Chapter 22 of 32 · 3878 words · ~19 min read

Part 22

Reri liet zich langs Baldei afgleden, hielp Baldei bij ’t afzakken en nu wierpen de vier zich in ’t water, de jol voor zich uitduwend. Maar Baldei, niet meer beschut door ’t berenvet, voelde de krampen komen.

De twee anderen wilden zooveel zakken graan overboord werpen, dat Baldei in de jol kon blijven zitten, zonder dat deze zonk. Maar Reri, die te goed wist wat een enkele zak graan beteekende voor de toekomst van den stam verbood dat. Steunen konden ze hem evenmin, want de drie waren ook vrij uitgeput en hadden de zware jol voort te duwen. Daarbij kwam dat het al begon te schemerlichten.

„Trek eens hard aan het touw,” riep Reri tot Freihals. Maar de afstand was nog te groot, dan dat de makkers op ’t ijs den ruk voelen konden.

„Mannen,” zei Baldei, „ik mag di niet tot last zijn. Zorg voor mijn moeder. ’t Is een weduwvrouw....”

Hij hief zijn armen op en zonk weg in ’t koude water.

Maar Reri greep hem vast, tilde hem hoog.

„Volhouden!” beval hij.

Doch de jonge reus was met open mond gezonken om snel weg te zullen zijn.

Reri legde zich op de rug en haalde ’t hoofd van Baldei over zijn borst, hield den naar adem snakkende zoo boven.

„Hindar, zwem vooruit.”

„Ik ben òp!” zei Hindar.

Op dit oogenblik weerklonk een signaal van de bestolen skig. Maar meteen begonnen de Batouwers op den wal, door ’t signaal gewaarschuwd dat er onraad broeide, het verbindingstouw snel in te palmen. De drie mannen klemden zich aan de jol en lieten zich meetrekken, Reri den machteloozen Baldei nu met één arm boven water houdend.

De spanning van de drie mannen was zoo groot, dat zij de koude niet voelden en nu ook kwam Baldei weder bij.

Op de bestolen skig was de man van de laatste wacht opgestaan om zijn kameraad te gaan aflossen. Maar niet vermoedend, dat er een luik openstond, was hij daarin gestort. Hoewel hij zich zwaar kneusde, begon hij toch te schreeuwen en riep de naam van den man, dien hij wilde aflossen. Maar ook die gaf geen antwoord. Toen kroop hij rond en voelde de zakken die Reri, als trap had gebezigd. Maar hij had beide beenen gebroken en kon zich niet tot aan den rand van het luik opheffen. Daarom schreeuwde hij, zoo hard hij kon, tot eindelijk een stuurman ontwaakt was, die op ’t dek komend uit het open luik het kreunen hoorde en bij ’t roer den dooden wacht vond en daarna bij ’t luik, de gebroken Batouwsche saks.

Hij liep naar de kajuit terug, nam een signaalhoorn en blies alarm.

Doch dit duurde lang genoeg en voordat in de vale morgenschemering ontdekt was, waar de aanvallers waren, hadden de Batouwers de jol met de vijf-en-twintig zakken meel al weder op ’t ijs gehaald. En nu, vijf-en-twintig der mannen elk een zak graan op den rug dragend, begonnen de honderd weg te rennen, in den dreunenden, gelijkmatigen stap van krijgslieden, die een aanval doen.

Zij vormden een driehoek met telkens één der mannen voorop als windbreker en de anderen, hun handen op de schouders van de voormannen leggend, vermeerderden dier kracht.

Er was in al dien tijd geen woord gesproken.

Zoodra de vier zwemmers uit het water waren, hadden zij slechts één woord gezegd: „Den barditus!”

Dat was genoeg geweest. Sigbert, als de aanvoerder was ’t eerst voorop geloopen als spits van de wig. Maar naarmate de spits wisselde kwam hij, naar ’t oude gebruik, des te meer naar achteren, terwijl de vier zwemmers, als ’t meeste vermoeid, achteraan waren gaan loopen, opdat de voorsten den wind zouden breken. Zoo kwam het, dat na eenige gewenden, toen de achterste lieden vooraan kwamen te loopen, Sigbert met Tjeerd achteraan liep, terwijl Reri in de voorhoede was. Maar toen Baldei, die nog altijd niet geheel bekomen, in de achterhoede bleef loopen, de handen op de schouders van Tjeerd, die hem steun gaf, los liet en niet meer mede kon, floot Sigbert op zijn vingers en de saks hield stil.

Zij waren, dank zij de snelle en ordelijke wijze waarop zij de vlucht hadden genomen nu zoo ver van de skigge, dat zij niet anders zouden kunnen worden ingehaald dan door paarden. Maar achterwaarts ziende bemerkten zij, dat het gevaar voor vervolging niet groot was. Want de beroofde skig lag vrij afgezonderd, ’t meest naar voren en het was van de skig onmogelijk seinen naar den vasten wal te geven voor het goed licht was geworden. En dan nog... hoe zouden die van de skigge den menschen op den vasten wal op zoo’n verren afstand kunnen beduiden, dat men bestolen was en door wie. Om te verkondigen, dat zij een lading graan van ’t Paarden-eiland hadden medegebracht, was slechts noodig geweest een zak graan in de mast te hijschen en een vlag op te steken, zooveel keer als er zakken in de schepen waren. Maar die op het strand duidelijk te maken, dat Batouwers ’s nachts de skig hadden overrompeld en het ruim leeggeroofd, ging bezwaarlijker.

Sigbert’s saks hield dus een oogenblik halt om te rusten en te overleggen. De mannen stonden bezweet en hijgend, leunend tegen elkaar zooals dit in den krijg gedaan wordt. De mannen, die de zakken droegen zetten ze af, omdat nu de beurt van het dragen aan een tweede vijf-en-twintigtal kwam.

Sigbert opende een zak. Daar lag de dikgezwollen weite, het zeldzame, beroemde koningskoren van ’t Paarden-eiland. Sigbert woelde er met zijn hand in, liet een handvol in een stroompje weder neerglijden in den zak. De anderen drongen zich om den zak heen, zagen het prachtige koren begonnen te joelen van vreugde.

„Geef mi, geef mi,” zeiden zij, de handen geopend uitstrekkend naar Sigbert, die hun handen vulde uit de zak. En zij liepen weg van den zak, de beide handen gegeuld bij elkaar, voorzichtig om niet een enkel korreltje te verliezen en toonden het verheugd den verder staanden, die naderbij drongen en met lichtende oogen keken naar dat mooie zaaigraan.

Zij wreven de graantjes op de handpalm, rollend ze bewrijvend om de dikte te voelen en hoewel ze allen hongerig waren, was er niet één, die een graantje naar den mond bracht. Zij wierpen het graan weer in den zak, tot het laatste korreltje toe.

Het was nu geheel licht geworden. Sigbert keek nog eens in de richting van het strand. Maar de schepen waren reeds lang uit zicht en de verre velden waren eenzaam.

De mannen vormden weder de saks en liepen in stevigen pas door, evenwel niet meer op een drafje, zooals zij tot nu toe gedaan hadden.

Sigbert droeg nu ook een zak en het was hem niet zwaar op den rug maar alsof hij iets liefelijks droeg, dat hem vroolijk maakte en licht te voet. Zoo had hij den kleinen Herebaeld vaak gedragen in de tijden, toen hij in stilte en zonder het ooit te durven uiten, hoopte dat zijn kind met de dubbele kruin eens koning zou worden van de Batouw.

Het weer was omgeslagen. Daar zij door het harde loopen allen bezweet waren, hadden zij het niet gevoeld. Maar toen ze aan het eerste bosch kwamen zagen zij, dat de stammen der boomen grijzer werden en van een enkel twijgje drupte al onder de stralen van de morgenzon een spettertje sneeuwwater. Zij zagen elkaar aan zonder wat te zeggen, te goed wetend welke gedachten dat droppeltje wekte, beangst om door ’t uitspreken van hun hoop, ’t geluk te verstoren.

Zij rukten den heelen morgen zoo voort, in gezwinden pas, weinig sprekend, de saks gereed in den gordel, hun vingers in ’t voorbijgaan grissend langs den grond of een laaghangenden tak om een balletje sneeuwijs te pakken om dat ter verfrissching in den mond te steken.

De vier zwemmers, nog altijd in hun met vet besmeerde lichamen, waren sterk gaan zweeten en het vet begon langs hun leden te druipen. Sigbert beval, dat vier anderen hun pelzen zouden afgorden en ze om de schouders van de zwemmers slaan.

Maar Reri en Baldei waren te groot en nog twee anderen moesten hun pelzen afstaan, die, altoos onder ’t voortloopen, met de hoeken aan elkaar werden geknoopt.

Het bosch werd dichter en de mannen moesten daar ’t pad smaller werd, achter elkaar loopen.

Op een beschutte plek achter struikgewas, wel geschikt om bij een mogelijken overval verdedigd te worden, beval Sigbert rust. Het was al later op den morgen geworden en het gevaar reizigers te ontmoeten vooral omdat de dooi was ingevallen, werd groot. De mannen gingen op stronken zitten of wierpen zich, hun berenhuid uitspreidend op den grond.

De geroofde zakken werden nu allen geopend. En de mannen, zich dicht om elken zak dringend, kregen glanzen in de oogen en kreunden in de baarden van bewondering. Slanke haver, dikke, zware gerst, wichtige weite, zak na zak.

Reri drong zich naar voren.

„Er zijn twee zakken bij met vreemd graan,” zeide hij. „In ’t donker voelend, heb ik het niet op den tast kunnen herkennen.”

De twee laatste zakken werden geopend. In de eerste zak lagen kleine, platte schijfjes van een vreemde graansoort, die geen der mannen ooit gezien had. Sigbert gaf een handvol aan den man naast zich om door te geven met de vraag of ook iemand er kennis van had. Maar in den laatsten zak waren korrels, groot als een boon, zoo geel als amber met aan de punt een wit spikkeltje.

„Wat ’s dat?” vroeg Sigbert.

Hij nam een korrel op en stak deze in den mond, beet haar fijn, proefde haar.

„Hoe smaakt het?” vroeg er een.

„Als fijne weite, maar nog zoeter.”

„Zit er honing in?” vroeg een ander, die getroffen was door de goudgele kleur en den vorm van de korrels, die wel eenigszins aan de cellen in een honingraat deed denken.

„Proef zelf,” zei Sigbert, hem den zak voorhoudend.

Maar nu een ander dan de saksvoerder een korrel opat, wilden de anderen ook proeven. En de mannen drongen zich om den zak en als kinderen begeerig, staken ze de groote, grove, rasperige boerenhanden uit en kregen een korreltje van het barnsteenkleurige graan. Zij gingen terug als met een schat, bekeken het kleinood, wreven het in de holte van den handpalm met de vinger der andere hand om en om, het keurend met de oogen zooals een kenner een edelsteen zou schatten.

En dan, het naar den mond brengend, hielden ze het zaadje er lang in zonder er op te bijten, het met zachte smakjes van de tong proevend, het omwoelend in de mondholte, om langer er ’t genot van te hebben.

Onderwijl waren er al eenigen, die hout hadden gekapt en een vuur aangelegd en men wachtte op het woord van Sigbert, die zou bevelen wat heden gegeten zou worden. Zij hoopten in stilte, dat zij dit keer graan zouden krijgen, maar Sigbert liet de zakken weer sluiten en beval, dat men sporen zou zoeken van wild.

De mannen waren ontevreden. Eén trad voor de anderen op en vroeg, maar met veel meer deemoed, dan hij zich voorgenomen had:

„Sakshoofd, wilt di ons niet wat graan geven?”

„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert woedend op, zijn hand naar zijn saks brengend, „du, smuigerd. Wilt di ons zaaigraan vervreten?”

De man trad beschaamd terug. Maar een ander, die den smaak van het barnsteengraan nog naproefde, trad naar voren.

„Sakshoofd... wi hebben honger... En met wild zoeken gaat de tijd weg... Dat honinggraan is toch niet om te zaaien... Laat ons dat nu opeten...”

„Ja, laat ons ’t honinggraan opeten,” riepen anderen.

„Hier met het honinggraan!” riepen nog weer anderen, verlekkerd door den smaak.

Sigbert trok zijn saks en stelde zich voor den zak.

„Wie een korrel neemt, kloof ik den kop!” riep hij.

„Stemmen, stemmen!” riepen de mannen terug.

Sigbert keek naar Reri.

„Ja vaêr, laten wij stemmen!”

„Zult di dijn vader afstaan, snotjongen?” zei Sigbert, zijn zoon een stomp voor de borst gevend.

„Is dat mijn loon, vaêr?” vroeg de reus, bedroefd ter zijde gaande.

„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen met meer onstuimigheid.

Maar de ouderen onder de mannen, die zelf vaders waren en met bewondering zagen naar hun aanvoerder, die zoo zijn vaderlijk recht wist te bewaren, willende toonen, dat zij ook niet bevreesd waren voor hun zonen, gingen bij Sigbert staan, toonend dat zij voor hem partij namen. De vader van Hindar was de eerste, die naast Sigbert stond. Maar Hindar, op hem toetredend zei:

„Vaêr, ik moet eten... Du weet wel vaêr, de laatste bete heb ik gisteravond gehad... en toen heb ik met di gedeeld...”

„Laat ze eten, Sigbert!” zei nu de vader van Hindar.

„De zwemmers kunnen krijgen!” gaf Sigbert toe.

„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen dreigend.

„Vooruit dan... wie ’t zaaigraan wil vervreten, steek op zijn saks...”

Alle saksen werden opgestoken. Sigbert boog voor de overmacht. De zak werd weer geopend en een der Batouwers, die een kleinen helm droeg, gaf ze om als maat te dienen.

En nu mocht elk man een halven helm vol van het zoete barnsteengraan uit den zak putten. Zij hielden hun pels als voorschoten op en liepen met hun schat naar het vuur of zetten zich wat verder alleen weg en begonnen het zoete graan rauw op te knabbelen.

Alleen Sigbert at niet.

„Vaêr!” zei Reri, „du eet niet?”

„Dijn vaêr vreet zijn vrijheid niet op!” zei de Bataaf norsch.

Toen keek Reri even terzij naar Tjeerd, die al den mond vol had. En nog even wijfelend, wierp hij zijn deel weer in den zak terug.

„Gaat di mee Tjeerd... sporen zoeken?”

„Eerst eten...”

Maar tegelijkertijd zag hij naar zijn vader op en boog het hoofd.

Hij wilde nog een handvol graan naar den mond brengen. Maar hij dorst niet en schuin het hoofd afgewend, liep hij nu ook naar Sigbert toe en wierp de handvol graan, die hij nog slechts over had, ook in den zak.

„Ik had honger, vaêr!” zei hij verontschuldigend, hoewel de oude niets gezegd had, alleen met de driehoekige oogen fél hem aanstaarde.

„Het was di geraden, knaap. Du hattet dijn erfdeel opgevreten... Ga mee met dijn broeder...”

De twee liepen ’t kreupelhout in, zwijgend, onderworpen, beschaamd, voelend het overwicht van den vader, die hongerend zooals zij en met de volle beschikking, de eenige van allen was geweest, die sterker zich toonde dan het verlangen, dat als een pijn knaagde in de uitgehongerde maag.

„Als ’t voorjaar wordt, moet-ie koning worden!” zei Reri tot Tjeerd. „Denk er wel aan jong, onze vaêr is de grootste Batouwer.... Hij moet koning worden.”

Tjeerd spuwde de restjes van ’t graan uit zijn mond en rilde met ’t hoofd als walgde hij nu van dat heerlijke koningsgraan.

Zij liepen beiden, de oogen naar den grond, zoekend of ook ergens den indruk van een dier merkbaar was. Doch zelfs hun geoefende oogen konden niets onderscheiden op den hard bevroren grond van sneeuwijs. Maar dichter in ’t hooge hout, waar de boomen zoo vast opeen stonden, dat de vorst eenigszins geweerd was, merkten zij gebroken takken, waar blijkbaar een dier doorgang had gezocht. Opeens hield Tjeerd stil.

„Wat is dat?”

In ’t sneeuwijs stak een zwartige punt uit. Tjeerd rukte het voorwerp uit de aarde.

„Een sandaal!”.... zei hij.

„En geen oude.... daar zijn hier menschen.”

„Wat voor menschen....”

„Roovers! Anderen zijn niet in den winter hier in den dikicht.”

Zij liepen voort, volgend het spoor van de weggebroken takken en vonden weldra een klein offerblok en vandaar voortgaande vonden zij den ingang van ’t hol, dat met een zwaren steen was afgesloten, maar die de twee sterke kerels al spoedig hadden terzij geschoven.

Beiden traden dadelijk terug.

„Daar zijn lijken in!” meende Reri.

„Aan den stank te zeggen, ja!”

„Wij moeten vuur maken... ’t Is te donker.”

Zij keken rond, maar zagen geen kienhout. Het was een bosch van beuken en eiken.

„Wij moeten een lichtgat maken. Vooruit jong!”

Reri begon al met zijn saks boven in de sneeuwaarde te woelen en Tjeerd van de andere zijde wierp de uitgewoelde aarde terzij. Toen zij op een armdiepte waren, kwamen zij al aan de laag bladeren en mest, die spoedig doorgestoken was. Uit het gat steeg dezelfde doordringende stank op.

„Zooals ik di zei, lijken.”

Hij maakte het gat nog wat grooter en nu weer, van de holterp afglijdend, gingen zij den ingang kruipend binnen.

Bij ’t daglicht, dat door ’t lichtgat boven, nu binnenviel, zagen zij de lijken van drie mannen en een vrouw in ontbinding. Het hol was volgestapeld met zadels, schilden, huiden, kortzwaarden, bronzen bekkens, urnen met bronzen sluitspelden. Maar iets om te eten vonden ze niet.

„Wat denkt di, Reri?” vroeg Tjeerd.

„Dat zijn roovers, die zichzelf gevangen hebben. Zij hebben zich in ’t winterhol opgesloten en vuur gestookt. Toen is ’t vuur ’s nachts, toen ze den steen al voor ’t gat hadden gewenteld, gaan aansmeulen en zij zijn gestikt... Wat zei ik di... hier ligt er nog een... die is bijgekomen en is nog naar den uitgang gekropen... maar hij was te zwak. Ga naar vaêr jong en roep hem. En laat de mannen kienhouten meenemen. Ze zullen wel graankuilen hebben gehad..”

Tjeerd snelde terug en onderwijl begon Reri het lichtgat grooter te maken. Hoe meer licht er binnenviel, des te meer ook werd hij van de juistheid van zijn veronderstelling overtuigd. Roovers waren het zeker geweest. Dat zou een kind zien aan de soort van schatten, die zij verzameld hadden. Maar waren zij werkelijk gestikt? Of hadden zij geen leeftocht meer gehad?

Die daar lagen, half vergaan, toen weder bevroren en nu weder ontdooid, zouden het niet meer zeggen. Reri keek naar de ontbindende lichamen en rilde. Het gezicht van een krijger, op ’t slagveld gedood of van een mensch, kalm in zijn hut gestorven, maakte op hem geen indruk. Zij voeren op naar Wotan en waren voortaan gelukkiger dan op aarde. Maar deze hier, wier lichamen niet verbrand waren geworden, en wier zielen dus eeuwig zouden rondzwerven in den poel van Grendel, tot straf voor hun euveldaden, boezemden hem afschrik in.

Zijn honger dreef hem om in ’t stinkende hol rond te zoeken naar leeftocht. Zijn oogen waren nu gewend aan ’t schemerduister en tastend met de handen langs de met koemest en dorre bladeren bestreken wanden, vond hij achterin weder een grooten sluitsteen. Hij wilde hem wegrukken, maar de steen was te zwaar. Nog was hij bezig gebukt in het donker den steen weg te schuiven toen hij al het gele licht van de brandende kienhouten zag, waarmede Sigbert en andere Batouwers naderden.

Nu konden zij in ’t hol goed zien, welk vreeselijk einde de roovers hadden gehad. In ’t midden stond op een vuur van houtskool een groote pot, waarin een weeke massa. Melksoep, die eerst tot bederf was overgegaan en toen weder bevroren. Er lagen wel tien lijken in ’t hol, mannen en vrouwen. Een vrouw lag dicht tegen een wand bij den toegangssluitsteen, de rechterhand met de magere, zwartige vingers nog gekromd uitgestrekt naar den steen, die hun noodlottig was geworden.

Reri en Tjeerd samen slaagden er in den steen van het tweede hol weg te schuiven. Dat was de welvoorziene voorraadkamer. Er lagen eenige zakken met graan, stapels gebakken, harde winterbrooden. Er hingen aan touwen stukken gedroogd vleesch en een twaalftal zijden spek. Tegen de wanden stonden groote, met was afgesloten, aarden vaten. Sigbert opende ze met zijn saks. De vaten waren gevuld met honig, mee, gestoofde bessen, ongebrande molleboontjes, meel, gesmolten vet.

Nu was er geen rede om niet te eten.

„Vrèt jong, vrèt!” zei Sigbert tot Tjeerd. „’t Is je gegund!” voegde hij er tot Reri bij. En deze, niet langer wachtend, trok een reep gedroogd vleesch los en begon als met geeuwhonger te eten. En ook Tjeerd en de vijf andere mannen deden zich te goed aan wat zij maar ’t eerst grepen.

Sigbert, met een reep spek in de hand, liep naar buiten en met zijn machtige kaak kauwend op de reep spek, snelde hij terug naar ’t kamp, vertelde van de ontdekking en geen der mannen wist van vermoeidheid. In een vaart liepen ze naar het roovershol, dat weldra zoo vol was, dat er geen mannen meer binnen konden. Maar die binnen waren reikten door ’t lichtgat, dat Reri gemaakt had, voedsel naar buiten. Heele zijden spek, groote potten met meel en honig werden naar buiten aangegeven en de mannen, bemerkend dat er overvloed was, sneden lange repen uit het spek en begonnen als dieren te knagen, knorrend van genot, malkaar aanziend met verheugde blikken.

Maar daar de stank binnen te sterk was, kwamen alle mannen spoedig naar buiten. Een paar, die al half voldaan waren, begonnen onder leiding van Sigbert het lichtgat grooter te maken. Anderen kwamen helpen en spoedig lag het roovershol bloot met zijn rijkdommen, zijn voedsel en zijn vergaande lijken.

Een paar mannen, dankbaar voor ’t voedsel, spraken er over, de lijken te verbranden en in een paar der ledig gegeten vaten bij te zetten.

Maar anderen waren er tegen, meenden dat menschen niet mochten ingrijpen in den wil van Wotan, die de roovers zeker had gestraft voor menige euveldaad en deze laatsten kregen gelijk.

Nadat allen verzadigd waren, werd de voorraadkamer van de roovers leeg gehaald en onder de honderd door Sigbert verdeeld. Onderwijl trokken de aangewezen dragers terug naar ’t kamp om de vijf-en-twintig zakken graan te halen en toen deze terug waren, zette de saks van Sigbert den tocht naar de Batouw voort.

Sigbert bleef bij het hol staan om bevelen te geven en voor de lucht te zorgen. Het bevreemdde hem, dat nog niets van een vervolging gemerkt werd en hij speurde rond of hij wellicht de vlam van een seinvuur zag of luisterde nauwlettend of ergens een horen toette. Maar ’t was doodstil en alleen het hem liefelijk geluid van de smiltende druppelen die in de twijgen patsten, vernam hij.

Tot het laatste stukje vleesch was weggedragen uit het hol van de roovers. Toen wilde een man, die weinig te dragen had, een bronzen ketel medenemen.

Sigbert riep hem terug.

„Wat doet di daar?” vroeg hij streng.

„Voor mijn moei!” antwoordde de man.

Sigbert pakte hem bij den schouder, rukte hem de ketel uit de hand en wierp hem met een vaart in ’t hol terug, waar hij met een helderen tink neerviel tusschen ’t andere brons.

„Batouwers zijn geen dieven!” sprak hij dreigend. En zijn oogen vlamden. Toen, ziende dat de mannen gereed waren, liep hij zijn troep langs en zijn saks opstekend in de lucht, zetten zij hun vlucht voort.

HOOFDSTUK X.

Er waren drie priesters in het land der Nerviërs aangekomen en deze, vernemende dat Sogol en Harimona nog niet genaderd waren, begaven zich naar Waberloo, de winterwoning van koning Solbert. Zij vroegen onderweg aan alle woningen of de lieden Sogol en Harimona reeds gezien hadden. Het begon koud te worden en de drie priesters overnachtten zooveel mogelijk in de hutten, waar men hun gaarne gastvrijheid verleende. En voor het vuur verhaalden zij van de schatten van Renigo, van de wonderen van Harimona en van de ontvoering door Sogol, den Nervischen prins.

Maar de menschen herinnerden zich niet, dat er een prins van dien naam bestond en schudden het hoofd, zeiden tot de priesters, dat zeker de een of andere roover zich die valsche waardigheid had toegeëigend.