik dan dijn portuur!”

„Dat zou al beter gaan... kom maar op, putterke,” antwoordde Reri onverschrokken.

De Sveef wierp zijn schild en zijn kortzwaard ter zij, maakte zijn gordel los en alleen met een schaamdoek bekleed, trad hij naar voren, de zwaargewrongen spieren van ’t welgeoefende lichaam toonend. Reri, hoewel even groot, maar door de vermoeienissen en de ontbering der reis, minder krachtig, legde ook zijn schaapsvel af en trad moedig voor den Sveefschen reus. En nu pakten de twee zware kerels elkaar aan, de Sveef zijn forsche armen om Reri’s romp heenslaand en zoo diens lichaam wringend. Maar Reri, die zich schrap gezet had, pakte den Sveef over de schouders heen in de oksels, waardoor de Sveef zijn armen moest ontspannen. Toen pakte Reri den Sveef om de romp, maar tegelijk hurkend, opdat den Sveef niet hem in de oksels kon vatten en de man optillend van den grond, zwiepte hij hem nu opeens aan de beenen, met den korten, snellen ruk waarmede hij gewoon was evers te knikken en de Sveef, hoewel sterker dan Reri, ongewoon aan deze wijze van worstelen, viel op den grond zonder zich te bezeeren. Maar meteen gaf Reri hem een stomp tegen de kaak, dat de tanden den man uit den mond vlogen en hij, met bloedenden mond bewusteloos bleef liggen.

„Dat hebt di van dat tarten; hij kreeg den slag, maar du had hem verdiend!” zei Sigbert verwijtent tot Hettel, den Sveef, die de oorzaak van ’t gevecht was geweest.

De Sfeven tilden hun gewonden voorvechter op en droegen hem weg. Maar ’t was gauw in de kampen bekend, dat Reri de Batouwer, den voorvechter geveld had en toen hij tegen den middag met vader en Tjeerd rondliep, wierpen vrouwen hem met bloemen en vaders stuurden hun jonge zonen naar hem om een vlok haar uit zijn oude schaapspels en een Semnonen-hoofdman liet Reri vragen of hij geneigd was ’t haar op te steken tot een knot en trouw te zweren aan zijn stammen, dan kon hij als Sveef worden opgenomen en voortaan Sfevenvoorvechter zijn.

Maar Reri sloeg de hooge eer af. Hij wilde zijn vader niet verlaten. Wie zou thuis ploegen en maaien en wie zou voor vader en moeder zorgen, als ze oud waren geworden?

„Batouwers verlaten hun land niet!” liet Reri fier antwoorden.

Doch den volgenden morgen kwam een bode van Maresag, den opperpriester. „Of de held Reri geneigd was te verschijnen in’t wapenhuis. Hij zou dan komen met zijn maagschap tegen den noen.”

En toen had Maresag Reri een prachtig kortzwaard geschonken en een bronzen helm en een jachthemd van koperen schakels met op de borst twee bronzen bukkels en hem benoemd tot wachter van de schat en lijfschutter van Harimona. Want er was veel gestolen door slechte lieden en men wist, dat de Batouwers een trouw en eerlijk volk waren.

Sigbert kreeg een nieuwen pels van marterbont en Tjeerd een lijnwaad en Herebaeld een blauw wollen overkleed en een purperen broek. Zij mochten wonen in een loofhut en Maresag beloofde, dat Sigbert zeker een van de eersten zou zijn, die zijn smeekbede om een goeden oogst voor ’t aanstaande voorjaar tot Harimona zou mogen richten. Zoo wachtten zij vol ongeduld den dag af, dat de groote vroede vrouw zou verschijnen terwijl Reri, de Batouwsche held met getrokken zwaard, de wacht hield bij de haag van Renigo.

Hij meldde de komst van koning Gise van ’t Skalde eiland, die verzoeken kwam tot Harimona toegelaten te worden om haar te smeeken, de haven van zijn eiland niet te doen verzanden en naar de hand der schoone priesteres kwam dingen, bereid om de drie heldendaden te volvoeren.

Maar Maresag liet zeggen, dat bij de looze streken van de smuigerts van de Skalde-eilanden kende en dat bij, wanneer zij, zich nogmaals vertoonden, niet aarzelen zou, ze met stokslagen te doen verdrijven.

Koning Gise ten hoogste verbaasd, liet door Reri zeggen, dat hij wondervolle en rijke geschenken medebracht, zoovele als nog nooit te voren bijeen waren gezien.

Maresag liet antwoorden, dat bij wel wist welke wonderschatten de koningen van de Skalde-eilanden brachten en dat hij van de Friesche sandaal geen paar wenschte te maken. De koning moest zijn sandalen maar behouden en ze gebruiken om zoo snel mogelijk den terugtocht te aanvaarden, daar hij er anders wel toe zou gedwongen worden. Koning Gise zond Reri terug met de boodschap, dat hij ook de wondervogel Lorre ten geschenke bracht, die spreken kon als een mensch en roovers op de vlucht joeg.

De opper-priester Maresag liet weten, dat die wondervogel dan zeker niet gemist zou kunnen worden op de Skalde-eilanden, waar het wonderdier zonder twijfel dag- en nachtwerk zou hebben.

Koning Gise liet, ten einde raad, antwoorden, dat hij in zijn gevolg drie sprokesprekers had, zoo kundig, dat zij hun wedergade niet hadden, Hall de gids, Hamm, de nieuwe gids en Hann, de gids der gidsen, onnavolgbaar in ’t houden van de maat en befaamd wegens hun stafrijm-kunst.

Reri kwam terug met de boodschap, dat als de drie sprokesprekers zich vertoonden, Maresag hun de oogen zou doen uitsteken, opdat ze dan ook geblinddoekt naar hun schoone sproken zouden kunnen hooren. Toen Koning Gise Reri nogmaals wilde terugzenden, pakte Reri den dikken koning op en gaf hem, naar het bevel van Maresag, met het plat van zijn mooi kortzwaard een dracht op zeker, welgevleescht deel, zéér in de maat, zoodat de koning zich haastte weg te komen en vol verontwaardiging van de slechte ontvangst mededeeling deed aan de drie gidsen.

Die waren vol verwondering blijven staan voor de tent van koning Mise en zijn drie grollengraaiers. Was dat de magere, arme koning Mise met zijn drie popeltwijgen? Zij waren alle vier weldoorvoed en dik geworden en droegen purperen gewaden en zwaarden in scheeden versierd met barnsteen en prachtige armspangen van gedraaid brons en op de borst groote bronzen spiraal-hangers. De tent zelf was behangen met kostbare marter- en dassenpelzen en koning Mise droeg een mantel van hermelijn en een bronzen kroon met steenen van agaat versierd.

Voor zooveel rijkdom en schoonheid in bewondering, vroeg koning Gise eerbiedig, hoe zijn vorstelijke buurman in zoo weinige dagen tot zulk een staat was gekomen.

„Door wie anders dan door de groote priesteres Harimona en haar grooten opperpriester Maresag?”

„Heeft hij di dan ontvangen?”

„Zou hij koning Mise niet ontvangen?” vroeg de vorst verwonderd.

„Maar ons wees hij af!” antwoordde koning Gise beschaamd.

„Dan hebt di den goeden weg niet gekozen. Hebt di al de geschenken gebracht?”

„Ik bood ze aan, maar hij wilde ze niet ontvangen.”

„Dat is dijn fout. Denkt di, dat de groote priesteres en de groote priester geschenken zullen ontvangen als du ze geeft naar dijn aard, die mij ook altijd mishaagd heeft.

„Du moet ’s nachts stil de geschenken in een schuur brengen, die ik di zal wijzen. Als Maresag ze dan ’s morgens vindt, is hij tevreden en zal di zeker danken.”

„Ach, als du mi helpen woudt. Alles zal ik di geven, als wij terug zijn.”

„Ja, nu bent di goed met woorden. Nu du mij noodig hebt. Nu smeekt di maar toen ik van di afhing, hebt di mi altoos veracht.”

„Vergeef mi—ik zal mi beteren.”

„Heb ik mij niet altijd grootmoedig gedragen? Heb ik den grooten roover niet verslagen, die dijn schatten belaagde? Ben ik di op den weg niet vooruitgegaan om dijn aankomst te konden...”

„Dat hebt di zeker... dat erken ik...”

„Zeg mi, welke dichters zijn grooter... zij die veel hebben of zij die veel kunnen?”

„Die veel kunnen.”

„Maar kan het ook, dat die veel kunnen, veel hebben tegelijk...”

„Ik weet het niet...”

„Zeker... als zij het verstaan, voorwaarts te komen door achteruit te gaan.”

„Ik begrijp di niet”

„Erken dan, dat mijn woorden en mijn daden wijzer zijn dan de dijne. Nog een vraag, voor ik di helpe. Welke weg is de korste, de rechte of de kromme?”

„De rechte.”

„Neen, dikzak, de kromme. Want de speer, die recht op het doel afgaat mist het, maar de speer, die een boog beschrijft, stuit in de roos. Du bent recht op Maresag toegeschoten; nu zal ik di den krommen weg wijzen... du zult mij eeuwig dankbaar zijn.”