Chapter 3 of 32 · 3994 words · ~20 min read

Part 3

De Velagers waren bekend als spitsboeven en dieven en roovers, en als er een skig door den storm werd geworpen op hun zandbank, dan snelden zij toe en doodden de zeelieden en roofden alles. Ook hadden zij een kwade, scherpe tong en onder hen waren ook veel zonderlinge sprooksprekers, die liederen zongen waarom men moest lachen. Hun maagden waren onkuisch en kenden opwekkende dansen en soms, als er veel zeelieden in de fioord van Bedekoog lagen, dan gingen zij te samen naar Veloog over om naar de dansen te zien en met de maagden hun spel te drijven en de Massilianen kochten er lustknapen om mede te voeren naar het vreemde land. Maar welgeteld gingen de zeelieden er heen, om te weten, wanneer ze terugkwamen, dat geen hunner was achtergehouden of verstoken vermoord en geroofd en niets was gevaarlijker dan te luisteren naar de boerterij van de sprokezeggers. Want als men dan toehoorde en lachte en in zijn vroolijkheid aan niets dacht, dan om de grollen, dan kwamen de Velaagsche maagden en óók wel oude wijven of kleine kinderen en zij brachten groote schelpen met meê en de zeelieden dronken en hoe meer ze dronken, hoe meer ze lachten en dan slopen die wijven en die kinderen zachtjes nabij en stalen wat ze maar stelen konden van de beschonken zeelieden en als die dan ’t merkten en opspeelden, kwamen de Velagers en gingen vechten met die dronken mannen en staken ze overhoop. Maar met nuchtere lieden vochten ze nooit en ook niet als ze wisten, dat er nog één nuchter was, want die meldde het naar den koning van Bedekoog en die hield dan streng gericht. Zoo kwam het, dat men onder de Velagers veel mannen vond met één hand of één voet of één oog en lichtekooien, die men een borst had afgesneden omdat zij zich geleend hadden tot de onkuischheid van het „vreemde land”. Dit wisten de zeelieden en die lichtekooien werden dikwerf juist begeerd en zij liepen met bloote armen en soms naakt tot op den gordel en droegen lange kussens om de heupen. Zoo zag men ze op de twee feesten ook op Bedekoog, wanneer ’t recht was opgeheven en de ban. Maar op de andere tijden mocht geen vrouw of man van Veloog den voet op Bedekoog zetten zonder den verlofring, die ze zichtbaar aan de slapen moesten dragen.

Koning Goës de Groote, had de schatten van Bedekoog nog willen vermeerderen. Daar de zeelieden na slechte vaart wel vaak kleine geschenken gaven en anderen, door groote geschenken, onrechtvaardige voordeelen bedongen, stelde hij een vaste schatting in. De geschenken voor die van de zee kwamen werden vastgesteld naar het aantal riemen of de grootte der zeilen. En de geschenken van die van het land kwamen, naar het aantal der boomen en hun lengte.

Die van de zee en die van het land hadden dat niet gewild, maar toen had koning Goës een groot zeil rondom het eeuwige vuur gehangen en ’s nachts waren wel zeven schepen gestrand op de kust van de Velagers, die de bemanningen hadden uitgemoord en beroofd en toen hadden hun sprooksprekers grollen gemaakt op ’t heilige vuur, dat geen licht gaf en één grol werd tot ver in ’t land bekend.

„Vier en fioord wàs in een land, Waar zijn toen de skigge gestrand? Eén op de plaat en twee op de plaats tot zeven, Lustig alle Velagers leven!”

Toen hadden die van de zee toegestemd, maar die van ’t land, die den weg al wel wisten en ’s nachts niet voeren besloten een krijgsmacht op de been te brengen en zij zonden zendboden naar de Katten, en de Broekteren en de Frisen en de Kaninefaten. Die hadden allen hun legers gestuurd, want zij wisten wel dat de buit groot zou zijn behalve de Frisen, die alleen strijden als ze worden aangevallen maar niet op buit-gevecht uitgaan.

Toen de Bedekauwers de groote krijgsmacht zagen, werden zij beangst voor hun schatten en de zeelieden begonnen te mooren en zeiden, dat zij de schatting te hoog vonden.

De Velagers maakten zich gereed om over te komen om mede te deelen als de buit loskwam en hun vrouwen gingen al naar de framgo’s van den vijand om op te hitsen en vertelden van de groote rijkdommen.

Toen zei Koning Goës, de Bedekauwers zouden zich wapenen om zich te weer te stellen, maar deze begonnen te morren. Zij hadden al die jaren geen wapenoefeningen meer gehouden en zij hadden het leven te lief. Waarom zouden zij strijden en zich aan ’t gevaar van wonden blootstellen. Waren zij al niet rijk genoeg. Hadden zij geen overvloed ook zonder de vaste schatting? Zij wilden niet strijden en wenschten, dat de koning gijzelaars zou zenden naar de benden en zou doen vreezen, wat ze eischten om af te trekken.

De koning schimpte zijn onderdanen voor lafaards en oude wijven, maar hij kon niet anders dan voorloopig toegeven en zond gijzelaars bood een losprijs aan. Dit brachten de vrouwen van Veloog dadelijk aan hun koning over en zoodra was de lafheid der Bedekauwers op Veloog bekend geworden, daar begonnen de Velagers met veel misbaar eveneens een deel van den losprijs te eischen. Zij dreigden zoowaar met een aanval en een hunner vrouwen wist een aanvoerder der Kaninefaten om te praten, dat hij zeggen zoude, dat de Velagers ook rechten hadden op den losprijs.

En zoo dan deelden de Velagers in ’t losgeld. Zij bekwamen veertig runderen, tachtig zakken graan, vier purperen en twee groene overkleederen, een gouden ring voor den koning, drie vederen uit de staart van den wondervogel Lorre behalve nog honig, kaas, acht vaten wijn uit Massilia, en ’t recht om aan de fioord een meê-schenke te openen, waar hun vrouwen zouden bedienen.

Toen was er groote vreugde op Veloog, waar men, aan armoede en soberheid gewend, levende van de hand in de tand, voortaan hoopte altoos door veel geschreeuw en en misbaar, de Bedekauwers tot schatting te kunnen dwingen. De runderen werden geslacht, een groot gastmaal aangericht en vier dagen achtereen was het feesten en zwelgen op Veloog, waarbij de sproke-sprekers voor de pret zorgden en tot ver in ’t land werd één grol bekend, luidende:

„Wie riepen meer! meer! uit het meer! Tot meer van ’t meer nam een keer, En Lorre liet zijn veer Aan des Velagers heer?”

Maar koning Goës waakte en zon, want hij was zeer verbeten en belust op schatten.

HOOFDSTUK V.

Sogol, de Nerviër, was een vluchteling, die leefde in de Ravenstroth, het dichte gevaarlijke bosch, waar ook de Gröhl van den Nickelman ligt en waarin niemand kan doordringen of hij wordt betooverd.

Zijn vader, een Bellovaaksche hertog, was dikwerf op ’t oorlogspad; zijn moeder, de beroemde Nervische heelmeesteres Spûr, die eens den Frieschen koning Verritus genezen had van een beenwond, die hij bij een val tijdens een hardrijderij op schaatsen, had gekregen. De koning had Spûr rijk beloond, haar eerste kind, dat Sogol geweest was, als naamling aangenomen.

Met zijn moeder zocht Sogol reeds als kind geneeskrachtige kruiden in bosch en veld en spelend leerde hij haar heelkunst en zag hoe zij de kruiden droogde, ziedde, mengde, tot poeder stampte en hoe zij de werking beproefde door ze aan konijnen, eekhoorns en honden in te geven en te onderzoeken of ze braakten of buikloop kregen of bevingen of krampen of stierven. Toen hij ouder werd, trok hij met haar mede, als zij bij koningen en hertogen werd geroepen om te heelen en hij had zoo al jong, toegang gehad tot kringen, waar andere kinderen uit het volk nooit kwamen en hij had toestanden leeren kennen, die ieder voor ongeloofelijk zou hebben gehouden. Hij was met zijn moeder geroepen naar de priesteressenhaag van Nehalennia op Walcheren, waar de reivoerster, die ’t heilige offer de keel mag doorsnijden, lag met gezwollen buik en pijnlijke heupen. Zij hadden beiden gedacht, moeder en zoon, dat de priesteres aan de jicht leed en haar gewreven met bilzenkruid opgelost in een mengsel van ongeaschte boter en was. Maar hoe groot was hun verwondering geweest, toen de priesteres begon te krijten als eene, die in de weeën ligt en een kind ter wereld bracht. De priesteres had hun een gouden vaas willen geven en een rood-lederen paardetoom als ze getuigen wilden, dat het kind door de genade van Nehalennia was geboren, zonder dat er gemeenschap was geweest met een man, maar Spûr was opgestaan en had haar jongen met zich medevoerende, de geschenken geweigerd. Dan voor de haag, had ze luide geroepen: „Liderlicke Hure, fluch si dir!”

Ook was zijn moeder geroepen in de heilige hagen te Mosarik, bij Dûnebarg, bij Forbarg en Bírtâ. [2] En telkens waren zij verbolgen huiswaarts gekeerd. De priesteressen en de priesters leden aan ziekten, gevolgen van ontucht of zwelgerij en altoos weer hadden zij de eerbare Spûr willen omkoopen en haar bezworen, toch niets aan het volk bekend te maken en de geboorten als kuische, door de heilige beroering van den Geest ontstaan, te willen aankondigen. Maar zij had loon geweigerd en na heur hulp verleend te hebben, had zij ze kloek in heur krachtige taal gesmaad en was met heur zoon weggegaan, nog langs den weg het volk vertellend, wat zij ervaren had en het opzettend, de liederlijke bent van priesters en priesteressen weg te jagen, die zeker den toorn van Nehalennia over de landen zou brengen.

En toen haar voorspelling uitkwam, de zwarte ziekte uitbrak, eerst te Bírtâ en toen te Dûnebarg en overal waar maar hagen van Nehalennia waren, werd het volk oproerig en schoolde voor de hagen saam en vervloekte de ontuchtige priesterschaar. Dat kwam ook ter oore van den reivoerder in ’t Bosch-van-den-Heertoog en de Hertog riep den Raad der oude Priesters bijeen, die verantwoordelijk gemaakt werden. Deze nu beraadslaagden en deden toen kond, dat de godin Nehalennia ondervraagd, geantwoord had, dat zij de ziekten gezonden had wegens een Nervische tooverkol met name Spûr, die giftige brouwsels en tooverdranken bereid had en die aan de priesters en priesteressen had ingegeven. Nu moest Spûr geofferd worden en men lokte haar naar ’t Bosch-van-den-Heertoog onder voorwendsel, dat de reivoerster ziek was. Zij kwam, als altoos bereid tot hulp met haar zoon en toen waren ze gevangen gezet en Spûr van tooverij beschuldigd, moest de waterproef ondergaan. Voor zijn oogen had de jongen gezien hoe zijn moeder, zijn goede, eerbare moeder, wier hoogen zin en groote liefderijkheid hij kende, naakt was geworpen in de kolk en daar, nadat zij driemaal omzichzelve was gedraaid, haar handen hoog had gestrekt naar hem en hem had toegeroepen één woord „Wraak!”, toen was gezonken, na hem nog éénmaal te hebben aangezien. Dien blik vergat de knaap nooit en voortaan leefde hij voor de wraak. Maar de priesters waren sterk, hier in ’t land en ver naar het binnenland waar de hooge bergen zijn en hij was gevlucht, van stede tot stede, altoos in gevaar omgebracht te worden, want ’s nachts sloop hij in de heilige hagen en hij sloeg de offerblokken tot gruizels en hij hing hanen aan één poot in de heilige eiken, om ze de wijding te ontnemen en hij deed zijn gevoeg voor de hutten, waar de offers werden bewaard.

Maar nu werden honden bij de hagen vastgelegd, die begonnen te bassen, als hij naderde en dan kwamen de wachters en vervolgden hem. Toen trok hij naar zijn vader, die terug was gekomen van het Paarden-eiland, waar hij al die jaren had gewoond, omdat hij medegestreden had tegen die van het Groene Eiland, die zoo rijk aan schapen zijn, dezelfde die willen weten, dat de Velagers aan hen zijn verzwagerd en de Bedekauwers vreemdelingen heeten, die uitgedreven moesten worden, in stede van recht op schatting te hebben. Toen hij zijn vader verteld had van het wedervaren zijner moeder en daarna hoe hij zich gewroken had, was zijn vader vertoornd geweest, had zijn moeder gevloekt en hem met smaad weggejaagd. Want de vader, die zeer vroom was, zeide dat hij leugenpraat sprak en dat zijn moeder een vrouw uit het volk was geweest, die niet tegen priesters en priesteressen had op te spelen en dat zij, door het volk op te hitsen een kwalijke daad had gedaan, die wèl met den dood gestraft had verdiend te worden.

Want hij, de vader, hoewel ook ontsproten uit den stand der hoorigen, was door vroomheid en moed verheven tot hertog en nu, na den strijd tegen die van ’t Groene Eiland, waarvan hij drie skiggen buit had medegebracht, zou hij naar de koningswaardigheid staan en zeker zouden de priesters op het Ding hem afvallen, als zij wisten, dat hij een zoon had, als Sogol, die de heilige hagen had ontwijd en nooit als zijn opvolger geduld zou worden.

Zoo was dan Sogol verjaagd en hij was getrokken naar de Ravenstroth, die woest lag, omdat geen wezen zich er in waagde, vanwege den Nickelman en al de vele booze geesten, die er huisden.

Hier, in de eenzame woestenij, was de jongeling opgegroeid, zich voedend met de vruchten en kruiden, die hij kende, met visch, die hij ving in de Gröhl van Nickelman en met klein wild, dat hij in strikken verschalkte. Hij had geen anderen geest om aan te roepen, dan dien van zijn overleden moeder, voor wien hij een altaar gebouwd had van steenen, die rondom de Gröhl lagen. Maar hij wijdde hem geen dieren en geen bloed, doch vruchten en bloemen en kruiden, zooals de blauwe kolebei en de zoete drakenbloedbes, die hij uitdrukte boven den offersteen, zoodat het scheen of er bloed langs leek en de stekelige iringis, ten teeken van de wraak, die hij gezworen had en vogelkruid, rosmarijn en mierik. Ook waren er kruiden, die gedroogd, tot poeder gewreven en dan gebrand, een dichte blauwe rook gaven en met kleine vuursterretjes knetterden en dan, als hij voor den offersteen stond, werd hij zelf licht en voelde zich zweven van de aarde als een geest en de geest van zijn moeder verscheen hem en zij doorleefden nogmaals het leven van vroeger, maar nu nog mooier. Hij herdacht dan met haar heel zijn schoone jeugd, de dagen dat hij met haar langs bosch en veld had gedwaald om kruiden te zoeken en de liefelijke wintertijd, als zij in de groote heilhut woonden, waar de brouwketels stonden; hij stookte het vuur en den heelen winter door aten zij heerlijke honingkoeken en gerookte zijden en hesp in brooddeeg, en ’s avonds, voor hij slapen ging, vertelde moeder mooie sproken van het betooverde slot en van de prinses Herzeloïde en van den wilden jager. Ook gaf zij hem raadsels op en die raadsels, al lang vergeten, kwamen hem nu weer in den zin.

Hij zat dan stil bij het rookende offer en hij voelde zich weder als kind en de oude raadsels sprak hij weer uit, zooals moeder dat gedaan had en hij gaf zichzelf het antwoord.

Hinder de Haus, Pfloegt Vetter Kraus, On Pfloeg, On Peerd, Is it nit de Moë weert.... [3] Dat was: de mol.

En dan weer:

Twi Köp en Twi Arme Zes Bin en zes Tin, Op vire nar nu gin.... Dat was: de ruiter en ’t peerd.

En dan weer:

Da kommt di Man van Tippen-Tappen, Hat di Rock mit bonte Lappe, Darbije nog sin rote Bart, Rate, Rate, wat vor Art.... Dat was: de haan.

Als hij dan niet kon slapen, had hij moeke om nog een raadsel gevraagd en nog een, en nog een heel zwaar, dat niet te raden was.

Gâte bi gâte joch, ’t Halt toch!

Dit was moeielijk geweest en peinzend was hij in slaap gevallen en ’s morgens had hij moeke om ’t antwoord gevraagd, maar hij moest denken zei ze en den heelen dag had hij gedacht en ’s avonds weer en zoo tot de week om was en toen had moeke dan de brouwpot van ’t vuur genomen en rinkele-rinkele tegen de ketting geslagen en ja, dat was het,

Gâte bi gâte joch, ’t Halt toch!

Na die oogenblikken van herinnering, was hij dagen achtereen bedroefd en weende om zijn moeder. Hij zou het spreken verleerd hebben, wanneer hij niet de gewoonte had aangenomen veel hardop met haar geest te praten, want geen sterveling drong in het bosch door, waar hij woonde. Zoo had hij rust en overvloed, maar de eenzaamheid drukte hem en hij verlangde naar een vrouw. Daarom was hij ’s nachts gaan rondzwerven buiten het bosch. Op een nacht was hij wat ver gaan dwalen en vond den weg niet zoo spoedig terug naar de Ravenstroth. Vermoeid viel hij ten laatste neder. Toen de zon opging, werd hij slapende ontdekt door een troep maaiers. Zij waren beangst, begonnen misbaar te maken en riepen in koor:

Wilde Mân, Wilde Mân, Du mot gân, du mot gân, ’k Zal din hare stroopen, Als di nit gaat loopen....

Hij ontwaakte op hun geschrei, stond op en nu vluchtten de maaiers en maaisters naar alle zijden. Eerst toen zij zagen, dat hij ze niet najoeg bleven ze staan, eerst de mannen en dan de vrouwen en van verre begonnen ze weer hun wijsje te zingen.

Sogol, die nu bij ’t daglicht den rechten weg dadelijk vond, liep naar de Ravenstroth terug, maar in zijn hut gekomen, hoorde hij nog altijd in gedachten het tergende wijsje.

Zij hielden hem dus voor een wilden man en spraken bezwerings-spreuken. Hij kende die wijsjes, had ze als kleine jongen wel meegezongen met de kinderen van het dorp, als ze wisten waar een kwaden geest zat, die ze allen te samen gingen tergen om hem het verblijf onhoudbaar te maken. Waren wellicht die andere kwade geesten ook menschen, gewone menschen, zooals hij, geweest? Een twijfel kwam in zijn gemoed sluipen. Als eens alle geesten menschen waren? En de nikkers, en de asen en de recken en de elfen? Wat hij van de priesters, de priesteressen en hun verhalen denken moest, wist hij. Hij lag lang na te denken. Vreemd, zoolang leefde hij nu al hier, wel zesmaal was ’t al winter geweest en hoewel hij op alle uren van den dag en den nacht in de Ravenstroth had gewaakt, nog nooit had hij een nix of een elf gezien en Nickelman, die bij elke nieuwe maan heette uit de Gröhl op te stijgen, had hij ook nooit ontwaard hoewel hij toch vaak bij nieuwe maan zijn fuik had uitgezet.

Hij had dikwerf zonderlinge geluiden gehoord in ’t dichte loover maar zoo vaak als hij had gespeurd naar den geest, had hij ervaren, dat het geluid een zichtbare oorzaak had, het knagen van een eekhoorn of het afbreken van een zwaren tak of het vallen van een nest of ook wel ’t geluid van vechtende vogels of balgende herten. Nu kende hij bijna alle geluiden van ’t bosch, hij wist wanneer de uil schreide of de ever snuffelde of de raven krijschten; of ver de herten galoppeerden of de hazen lepelden op den maanavond. En soms, wanneer hij ’s nachts door zoo’n bekend geluid werd gewekt en hij wist meteen, de ever gaat drinken aan de Gröhl of de vos heeft een fazant verschalkt, dan dacht hij ook aan ’t geen hij vroeger bij zoo’n geluid zich zou verbeeld hebben.

Langzamerhand begon hij moediger door te dringen in het geheim van de stroth en nu hij ondervonden had, hoe lichtvaardig de menschen, een huns gelijke voor een wildeman hielden, wanneer hij er maar wat woest uitzag, durfde hij het laatste geheim van de wildernis gaan doorgronden. Hij brak een lange gevorkte tak van een boom en scherpte de twee punten van den vork door ze met een steen te slijpen en in ’t vuur te harden. Toen wachtte hij tot het nieuwe maan was en sloop naar de Gröhl.

Hij bleef verborgen achter de eikestronk wachten en keek naar het diepe stroompje, dat tusschen de twee rotsige oevers met kleine kabbeltjes geulde, blauwzilverig in ’t maanlicht. Maar... daar kwam de Nickelman.... hij zag de twee gloeiende oogen in ’t kreupelhout. Hij beefde, hield zijn vork stevig vast om bereid te zijn, wanneer de Nickelman hem kwaad wilde doen. Doch opeens lachte hij luid-op en door dien lach verschrikt, sprong een lynx op, die had willen drinken maar nu vluchtte. Moediger door deze nieuwe ontnuchtering, liep hij naar den rand van ’t water en riep: „Nickelman, Nickelman!” Doch de Gröhlgeest dook niet op en nu begon hij hem te tarten en te sarren en uit te dagen. De watergeest dook nog steeds niet op. Hij sloeg met zijn vork op ’t water, schold Nickelman uit, beloofde hem dan weer eeuwige verknochtheid en trouwen dienst, als hij zich liet zien. Nu, geheel moedig, stapte hij in de Gröhl en sloeg met zijn vork in de golfjes en stak de vork naar alle zijden heen om hem te treffen, zoo de Gröhlgeest op den bodem zat. Opeens trilde hij door al zijn leden en uitte een kreet. Zijn vork werd beetgepakt en naar beneden getrokken. Hij hield stevig vast, rukte en met alle kracht trok hij de vork naar den kant en stapte uit het water. Maar de vork werd stevig vastgehouden en ’t was alsof de geest hem zijn wapen uit de handen wilde wringen. Nu hij echter op den vasten grond stond, zette hij den voet schrap tegen een zwaren steen en trok met alle krachten. Die daar beneden verzwakte en toen Sogol de vork boven ’t water haalde, krinkelde zich om den steel een armdikke aal, die hij tusschen de vork had vastgespietst.

Hij liet de vork los, die de aal weder in ’t water trok. Maar hij deed geen moeite om de buit terug te halen. Een diepe gedachte hield hem bezig. „Er is geen Nickelman!” dacht hij, zoomin als er elfen en nixen en asen zijn; zoomin als de priesteressen kinderen krijgen van de geesten, zoomin als er tooverkollen of wilde menschen zijn. Alles is zichtbaar en wat niet te zien is, bestaat ook niet. En zoo greep de gedachte hem aan, dat hij dien nacht in de stroth bleef rondloopen, luide roepend: „Alles is zichtbaar! Alles is zichtbaar!” opzettelijk daar loopend waar hij de geluiden hoorde, waarvoor hij vroeger angst had gehad en dan luid schallend roepend: „Alles is zichtbaar!” Op eens hoorde hij een stem, die hem antwoordde... maar luider, dieper... „Alles is zichtbaar!”... en toen nogmaals een stem, zwakker en teerder maar toch duidelijk verstaanbaar: „Alles is zichtbaar!”

Wie riep dat? Moedig drong hij door de dikke struiken en riep opnieuw. Weer hoorde hij twee stemmen, die antwoordden. Hij dreigde ze. Ze dreigden terug. Hij riep ze op. Ze riepen hem weder op. En steeds met zijn zelfde woorden. Voorwaarts drong hij en sloeg met een tak tegen een boom... een holle slag dreunde en kort daarop zonder dat hij nu sloeg, hoorde hij eveneens den dreun van een slag en een zachteren slag daarna. Hij kon niet ontdekken, wie daar sloeg en wie hem antwoordde en nu weer angstig, liep hij naar zijn hut en legde zich op zijn leger van vellen en bleef den heelen nacht peinzen. Dus was alles dan toch niet zichtbaar? Er waren dan toch geesten, die leefden, spraken, riepen, bedreigden en toch zich onzichtbaar konden maken? Toen het dag was geworden, haalde hij zijn vork uit de gröhl. Die dreef boven en nog altijd krinkelde de aal zich vergeefs om zich los te wringen. Hij sloeg den kop van het dier plat met een steen en droeg het naar de hut om later te braden. Nu, met zijn wapen, in ’t heldere daglicht, ging hij weer naar de plaats, waar dien nacht de geest had geroepen. Hij riep opnieuw: „Alles is zichtbaar!” Het antwoord schalde terug en het tweede opnieuw. Hij sprong in ’t kreupelhout, prikte met zijn vork naar alle zijden, maar ditmaal stak hij niet in een dier, doch slechts in ’t ijle of in bladeren of hagedissen.

En tegen den middag, heesch van ’t roepen en moe van ’t zoeken en denken, keerde hij naar de hut terug.