Chapter 6 of 32 · 3985 words · ~20 min read

Part 6

Toen zij door het bosch trokken, stroomafwaarts vroeg Myst den jongeling, waar hij die wijs geleerd had en wie hem gezegd had, dat men door zijn vuist in den horen te steken, den schal kon dempen.

De jongeling dacht na en wist niet wat te antwoorden. Eindelijk zei hij, dat hij ’t niet wist. Het was zoo in hem opgekomen, terwijl hij speelde en zich dankbaar voelde, nu de lieden zoo mild waren geweest.

„Dan is het een ingeving van de goede goden geweest, knaap!” zei Myst ernstig.

Wanneer nu onderweg de grijsaard vermoeid raakte, rusten moest en weder last had van kortademigheid en hoestmiddelen, dan ging Haun naast hem zitten, gaf hem te drinken en speelde om zich te oefenen en te vermeien op zijn horen. De priester luisterde toe en vaak speelde Haun zoo mooi, dat de oude man vermoeienis en borstpijn vergat, zoo was hij door de muziek verkwikt. Het gebeurde ook eens, dat Haun spelend, plotseling verschrikt werd door een gedruisch in het lage hout. Hij meende, dat het een boschgeest was, die luisteren kwam en blies nu, hoewel zijn hart klopte, met nog diepere tonen en teederder ranken en loovers. Hij zag hoe in ’t hout de boschgeest opstond en met genoegen luisterde. Myst, die een eind achter was gebleven, kwam nu nader en ook hij zag de bewegingen van den grooten boschgeest, die achter het hout schaduwde. Zoolang leefde de oude priester, en zoovele bosschen had hij doorkruist en nog nooit had hij een boschgeest gezien, zoodat wel eens heel diep in zijn gemoed hij aan hun bestaan had getwijfeld. Doch die twijfel had hij zichzelf niet durven te bekennen en dubbel aandachtig daarna de lofgebeden opgezegd.

En nu was hij er blijde om, want stond daar in de schaduw niet een zichtbaren boschgeest en zoowaar op de wijs van den horen, begon hij nu trampelend te dansen.

„Speel door mijn jongen, speel door!” riep hij, verrukt.

Daar ging het loover uiteen en nu, terwijl zijn hart beefde van ontzetting, stapte de boschgeest naar voren... Myst week terug, neen het was geen boschgeest, ook dit keer niet, maar een groote bruine beer, die staande op de achterpooten, her en der waggelend met het zware lijf, danste naar de maat van de horenwijs.

Toen Haun verschrikt ophield, liet het dier zich op de voorpooten vallen en scheen geduldig te wachten op een nieuwe wijs.

Haun keek den ouden priester vragend aan.

„Blaas jongen, blaas!” riep deze.

Haun zette den horen weder aan den mond en hoewel nu zijn tanden klapperden, blies hij toch een wijs en weer ging de beer op de achterpooten staan en danste opnieuw.

Nu liep Myst zachtjes vooruit en beval Haun hem altoosdoor blazend, te volgen. Achter hen aan, dansend op de achterpooten, volgde de beer hem en toen Haun, bevangen van schrik, niet verder kon blazen, volgde de beer hem op de vier pooten, haastte zich naar de twee toe te komen, doch in plaats van hun leed te doen, streek hij zijn ruigen kop tegen de pij van den grijsaard en liep als een hond mede.

„Het zal een betooverde zijn,” zei de priester. In hem kwam een vreemde gedachte. Was dit wellicht Sogol, betooverd door den een of anderen kol of misschien, misschien, misschien.... wel door zijn eigen moeder? Was zij dan toch werkelijk een kol geweest?

Myst, hoewel vermoeid en kortademig wilde het beproeven. Hij zette zijn horen aan den mond en blies het oude Nervische wijsje, waarbij de kinderen zingen:

Ais winde side, ’s Ander schnätzlet Chride, ’s Dritt schnidet Haberstrau, B’huet mer Wôt nûs Chindli au. [8]

De beer bleef, de tong uit den muil, toehooren en scheen niet te begrijpen. Maar heel, heel van verre, daar was het of hetzelfde wijsje werd herhaald en toen.... heel veel zachter nog eens en daarop alleen de laatste tonen weer...

„Hoordet di dat?” vroeg de jongen, die met zijn scherp gehoor, ’t nog duidelijker had vernomen, dan Myst.

„Hoordet di dat ook?” vroeg de grijsaard, die meende, dat hij droomde.

„Of ik.”

„En wat hoordet di dan?”

„Ik hoorde dat wijsje tweemaal en nog een derde maal half.”

„Blaas jongen, blaas.... ’t zelfde wijske.”

Maar nu Haun blies, hoorden zij geen antwoord of geen herhaling.

De grijsaard zette den horen aan den mond, maar hij kon niet blazen, werd door een hevigen hoestbui overvallen. Toen, o vreemd wonder, hoestte er daar ook een in de verte en nogmaals en een derde maal....

Haun begon van angst te schreien.

„Meester, meester, wij zijn in een betooverd woud verdwaald. Laat ons weer teruggaan, naar den Dingher!”

Maar de grijsaard, moedig en verlangend echte tooverij te ontdekken, hij die zijn leven lang daarop gehoopt had, antwoordde:

„Neen mijn jongen. Wij gaan verder!”

Hij liep met groote schreden vooruit en Haun, bevreesd voor de tooverij vóór zich en den grooten beer achter hem, die als een hond volgde, drong zich tegen den ouden man.

„Kom, mijn jongen. Wat? Heb-di angst? Een goed mensch vreest niet.”

Toen zij een ver eind weegs waren voortgeloopen werd het struikgewas dichter, maar er waren toch smalle paadjes en den ouden man zag wel, dat deze wildernis zekerlijk bewoond moest zijn. Want er lag op enkele plaatsen menschendrek en er waren zwakke sporen van menschenvoeten en zelfs vond hij een hertelans, die zeker geworpen was en niet teruggevonden. Een breeder pad, zéér platgetreden, herkende hij dadelijk als het pad van wouddieren, die naar een bron gaan. Hij volgde het pad en stond weldra dicht bij de bron, een kristalheldere gröhl, die daar midden in de wildernis kwam opwellen.

De beer liep hun nu wat vooruit, boog zijn kop over den rand en begon te drinken.

De grijsaard bond zijn kruikje los aan den staf en stak het vooruit, om ’t vol water te laten loopen. Zoodra de beer de beweging van den stok merkte, zette hij zich met een sprong over den welbron en kroop van de overzijde, zichtbaar bevreesd geslagen te worden, in elkaar, naar de gewoonte van dieren, die veel getuchtigd worden en door inelkaar te krimpen, de slagen minder voelen en het mededoogen van den tuchtiger afsmeeken.

„Ziet eens, ziet eens!” riep Haun verwonderd. „Hij is bang!”

„Dat is geen tooverij!” zei de grijsaard, teleurgesteld. „Dat beest behoort bij menschen. Dat is geen wilde beer....”

Nadat hij en de jongen het kruikje leeg hadden gedronken, zeide de priester:

„Wilt di nu nog eens blazen?” En wat plagend: „Of bent di nog bang?”

„Neen meester.... niet meer.... Ik wil zoo moedig worden als du....”

„Braaf zoo, knaap.... En nu blaas....”

Haun zette den horen aan zijn mond en begon weer ’t wijsje:

Ais winde side....

Maar toen hij geëindigd had, schalden de laatste tonen weg, zonder dat ze de herhaling hoorden.

„Ik zal weer blazen!” zei de grijsaard. Hij nam zijn horen en blies. Haar ook nu schalde geen antwoord. Hij riep.... maar de schal domde dof weg in ’t woud.

„Hoorde di niets?” vroeg de priester.

„Neen.... nu niet!”

„Gansch en al niets?”

„Neen, meester.”

„Vreemd.... dat is hier toch niet zûver, jóng. Iets moet er hier zijn. Maar wat?”

„Roep nog eens jong.... maar hard!”

„Wat zal ik roepen meester?”

„Wat du wilt. Al was ’t den nieuwen Koning der Nerviërs, dien ik zoek.”

„Sogol?”

„Ja.... Sogol. Krijt op!”....

Haun zette de handen aan den mond en riep met lange halen: So.... gòl.... So.... gòòòlll....

Hij zweeg opeens.... Keek zijn meester verschrikt aan. De beer was met zijn kop op den grond gaan liggen, wentelde zich op zijn rug en toonde zichtbare teekenen van grooten angst. En mèt daar sprong een wildeman naar voren en pakte het beest bij de keel....

Haun, zonder na te denken, wierp zijn horen weg en vluchtte.... De oude priester, ontzet, wilde den jongen volgen, maar het verschijnen van den wildeman boeide hem te zeer, zoodat de vrees werd teruggedrongen door zijn weetgierigheid.

Hij zag den wildeman, die den beer met een dikken knods tuchtigde, dat het dier gromde van pijn. Toen bond de wildeman den beer een riem om den muil, zoodat deze niet meer geopend kon worden. Daarna wierp hij hem een andere riem om den nek en ’t eene einde vastleggend aan een boomstronk, bond hij den beer vast.

Nu eerst keek de wildeman op en den rijzigen grijsaard ontwarend in zijn pij, blootshoofd en barrevoets, met den reisstaf in de hand, zag hij hem met verbazing aan en vroeg, in de taal der Nerviërs:

„Wat zoekt di?”

De priester begreep onmiddellijk. En op de knie vallend en zich bukkend, het hoofd alleen opwaarts, zoodat de baard waaierend uitgespreid lag op den bodem, zei hij:

„Sogol, zoon des konings, ik kom u roepen naar uw land.”

Met een sprong was de wildeman over de gröhl bij den priester en deze omhelzend en hem zacht optillend riep hij:

„Is het waar? Is het waar? Zijt di het? Myst.... meester Myst... de vriend van moeder?...

„Ik ben het!” antwoordde de priester bewogen, nu Sogol omhelzend en hem kussend op mond en wangen.

„En waar toeft vader?” vroeg Sogol.

„In Walhalla...”

„Is hij dood?”

„De zeegeest verslond hem en zijn skig, toen hij terugkeerde van het Paarden-eiland. Nu is het dijn beurt om te regeeren... Het Ding wacht op dijn komst.”

Haun was weer naderbij gekomen en hoorde de twee spreken.

„Dit is mijn jonge leerling,” zeide Myst. „Hij heeft zich wèl gedragen... al was hij wat bang voor den beer.... niet?”

Haun zag verwonderd naar den beer, die als een waakhond vastgelegd aan den boomstronk met sluwe, kleine oogen keek naar de vreemden.

„Dat is mijn gezel,” zei Sogol. „Ik heb hem jong medegenomen uit zijn hol, waar de moer was verrekt en hem een hond gelijk gemaakt. Maar hij wordt al wat ouder en zoekt zijn vrijheid...”

„Het staat kwalijk met mij prins. Als du gekozen zijt, zal ik dijn vader spoedig opzoeken om hem het nieuws te melden....”

„Komt mede meester... en du ook, knaap. Ik heb in mijn hut versch wildbraad, vruchten, honig en voor du meester een kruid, dat de hoest-kramp stilt... Zoo gauw als du vreest, zult di mij niet verlaten...”

Hij liep vooruit, bond den beer los en trok hem aan de lijn mede. De grijsaard en de knaap volgden zwijgend.

HOOFDSTUK X.

Het ging den Velagers slecht, die achter de Bedekauwers aantrokken. Want de verwachting van koning Mise, dat de roovers den stoet van koning Gise wel zouden overrompelen en er dan voor hen genoeg zou afvallen, werd niet vervuld. Het was een bijster slechte tijd voor de roovers, want de faam van Harimona trok zoovele lieden naar de haag van Renigo, dat de wegen bij dag en bij nacht dicht bevolkt waren. De bedevaart-gangers sloten zich bij elkaar aan, vormden groote troepen en buitendien waren er ook veel krijgslieden op weg naar Renigo, die verlangend naar avontuur, zeer naar roovers speurden, want menig roover had in zijn hol groote schatten, die het veroveren wel waard waren. Enkele bruidegoms voor Harimona vooral, betoonden zich belust op gevechten met roovers, daar zij wel wisten, dat de faam van een verschen heldendaad hun werving meer kans zou verleenen. Zoo dan waren de wegen ongewoon veilig en met verbeten woede zag koning Mise met zijn gevolg, allen met hongerige oogen, hoe Gise en de zijnen in overdaad en vreugde leefden en overal, wegens den prachtigen staat, dien hij tentoonspreidde, als een machtig vorst met veel eerbetuiging werd begroet.

Wanneer zij een kwartier betrokken en de tenten werden opgeslagen, de tent van koning Gise met scharlaken voorhang waarop zijn wapen, een zwemmende leeuw, halverwege boven de golven, met een zwaard in de klauw, in gouden stiksel was geborduurd, kwamen van alle zijden de bewoners toeloopen met geschenken en eetwaren. Koning Gise, naar zijn aard, ontving de lieden hoffelijk en waardig, liet de schatten der wagens uithaken en de wielen van de assen nemen, zoodat de wagen-vloeren tafels vormden en dan gaf hij gastmalen, waarbij hij niet alleen de geschonken eetwaren, door de drie hofdichters heerlijk toebereid, ten disch liet brengen, maar van zijn grooten voorraad daarbij liet zetten. Tijdens den maaltijd werd op een der wagens een zachtgroen kleed uitgespreid en daar op gingen Hall, Hamm en Hann staan in kostbare kleurige gewaden, met vergulde lieren in de hand en kransen van gouden eikeblaren in ’t haar en zoo moesten zij voor de gasten hun schoonste sproken opzeggen, rijk aan alliteraties, de strophen streng in het rhythme als waren ze de was-cellen in een honingraat en de groote vorst werd niet moede, zijn gasten te wijzen op de schoonheden der sproken, soms zelfs met het been van een cotelet op zijn gouden bord de maat en de scandeering aangevend en zijn dischgenooten uitnoodigend zijn voorbeeld te volgen, wat iedereen gaarne deed, daar niemand voor een domoor gehouden wenschte te worden, die de schoonheid van de sproken niet begreep.

De veertig strandschuimers, als magere duivels met van honger loenschende oogen uitgetrokken, waren als lijfgarde overbodig geworden. Gise, in een goeden luim, beval dat ze aan tafel de wacht zouden houden, opdat de gasten zich tijdens het maal rustig zouden gevoelen. De goede Koning, die de magere kerels gaarne een hap gunde, had er dan pret in, midden onder een sproke van zijn koks, de leden dezer wacht, die neiging gevoelden in slaap te vallen, plotseling op te schrikken door een gebraden speenvarken of een reebout of een kalfskop met een zwierigen vaart hun, welgemikt, naar het hoofd te werpen, roepend: „Let op, let op wachter. Het speentje rent weg!” of „Waak op, wachter, de ree vliedt!”

Dan schrokken de kerels op, die als echte Velagers geen vermaak vonden in de Bedekauwsche poëzie en wierpen zich op het gebraad, dat de koning hun toegezwaaid had en ze pikten het vaardig op met hun spietsen en zorgden er voor, dat het smeüge speentje of de malsche bout niet ontsnapte. Groot vermaak schepte de Koning en zijn gasten er in, wanneer dan de schuimers onderling ruzie kregen om het geschenk des Konings en met elkaar aan ’t bakkeleiën gingen. Zij grepen elkaar bij de keel en bij het schaamdeel of trachtten elkaar met de vingers de oogen uit te steken tot de koning zijn gasten uitnoodigde, zijn voorbeeld te volgen en aan de twist een einde te maken door van den disch zooveel eetwaren naar de vechtenden te werpen, dat deze, den overvloed bemerkende, van elkaar aflieten en begonnen te schrokken terwijl de gasten, onder groot gejuich, zelve oververzadigd, alles wat nog op de tafels stond naar de lijfgarde wierpen, gebraad, vruchten, klieken bier uit de kroezen en horens, gezoden piepkuikens, ballen gehakt, hambeenen, brooden en stukken honigkoek.

Onderwijl bleven Hall, Hamm en Hann ongestoord doorgaan met het zeggen van hun sproken, hoewel helaas de schoonste stafrijmen verloren gingen en niemand lette op de maat, die zij zoo wonderlijk nauwkeurig hielden. Want de drie hofkoks, onderling op elkaar naijverig, controleerden elkaar scherp en wanneer een van hen het zou gewaagd hebben een silbe te smokkelen, zou hij onmiddellijk door den ander terecht gewezen en zelfs verbeterd geworden zijn.

Daar bijna elken dag gasten kwamen en vaak zelfs dezelfde gasten uit hetzelfde oord, een bewijs er voor hoezeer het onthaal hun had bevallen, en Koning Gise niet kon lijden dat, waar allen zich verzadigden, zijn lijfwacht honger leed, herhaalden zich aan ’t eind van elk gastmaal dezelfde vroolijke stoeipartij, tengevolge waarvan de schuimers na eenige weken oververzadigd waren, ronde buikjes hadden gekregen en zich nog slechts bevochten, wanneer bijzondere lekkernijen werden toegeworpen. Doch, weldoorvoed, waren ze lui als ossen en vadsig als varkens tot wanhoop van Koning Mise, die op zijn eigen onderdanen geen invloed meer had, terwijl de deerntjes, die hij had medegenomen, gevoed door de schuimers, zich niet lieten vinden om deze tot verraad over te halen van een vorst, die zoo mild was ten voordeele van een vorst, die haar honger en koude liet lijden.

Maar nog grootere ellende wachtte Koning Mise en de zijnen. De weg, die de stoet nam, was in de eerste dagen bezaaid geweest met de overblijfselen van den disch van Koning Gise en de zijnen. Er lagen hambeenen, hompen kaas en brood, de gedeelten van het wild en gevogelte, die minder smaakvol zijn, zoo maar ter zijde van de kampen, waar de maaltijden waren gehouden. Doch thans was de faam der milddadigheid van Koning Gise zoo ver verbreid, dat van alle kanten toegestroomde hongerhalzen als een groote tros, den stoet van Gise volgden en de arme Koning Mise en de zijnen moest met dat bedelvolk een strijd om leven en dood volvoeren om de brokken en den afval machtig te worden en in stede dat de rijke Gise zich tegen roovers te weren had, moest de arme Mise zich met dat tuig inlaten.

Ook zijn laatste troost en hoop, dat zijn sproke-sprekers meer waardeering zouden vinden dan die van Koning Gise, vervloog in rook. De geestigste satiren, de leutigste grollen, de vernuftigste zetten, werden door het grauw afgekeurd. Dezelfde menschen, die Hall, Hamm en Hann toejuichten, schudden het hoofd als zijn driemanschap sproken zei, ja erger, ze begonnen om te toonen, dat zij op ’t gebied der sproken-sprekerij niet gering te schatten waren, de maat na te gaan door met dorre takken en knuppels tegen de boomen te slaan en in stede naar den zin en de bedoeling van de zetten en grollen te hooren, letten zij alleen op de maat en de scandeering en riepen: Mis!.... Mis!.... Mis!.... bij de raakste zetten, omdat er geen alliteraties in waren.

Toen Koning Gise dat vernam, werd hij nog guller en opgewekter en om zijn drie koks te beloonen, vergunde hij hun een bijtitel te kiezen. Hall noemde zich de Gids, omdat hij de menschen naar den weg van ’t ware schoon leidde. Hamm noemde zich des Gidsen Gids, omdat hij dikwerf Hall verbeterde en Hann noemde zich de Gids der Gidsen, omdat hij volgens den Koning boven de twee andere koks uitblonk.

Koning Mise, dit hoorende en bemerkende dat deze wijze van beloonen den vorsten niets kost en de dienaren bovenmate gelukkig maakt, stond zijn drie sproke-sprekers toe, eveneens eere-titels te nemen. Pill, Pimm en Pinn overlegde welke titels zij zouden kiezen en vroegen ten slotte hun vorst, hun liever zonder eere-titel te laten maar voor een vettere keuken te zorgen. Koning Mise liet zich hun lederen gordels geven, sneed er een stuk van af, gaf ze hun terug en zeide, dat nu zijn keuken vetter was, omdat ze hun gordels nauwer toe konden halen.

Hierop zeide Pill:

Vet Smet.

En Pimm:

Eet Leed.

En Pinn:

Maal, Schraal.

Want zoo zwak waren de drie van honger, dorst en ontbering, dat zij nog maar heele kleine sproken konden spreken bij gebrek aan brood en bier.

Koning Mise antwoordde wel:

Boet, Moed,

maar onderwijl overlegde hij, hoe hij zich en de zijnen van leeftocht kon voorzien. Hoe zouden zij ooit de heilige haag bereiken, wanneer zij zoo door moesten sjokken en welke hoop kon hij koesteren op de verwerving van de rijke bruid, wanneer hij en zijn dichters bij aankomst te uitgeput zouden zijn om zelfs woorden ten geschenke te brengen.

Ook de vernedering, die hij onderweg ondervond, drukte hem zeer. De rijke Gise werd niet alleen naar den stof maar ook naar den geest geprezen. Was het niet schande, dat de geest zijner sproke-sprekers zoo werd geminacht en misverstaan? Maar zoo zijn de menschen. Wie een purperen voorhang voor zijn tent heeft, is meteen geestig en wie kampeeren moet onder een ezelwagentje is meteen dom. Laffe groots hoop, die altoos hun aanbidt, die ze door schijnschoon verblindt en door geschenken en gastmalen vleit. Ellendig grauw, dat de geestigste werken miskent, omdat de dichter meer waarde legt op den inhoud, op de ziel, dan op den stijven vorm; de makkelijke kunstgrepen, die zijn genius minacht, verwaarloost en de onbenullige weetjes, die iedereen met wat vlijt kan verzamelen, verwerpt voor de heilige verbeelding, die het leven aller tijden uit het niet der vergetelheid weder opwekt.

Zoo sprak koning Mise tot de drie dichters, wier keuken hij vetter had gemaakt door hun gordels te verkorten, zoodat zij hun maag konden insnoeren.

Pill, Pimm en Pinn hoorden hem aan en Pill sprak:

De kleinste koek, Verliest nog een hoek.

Pimm sprak:

Wie veel al heeft, Dien ieder geeft.

Pinn sprak:

Wie arm verrekt, Wordt nog begekt.

Koning Mise, goedkeurend knikkend, sprak:

Hoe grooter geest, Hoe meer verweesd.

Waarop weder Pill:

De ware kunst, Die heeft geen gunst.

En Pimm:

Wie vleit en likt, Het beste bikt.

En Pinn:

Wien honger striemt, Wordt eng geriemd.

Koning Mise, nadenkend, antwoordde:

De grootste dief, Heeft ’t grootst gerief.

En Pill:

Het diefje klein, Lijdt grootste pijn.

En Pimm:

Steel, Maar veel!

En Pinn:

Steel een land, ’t Is geen schand, Steel een touw, Gij hangt gauw!

Nadenkend hoorde Koning Mise toe en antwoordde:

Laat and’ren wagen, Neem zelf de buit, Zij krijgen de slagen, Uw lijden is uit.

Na deze beraadslaging bespraken de vier het schoone plan, dat zij wisten tegelijk in elks hoofd broeiend. In het woud van Gibick huisden gevaarlijke roovers, die wel wat aandorsten als er veel bij te winnen was. Hun weg voer nu door dat woud. Wanneer zij zich met de roovers in verbinding stelden, hun aanspoorden om Gise te overvallen en te dooden en zich met diens schatten te verrijken, dan zouden zij in den buit kunnen deelen en voortaan van alle vernedering bevrijd zijn.

Koning Mise bleef opzettelijk met zijn karretje achter, doende alsof zijn ezeltje niet meer voortkon, hoewel het dier de eenige dienaar van Koning Mise was, die ’t naar den vleesche ging, want hij vond langs de wegen rijkelijk distels. Toen de stoet van Koning Gise uit het gezicht was, snelde Koning Mise met de drie sproke-sprekers naar het hol van den roover Fridbold en vertelde hem van de schatten die Koning Gise in zijn vele wagens medevoerde en van de lafheid zijner wachten. Fridbold riep zijn gezellen bijeen, hield raad en besloten werd nog dien middag den overval te wagen.

Koning Mise en zijn drie trawanten keerden nu terug naar hun karretje en reden zoo snel, dat het ezeltje meende, hij was in een paard omgetooverd. Zij waren weder spoedig bij Koning Gise, die juist bevel tot het avondmaal had gegeven.

Koning Gise, die al gevreesd had, dat zijn mede-minnaar met zijn drie sproke-sprekers was achtergebleven, begroette den Koning met vriendschap en hun magere gelaten en holle oogen ziende, voelde hij medelijden en noodigde hen aan zijn disch.

Koning Mise nam het aanbod aan en zei tot zijn sproke-sprekers:

„Let op. Dat doet hij alleen om tegenover ons te pralen. Maar wij zullen ons niet ergeren en bedenken, dat wie ’t laatst lacht, de ware pret heeft.”

Zoodra waren ze gezeten of de drie hofkoks van Koning Gise klommen op den dichtwagen en begonnen hun sproken te spreken. Pill, Pimm en Pinn hadden te grooten honger om niet aan den disch te blijven, maar naarmate hun honger gestild werd, kregen zij grootere lust om Hall, Hamm en Hann met grollen te bespotten en toen Hamm sprak:

„Weet di, wanneer één zwijn drie hammen had?”

kon Pimm zich niet weerhouden, den kok te onderbreken hem toeroepend:

„Toen du op Koning Gise’s schouders zat!”

Koning Mise barstte in een hartelijk gelach uit, maar Koning Gise, zich richtend tot de dischgasten zeide:

„Hebt di het gemerkt!”

„Ja heer.... het is schande, heer!”

„Ongeloofelijk!”

„’t Is schaamteloos.... hij verdiende gehangen te worden.... het is bepaald grof.”

„En dat tegenover zijn gastheer....”

Koning Gise knikte goedkeurend, toen hij de verontwaardiging der gasten uit deze uitroepen merkte en hij zeide triomfantelijk:

„Ja.... zoo is het! Du.... op—is fout.... twee klinkers vormend een gaping....”

En zich tot Hamm richtend, riep hij:

„Gids, geef dezen strompelenden sproke-spreker een spraakles!”

Hamm keek verachtelijk naar Pimm en zeide:

„Weet du, wanneer een zwijn drie hammen had? Toen Hamm op Koning Gise’s schouders zat.”