Chapter 8 of 32 · 3960 words · ~20 min read

Part 8

„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” riep prins Istovar.

„Dat Harimona wete, dat mijn bloed voor haar vloeide!” antwoordde Koning Gise.

„Wat? Ook du?”

„Wat? Ook du?”

De beide kampioenen lieten dadelijk het zwaard zinken.

De prins wilde wel een roover bekampen maar niet een eerlijken mede-minnaar en daarom stak hij Thoering op, zich verontschuldigend bij Koning Gise over zijn uitdaging.

„Hoe kwam du er toe jongeling, mij uit te dagen?” vroeg Koning Gise.

„Die voor di uit reden, zeiden mij, dat du Brendel waart, den grooten roover, den vijand van Sigbert, den Batouwer. En daar ik avonturen zoek, wilde ik di te lijf.”

„Hoe jammer, dat du niet vroeger mijn weg gekruist hebt. Want dan hadde du uw kloeken arm kunnen leenen in het groote gevecht, dat ik en mijn mannen gevoerd heb met Fridbold, den beruchten roover uit het woud van Gibick en zijn veertig rotgenooten.”

„Waar is de roover?” vroeg de prins, Thoering al weder trekkend.

„Du komt te laat, moedige borst. Ik zelf heb den gruwelijken booswicht en zijn gezellen verjaagd. Maar als du wilt, zoo sluit di aan bij mijn stoet en neem het opperbevel over mijn garde. Ook zal ik di dan bekostigen en grooten lof doen toezingen door mijn drie koks. Doch het is al laat vriend. Mijn stoet is vermoeid en de dagreizen zijn lang. Kom mede en leg di ter ruste.”

Onderwijl was Melle, doodelijk bevreesd voor ’t lot van den prins, die alleen in den laten avond op een ster was toegerend, zijn heer gevolgd. Hij liep langen tijd een eind achter Zeven aan, maar het gelukte hem niet, het paard in te halen. Toen de prins door de ontmoeting met Koning Mise en zijn drie dichters eenig oponthoud had, kwam de waakzame dienaar, eindelijk buiten adem bij den prins en hoorde juist hoe Koning Mise, den moedigen jonkman alleen op een troep gevaarlijke roovers afzond, het verderf te gemoet. Daar Melle, ademloos, Zeven die weder in galop verder rende, niet vermocht te volgen, keerde al zijn verbittering zich tegen Koning Mise, dien hij, bij den schouder vattend toeriep:

„Sta ellendige. Werwaarts zondt di mijn heer?”

„Naar den grooten roover Brendel, ginds!” antwoordde Mise.

De drie dichters, hun Koning in gevaar ziende en wel wetend, dat een strijd van vier tegen één, veel stof tot grollen en heldendichten zou opleveren voor elk der vier, kwamen voorzichtig nader. Melle, de drie uitgehongerde kerels ziende in hun gescheurde en besmeurde grijze pijen, twijfelde nu in ’t geheel niet meer er aan, of deze vier schoeljes behoorden zelf tot de troep roovers, waarover zij spraken en was er van overtuigd, dat zij den prins in een hinderlaag gezonden hadden.

Hij greep daarom ook Pimm bij de schouder en hem tegen den Koning met kracht aankwakkend riep hij: „Grendeldebliksem, geboefte, du hebt mijn heer verraden. Wacht, dat zult di met den dood boeten.”

Weder schudde hij den Koning tegen zijn dichter en met zooveel geweld, dat beiden neusbloedingen kregen.

„Koning!” riep Pimm, „help mij!”

Pill en Pinn wisten niet wat zij zouden doen. Melle had wel is waar nu zijn beide handen vol, doch toen Pill tot ontzet naderde, gaf hij hem zulk een schop, dat de magere, verzwakte dichter achterover tuimelde en zijn handen voor den buik houdend, kreet van pijn.

En weer kwakte Melle den Koning met kracht tegen zijn dichter aan, zoodat beiden zich voelden bezwijmen.

Nu naderde Pinn, maar de les, die Pill gekregen had, zich ter harte nemend, bedenkend, dat wie niet sterk is, slim moet zijn, riep hij:

„Sta, du eerlooze. Kampt men zoo tegen vrije lieden? Kortzwaard tegen kortzwaard, indien du een vrije man zijt en niet een hoorige hond!”

Melle, op den wapenroep, greep instinctmatig meteen naar ’t gevest van zijn zwaard. Daardoor liet hij Koning Mise los, die snel terzijde springend, liep wat hij loopen kon naar den eerstvolgenden boom en zich niet om de drie dichters bekommerend, klom hij in den boom, vastbesloten dezen aanvaller op dezelfde wijze in ’t zand te doen bijten als hij het den roover Fridbold had gedaan. Doch een katuil vloog verschrikt op en liet een angstig „oehoe!” hooren. Melle, dit geluid vernemend, dat den dood van een bloedverwant of na-staande kond, verging opeens alle lust tot gevecht en in een hartstochtelijk snikken uitbarstend jammerde hij: „O Baduhenna, ontferm u over uw armen knecht... O Baduhenna, dat het toch mijn prins niet zijn mochte.... O Baduhenna, neem mij en spaar hem!”

Melle bracht de slip van zijn jachthemd aan de oogen en van dit oogenblik maakte Pinn gebruik om den slag, dien hij lang beraamd had, toe te brengen. Melle met zijn vuist een stomp tegen de slapen gevend, dat de toch al oververmoeide man omtuimelde, kreet hij: „Vaar naar Balduwina, Friesche stijfkop!”

Toen verdwenen de drie dichters met snelle passen in de richting van den boom, waaruit de kauts was opgevlogen en troffen hun Koning, die bezig was met de voorbereiding van zijn aanval.

„Spil geen kracht!” riep Pinn, „ik heb den woesteling neergeveld. Het was een Fries, want hij roept Balduwina aan. Maar ik gaf hem iets tegen zijn Friesche kop, dat nog harder was.”

„Is hij goed dood?” vroeg Koning Mise, van boven uit het loover.

„De slag kwam zoo aan,” antwoordde Pinn, „dat hij met zijn kop naar den grond boog.”

„Is dijn vuist nog heel?”

„Ja, Koning.”

„Dan moeten wij maken, dat wij ver zijn voor hij weer ontwaakt. Friesche koppen buigen niet—die breken.”

Zelf langs den stam naar beneden glijdend, gaf hij zijn drie dichters het waardige voorbeeld en vluchtte naar de zijde, vanwaar de prins op Brendel was aangereden. Zij liepen als lieden, die weten dat het leven van hun snelheid afhangt. Terugkeeren naar ’t kamp van Koning Gise dorsten zij niet, voor zij bij helderen dag konden zien, hoe den afloop geweest was van ’t gevecht des dolzinnigen prinsen met den dikken Koning Gise. Blijven was al even gevaarlijk, daar de prins kon terugkeeren of Melle zijn bezinning herkrijgen. Daarom renden zij steeds voorwaarts tot aan het woud, waar Herebaeld wachtte op de terugkomst van prins Istovar thoe Mjellego, die Brendel was gaan bekampen.

De blonde jongeling in zijn hemelsblauw overkleed, stond tegen een eik geleund en staarde naar de schoone ster, die nog altijd helder en ongekwetst aan de lucht straalde.

„Pas op!” riep Koning Mise, „daar staat het gevolg van den dollen prins.”

„Kortzwaard tegen kortzwaard!” gilde Pinn moedig, bedenkend dat vier man tegen één knaap veel stof voor sproken, heldendichten, sagen, grollen en boerten zou kunnen opleveren.

Herebaeld, de vier magere schooiers ontwarend, verschrok.

„Vrienden!” zeide hij smeekend, „hoewel ik eens heerschen zal, ben ik nu nog maar een boerenzoon en niet gerechtigd ’t kortzwaard te voeren en te strijden met zulke hooge lieden als du zijt. Maar als du kamp zoekt, helpt dan mijn beschermer en medeminnaar prins Istovar thoe Mjellego die kloekmoedig is uitgetrokken om Brendel te tuchtigen.”

„Staat gij hier alleen jongeling?” vroeg Koning Mise streng en waardig.

„Ja heer, mijn vader Sigbert de Batouwer en mijn twee dappere en kloeke broers zijn ginds in ’t veld en slapen. Ook ’t gevolg van den prins is daar, veertig uitgelezen lieden onder leiding van den behoedzamen en onvervaarden Melle, alle Friezen, vaardig met de saks, de fram, het kortzwaard en de celt.”

„Verwacht du ze niet spoedig hier?”

„Dezen nacht niet, heer. Zij zijn allen zeer vermoeid en slapen en Melle, die de wacht hield, is opgetrokken om zijn heer bij te staan bij de tuchtiging van Brendel, die ons op dwaalwegen heeft gevoerd.”

Koning Mise als zijn drie hofdichters, nu geheel gerust gesteld, zeide:

„Jongeling, wij zijn vier helden, die op avontuur zijn uitgegaan. Het zou ons weinig moeite kosten di neer te slaan, maar wij zijn grootmoedig. Blijf hier en wacht tot de dappere prins terugkeert en zoodra du hem ziet, haast di ons het te voren te melden, opdat wij hem waardig kunnen ontvangen. Wij zijn in zijn kamp.”

De vier schoeljes, na zich aldus voor verrassingen behoed te hebben, slopen naar ’t kamp waar het gevolg van prins Istovar sliep. Zij naderden voorzichtig en na zich wel overtuigd te hebben, dat niemand waakte, begonnen zij de slapende krijgslieden te bestelen. Zij sneden de bronzen knoopen van hun jachtrokken, haakten de bronzen sluitspelden van de mantels, sneden voorzichtig stukken bont uit de nachtpelzen, ledigden de lederen tasschen met de kleine stukjes barnsteen, oostersche kralen, schelpjes en schijven albast, die als pasmunt gebruikt werden en de sterke, schoongewerkte riemsandalen ziende, die de Friesche krijgslieden droegen, kwam in den Koning zoowel als in zijn drie dichters, het verlangen op, er een paar mede te nemen, daar hun voeten, door het vele loopen, reeds pijnlijk waren en ook omdat zij wel wisten, dat als zij Friesche sandalen droegen, meer eerbied af te zullen dwingen in Renigo dan wanneer zij als hoorigen of slaven barrevoets liepen. Voorzichtig trokken zij een viertal slapers de sandalen van de voeten en nu, bevreesd betrapt te worden, namen de drie dichters en hun Koning elk een pak buit en slopen het kamp uit.

Toen zij weder bij Herebaeld kwamen, liep Koning Mise vooruit en sprak tot den jongeling:

„Vriend, haast di naar het kamp. Wij zijn gevlucht voor de overmacht, na ons dapper geweerd te hebben. De verfoeielijke Brendel waart rond in ’t kamp in de gedaante van een kobold met wel honderd dwergen. Zij kruipen en sluipen en berooven de getrouwe lieden. Ik zelf trachtte drie kobolden neer te slaan, maar nauw had ik mijn kortzwaard getrokken, daar veranderden die schurken zich in muizen en ratten en waren weg voor ik ze kon treffen.”

Herebaeld voelde ’t hart van angst kloppen. „Hebben zij mijn vader ook bestolen en mijn broers?”

„Wie zijn dat?” vroeg Koning Mise.

„Sigbert de Batouwer, Reri de zwemmer en Tjeerd, de springer.”

„Waren het die drie groote lieden, die naakt sliepen op berehuiden met bloote voeten en onder een dek van grauwe wol?”

„Ja... die zijn het.”

„Vriend, haast di. Ik geloof, dat de kobolden hun nog niet beroofd hebben... Maar haast di, als dijn erfdeel di heilig is!”...

Toen Herebaeld wegsnelde, konden de drie dichters zich niet weerhouden te lachen en Pill sprak:

De koningen wel gaarne ’t erfdeel laten, Aan wie, behalve ’t leven, niets bezaten.

Pimm sprak:

Hier snelt een bloed te hulp, beangst om wat? Daar vâar noch broer een luttel schelpje had.

Pinn sprak:

Wijl Mise weet, hier was geen zool te halen, Zegt hij den bloed: Red vaderliefs sandalen!

Koning Mise besloot:

Den rijke zult di stelen, Den arme zult di deelen.

En hij stapte waardig voorwaarts op een paar schoonbewerkte Friesche snoer-sandalen, gevolgd door zijn drie dichters, die eveneens flink stapten in de geroofde schoenen.

Een eind verder, terzijde van den weg, veilig voor overval, vloten zij ’t ezeltje, legden den buit neder in ’t karretje, ontstaken een vuur, hulden zich in hun overkleederen en vleiden zich ter ruste. Maar voor zij, vroolijk na den welgelukten rooftocht insliepen, sprak Pill:

Wie eerlijk barvoets gaat is maar een poen, Maar eere werft, wie draagt geroofden schoen.

Pimm sprak:

Geroofde schoen, Geeft ook fatsoen.

Pinn sprak:

Al kan men niet betalen, Dan draagt men toch sandalen.

Koning Mise besloot:

In schoenen staand van eerelijke lieden, Zal men ons voortaan nu veel eere bieden.

HOOFDSTUK XII.

Myst, de oude priester, was den dag nadat hij Sogol in de Ravenstroth had gevonden, ziek geworden. De lange voetreizen, de gestadige onrust en de overmatige inspanning van zijn longen, hadden het lichaam van den ouden man gesloopt. Hij lag nu op een bed van berevellen in de hut van Sogol, en werd trouw verpleegd door den Nervischen prins en Haun. Sogol brandde kruiden op houtskool, wanneer de grijsaard hoestte en hij gaf hem aftreksel te drinken van gekookt zoethout en klaprozen. Hij bracht gedroogde hanevoet, iring, rosmarijn en vogelkruid in een uitgeholden steen, stampte deze kruiden fijn tot poeder, vermengde dit met versche slakken en gaf dit mengsel den priester te slikken, om den hoest losser te maken. Doch de lijder kreeg koortsen en voelde zijn einde naderen. Dikwerf speelde Haun uren achtereen wijsjes om de gedachten van den zieke af te lijden, maar ook de schoonste wijzen werden plotseling door benauwde hoest-buien onderbroken. Sogol had den priester verteld, hoe zijn moeder gestorven was en welke schandelijkheden de priesters en priesteressen in de heilige hagen bedreven. Hij verzweeg hem niet, dat hij hier, in de Ravenstroth gevlucht was uit menschenvrees en menschenhaat. Hoe hij hier nu al jaren geleefd had, altoos peinzend over het bestaan der goden. Dat de Stroth door de menschen gemeden werd, omdat ze bang waren voor den Nickelman uit de Gröhl, maar dat er geen Nickelman in was. Ook vertelde hij den priester, dat hij zelf door de lieden rondom voor een wildeman werd gehouden, dien men zeer vreesde, hoewel hij toch een zachtaardig en hulpvaardig mensch was, die alleen omdat hij eenzaam in ’t bosch leefde, zulke lange haren en zulk een ruwe baard had gekregen.

Waren de werkelijk geesten en goden niet juist zoo ontstaan als de meening, dat hij een wildeman was? Had het volk zijn moeder niet voor een tooverkol gehouden, terwijl hij toch maar al te goed wist, welk een vroede vrouw ze geweest was? De priesters en de priesteressen waren met elkaar bedriegelijk volk. Zij bedrogen het volk met praatjes, waaraan zij zelve niet geloofden met geen ander doel dan om te kunnen zwelgen en in luiheid en onzedelijkheid te leven.

De oude priester lag stil op het leger en luisterde toe. Hijzelf, hoewel diep in ’t gemoed ook twijfelend, voelde zich bevreesd om den jongen prins, te sterken in diens twijfel. Daarom verdedigde hij het geloof. Hij sprak van de voorspellingen, die uit waren gekomen, van de onbedriegelijke voorteekenen, van de berichten van geloofwaardige lieden, die toch met eigen oogen elfen, nixen, kabouters en bosch-geesten hadden gezien. Zijn eigen vader was eens in den winternacht van een verre reis huiswaarts gekeerd. Hij verdwaalde, hoewel hij een gewijde fakkel had ontstoken, die zijn pad verlichtte. Het was beginnen te misten. De nevel om hem heen werd steeds dichter en natter en eindelijk kwam hij aan een groote woning. Deze trad hij binnen en nu kwam bij in een ruimen hal, hel verlicht, waar terzijde vreemde, groote potten stonden. Uit een pot riep een stem: „Ik ben het, dijn grootvader. Mij heeft het zeewijf in de diepte getrokken en bewaakt mij in haar oelkenpot. Du bent hier diep in ’t kolle-water en hadde du de gewijde fakkel niet gedragen, dan zoude du reeds lang verdronken zijn. Want wat du voor mist hield was water, in welks kolk du bent gezonken, tot in het huis van het zeewijf. Vlied vóór ze terugkomt want anders bent du gevangen.” Toen had Myst’s grootvader de ziel uit den pot bevrijd, die als een lichtje voor hem uit zweefde en hem den weg wees. Eindelijk zwond de vochtige nevel en de sterren fonkelden hoog aan de lucht.

Den volgenden morgen zag hij, dat zijn schoenen vol zeeslik zaten, hoewel de wegen overal hard bevroren waren.

„Waarom sloeg dijn grootvaêr niet alle potten stuk en nam de scherven mee? En waarom wachtte hij het zeewijf niet af om de staart af te houwen en mede te nemen?” vroeg Sogol duister.

„Een voerman zag eens op de weide,” ging Myst voort, „dat nixen heldere witte wasch aan den rand van een bron te drogen lagen. Eén nix zat bij de wasch en wiegde haar kind. Zij vroeg hem het kind voor haar te wiegen en nadat hij het gedaan had, schonk zij hem een zweep met barnsteen-versiering. Ik zelf heb de zweep gezien.”

„Het waren beter meester, als du de nix gezien had! Hebt di ooit een geest gezien?”

„Nooit. Zoo gelukkig ben ik al mijn leven niet geweest,” zei Myst neerslachtig.

„Dat is het meester. Ook ik zoek en ik vind niet. Ik heb gesmeekt, geroepen, uitgedaagd, gescholden, getart... alles zonder gevolg. De geesten toonen zich nooit en wat wij voor het werk van geesten houden is altijd na te gaan en dan blijkt, dat het geen geest geweest is maar een dier of een vallende tak of een ander zichtbaar ding.

„Ik had hier een grooten houtmijt en ’s nachts hoorde ik daarin dikwijls vreemde geluiden. Het was alsof daar iemand zuchtte. ’s Morgens was er niets te zien en ook niets te hooren, maar zoodra het duister was, begon het zuchten. Ik hoopte, dat er een kobold onder zat en heb de heele mijt afgedragen en vond nog altijd niets. Toch hoorde ik ’s nachts het zuchten weer. Toen ben ik midden in den nacht moedig met een fakkel gaan kijken en nu hoorde ik ’t zuchten weer maar onder den grond, waarop de mijt had gestaan. Ik stak een puntstok in den grond. Het zuchten bleef voortduren. Ik riep, maar kreeg geen antwoord. Toen legde ik mijn oor op den grond en luisterde. Ik hoorde nu niet alleen het zuchten maar ook een brommerig geruisch, alsof daar beneden veel geesten te samen waren. „Unhold en getwaas!” riep ik, „het gaat tusschen di en mi.” Ik greep een spade en wierp met krachtige stooten den bodem op. Hoe dieper ik kwam, des te meer ik ’t zuchten hoorde en ik hield mijn celt gereed om toe te slaan, als er een zich vertoonde. Opeens werd de bodem opgewoeld van onderen op en er sloegen met kracht steenen naar boven en slik en stralen stinkend helle-water, maar ik wilde zien en sloeg met mijn celt er op in en riep: „Bij Grendel, kom er uit, stinkend getwaas!” Doch er kwam een wèl stinkwater opborrelen en dat bleef zoo doorloopen tot nu. Ik heb lang gezocht in ’t wel-gat om te vinden, wat daar zat. En ik heb het gevonden.... want later hoorde ik verder weer gezucht en geruisch en ik sloeg weer den grond stuk en weer spoot een wèl op van stinkwater. Het zuchten komt van het opslaan van ’t gesmoorde water tegen de steenen, die den wèl boven afsluiten. Slaat men den steen stuk, dan schiet de wel uit en ’t zuchten houdt op en ’t onderaardsch gerommel. Er is daar geen geest.... er is daar niets anders dan een gröhl diep in den grond, zooals de andere, die vroeger al doorgebroken is, en waarvan toen domme en laffe lieden verhaalden, dat er een Nickelman inzat. Ik kan hier wel twintig wellen slaan met Nickelmannen van die soort. Het is alles leugen van de geesten; godendienst ontstaat door domheid en lafheid en wordt door luiheid en leugen in leven gehouden.”

Maar de oude priester, hoewel twijfelend, durfde niet toegeven.

„En wat denkt du dan van Wotan en van Thor en van Frija en van de Asen? Zou du dan ook die willen verklaren voor bedrog?”

„De groote goden heb ik nog niet onderzocht. Als ik kon vliegen gelijk de adelaar en opstijgen hoog in de luchten, altoos maar hooger tot daar waar de zonneschijf staat, dan zoude ik kunnen weten wat de waarheid is omtrent de groote goden. Als ik teruggekeerd ben in mijn land en ik ben tot Koning gekozen, zal ik een vloot van groote schepen doen bouwen. Maar niet om zooals vader naar ’t Paarden-eiland te gaan om buit en roem, maar ik neem reuzenzwaarden mee en knappe speerwerpers en dan vaar ik den verren oceaan in, tot daar waar de wereld eindigt en de groote hel begint, waar de zeeslangen kruipen en de draken dreigen en de Nevelingen zweven. Daar meester wil ik zien, zoeken en weten.”

„Bent di niet bang?” vroeg de meester ontzet.

„Ik ben het geweest meester, toen ik den beukengeest naspoorde en een eekhoorn vond; toen ik den Nickelman zocht en een aal ving; toen ik den zuchtenden kobold wilde verlossen en een stinkwel zag opspuiten. Daar ginds meester, zal ik voor op de plecht gereed staan met mijn speer en ze in den ondergrond drillen. Ik ben wel zeker al, dat de neveling een groote visch zal blijken te zijn en de afgrond een groote gröhl, die naar een nieuw land voert....”

„En als du met dijne schepen dan eens afvalt van de wereld en stort in ’t niet?”

„Het is dapperder zoo te vallen, dan zooals vader, verzwolgen door den storm met roofgoed of met de saks in de hand tegenover een vijand, die dijn vriend had kunnen zijn. Want of zij er zijn of niet zijn, de groote goden, dat weet ik nog niet. Maar wèl weet ik, meester, dat zij, zoo zij er zijn, ons slechts kwaad willen en als vijanden bekampt moeten worden. Een vriend maakt zich bekend maar een vijand verbergt zich en verstopt zich in geheimen....”

Terwijl de eenzame denker zoo sprak met den zieken grijsaard, liep Haun in het woud en zocht naar noten en vruchten of schoot met zijn speer naar kleinwild en zette strikken op voor vossen en wilde hoenders. Maar ’t liefste toch blies hij op zijn horen, zich verbeeldend dat hij krijgers aanvoerde in den oorlog of dat hij de reidansen mocht blazen bij de offermaagden. Op een dag, vroolijk toeterend door de stroth loopend, daar hoorde hij weder denzelfden geest, die ook kon toeteren op den horen. Hij blies een wijsje en elke toon werd tot drie maal toe herhaald. Den ganschen dag bleef hij hier spelen, beproevend den boschgeest er toe te brengen met hem samen te toeteren zooals de Dingher gedaan had. Maar de boschgeest begreep hem niet, speelde geen eigen ranken en loovertjes, doch bleef maar altoos driemaal naspelen wat Haun voorspeelde. Hij riep den boschgeest toe, dat deze zou aanvangen met de elfenstem en dat hij dan zou invallen met het reckengeluid, doch de boschgeest riep driemaal terug, dat Haun zou aanvangen met de elfenstem en hij zou invallen met het reckengeluid. Toen Haun toegaf en begon met de zoete, hooge tonen begon echter de boschgeest ook. Dat maakte Haun moedig en hij begon met den boschgeest te spotten, die niets uit zichzelf kon en altoos na-blies. Hij werd elken dag moediger Haun, hoewel hij niets ervan zeide tot den meester en tot Sogol, vreezend dat zij hem zouden bestraffen wegens zijn spotternij. Haun begon naar den boschgeest te zoeken, beloofde hem vossevellen en versche eieren, wanneer hij zich liet zien. Toen de boschgeest niet kwam, legde hij drie vellen van vossen neer en daarop twaalf versche eieren en riep, dat hij weg zou gaan en dat de boschgeest ze ongezien mocht wegnemen. De boschgeest antwoordde hetzelfde terug, maar toch ging Haun naar de woning. Den volgenden morgen echter lagen de eieren er niet meer, maar waren leeggegeten, doch de vellen waren er nog.

„Waarom nam di die vellen niet?” riep Haun.

„Waarom nam di die vellen niet?” riep de boschgeest driemaal terug.

„Du bent een ouden praatvaâr!” riep Han.

„Du bent een ouden praatvaâr!” riep de boschgeest driemaal.

„Du bent een blaaskaak!” riep Haun.

„Du bent een blaaskaak!” riep de boschgeest

„Dijn moeder is verdobbeld!” schold Haun.

„Dijn moeder is verdobbeld!” schold de boschgeest

„Dat liegt du. Ik heb bij den Dingher de schat gelaten en zij is al lange weder vrij!”....

„Dat liegt du. Ik heb bij den Dingher de schat gelaten en zij is al lange weder vrij!” riep de boschgeest.

„Du.. du bent nooit bij den Dingher geweest. Die zou di gauw den schop hebben gegeven, omdat du zoo slecht toetert.”

Toen de boschgeest ook dat herhaalde en zeggen dorst, dat Haun slecht toeterde sprong hij, zijn speer gereed houdend, in ’t hout en zocht en riep en sloeg, en tartte en schimpte, maar de boschgeest antwoordde wel, doch telkens van een andere zijde.

Nu eerst ging Haun er toe over, zijn avontuur aan Sogol te vertellen.