Chapter 11 of 32 · 3950 words · ~20 min read

Part 11

Koning Mise begaf zich nu eerst naar Maresag en liet door Reri vragen of hij den priester kon spreken.

Maresag hoorende dat er weder een koning der Skalde-eilanden was trad thans zelf naar buiten, vast besloten om ditmaal streng te richten. Zoodra hij Mise zag, donderde hij hem toe:

„Bedrieger... wat... nogmaals waagt di te komen.”

„Heer, ik kom hooren of de sandaal reeds zijn schatten heeft opgebracht.”

„Wat... du wilt met mi spotten?”

„Ei heer... is het spotten als men aan de wonderkracht van Harimona gelooft!”

„Zij heeft zich de schuur, die gij leeg hebt gestolen, weder vol gewenscht. Maar de schuur blijft leeg.”

„Heer, dat is niet mijn schuld en niet die van den wonderschoen, maar van Harimona. En ik zal overal bekend maken, dat zij geen gunst heeft bij Wotan.....”

„Ik zal di hier doen dooden door mijn Reck!”

„Beproef het nog éénmaal, heer. Zet heden nacht den wonderschoen weder onder de schouw en laat Harimona nog eenmaal bidden... Als dat zonder gevolg blijft is Harimona zonder godengunst en mij moogt di dooden.”

Maresag had onderwijl het plan gevat om, zoo ditmaal Wotan, Harimona’s smeekbede niet zou verhooren, slim de schuur zelf te vullen, opdat koning Mise van Harimona’s godengunst zou getuigen.

Hij zette de sandaal ’s avonds onder de schouw en liet Harimona Wotan smeeken, de schuur weder vol schatten doen dragen.

Maresag hield dien nacht de wacht bij de schouw en toen tot den vroegen morgen, geen schatten werden binnengebracht, sleepte hij zelf uit de andere schuren schatten naar de leege schuur, vastbesloten om den volgenden dag tot koning Mise te zeggen, dat Wotan, Harimona’s smeekbeden verhoord had.

Toen de priester zich eindelijk te slapen had gelegd, kwamen Koning Gise en Koning Mise, vergezeld van hun zes trawanten met een kar vol schatten aanrijden en snel en stil stapelden ze de schuur vol. Toen Koning Mise merkte, dat de schuur reeds schatten herbergde, lachte hij fijntjes en beval, dat deze schatten weggereden moesten worden om ze door kostbaarder te vervangen, welke kiesche wijze van geven naar hij zeide, voortaan Koning Gise, zich tot voorbeeld zou stellen. De schatten, die zij mede terugnamen, liet Koning Mise in de tent van Koning Gise opstellen en na dezen nachttaak, legde ook hij zich te ruste.

Het was noen, toen Koning Mise een kondschapper ontving, die hem uitnoodigde den opperpriester een bezoek te brengen. Maresag ontving hem plechtig en verklaarde, dat hedennacht werkelijk Wotan, de smeekbeden van Harimona had verhoord. Koning Mise geliefde hem slechts mede naar de schuur te volgen. Toen de priester met Mise de schuur binnenging en daar een overdaad van schatten vond, maar geheel andere, dan hij er had ingebracht ontstelde hij, maar zich bedwingend, zeide hij tot Mise:

„Ziehier wat Wotan hedennacht hier heeft gebracht!”

Mise sloeg, hoewel hij fijn glimlachte, de handen in elkaar.

„Nu erken ik, dat Harimona de gunst der goden bezit. Overal zal ik het verkonden!”

Maresag had onderwijl de schatten nauwkeuriger bekeken. Maar opeens schrikte hij, want achter een gouden bekken stond een gouden kooi, waarin een wondervogel zat, die begon te spreken.

„Wat is dat!” kreet hij.

„Dat is de wondervogel Lorre, waarin de geest van de Suntevogel zit. Schenk hem aan den Koning, die u beroofd heeft en hij zal diens verderf worden.”

„Welke Koning heeft mij beroofd?” vroeg de grijsaard.

„Ei, weet du dat niet? Hebt di niet gehoord van den grooten Skaldekoning Gise, die met veertig wagens roof hierheen is gekomen om met dien buit de gunst en de hand van Harimona te koopen? Hij woont in de groote tent van het Hertogenkamp en als du dijn wachter Reri zendt, zal hij in de tent den buit zien, dien hij ook in uwe schuren heeft gemaakt.”

„Hij krijgt geen toegang tot Harimona!” riep de priester.

„Du moest hem tuchtigen laten en hem zijn roof doen afnemen!”....

„Dat zal ik!” antwoordde Maresag.

„En mi den roof dan schenken!”

De oude vrek zette een gelaat, waarop Mise duidelijk las, dat hij tot zooveel gulheid niet in staat was.

„Wat, du schenkt mi niets... ik die di zoo trouw ben... ik die di den wonderschoen heb gegeven?...”

„Kies di hier wat uit!”

Mise blikte rond en nam de kostbaarste voorwerpen in zijn hand, beschouwde ze nauwkeurig en zag hoe Maresag angstig toekeek, vreezend een kostbaar stuk te moeten wegschenken. Nadat hij den vrek zoo lang in duizend vreezen had gehouden, nam hij ten laatste een klein bikkeltje van albast.

„Du mag het behouden,” antwoordde Maresag grootmoedig, gelukkig met de bescheiden keus van den koning.

„Waarom neemt di zoo weinig?” kon hij zich toch niet weerhouden te vragen.

„Ik heb nog een wondersandaal... Hij is een deel van de groote schat Sat-Iré. Wie hem bezit kan zich troosten over alle wonden, die hem geslagen zijn door de laagheid, wreedheid, hebzucht, onrechtvaardigheid, nijd, afgunst, zelfzucht, grofheid, gevoelloosheid, achterstelling en miskenning der menschen. Wie de schat Hoe-Moor bezit heeft nog maar een deel van de groote troost, die alle goede menschen blijft, als zij veel hebben geleden van de slechte menschen. Maar wie zich de schat Sat-Iré er bij verwerft, kan zich niet alleen troosten maar hij kan zich ook wreken, door de slechten te tuchtigen met snerpende striemen en krampende steken, die tot diep in ’t hart gaan... Hoe zoude ik mij schatten kiezen, ossenhuiden-schilden, bronzen wapens, koperen bukkels, vuursteenen, pijlspitsen en eiken frammen, ik, die een beter en scherper wapen dan al deze bezit, den schrijnenden schat Sat-Iré die schild en wapen, verdediging en aanval tegelijkertijd is...”

„Geef mi dat wapen!” smeekte Maresag.

„Nog dezen nacht. Zorg dat de schuur open blijft staan en dat niemand in de nabijheid is. Hier hebt di den tweeden wonderschoen. Zet ze naast den andere heden avond onder de schouw en laat Harimona smeeken om den gunst van Grendel. Want hij is het, die dit wapen verleent.”

Koning Mise gaf den hoogepriester zijn tweeden sandaal en verliet den priester.

Hij ging naar zijn drie sprokesprekers en vertelde hun zijn ervaringen. De drie luisterden oplettend.

Pimm sprak:

’t Gaat wonder toe bij al dees wond’ren, Daar ze elkaar om strijd bedond’ren.

Pinn sprak:

Wat is gebouwd van leugen en bedrog, En heet des levens heiligst toch?

Pill sprak:

Ik ken een huis, Dat is een kruis, Wat kan men zoeken Aan de vier hoeken?

Koning Mise antwoordde:

Draai dat kruis al naar de maat, Heerschzucht, Hebzucht, Strijd en Haat.

Zij hoorden een groot geschrei en buiten de tent gaande, zagen zij den armen Koning Gise, die door Reri met het plat van zijn mooi, nieuw zwaard zoo duchtig werd geslagen, dat de dikzak plots zoo mager dreigde te worden, dat men zijn knoken door ’t vel heenzag. Onderwijl laadden knechten al de schatten, die uit de schuur waren gestolen en die in zijn tent waren gevonden op een wagen en reden daarmede naar de heilige haag. Vervolgens werd Koning Gise door Reri met zwaardslagen buiten de kampen gedreven en Reri dreigde hem, dat hij hem dooden zou als roover, wanneer hij zich weer op ’t gebied van Renigo vertoonde.

Koning Mise volgde den onfortuinlijken buurman en bood hem zijn ezelkarretje grootmoedig aan.

Tegen den avond dan reed de ongelukkige Koning Gise terug, eenzaam met zijn drie koks in ’t ezelwagentje van Koning Mise. En toen hij dacht aan de verloren schatten, de mislukte reis en den smadelijken uittocht zuchtte hij. Toen hij dacht aan de verloren bruid, snikte hij. Maar toen hij dacht aan zijn fioord, die nu geheel zou verzanden, viel een traan langs zijn wang.

Zijn drie koks begonnen hem met schoone verzen, rijk aan alliteratie en bijzonder goed in de maat, te troosten. Treurig sloeg de Koning de maat met zijn stok op den rug van ’t ezeltje, dat gewoon aan de rake en lustige grollen van Pill, Pimm en Pinn, zoo ’n afkeer kreeg van de drie sombere koks, dat het ’t op een draf zette, alleen om de woordkunst van de drie gidsen te ontgaan.

En ziet—toen Koning Gise het ezeltje zoo flink draven zag en hij dacht aan zijn thuis.... toen glimlachte bij door zijn tranen heen!

HOOFDSTUK XIV.

Hoewel Sogol het plan had gevat, zoo snel mogelijk naar zijn rijk terug te keeren om zich aan het Ding voor te stellen, was hij en nog wel op aandringen van Myst van richting veranderd en naar Renigo opgetrokken om de beroemde priesteres Harimona te leeren kennen. Want na zijn extase was weder de twijfel in hem opgekomen. De kleine geesten mochten dan al alleen in ’s menschen verbeelding bestaan, de groote goden echter, Thius en Wotan en Donar en Freija en Grendel, zij konden toch wel leven en over ’s menschen wel en wee beschikken. De oude, zieke priester, bang om te sterven zonder hoop op een eeuwig leven, streed tegen zichzelf en uitte zijn zelfstrijd door de gedachten, die in hem opkwamen tot Sogol te zeggen, hopend door dezen te overtuigen, zelf ook weer te kunnen gelooven. Ja, hij gaf toe, dat de kleine geesten, de kobolden, de nixen, de kollen, de weerwolven, de elfen, de brongeesten, de boschgeesten en de luchtgeesten niet bestonden of tenminste niet méér op de aarde huisden. Maar hoe kwamen de sterren aan de lucht? En wat was de zon en wat was de maan? Hoe kwam het, dat de boomen en planten en bloemen groeiden? En de donder en de bliksem, wanneer dat niet werkingen van de goden waren, wat waren dat dan? De priesters en de priesteressen waren maar zelden heilige lieden, dat gaf Myst toe. Hijzelf, als knaap reeds dienaar bij de offerplechtigheden, wist zelf maar al te goed hoe priesters en priesteressen leefden in geheime ontucht; hoe ze, door ’t overmatig gebruik van vleesch en bloed, slechte gedachten kregen; hoe ze door ’t slachten van dieren, wreed werden en verhit; hijzelf had in zijn jeugd het nog bijgewoond, dat ze in de haag van Thius kinderen op het offerblok hadden gelegd en hoe één oude priester de kleine meisjes schoffeerde vóór hij ze de keel doorsneed en een ander, had hij ’s nachts betrapt, de kleine lijkjes schennend.

En verder naar ’t binnenland, daar was een stam geweest, waar zelfs de geofferde kinderen aan ’t spit geroosterd werden en ’s nachts bij een feestmaaltijd opgegeten. Maar kon Sogol ontkennen, dat er ook goede priesters waren en echte heilige mannen? En kwamen de voorteekenen niet dikwerf uit? Hoe was het geweest met Sogol’s vader. Had hij, Myst, niet zelf te voren, het ingewand van een kalf ondervraagd en lagen de darmen niet allen in den vorm van een lus en had hij toen niet daaruit kunnen voorspellen, dat de tocht naar ’t Paarden-eiland slecht zou afloopen? Was dat niet uitgekomen? Was hij niet met al zijn schepen door den zeegeest verzwolgen?

„Wat deed hij op ’t Paarden-eiland?”

„Hij ging buit halen bij de vijanden.”

„Neen, hij ging rooven. Welke god zou een roover bijstaan, indien hij niet zelf een rooversaard had? Hoelang hadden de goden vader niet geholpen bij die rooverijen voor ze hem vernietigden.”

„De goden zijn lankmoedig, Sogol!”

„Schoone lankmoedigheid, die gedoogt dat anderen van hun vreedzaam bezit worden beroofd en worden uitgemoord, door hebgierige vreemdelingen, die van verre komen om zich te verrijken.”

„Du moogt zoo niet over uw gestorven vader spreken, prins.”

„Mag ik niet? En waarom niet? Heeft hij niet mijn brave moeder ongewroken gelaten? Heeft hij mij niet, een jongeling nog, weggejaagd uit huis en uit ’t land, zoodat ik nu ’t vaderlijk erfdeel misschien zal moeten heroveren met ’t kortzwaard in de vuist? Wie gebiedt mij de nagedachtenis van mijn vader te eeren, als die nagedachtenis mij niet in ’t hart ligt?”

„De goden, prins?”

„En wanneer die goden er niet zijn?”

„Hoe weet di dat?”

„Hoe weet di, dat ze er wel zijn? Hebt di ooit een god gezien?”

„Wie maakte het uitspansel? Hebben dat de menschen gemaakt?”

Sogol peinsde. Ditmaal kon hij den priester niet antwoorden. Nu ze onderweg zoovelen zagen optrekken naar de haag van Renigo en hoorden van de wonderen door Harimona verricht, besloot Sogol naar Renigo te gaan, om daar nogmaals te trachten, den goden nader te treden.

„Lang zullen wij niet blijven, prins. Want anders kon het zijn, dat het Ding den medestander verkoos.”

„Liever het koninkrijk verloren dan de godheid!” antwoordde Sogol fier.

Hoe dichter zij bij Renigo kwamen, des te grooter werden hun verwachtingen. Zij ontmoetten reeds terugkeerende genezen blinden en manken en kreupelen en lieden met geheelde wonden. Ook waren er al bruidegoms voorbij getrokken, die met grooten staat naar Renigo voeren om naar de hand der schoone priesteres te dingen. Sogol minachtte die lieden, lachte om de verhalen van Frango, den draak, Whridlo den hond en Baza, de geit, die overwonnen moesten worden. Dat zouden wel sprookjes zijn, zooals al de andere verhalen van monsters en geesten. Dicht nabij Renigo haalden ze prins Istovar thoe Mjellego in, die door een val van zijn ros zich het been had verwond en had moeten achterbleven en kampeeren. Melle zat dag en nacht bij hem in de tent, had veel moeite om den vurigen prins tot rust te dwingen. Want de prins kon de langzame genezing niet afwachten en wilde, op gevaar van de wonde weder open te rijten, Zeven bestijgen om verder te rijden.

Toen Melle den jongen horenblazer in ’t gezelschap van den priester en Sogol zag, liep hij op Haun toe en vroeg of hij schoon kon blazen. Haun, gelukkig dat een zoo aanzienlijk krijgsman hem toesprak, zette dadelijk het instrument aan den mond en blies een wijsje.

„Jongen, du speelt als een meester!” zei Melle. „Hier in de tent ligt prins Istovar thoe Mjellego ziek. Wilt di hem voorspelen en bij hem bleven? Het loon is hoog en du kan di vrij spelen.”

„’k Ben een vrije Nerviër en mijn vader en mijn moeder en mijn broers en mijn zusters, allemaal zijn we vrijen!” antwoordde Haun fier. „Mijn heer, die daar voor ons, is ook een groote prins en ik trek met hem mede.”

Melle snelde nu Sogol achterna en zich voor hem op de knie buigend, zei hij:

„Prins, een vraag.”

„Wat is ’t, krijgsman?”

„Mijn heer, prins Istovar thoe Mjellego, zoon van Tjilbard Koning der Frisen, is door een val van zijn ros gewond aan ’t been. Hij ligt in gindsche tent ziek en verveelt zich. Zoudt di dijn smukke horenblazer willen leenen om mijn heer te vermaken?”

Sogol was medegegaan naar de tent van prins Istovar en toen hij den armen Fries zag liggen met koortsige oogen en bleeke, ingevallen wangen, begreep hij, dat hier andere hulp noodig was dan het steken van den horen. Hij onderzocht de wonde van den Fries. Het was een scheur in de kuitspier, die dreigde tot ontsteking over te gaan, omdat Melle, naar ’t oude gebruik, spinrag op de wonde had gelegd om ze snel te doen heelen. Sogol wilde den prins behandelen, op de wijze, welke hij van zijn moeder had geleerd, de wonde met gekookt water zuiver uitwasschen, ze droogen, bedekken met geplozen lijnwaad en ze afsluiten met een laag zuivere was. Doch prins Istovar verzette zich. Hij wilde opstaan, Zeven bestijgen en spoorslags naar Harimona rijden. Die zou hem door hare aanraking en gebeden onmiddellijk genezen, daarvan was hij overtuigd. „Du zult dijn been verliezen, neef” waarschuwde Sogol ernstig. Maar de Fries wilde niet hooren, lachte Melle uit, die aandrong op Sogol’s behandeling. „Hoeveel lieden hadden ze nu al niet ontmoet, die door Harimona waren geheeld. En dan zou men aan hare tooverkracht twijfelen?”

Nog dienzelfden dag liet prins Istovar zich op Zeven tillen en in zijn verrukking, de pijnen niet achtend, reed hij snel naar Renigo en liet allen ver achter zich, behalve Melle, die al reeds in ’t hard loopen geoefend, met koppigen wil, achter het paard aandraafde, wel afstand verliezende maar toch den aan hem toevertrouwden zoon van Koning Tjilbard in ’t oog houdend.

En Sogol met Myst en Haun hun weg langzaam voortzettend, spraken opnieuw over de priesteres en hare kracht. Sogol hield vol, dat geen genezing mogelijk was, dan door de natuur en de heelmiddelen. Maar Myst wist van wonderbaarlijke genezingen te verhalen, die hij bijgewoond had in de haag van Ferno en in de haag van Sidotho en in de haag van Harloeng en in de haag van Juthung en in de haag van Tiwazermna en in de haag van Zive. In al die hagen waren wijze vrouwen geweest, die heelden door handoplegging, die kwade geesten konden bannen en hij, Myst zelf, had gezien hoe een vorst der Gemnoten bij de vroede vrouw van de haag van Zive was gekomen; hij was bij een berenjacht, door een beer gegrepen en op den schouder gewond en bijna gedood als niet op ’t laatste oogenblik een jachtgenoot den beer een speer in ’t oog had geworpen. De wonde op den schouder was genezen maar de Gemnoot had den geest van den stervenden beer opgevangen en meende nu zelf een beer te zijn. Hij danste naar berenaard, brulde, kroop op handen en voeten en viel op kinderen aan, die hij trachtte te dooden door ze tegen zijn borst vast te klemmen.

Myst was als jongeling naar de haag van Zive gekomen om den ritus te leeren. Toen had hij gezien, en hij herinnerde het zich alsof ’t vandaag gebeurd was, hoe de Gemnotenvorst was binnengekomen, kruipend op handen en voeten en wild was toegesprongen op de vroede vrouw. Maar die was niet teruggedeinsd, doch had zich bukkend den vorst bij de schouders gegrepen en hem toen vast en scherp in de oogen gezien, zoolang als men noodig heeft om een pijl op een boog te spannen. Daarna was de Gemnotenvorst stil geworden en had haar als een klein kind gehoorzaamd, toen zij hem bevolen had op een pels zich neer te strekken. Daar was hij gaan slapen en de vroede vrouw was alleen met hem gebleven om den berengeest uit te drijven. Dat wat toen verder gebeurd was, wist Myst niet. Maar wel wist hij, en ’t was overal bekend ook bij alle Gemnoten, dat de vorst terug was gekeerd zooals hij vroeger was geweest, voor de berengeest in hem was gevaren. En de vorst wist zich niets meer te herinneren van zijn vreemde gedragingen en ook niet van de berenjacht en toen men hem vertelde, dat hij kinderen had doodgedrukt, had hij daar verdriet van gehad, want hij was een zachtaardig man.

Sogol wist niet wat hij van het verhaal moest denken en keek den ouden priester eens van terzij aan en in hem kwam de gedachte op, dat de grijsaard, als zoovele oude lieden, zwak van geest was geworden en twazelde.

Toen hij aan den top van den berg was gekomen en benedenwaarts naar den stroom zag en tot aan den horizont de tenten, bruin en wit op ’t groen van de weilanden en naar de andere zijde van den heuvel, waar de kampen waren en de laan der loofhutten en daarachter het geboomte van de heilige haag, voelde hij ontzetting. Die allen, allen geloofden dus in haar en in de goden? En al die menschen, die hij daar beneden zag krielen, allen, allen kwamen in haar de godheid aanbidden... en hier die eerwaardige grijsaard naast zich, de oude Myst, zou in haar goddelijkheid gelooven en Haun, die al den horen nam om te gaan blazen, zou aan haar goddelijkheid niet twijfelen... En ver, in zijn rijk, in ’t land der Nerviërs, zou hij ook het geloof vinden en alleen hij, Sogol, twijfelde, hij alleen was zonder geloof. Hij gevoelde zich bedroefd en eenzaam; diep in zichzelf voelde hij zich op dit oogenblik vijandig tegen dien twijfelenden geest in zich en een oogenblik rees in hem de gedachte, dat die twijfelzucht wellicht juist een kwaden geest was, een die te gevaarlijker en slechter, omdat hij hem niet herkend had. Was hij wellicht een door Grendel gedoemde, die hem dat vreeselijke lot beschoren had, om levenslang dàt ten sterkste te ontkennen, waarvan hij zelf juist den meest uitverkoren drager was?

Haun, onder den indruk van ’t schoone landschap daar beneden, met de breede Rinstroom in ’t glinsterende licht van den vroegen ochtend als de zilveren zoom, plooiend naar de bochten van ’t wijd uitgespreide groene aarde-kleed en tegen den einder de verwazende bergtoppen en dichterbij ’t ruige al gelende boschage van de haag en voor hem, in de dalkom, het ontwakende leger van zoovele geloovigen en dat alles onder den wijden hal van den lichtblauwen hemel, zette zijn horen aan den mond en begon te blazen, zachte doedelende tonen, met zoet-weeklagende geluiden als van verre tortels in hooge boomen, en dan, toen de zon geheel van boven een wolk opsteeg en straalde opeens over het landouw en sloeg spartelende starren in de kabbels van den breeden, kronkelenden stroom en blankte hèl het lijnwaad van de tenten, toen stond hij op en den horen hoog aan den mond, ’t gelaat richtend naar de zon, blies hij opeens de volle, warme tonen van den Nervischen barditus...

Sogol, thans ook opspringend, opgewekt door die tonen van den jongen kunstenaar, zijn vorstelijke waardigheid herdenkend, voelde nu moed en kracht en fierheid in zich als dreef er een bloedstroom met geweld door zijn aderen en zijn speer met een zwaai opstekend in de lucht en ook zijn linkerhand wijd in de hoogte, als ten groet, riep hij in vervoering:

„Blaas mijn jongen, blaas! Hier nadert Sogol, de vorst der Nerviërs!”

En licht in ’t zonnezilver, dat blonk in zijn oogen en guldde in zijn baard, zijn behaard, naakt lichaam van de schouders tot de voeten beglansd, dat het scheen of er licht van hem uitstraalde, liep hij het bergpad af met naast hem den toeterenden knaap. Ver naar achteren volgde Myst, oververmoeid, leunend op zijn langen staf, die hij rechtstandig tastend vooruitzette, maar toch ook hij hopend op de gouden toekomst van licht en geloof, die daar aan hun voeten in ’t Rindal zich voor hen opende.

HOOFDSTUK XV.

Het was de laatste dag van de zittingen van Harimona, de groote priesteres van de heilige haag van Renigo. Zestien dagen lang had zij van haren granieten troon rechtgesproken, voorspellingen en beloften gedaan, zieken genezen, raad geschonken en langs haar zetel waren getrokken de afgevaardigden van de vele volken van het groote Germaansche land.

Lusteloos en moede was zij en na de afmatting en de verrukkingen van den dag, kon zij ’s nachts den slaap niet vatten. Voor haar geestesoog verschenen dan weder de lieden, die op den dag voor haar troon hadden gestaan. Zij zag weder de sombere, blonde reuzen, die haar gesmeekt hadden om geluk bij ’t spel en in den oorlog. Of afzichtelijk verminkte krijgers, sommigen zonder oor of zonder neus of zonder arm; anderen hinkend; anderen zichzelf met de handen voortduwend op een laag wagentje, daar zij de beide beenen verloren hadden. Zij zag de doffe, starre oogen van de blinden; zij zag de afzichtelijke lichamen der schurftigen. En in haar oor weerklonk het gillende smeeken van een moeder, die een dood kind tot haar had opgeheven, in de hoop dat zij ’t weder in ’t leven zou kunnen roepen; of zij zag het angstige, zwijgende smeeken van de oogen van een al oud man, die met zijn doofstom kleinkind tot haar was gekomen, hopend dat zij het de spraak zou kunnen hergeven.

En dan, als die stoet van wisselende beelden voorbij was getrokken en de nachtkoorts liet van haar af, lag zij te peinzen over die vreemde verschijningen en die onverklaarbare gebeurtenissen van den dag. Want Maresag had gelijk. Er woonde in haar een goddelijke kracht—hoewel zijzelve zich machteloos voelde en een gehoorzame dienares van die andere levenskracht in haar, waarover zijzelve zoo weinig heerschappij had.