Chapter 26 of 32 · 3974 words · ~20 min read

Part 26

Bevrijd zijn, bevrijd zijn! Hij keerde weer uit zijn gedachtenrijk terug als uit een droom. Maar de riemen om armen en beenen, die striemden zoodra hij zich bewoog, de zwarte donkerte om zich heen, nu hij de oogen weder opende, herinnerde hem smartelijk aan zijn vreeselijken toestand van de stonde.

Weer hoorde hij buiten het brieschen van zijn paard en het scheen of het dichtbij met den voorhoef in den grond groef. Sogol bleef ingespannen luisteren.... O, als zijn paard werkelijk zooveel verstand had om een gat te graven en zijn meester licht en lucht toe te voeren... Zou in dien grooten kop, achter die goedige, bruine oogen zooveel besef huizen? Wellicht... waarom niet? Hoe reusachtig was de afstand niet tusschen de zeester en zijn paard... beiden toch dieren. Hoeveel malen moest de levensziel zich niet door sterven en wederopstand verreinen om den afstand af te leggen tusschen de hulpelooze zeester en het al zoo redelijke paard....

En het bleef graven.... Hij hoorde het telkens brieschen en dan weer woelde de hoef in den grond. Het geluid van ’t woelen kwam van rechts en klonk alsof een dor blad, door den wind opgejaagd, langs een drogen grond schoof.

Als hij ’t eens riep.... Maar zijn stem zou zijn bewakers kunnen wekken.... Neen, zwijgen moest hij.... een instinct zeide hem, dat hij zwijgen moest.

Stil, zachtjes ademend, lag hij te luisteren naar het brieschen en het graven.... Ja.... het gat moest dieper worden.... want hij hoorde den woelenden hoef steeds, steeds duidelijker en het brieschen nu al heel dichtbij.... Nu kòn hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zijn paard tot zich riep. Even was ’t doodstil. Nogmaals floot Sogol.... toen hoorde hij een klagelijk gehinnik.... Ja.... dat was Hadoe, zijn trouwe hengst.... Nogmaals floot hij.... twee, driemaal achtereen.... De hoef begon weder te woelen.... En nu kwam opeens een blauw straaltje licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den zijwand ver van Sogol. Even moest hij zijn oogen wennen aan dat licht.... en tot zijn ontzetting zag hij nu, dat het scheen op het gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of dood was.

Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog grooter.... en daar kwam het blauwe daglicht binnen. Het was Sogol of het door dat gat, links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan. En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde hij zijn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.

O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zijner gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.

Nu dorst hij te roepen. Het licht gaf hem geestkracht en vertrouwen en moed.

„Kom dan Hadoe.... kom dan zoet beest.... zoek dan, zoek dan dijn heer.... zúúúúúút.... zsúúúúúúút... dijn heer is hier.... kom.... kom....”

Sogol wachtte en keek even weder naar den anderen gevangene.... Hij schrikte.... daar, tegen den wand boven het lichaam van den onbekenden man, die daar lag, zag hij een visioen.... een onverklaarbaar wonderverschijnsel. Iemand.... een geest.... een ziel.... een god.... wie dan ook.... had met toovermacht daar tegen den muur een wonderschoon tafereel geteekend....

Met oogen, star van ontzetting, zag Sogol tegen den muur een boschje van hooge boomen, die wuifden in den wind en daaronder bewegende gestalten... met lange, loshangende haren... vrouwen waren het, die druk, verward bezig waren om iets dat in hun midden lag, te dansen. Maar het grootste wonder was, dat alles omgekeerd op den muur geteekend stond, zoodat de boomen met de toppen naar beneden verschenen en de vrouwen met de hoofden... Dan, nu het gat nog grooter werd, was het opeens verdwenen.

„Hadoe! Kom dan, mijn jongen... kom dan!” zei Sogol aanmoedigend. Het paard stak zijn snoet naar voren in ’t gat en snoof in de krocht naar zijn meester.

Toen, zich overtuigd hebbend, begon het verder te graven.

Sogol hoorde vrouwenstemmen en gillen en roepen, verstond de woorden. Zij spraken den zuiveren Nervischen tongval. Hij was dus door vrouwen van zijn eigen stam gevangen genomen. Waarom? En wanneer? En waar was Harimona en waar was Haun.

Hij begon ongerust te worden over ’t lot der twee. Nu hij weder het daglicht zag en rondom zich de dingen kon onderscheiden, verlieten hem de gedachten aan den dood en zijn mysteriën en zijn jong lichaam verlangde naar de geneuchten van het leven.

Waar was zijn geliefde? Lag zij wellicht zooals hij gebonden in een duister krocht? Was heur paard ook zooals zijn trouwe Hadoe, zijn meesteres licht en lucht komen brengen. Of versmachtte zij? En de jonge horenblazer? Waar was de knaap?

Hij hoorde het knallen van een zweep en daarna het geklikklak van de hoeven van Hadoe. Het paard werd weggevoerd... Zijn laatste vriend liet hem alleen... maar niet, dan nadat het hem zijn lot, zoover het in zijn zwak vermogen stond, verzacht had.

Licht was er tenminste in het hol. Nu zijn oogen geheel gewend waren aan den blauwen schemer die binnenviel, bemerkte hij, dat de man, die tegen den anderen muur gebonden lag, nog leefde, want zijn borst bewoog zich zwak op en neder. Hij was niet zooals Sogol, bijna naakt, maar had een rood buis aan, zooals de zeelieden dat gewoonlijk droegen.

„Schipper!” riep Sogol luide.

Maar de man antwoordde niet en bleef in zijn diepen slaap verzonken.

„Schipper!” riep Sogol nogmaals. „Schipper!”

De man antwoordde niet.

Zoo lag Sogol geruimen tijd, versmachtend van dorst, pijnlijk in al zijn leden door het gedwongen gestrekt liggen, zonder zich te kunnen verroeren. Hij voelde zijn hoofd zwaar worden, sloot de oogen, kreeg verwarde denkbeelden en verloor het bewustzijn.

Toen hij weer ontwaakte was het vaal donker in het hol, hoewel het gat nog open was. Het scheen dus avond te zullen worden. Hij hoorde nu geen geluiden meer, niet meer het gieren en joelen van de verre vrouwenstemmen en niet meer het klakkelen van de paardehoeven.

„Schipper!” riep hij nogmaals zwak.

„Leeft di!” antwoordde de man nu, sprekende het Nervisch met een Scandischen tongval.

„Ja, ik leef. Wie bent di en hoe bent di hier gekomen?”

„Ik ben een Nerigoner, stuurman van een Noorschen skig, die van het vreemde land kwam en in ’t Nervisch gebied met mijn kameraden wilde overwinteren. Toen, in dat vervloekte bosch, zijn wij door nixen overvallen. Mijn kameraden zijn ontkomen, maar ik, die een verwonden voet heb, kon niet vluchten en ben door de schoerhaaien gepakt en hier ingesmeten. Kunt di mi helpen... Ik heb zoo’n dorst...”

„Ligt di hier lange?”

„Van gistermorgen... En al dien tijd niets gegeten; geen droppel water en geen brok brood. En du vriend, wat is dijn wedervaren.”

„Ik ben een prins der Nerviërs, op reis naar mijn land om mijn vader als koning op te volgen. Uit een bedwelming ontwakend, lag ik hier, vastgebonden, zonder te weten hoe ik hier ben gekomen. Mijn trouw paard heeft van morgen hier, zijn meester zoekend, een luchtgat gegraven. Maar ik weet niet hoe lang ik hier ben en helpen kan ik di niet, want ik lig hier ook vastgebonden.”

Zoo bleven zij een tijd weer zwijgend liggen. De zeeman begon te kreunen en kreeg koortsen. Sogol voelde zich ook verzwakken maar hij onderdrukte zijn neiging om gedachteloos in te sluimeren door zijn wil, verwachtend dat er redding zou opdagen. Nu hij wist, door vrouwen gevangen genomen te zijn en nog wel, uit zijn gebied en die zijn taal spraken, vertrouwde hij dat zoodra hij in hare nabijheid gebracht zou zijn, ze wel zou weten onder zijn invloed te brengen.

Hij begon ook weer te peinzen over de vreemde afbeelding, die tegen den wand was verschenen en nu niet meer zichtbaar was. Na ’t geen hij buiten gehoord had en na ’t geen zijn medegevangene hem had verteld kon hij nagaan, dat deze afbeelding niet een hersenschim was geweest, maar de voorstelling van een werkelijk tafereel. Maar waarom was het nu verdwenen? Hij beproefde zich de afbeelding voor te stellen, zooals hij ze gezien had. Had hij ze gezien? Of was het een geestverschijning geweest? Of een droombeeld? Bestonden er dus werkelijk geheime krachten in den mensch? Zooals Harimona ze scheen te bezitten, die hem voor het binnengaan van de druipsteengrotten had gewaarschuwd? Hoe dieper hij doordacht, hoe grooter het aantal zijner ervaringen werd, des te moeilijker was het geheim van ’t leven te ontraadselen. Wellicht was dan toch niet alles door de gedachte te ontdekken.

Van nixen had daar die zeeman gesproken... Waren het werkelijk nixen?... Had de priester, die in ’t onderaardsche meer verdronken was, dan niet gelogen? Er waren drie vrouwen uit het hol gevlucht, toen hij met Harimona en Haun naderde.

Nixen? Neen.. het waren gewone, aardsche wijven. Zij spraken den Nervischen tongval en hun geroep en gejoel en geschreeuw was niet geweest als van nixen maar als van beschonken, aardsche wijven.

„Schipper!” riep hij nogmaals.

De Nerigoner antwoordde alleen door luide te steunen.

„Schipper, kunt di mi niet antwoorden.”

„Heer... heer... ik kan niet meer...”

„Kom, kom... du moet niet versagen... De redding is nabij...”

„Neen heer, neen... nixen zijn kwaje machten... als nixen di pakken is het uit.. en ik heb het verdiend heer.. ik heb het verdiend... ik heb in de groote zee een nix met een harpoen gewond en dit is de wraak..”

De Nerigoner zweeg en hield op met steunen. Sogol riep hem nogmaals maar hij antwoordde niet meer en scheen te slapen.

Buiten was de zon ondergegaan en nu werd de krocht weder geheel donker.

Sogol, hoewel doodmoede en tot slapen geneigd, dwong zichzelf om wakker te blijven, want indien Harimona en Haun pogingen tot zijn redding zouden wagen, was het zeker dat zij van de duisternis gebruik zouden maken en hij moest oplettend luisteren blijven naar elk gerucht, opdat hij, zoo zij hem riepen, dadelijk zou kunnen antwoorden.

Het werd nu koud in de krocht. Zoolang deze geheel gesloten was geweest, had de buitenlucht geen toegang gehad. Maar nu, door het luchtgat dat Hadoe had gegraven, kwam een ijzige tocht binnenwaaien. Sogol rilde, want zijn pels was terzijde gegleden, ’t geheele lichaam was naakt.

Plotseling, in die stilte, begon de Nerigoon te spreken, verwarde woorden zonder zin of samenhang.

Sogol had als knaap te vaak, als hij met Spûr mede ging, gewonden en zieken in koortsen zien liggen, dan dat hij niet dadelijk begreep, dat de man ijlde. Hij luisterde scherp toe, maar nu in zijn ijlkoortsen, sprak de man Nerigoonsch en hoewel die taal wel eenigszins geleek op het Nervisch, toch kon Sogol ze niet verstaan. Zoo lag hij, luisterend naar het gebrabbel van den ongelukkigen schipper. Maar tusschen de Nerigoonsche woorden hoorde hij anderen, van vreemden klank, alsof de schipper nog een andere taal sprak.

Sogol toeluisterend, vergat zijn moeheid. Daar lag, vlak bij hem een man, die den weg naar ’t vreemde land kende, die er van teruggekomen was, zijn schip zwaarbevracht met de wondere schatten van dat land. En die man, in zijn koortswaan, sprak daar nu wellicht van, onthulde het groote geheim van den weg, dat de Nerigonen, zooals alle Scandiërs, zoo zorgvuldig voor andere volkeren verborgen, den menschen afschrikkend met vreesaanjagende verhalen.

Deze hier had nog zooeven van een nix gesproken, die hij in de groote wereldzee met een harpoen had gedood. Nu had de Nerigoner toch geen noodzaak gehad om te liegen.

Dus bestonden er dan toch nixen... waren de verhalen van de monsters en gedrochten niet alle slimbedachte leugens om navolgers af te schrikken? Het groote geheim van den weg werd daar, op eenige passen afstands van hem, geopenbaard en hij kwam er niets van te weten, dan wat vreemdklinkende woorden, voor hem zonder beteekenis.

Indien hij zich maar los kon werken. Hij zou den man te drinken kunnen geven, verplegen, de vrijheid hergeven en dan zeker zou hij hem uit dankbaarheid den weg naar het vreemde land wijzen.

Nogmaals wrong Sogol aan zijn riemen. Maar de kluisters waren te vast aangelegd en sneden hem in ’t vleesch. Maar toch, eenigszins had hij ze verwrongen en de riem, die zijn linkerarm vastknelde, kon hij nu het hoofd zoover mogelijk ter zijde draaiend, met zijn tanden bereiken.

Dat was een aanvang. Dien riem moest hij doorknagen.. dat was het begin der bevrijding. Het ging heel moeilijk. Maar zijn tanden waren jong en sterk en steeds maar doorbijtend zou hij zeker den riem, al ware ze ook driemaal sterker, kunnen vaneenknagen.

Gestadig aan knaagde hij; het taaie leer werd week en glibberig door zijn speeksel. Toch bleef hij vezel na vezel doorbijten. Hij moest een poos rusten, misselijk wordend door den smaak van het leer. De stuurman kreunde nu weer.

„Schipper!” riep Sogol.

„Wat wil di, heer!” kreunde de zeeman.

„Houd di stevig... Ik zal di bevrijden.”

„Het is te laat heer; ik kan niet meer.”

„Ik zal di bevrijden en di redden.. Nog dezen nacht..”

En weer begon Sogol aan den riem te knagen, terwijl de Nerigoon bleef steunen. Telkens moest Sogol wachten, vermoeid rakend en misselijk wordend. Zijn tandvleesch begon te bloeden en het was hem, alsof hij geen tanden meer in den mond had. Maar toch bleef hij doorkauwen en knagen, vezel na vezel uit het leer losrukken. Toen eindelijk, nadat twee derde deel was doorgeknaagd, zette hij de spier van den bovenarm met kracht op. Het leer van den riem gaf krakend iets mee. Sogol wachtte een oogenblik en opnieuw zijn armspier doende zwellen, gaf het murw gebeten leer mede.

Dat was de bovenarm. Hij kon nu den linker elleboog en den linker schouder vrij bewegen en slechts het linker polsgewricht was nog aan een bronzen ring in den rotsigen bodem vastgebonden. Gelukte het hem den pols los te wringen, dan was hij op ééne zijde vrij en de andere zijde zou weldra volgen.

Doch hij kon den mond niet tot aan het polsgewricht brengen, daar zijn rechterschouder, bij den bovenarm vastgebonden, hem aan den grond ketende. Daarom moest hij eerst den bovenarm van den rechterarm losknagen, zooals hij dat bij den linkerarm gedaan had. Gelukkig dat hij nu niet meer gestadig denzelfden kant van den mond behoefde te gebruiken, maar afwisselend met de linker- en met de rechterhelft kon knagen.

Als een dier, geduldig en onverzettelijk, beet en kauwde hij op het leer tot hij ook den rechter bovenarm ontboeid had. Zijn hart klopte heftiger van vreugde nu hij bemerkte, dat hij zich halverwege kon oprichten. Het bovenlichaam was dus bevrijd, nu de polsen en enkels... Maar hij behoefde niet meer te kauwen. Thans, nu hij over zijn geheele lichaamskracht beschikte, begon hij aan de polsriemen te wrikken. Het leer gaf iets mede, maar de polsen zwollen door de krachtsinspanning en daardoor verloor hij de gewonnen verwijding. De polsen moesten glad gemaakt worden, opdat ze door de riemen heen konden glijden. Hij peinsde even. Indien hij maar een paar druppels olie gehad had... Doch een denkbeeld kwam in hem op en een poosje later zich met geweld overwinnend, nam hij de eigen drek in den mond en spuwde ze op zijn rechterpols uit.

En nu weer begon hij te trekken en te wringen... de riemen gaven mee, de nu gladde polsen gleden onder de riemen weg en zijn rechterarm was geheel bevrijd.

Hij zwaaide hem rond om de stijfheid te doen verdwijnen. Toen tastend langs den grond, zocht hij naar een paar ruwe steenen. Hij vond een stuk rotsscherf met een vrij scherpen kant. Dien scherpte hij aan tegen den grond en nu het als mes gebruikend, telkens in een kerf in de riemen insnijdend en dan weder den steen aanzettend op den grond, slaagde hij er in zich geheel te bevrijden.

De moeilijke arbeid had hem zoo beziggehouden, dat hij niet op den schipper meer gelet had. En hij, zweetend van de inspanning, rekte zich uit en liep nu tastend naar den hoek waar de schipper lag.

Deze was weder bewusteloos en Sogol, hem betastend, voelde hoe zijn beenen ijskoud waren. De riemen hadden den bloedsomloop gestremd.

Geduldig en hardnekkig begon Sogol met zijn gescherpten steen de riemen door te snijden van den schipper. Doch de arbeid vorderde langzaam in ’t donker. Daarom kroop Sogol naar het luchtgat en het haastig met de handen uitgravend, stond hij weldra buiten.

„Vrij!” zuchte hij.

Buiten was het doodstil. De hooge avondlucht stond vol sterren en in ’t verschiet doemde vaag de zwarte schaduw van een bosch. Zijn gevangenis was een in rotsen uitgehouwen hol, dat met rulle aarde inderhaast was dichtgegooid.

Hij ademde de nachtlucht met volle halen in en hij voelde zich vervuld van een dankbaarheid, die hem tot weenen bracht. Het leven was dan toch zoet en schoon, ondanks zijn raadsels. Daar, gebonden in ’t donkere krocht, had hij versmachtend den dood gewenscht. Maar nu rilde hij, denkend aan de doorgestane smarten en den dood. Leven wilde hij, het heerlijke, hooge leven bezitten, en zijn armen uitstrekkend, omarmde hij de nachtlucht als een bruid, die hij eindelijk weder omhelzen kon.

Hij keek om zich heen. De streek was hem welbekend. Daar gindsch begon het groote Nervische woud. Links daarvan, aan de tegengestelde zijde van de ster Brendel lag Beldun, de groote havenplaats.

Hij was dorstig en hongerig en voor ’t oogenblik niets anders vindend, trok hij wilde zuringstelen uit den grond en begon er op te kauwen. Eerst nu kwam de gedachte aan den lijdensgenoot in de krocht weer in zijn hoofd, zoo was hij geheel ingenomen geweest door het zalige gevoel der herwonnen vrijheid.

Hij keek rond om te zien of niet ergens een boschje in de nabijheid was, waar bij droog hout kon vinden. Dan had hij vuur en licht kunnen maken en met gloeiende houtspitsen de riemen van den schipper kunnen doorzengen. Maar het bosch in ’t verschiet was te ver. Hij blikte besluiteloos naar de krochtrots. Uit de wijze waarop de glooiing boven de krocht liep, in een langen, golvende lijn met inzinkingen, maakte hij op, dat hun krocht niet de eenige was, maar dat de rotswand over een groote lengte in krochten was afgedeeld. Daarom liep hij nu langs den rotswand en voorbij de eerste inzinking vond hij een tweede krocht, maar geheel open, zoodat hij in ’t vale duister wel iets kon onderscheiden. De krocht was leeg, doch in ’t midden hing een bronzen pot boven een leemen haard. Het vuur in den haard was uit. Sogol nam den pot uit den kettinghaak en hem aan het hengsel zwaaiend, sloeg hij den pot met kracht tegen den rotsigen wand. De pot sloeg met een hollen metaalklank stuk. Sogol zocht twee groote scherven en begon ze haastig tegen den rots te wrijven tot ze scherp genoeg waren. Toen snelde hij terug naar de krocht waar de zeeman lag. Die was nog altijd buiten bewustzijn.

Sogol kerfde nu de riemen van zijn armen en polsen los. Hij bevoelde de riemen waarmede de beenen van den zeeman waren vastgesnoerd aan den grond. Ook hier was een bronzen ring vastgegoten in den rots. Sogol rukte aan den ring, maar deze was te vast in den rotsgrond bevestigd. Hij moest opnieuw de riemen doorkerven en eerst toen lag de man bevrijd.

Sogol beurde hem op en droeg hem naar buiten. De koele nachtlucht hoopte hij, zou den man weder tot bezinning brengen. Hij wreef hem krachtig de beenen en nu in het nachtlicht bemerkte hij, dat de man een verkromden rechter voet had.

Maar terwijl hij den man tot bewustzijn trachtte te brengen, dacht hij aan Harimona. Nu hij vrij was, moest hij aan hare bevrijding denken. Maar waar was zij? Gevlucht? Gedood? Teruggevoerd naar Renigo? Of wellicht in één van de krochten vastgebonden, zooals hij bewegeloos aan den grond gesnoerd was geweest.

Daar de zeeman nog altijd bewusteloos bleef, nam Sogol hem op en liep met hem langs den rotswand, speurend rond met de oogen of hij niet ergens het glanzende vlak van een wel of een kreekje kon ontdekken. Maar het groote grasveld breidde zich tot aan den donkeren horizont uit, daar waar het woud begon zonder kreek of plas. Op de krocht waar de haard was, volgde een tweeden, geheel ledig. Een eind verder was er een derde.

Daarvoor hing een zwaar, dichtgeweven zeil. Sogol legde den zeeman zacht op den grond, tuurde terzijde door een kier in de krocht. Daar zag hij, voor een sintelvuur twee menschen liggen, geheel naakt, een groote man en een vrouw in zijn arm, die het hoofd op zij, sliepen. Sogol sloop geruischloos binnen, nam een gloeienden sintel van het vuur. Met verwondering bemerkte hij, dat de andere mensch ook een vrouw was. Hij rilde nu van afgrijzen. Voorzichtig een aakst nemend, die dicht bij de hand van de grootste der vrouwen lag, hief hij deze reeds op om de twee met twee snelle slagen te dooden. Maar hij bedacht zich. De dooden spreken niet en deze vrouwen moesten spreken, hem zeggen waar Harimona en Haun zich bevonden.

Met de aakst gewapend, sloop hij weder uit het woonhol en liep verder langs den rotswand. Daar was opnieuw een woonhol en ook hier sliepen twee vrouwen, half naakt, op pelzen voor een vuur. Tegen den wand stonden aaksten, een kortzwaard, een langzwaard en kruiken en potten.

Sogol, de aakst in zijn hand, sloop naar de potten. Maar bedenkend, dat een ontwaken hem veel last zou kunnen bezorgen, nam hij het langzwaard en sloeg met krachtigen slag de beide vrouwen in haar slaap tegelijk de hoofden van den romp. Zij uitten zelfs niet een korten gil, waren stom, zonder zucht of klacht van den eenen slaap in den anderen overgegaan.

Nu, rustig, nam hij een stuk hout van ’t vuur en ’t boven de potten houdend, bevond hij dat deze eetwaren en water inhielden.

Hij snelde naar buiten, tilde den schipper op, sleepte hem in de krocht en zonder zelf nog een teug waters genoten te hebben, bevochtigde hij de slapen en de borst van den bewustelooze, goot hem water in den mond, wreef hem krachtig langs de armen en beenen.

Nu sloeg de schipper de oogen op. Sogol hield hem de hand voor den mond.

„Zwijg schipper.... du bent gered. Maar zwijg.”

Hij zette den man overeind, gaf hem te drinken en nu hem weder optillend en naar buiten brengend, zeide hij:

„Stil en kloek, vriend. Ik heb dijn riemen losgesneden en di tot hier voortgeholpen. Wij zullen vluchten. Zeg mi, op welk wapen bent du geoefend?”

„Den harpoen, de knods en het mes.”

„En de aakst? Of het kortzwaard?”

„De aakst!”

Sogol snelde terug in de krocht, nam een aakst en een kortzwaard, liep weder naar buiten. Toen, nadat hij den schipper den aakst in de hand had geduwd, zei hij:

„Wacht mi hier, vriend.”

Hij ging weer terug, haalde een kan drinkwater en een pot met eetwaar. Buiten zette hij de kan aan den mond en dronk, met voorzichtige, langzame teugen, als een man, die gewoon aan honger en dorst, weet dat men na lang versmachten kalm en niet overhaast moet drinken.

Toen gaf hij de kan aan den zeeman, maar fluisterde:

„Drink niet haastig.... met kleine teugen.... als dijn leven di waard is.”

Sogol stopte zijn hand in den anderen pot. Hij voelde het taaie, kleverige van honig in raten. Gulzig bracht hij een stuk raat aan den mond. O, hoe zoet, hoe mild, smaakte ze, de honing, hoe koesterde zij den vlijmenden kramp van zijn hongerige maag. De zeeman tastte ook toe.