Part 21
De zwarte ziekte begon slachtoffers te maken en van alle zijden kwamen maren van hongersnood, koude en vorst.
Ook in de hut van Sigbert werd honger geleden. Zij hadden den grooten waakhond al moeten slachten en aten nu sedert dagen niets dan moes van dorre bladeren. Vergeefs liepen zij het woud af om wild te zoeken. Het wild was, instinctief den kouden winter voorvoelend, naar andere streken gevlucht en de weinige hazen, vossen, wolven en evers, die nog waren achtergebleven, ten buit geworden van de honderden hongerige Batouwers, die de bosschen afstroopten.
Ook bij de Frisen was de oogst slecht geweest. Maar koning Tjilbard had wel veertig groote schepen naar ’t Paarden-eiland gezonden met barnsteen, albasten schijven, koehuiden en fraai besneden zetels, broodplanken, messenheften, sierframmen beladen, om graan te gaan ruilen op ’t Paarden-eiland.
Daar zou dus geen gebrek zijn! Maar Tjilbard, zou niet voor niets van zijn voorraad aan de Batouwers afstaan en veel om te ruilen hadden de Batouwers niet, want de Frisen waren rijk en kunstvaardig en hadden in hun rijk alles wat de Batouwers ook hadden.
Doch de geschenken, die Sigbert en zijn zonen van Maresag hadden gekregen, de mooie pels van marterbont van Sigbert zelf en het prachtige bronzen kortzwaard van Reri en zijn jachthemd met de koperen schakels en zijn bronzen helm, dat waren schatten, die ook de Frisenkoning wel gaarne zon willen bezitten en inruilen tegen graan.
Daarom dan zouden Reri en Tjeerd naar der Frisen koning optrekken en hem bericht brengen van prins Istovar en hun kostbaarheden in ruil voor graan aanbieden.
Zij trokken in snelle dagreizen naar Jelhiem, de hoofdstad van het land der dappere Frisen. Maar aan de grens van het Friesche gebied vernamen zij van de groote hongersnood, die ook in Frisenland heerschte en al zoude men graan tegen goud willen opwegen, dan nog zou geen graan aan vreemdelingen medegegeven worden, want het volk zou in dat geval zeker oproer maken.
De skigge van koning Tjilbard waren wel teruggekeerd van het Paarden-eiland en blijkens de signalen waren ze volbeladen met graan. Doch de toegang tot de Aamshaven was bevroren en het ijs was te dun om er overheen te kunnen loopen tot aan de skigge, die ingevroren lagen.
Dag aan dag stonden de hongerende Frisen aan de kust uitkijkend naar de zwaar beladen skigge maar alle pogingen van die van de schepen om aan land te komen of van die van het land om de schepen te bereiken, faalden.
Een breede geul van stroomend water midden in ’t ijs maakte het onmogelijk de schepen te naderen noch te voet, noch met kleine scheepjes, noch met groote vaartuigen.
Enkele dappere mannen hadden het gewaagd zoover mogelijk over het ijs te loopen, dan het ijs stuk te hakken en zoo zich tot de geul door te werken. Maar in ’t ijskoude water waren zij door kramp bevangen en weggezonken. Reri ging naar koning Tjilbard, en verhaalde hem ’t wedervaren van zijn zoon prins Istovar.
De koning vloekte, zeide dat hij reeds van Melle de tijding had ontvangen en vroeg waarom de Bataaf oude wonden kwam openrijten.
Reri verontschuldigde zich en bood nu zijn schatten aan smeekend om één enkele zak graan.
„Van wien hebt gij al dat moois?” vroeg de koning wantrouwig.
„Van Maresag, den hoogepriester en Harimona, de heilige maagd!”
„Dus du bent wel uitverkoren geweest, maar mijn dapperen zoon niet....”
„Ik was wachter heer, bij de schattenschuren! En de heilige maagd heeft vader een rijken oogst beloofd. Ik smeek di, geef ons één zak graan en wij zullen di dankbaar zijn en als de goede tijden voor de Batouw aanbreken gedenken, wie onze vriend in den rampspoed is geweest.”
„De heilige maagd Harimona heeft dijn vader een goeden oogst voorspeld.... En daarop vertrouwt di?.... Zotskoppen zijt di.... bij elkaar. Door dijn zotskopperij is ook in ’t Frisenland den roep van de heilige maagd Harimona verbreid en mijn eenige zoon heb ik daardoor verloren... Als du weder heilige maagden kent, moogt du di eerst beter vergewissen, want dijne Harimona is een veile deern, een liderlicke hure, die met een Nervischen prins gevlucht is.... De trouwe Melle heeft mi de kond gedaan....”
„Dat liegt di, koning” zeide Reri verontwaardigd.
„Pak di weg met dijn schatten.... Koning Tjilbard verlangt geen hurenloon... Pak di weg... Hurenknecht!”
Met smaad waren Reri en Tjeerd weggezonden. Zij trokken eerst naar de kust om naar de graanschepen te zien. Daar lagen ze, veertig groote Frise skigge, met breede, hooge boegen en lange masten, waarvan de dunne lederen zeilen niet waren opgerold, maar stijf bevroren, strak uithingen aan de rondhouten.
Reri, tegen een paal geleund, keek lang en aandachtig naar de schepen.
„Zou di niet durven?” vroeg Tjeerd.
„Als ’t moest zijn!” zeide Reri kort....
„Du zou al di Frisen te schande maken....”
„Wat heb ik daaraan.... Als ik nu ’t graan van hun skigge haal, is ’t niet voor Tjilbard.... Kom mee jong, eerst naar vaêr toe om raad te vragen.”
Hoewel zij hongerden en zich met weinig anders voedden, dan met visch, die zij in stroobosschen ’s nachts op de Frise waters vingen en rauw opaten, liepen zij met snelle schreden terug naar de Batouw.
Zij vertelden Sigbert van de ontnuchterende ontvangst bij Koning Tjilbard.
Sigbert wreef een traan uit zijn oog.
„Grien je vaêr?” vroeg Reri ontzet.
„Ja jong.... ja jong.... als dat waar is.... als die Harimona een hure is geweest, dan is ’t gedaan met de Batouw.... Dan moeten wij weg.... met de saks er op uit een nieuwe ouw zoeken.... En dan begint het moorden weer.... dan moeten wij anderen menschen vellen... en vrouwen en kinderen verjagen.... ’t Is hard hoor.... ’k Heb nooit graag de saks gezwaaid... Wat is dat voor bloedgierig werk?.... Achter den ploeg wil ik loopen.... dat wil ik, van den nuchteren morgen tot in den zwarten schemer. En met dijn moêr wil ik de sikkel slaan.... dat wil ik, naar Batouwschen aard... Dat ’s trouw werk en daar valt zweet bij maar geen bloed.... Grendeldebliksem... zouwen wij Batouwers van ons land afmoeten! Zouwen wij jong? Dat mooie land, dat je overgrootvaêr heeft gebouwd, en je grootvaêr... je moeders moer en je moer.... Wat zei Tjilbard? Is zij een hure! Wee, dien hure.... als zij mij bedrogen heeft... Den kop inhakken met den saks zal ik haar.... die kol, die dop... Grendeldebliksem.... d’r witte haren zal ik rood maken!... Grendeldebliksem hier.... met mijn saks!”
Hij had de saks van den wand genomen en drilde ze in zijn schorschige vuist.... Ontzet zag Reri hoe dun vaders polsen waren geworden.
„Vaêr,” zei Reri, „er is wel raad....”
„Wat zou hier raad jong?... Zie di niet hoe dijn arme moeder afgeteerd is?... Hoelang vreten wij nu blaremoes? In Dantuba zijn ze allen verrekt van de kou en den honger.... Hoe lang zal ’t hier nog rekken?.... Hari, de bode is hier geweest.... Weet di wat hij vertelde?....”
Sigbert kwam dicht bij zijn zoons staan en Reri diep in de oogen ziende met zijn driehoekige groene oogen onder de schuin neerhangende oogleden....
„Aan de grens hebben Batouwers van den honger elkaar opgevreten.... Van den hònger.... van den hònger, van den hònger, jong!....”
Hij hief zijn saks dreigend op tegen een denkbeeldigen vijand, maar viel toen weer moedeloos neer op een hoop brandhout, zijn oud hoofd gebogen en snikkend hikkend met de borst zonder te weenen.
„Ik weet een middel vaêr....”
„Wat zou di weten?....”
„Wij moeten de Frische skigge veroveren....”
„Wat zeg di jong.... Batouwers rooven niet....”
„Batouwers vreten nu elkaar op van den honger,” waagde Tjeerd bitter te zeggen.
„Hou dijn mond, du melkmuil...” toornde Sigbert op.
„’t Is zoo vaêr... Tjeerd zegt ’t rechte woord... wij moeten.... Als ’t nou niet is, moeten wij in ’t voorjaar er op uit....”
„De Frisen zijn onze bondgenooten....”
„Stikken kunnen ze.... die bondgenooten. Geen zak graan ruilen ze voor een marterpels, die tien akkers groenland waard is... Als wij de skigge overvallen hebben wij graan zat... en ook om te zaaien in ’t voorjaar... Waar wil di ’t zaaigraan vandaan halen, vaêr?... En anders moeten wij weg uit Batouw... Op de schobberdebonk naar een nieuw ouw.... Dat zal wat geven, met de Batouwers... Ze vechten tegenwoordig overal nieuwerwetsch met ’t kortzwaard.... Daar kunnen wij niet tegen op met de saks...”
„Ik zou wel willen zien, wie mi de saks uit de hand sloeg...”
Hij hief zijn gepunte bijl weder op en drilde hem heen en weer, dreigend tegen een denkbeeldigen vijand.
„Du vaêr ja... du wel... maar d’er is al veel volk onder de Batouwers, die al in geen jaren van achter den ploeg zijn weggeweest... Du moet ze zien, zooals ze tegenwoordig vechten bij de Kaninefaten en de Sfafen op de wijze, die van ’t Paarden-eiland is ingevoerd. Op lage wagens vaêr, met vier vlugge peerden er voor en dan twee kaerels er in, één met met kortzwaard en schild en één die stuurt... Daar kan di met een saks niet tegenop... De peerden rijen je omver, de kerel hakt van zijn wagen op je in en als du terug hakt, is-’t-ie weg met zijn kar...”
„Grendeldebliksem, twee tegen een... Dat’s smuigerswerk!”
„Ze doen ’t ’em maar, vaêr. En als de kop gekloven is, lig je... Als du nou wou vaêr... als du dijn saks opriep, en dan flink aangeloopen naar de kust en dan wij, als Batouwers, met ’t schild en de saks over ’t ijs tot aan de waterrand. En dan ik met nog een paar zwemmers flink ingesmeerd met berenvet, met een taai touw om ’t lijf. Dan bij de skigge het touw vastgelegd aan één skig en dan weer met het touw terug. Als dan de heele saks aan het trekken gaat, krijgen wij een heel skig over den stroom heen en wij kunnen dan de zeelui binden en de skig leeghalen...”
Sigbert had aandachtig toegeluisterd.
„Dat zou één skig zijn.”
„Dat’s genoeg.”
„En de wraak van de Frisen?”
„Bent-di bang vaêr?”
„’t Zijn kwaje kaerels als ze beginnen.”
„Honger is ook een kwaje kaerel.”
„Als du ’t wilt, welnu dan jong... daar is dijn vaders hand...”
Nog dienzelfden dag waren er op de heuvels vuren ontstoken, om de lieden van de streek te waarschuwen, dat er een saks gevormd moest worden en den volgenden morgen vroeg trok Sigbert met honderd Batouwers naar de Frise kust.
Zes nachten zou de voetreis der honderd duren, vóór zij aan de kust kwamen, waar de skigge lagen. Zij moesten afzonderlijk optrekken, want een gewapende saks van honderd Batouwers zou door de Frisen spoedig bemerkt en gevangen genomen zijn.
Bijna allen waren verzwakt door de lange tijden van schaarschte en maar een twintigtal, die vroeger tegen de Dantubaren gestreden hadden, waren vaardig met de saks. Reri was de grootste en sterkste van allen. De meesten, blondharig, breed van schouders, gedrongen van bouw, waren iets kleiner dan Sigbert. Doch moed hadden ze allen, wetende welke buit hun wachtte en ook welke waarde die buit voor hen had. Het was niet alleen graan, waarmede zij den nijpenden honger van zichzelf, vrouw en kinderen konden stillen. Maar graan, dat was voor hen ook zaaigraan, het eenige middel om ’t volgende jaar aan den hongersnood te ontkomen, het eenige middel wellicht om hun anders zoo vruchtbare ouw, in vrede te blijven bezitten. Want niets was vreeselijker dan op verovering van een nieuw gebied uit te gaan. De volksstammen waren talrijk en geheel Germanje was in de vruchtbare streken dicht bewoond. De voorbeelden waren niet zelden, dat stammen, die hun gebied verlaten hadden, overal waren verjaagd, opgedrongen, aangevallen, bestreden tot zij eindelijk weer het oude gebied opzochten, maar daar reeds een nieuwen stam vonden. Dan moesten ze om het eerst verlaten land met de wapens in de vuist twisten en zoo waren wel gansche stammen uitgemoord of tot hoorigen en slaven gemaakt.
Waar zouden de Batouwers heen? Aan het bezetten van de ouwen der Frisen was niet te denken. De Frisen, hoe vreedzaam ook wanneer zij niet aangevallen werden, waren onoverwinnelijk als zij tot verdediging genoodzaakt waren. En de Frisen waren een ras van krachtige, slanke lieden, vaardig óók al op het nieuwerwetsche kortzwaard en onstuimig in den stormloop.
Naar de gebieden der Bellovaken en Nerviërs zouden zij evenmin kunnen trekken, want de Nerviërs waren uitstekende ruiters en de Bellovaken streden wel tegen die van ’t Paarden-eiland, zoodat een Batouwer hier op geen overwinning mocht hopen. Naar de zijde der Sigambers en Chatten was wel een uitweg te vinden, maar die te verjagen naar de Hermoendoeren zou niet gaan, want de Hermoendoeren waren vrienden van de Cherusken en die twee stammen konden niet door de Batouwers verslagen worden als zij de Hermoendoeren nog daarbij voor zich uit hadden te drijven.
Zij moesten in hun ouw blijven en de honderd wisten wel, dat het van het gelukken hunner rooftocht afhing, of zij in ’t voorjaar zaaigraan zouden hebben.
Er waren in deze koude dagen weinig lieden buitenshuis en vooral niet op de groote wegen. Want de honger had die wegen gevaarlijk gemaakt voor reizigers, die niet in groote troepen trokken. En daar in den winter geen groote reizen werden gemaakt, trok de Batouwsche saks onbemerkt het Frisenland binnen. Vooraf gingen straalsgewijze uitelkaar tien verspieders, die als zij twee gewenden geloopen hadden, weder straalsgewijze tot elkaar liepen. Waren zij bijeengekomen en had de weg niets verdachts opgeleverd, dan liepen twee van hen in twee richtingen in draf terug tot zij in ’t gezicht van de volgende tien man kwamen, die zij door ’t opsteken van een grooten tak waarschuwden, dat zij voort konden loopen.
Die tien deden door twee hunner op dezelfde wijze de tien volgende waarschuwen en zoo voort van hoede tot hoede.
Was er onraad bespeurd, dan staken de voorloopende een tak op met een dwarstak bovenaan. Onmiddellijk liepen dan de tien mannen in stralen uiteen en kwamen, al naar afspraak na meer of minder gewenden afstands, weder straalsgewijze tot elkaar.
De mate van ’t dreigende gevaar konden zij zien aan de wijze waarop de dwarsstok op de rechtstandigen was gestoken, meer of minder zuiver kruisvormig. Was de dwarsstok plat op de rechtstandige gelegd in een T vorm, dan was ’t gevaar ’t grootst.
Reri was bij de voorste troep der tien mannen; hij kende den weg en wist de bewoonde streken, die voorzichtig gemeden werden. Daar rivieren en meren en poelen overal hard bevroren waren, kon hij een rechte korten weg volgen en zoo stonden de eerste tien, na zeven dagen van langen ingespannen marschen ’s avonds aan het strand en zagen heel in de verte in ’t maanlicht de donkere rompen van de graanvloot.
De twee konders liepen terug om de andere tienmannen te waarschuwen en het laatste eind van den weg werd in den nacht in looppas afgelegd zoodat het nog donker was toen de honderd zwijgend, met de saks in de vuist, gereed voor tegenweer tot op den dood, bij elkaar waren.
Onderwijl waren Reri, Hindar, de snelzwemmer, Freihals, die met Reri samen op een Scandischen skig had gevaren, en Baldei de jongere, bezig met de voorbereiding voor den zwemtocht. Het was windstil en hoewel de maan reeds onder was, toch nog licht door de heldere sterren aan den onbewolkten nachthemel. De vier Batouwers, de beste zwemmers van den heelen stam, smeerden zich dik in met berenvet van het hoofd tot de voeten zoodat hun lichamen door een dikke laag hard vet waren bedekt. Nu werden de tien einden touw, die de tien mannen hadden gedragen, aan elkaar geknoopt en de vier zwemmers, onderling door touwen aan elkaar verbonden om bij ongeval elkaar te kunnen steunen, liepen vooruit over het ijs gevolgd door de overigen mannen van de saks van Sigbert. Toen zij daar kwamen waar het ijs geen mensch meer houden kon, omdat door de sterke strooming, die daar stond, het water niet dichtvroor, hielden de sakslieden stand elk met een gedeelte van het touw in de handen, dat zij langzaam lieten uitvieren.
De vier zwemmers, de saks in den gordel, sprongen zacht in ’t ijswater en begonnen schuin op de rechter zijde zich werpend met kalme, slagen op de schepen toe te zwemmen. Reri, die merkte dat Baldei, de jonge, in zijn overmoed te snel zwom en zoo telkens een ruk vooruit aan het touw deed, waarmede hij aan de drie anderen was verbonden, waarschuwde hem.
„Zacht aanvangen Baldei.... anders houd di ’t niet vol...”
Maar Baldei, trotsch op de jonge kracht van zijn prachtige leden en zijn stronkige spieren, wilde niet luisteren.
Toen sloeg Reri even twee slagen sneller uit en gaf hem een slag met vuist op den schouder.
„Grendeldebliksem, zal di hooren.... als du nogmaals aan het touw trekt verzuip ik di....”
De jonge man hief even boven ’t lijf op uit ’t water, maar verbeet de pijn en zwom nu kalmer door.
Een geruimen tijd zwommen de vier zoo door ’t ijswater. Maar ’t berenvet in de koude stollend om hun lichamen, hield hen warm en eenmaal in de beweging was de bloedsomloop snel genoeg om hen voor krampen te bewaren.
Eindelijk beval Reri dat zij drijven zouden zonder zich te roeren. Hij had de wacht gezien op ’t eerste schip, dat zij nu al dicht genaderd hadden.
„Wij moeten langs het roer op.... Anders kom je nooit op een Frise skig....”
Een ijsbergje dreef aan. Reri hield het met zijn schouder tegen....
„Hierachter aan mannen!” zei hij. Hij haalde zijn saks uit den gordel, sloeg het wapen met de scherpe punt van den bronzen bijl vast in den ijsberg en zachtjes met de voeten trappend, stuwde hij het ijsbergje met duwtjes naar het roer van het schip. Hij hief den vinger op, zijn lichaam steunend op het roer en de drie anderen, de handen klemmend om de stuurstaart, ’t hoofd half boven ’t water, wachtten.
Reri maakte het touw los van zijn gordel en zijn saks in de hand nemend, hakte hij het hout rond een zwaren spijker boven zijn hoofd los, zoodat hij er zijn gordel aan kon binden.
„Het is hoog tijd. ’t Weer slaat om” fluisterde hij tot zijn makkers. „Het ijs in de strooming is al gesmolten tot hier. Toen ik wegging lagen de skigge nog in ’t ijs en nu zijn ze al aan ’t water toe. Kom hier Baldei.... du bent de langste.... ga in de gordellus staan.... Dan klim ik langs dijn schouders en reik aan de verschansing... Dan hier wachten.... tot ik terug kom. Maar hoort di onraad of een plons, dan wegzwemmen.... Om mi is het dan toch gedaan en boven komt di toch niet zonder hulp....”
Baldei stond in de gordellus en zijn saks vastslaande in ’t hout, hield hij zich zoo rechtop. Reri klom langs hem op, voorzichtig en moeielijk, want beider lichamen, glad door het berenvet, gaven geen houvast. Maar Reri wreef zijn handpalmen droog tegen de ruwe kiel van de skig en vast de schouders van Baldei pakkend, heesch hij zich op diens rug, zette nu de voetzolen in de gleuven van de schouderspieren, die Baldei opzette en nu zachtjes aan zich oprichtend, kon hij met de handen de rand van de borstwering van de skig grijpen, die aan de roerzijde ’t laagst gebouwd was.
Nu, de saks bij den steel in den mond pakkend, heesch hij zich op het dek.
De roerganger stond geleund tegen het vastgezette roer met den rug naar Reri toe. Reri deed drie schreden voorwaarts, hief zijn saks met de rechterhand op en sloeg met één slag den man schuin tegen den slaap tegelijk met de linkerarm hem opvangend en de hand tegen ’s mans mond houdend, opdat hij niet kon gillen.
Toen de wacht neerviel, zonder een geluid, herkende Reri hem met ontzetting. Het was een oude kameraad, een Scandiër, die hem toen Reri nog scheepsjongen was, knoopen had leeren leggen en netten breien.
Maar lang peinsde hij niet. Hij legde het lichaam van den gedoode zachtjes neer.... Op zijn vette linkerarm bleven wat roode pareltjes bloed hechten, dat was alles. Daarna sloop hij, welbekend met de inrichting der Frise skigge, naar het ruimluik. Toen hij zijn saks als koevoet gebruikend, den ijzeren sluitriggel over de kram heenzette, brak zijn saks. Hij nam den riggel met de handen vast, zette zich schrap en poogde den riggel te verbuigen. Doch zelfs zijn kracht reikte niet toe. Hij keek rond.... liep op ’t lijk van de wacht toe, haalde diens ijzeren mes uit de scheede en sneed het hout rond de kram weg. Toen gaf de riggel mede, en het luik kon opgetild worden. In ’t zwarte gat van ’t ruim zag hij niets. Maar dit behoefde niet. Hij kende de wijze waarop de skigge gestouwd werden, liet zich in ’t luik afzakken, de hand om den rand van ’t vierkante luikgat gekneld en even heen en weer zwaaiend voelde hij grond. Hij liet zich los en viel op de leeren zakken.
„Jammer,” dacht hij „dat ik geen licht heb om te kiezen.”
Hij greep met zijn vingers tastend in de zakken. Dat was graan.... en dat was rogge.... en dat wat ronder, dat zoo stak, dat was gerst.... en dat.... dat.... hij voelde nogmaals en nogmaals.... het waren kleine ronde korreltjes, maar wàt voor graan ’t was kon hij niet goed op ’t gevoel onderscheiden. ’t Zal spelt zijn, dacht hij.
En nu stapelde hij snel eenige zakken op elkaar, zoodat hij een soort trap vormend, makkelijk bij de opening van ’t luik kon komen. Met twee zakken gerst klom hij naar boven, sloop naar ’t roer.
„Gauw, gauw,” zei Baldei.... „het water bevriest op mijn leden....”
„Volhouden!” riep Reri. Hij gaf hem den eersten zak, die Baldei overgaf aan de twee, die op de roerstaart zaten en wachtten. Toen de tweede.
„Volhouden!” riep Reri.... „er komen er meer.”
„Ik kan niet.... ik verstijf....”
Toen boog Reri zich over de verschansing, en een stuk touw latend afhangen gebood hij Baldei, dat vast te pakken.
„Ik kan niet meer. Ik kan mijn leden niet meer bewegen.”
„In je mond!” beval Reri.
De jonge Batouwer pakte het eind van het touw vast met zijn tanden.
Reri, kennend de sterkte van het gebit der jonge Batouwers, die al als knapen zich oefenen in het tillen met de tanden, trok Baldei op, die nu boven het water zweefde, stijf bevroren maar klemmend zijn tanden, sterk als het gebit van een roofdier om het touw, schuingebogen het hoofd. Toen hij hem tot aan de rand van de verschansing had, greep hij hem snel bij den gordel, die kraakte van het ijs. Dan haalde hij den verstijfden, jongen reus op het achterdek.
Onmiddellijk begon hij hem krachtig te wrijven. Het waren niet zijn leden, die bevroren waren. Doch het vet was door ’t schuren tegen het roer weggewreven en het warme lichaam, leunend tegen de dikbevroren kiel, was eerst vochtig geworden en toen was ’t water op ’t harige lichaam bevroren.
Nu kwam Baldei weder bij en kon zijn leden weder bewegen. Met schrik zag Reri in de verte aan den einder de eerste paarsche schemer van het komende morgenlicht.
„Kom mee,” beval hij.
Weer daalde hij in ’t ruim af en gaf Baldei zakken aan, een, drie, zes, acht.... twaalf.... vijftien.... tot vijf en twintig. Toen droegen ze beiden de zakken naar de achterplecht....
„Dat krijgen we zoo nooit weg!” meende Baldei.
„Neen.... wij moeten de jol kapen.... kom mee....”
Zij schreden naar ’t hooge voordek, sjorden de jol los... droegen haar dwars over het skig naar ’t achterdek en nu lieten de twee reuzen alleen de jol zachtjes met de punt vooruit langs het roer glijden. De twee beneden begrepen dadelijk waarom ’t ging, stutten het vaartuigje, zoodat het recht op ’t water kwam te liggen. Baldei liet zich weer af in de gordellus en nam de zakken een voor een aan, gaf ze aan de twee mannen beneden, die ze stouwden in de jol....
Toen de vijf en twintig leeren zakken met graan er in lagen, zakte het vaartuig tot den rand in ’t water.