Part 4
Eén enkele gedachten hield hem bezig. „De geest was ten laatste ook schor geworden, dus was hij ook vermoeid van ’t roepen... Maar als hij vermoeid raakte, was hij een mensch en geen geest... Morgen zou hij weer gaan zoeken en overmorgen weer, tot hij hem gevonden had en te weer kon staan: „Alles is zichtbaar!””
HOOFDSTUK VI.
De herfst [4] was aangebroken in het land Renigo en bij de heilige haag maakte men zich gereed om het nieuwjaarsfeest te vieren. Van alle landen naderden de menschen om Harimona, de heilige maagd, offeranden en schatting te brengen en haar in ruil daarvoor te vragen, hoe het nieuwe jaar voor hen en de hunnen zou zijn. Vorsten kwamen om haar oordeel te vernemen over den afloop van krijgstochten, die zij hoopten te beginnen en anderen, die naar een ander land met hun volk wilden trekken, kwamen vragen in welke richting hun ’t geluk wachtte en in welke richting onheil broeide. Die uit streken kwamen waar slechte oogsten binnengehaald waren of misgewas heerschte, zouden haar om amuletten tegen de booze geesten van hun land smeeken. Zeevaarders, die groote reizen wilden ondernemen, kwamen te voren haar naar de te voeren koers vragen. Er waren zieken van alle hemelstreken, die bij haar genezing kwamen zoeken. Er waren moeders, die kinderloos bleven en vreesden door hun mannen verstooten te zullen worden. En misdadigers, die wroeging gevoelden en aflaat bij haar zochten; hebzuchtigen, die de plaatsen wilden weten waar groote schatten verborgen lagen; jonge krijgslieden, die hun zwaarden wilden doen zegenen en door haar doopen; lieden uit dorre streken kwamen haar de plaats vragen, waar onderaardsche wellen barnden; lieden uit landen, waar men door vloeden geteisterd werd, kwamen bij haar naar het middel om droogte te krijgen, zoeken. Er kwamen kreupelen, lammen, gebochelden, blinden, dooven, lijders aan vallende ziekte. Maar die de zwarte ziekte hadden, mochten niet komen binnen de grens van Renigo, omdat zij verdoemden waren, wier kwaal alleen met den dood geboet kon worden.
Van alle heerwegen, te water en te land, te voet en te paard, in huifwagens, op ezels en zelfs op kameelen en mammouths, [5] kwamen de menschen naar Renigo om hulp en voorlichting en troost. Maar ook waren er velen, die alleenlijk optrokken om met hun kunsten schatten te verdienen, dansers, zangers, lierelieden, acrobaten, vuistvechters, schildvechters, schermmeesters, die jonge krijgslieden kunsttrekken leerden met de saks of de bijl of het mes; en om hun kracht te toonen, staken zij hun wapen vóór de tent waarin zij woonden, in een stuk lindenhout en wie zijn wapen daarnaast stak nam een tweegevecht aan met den eigenaar van ’t wapen. Er kwamen jagers uit de bosschen, die vellen te ruil boden of mammouth-tanden, gevonden in holen; boeren met gelooide huiden, waarvan schilden, riemen en tuigen gemaakt konden worden; smeden, van den stam der Simnoten, die woonden in ’t verre land van de reuzen, ruilden zwaarden, bijlen en speren tegen barnsteen en hadden in de open lucht smidsen opgericht, waar zij voor de oogen van den kooper, de wapens smeedden uit staven ijzer, die ze op groote wagens, door krijgsgevangenen getrokken, hadden aangevoerd. En wel vaak, wanneer koopers de smeden wilden bedriegen of op de hoedanigheid hunner waar afdongen, ontstonden er gevechten en partijen werden gevormd, tot aan beide zijden dooden en gewonden waren gevallen. Er waren groote tenten opgericht, waar meê werd geschonken uit horens of aarden nappen en kroezen en anderen waar eetwaren te ruil waren, hammen, gerookt paardevleesch, versch rundvleesch, visch, brood en honingkoek.
Ook stroomden van alle zijden de mannen toe, die naar de hand van Harimona dongen en naar de huwelijksvoorwaarden kwamen vernemen. Er waren veel jongelieden van hooge geboorte, maar ook reeds mannen van middelbaren leeftijd en zelfs grijsaards, die kinds verlekkerd op de groote schatten van de priesteres, meenden met meer kans van slagen dan melkmuilen, den strijd met den draak, den hond en de geit te kunnen aanbinden. Er waren méér dan honderd aanbidders, velen in statie-gewaden, begeleid door groot gevolg van krijgers en ruiters en wagens volgeladen met geschenken. Anderen, heel arm en heel eenvoudig, met geen anderen uitzet, dan hun wapen, hun gespierd lichaam en hun jeugdigen moed. Ook wel slanke, kleine lieden van den stam der Sueven, die vaardig waren in ’t spreken op den Ding of beroemd wegens hun sproketalent of wegens hun fraaie stem en ’t blazen op den jachthoren of het tokkelen op den Keltischen lier. [6] Er waren minnaars, die knap waren in het kerven van runen in plankjes van lindehout en minnaars, die den Oceaan bevoeren en wachtend op de feestdagen, verhalen deden aan de lieden, die met hun mêde dronken van de verre landen, die zij gezien hadden en de monsters, die leefden in de verre zeeën, daar waar het dieplood schuinhangt, omdat de wereld er eindigt en de baaierd er aanvangt. Eerwaardige grijsaards kwamen om een uitspraak te hooren in vragen van meent-recht en grens-geschil.
Al deze lieden legerden zich in een wijden kring rondom de heilige haag in afwachting van het Nieuwjaarsfeest en de verschijning van de groote priesteres, zoodat men, van de heuvels komend, zoover het oog reikte, beneden langs den oever van den stroom, welks naam door elken stam bijna anders uitgesproken werd (doch zelden zonder de R-klank aan ’t begin, klank-nabootsing van ’t geluid, dat het stroomende water maakte,) tenten zag en nieuw-opgetrokken hutten en wagenparken en paarden-stallingen.
Harimona had zich nog niet vertoond aan het volk doch Maresag, de hooge priester, deed elken dag, hoog op een wagen gezeten, die door hoorigen getrokken werd, een rondgang door de streek en gaf bevelen en verwelkomde bekenden en deelde zegeningen of vermaningen uit, troostte zieken en verminkten, die zich dicht nabij de wagen drongen, smeekend om spoedig toegelaten te worden. Onderwijl nam hij kennis van de geschenken, die men had medegebracht en noemde de dagen, waarop Harimona voor de schenkers te zien en te spreken zou zijn, degenen die de grootste offers en geschenken met zich voerden, den voorrang gevend boven de armen maar sluwlijk, opdat geen ontevredenheid zou ontstaan, enkele zéér armen, doende voorgaan aan prinsen en hertogen, die niet minder dan drie schepel barnsteen brachten. Zoo kwam de prins van Abalus, die twaalf stukken barnsteen ter groote van een mansvuist bracht, eerst na een aan moeraskoorts lijdende Kaninefaat, die niets dan een kleine koehuid had te schenken. En om vooral tot geven aan te moedigen en te toonen, hoe weinig ’t geen men schonk beteekende tegenover ’t geen reeds verzameld was in den haagschuren, verleende hij verlof tot het bezichtigen van de schatten van Harimona. En van den vroegen morgen tot zonsondergang schoof een breede rij van zich opdringende mannen en vrouwen langs de houten schutten, waarachter op kleurige doeken de schatten van den haag van Renigo lagen uitgestald; gouden vaatwerk, kannen, schotels, drinkbekers, zilveren platen, gouden en zilveren kleinoodiën als armringen, polsbanden, borsttooisels van gouddraad, gouden en zilveren oorringen, hoofd- en voorhoofdspangen, gewijde zwaarden van brons, bronzen en ijzeren helmen, lansen, speren, bogen van zeldzaam hout, pijlen met punten van gepolijst agaat, kettingen van gouden, zilveren en bronzen schakels, schalen vol barnsteen. Er waren gouden kooien met vreemdkleurige vogels, geschenken van zeelieden, vellen van leeuwen en panters, gewaden van purper laken, van gevlochten kameelhaar, van roomblanke lamswol en ook reeds kleine bakjes met gouden en zilveren munten, die uit „het vreemde land” stamden. En in een tweede schuur zag men de zegeteekenen van Harimona. Daar hingen in grooten getale krukken van lieden, die door de priesteres waren genezen van lamheid en van voeteuvels en plankjes van lindenhout met ingekerfde runen en de weinigen, die deze lezen konden, stonden daarbij en lazen tegen loon met luider stemme de beteekenis. „Dank van Awjones, genezen van de koorts.” „Dank van Thietmar, bevrijd van den kwaden geest.” „Dank van Baduwini, dochter van den Fries Tsjick, opgewekt uit den doode.” „Dank van den stam der Nerviërs, door Harimona ten zegen gevoerd.” „Dank aan Harimona, voor den rijken oogst in Lekelau.”
Het luide roepen van de runen-lezers klonk tot buiten de schuur, waar de zieken en gebrekkigen lagen, luisterend naar de hoopgevende klanken en—o wonderkracht der heilige maagd Harimona, geboren uit den heiligen geest,—het gebeurde al dat enkele, bezeten van een demon of lijdend aan een verstijfd been of een ongeneeselijke wond, plotseling opsprongen, juichend riepen, dat zij genezen waren door de nabijheid der priesteres alleen en men zag menschen, die zooeven nog strompelden, hun kruk wegwerpen en wegrennen dwars over den weg heen naar hun hut of anderen, die zooeven nog een etterende wond op den arm of de heup of den schouder getoond hadden, nu genezen, met niet anders dan een roode moet op de plaats, waar zooeven de wonde nog was en rondom hen drong zich de menigte om te zien en te bewonderen; men wierp geschenken toe aan den geheelde, sandalen, gespen, riemen, hoofddoeken, ja er waren er, die hun nieuw hemelsblauw statie-overkleed ruilden voor een stukje van het grauwe, vervuilde overkleed van den geheelde of zelfs voor een stukje van de beëtterde wondlap, om een toonbaar bewijs te hebben van ’t wonder, dat onder hun oogen geschied was.
Men begon, toen dit alles bekend werd, in ’t geheele reusachtige kamp met ongeduldig verlangen te zien naar de heilige haag, waar de groote priesteres woonde. Lange poozen achtereen stonden groepen te kijken naar het wuiven van het loover der hooge eiken, die de haag afsloten. Moedigen slopen ’s nachts tot heel dichtbij, legden hun oor op den grond om beter te kunnen hooren en dan vernamen zij vreemde geluiden als van heel vèr koorgezang of ook wel kreten of het sjirpen van een zwaard, dat gewet werd. Enkelen, die getracht hadden eikels te rapen van de heilige boomen, waren betrapt door de wachters of door de groote waakhonden, die zich woedend op hen wierpen en hun levend verscheurd zouden hebben, als de wachters ze niet hadden bevrijd. Dan kregen ze met het plat van de korte zwaarden slagen op den rug en op de handpalmen en zij bleven dagen lang verscholen in hun wagen of hun hut, zich schamend herkend te worden als betrapte dieven. Gelukte het echter een eikel te stelen, dan werd die als amulet gedragen of sommigen sneden ze in kleine stukjes, die ze ruilden door brood en vleesch en bier en de koopers aten de stukjes op, omdat ze voorbehoedmiddelen tegen de kwade geesten en ziekten waren. Harimona, in haar groote hut, versierd met loover, bloemen en vruchten, lag vermoeid en apathisch op haar leger van eiderdons. Haar priesteressen brachten haar bericht van den grooten toeloop buiten, zoo groot als nog nooit te voren en verhaalden van de vele bruidegoms, van de rijke geschenken, van de wonderdadige genezingen. En Maresag, na zijn dagelijksche rondgang, kwam bij haar, vertelde van de nieuwe geschenken en offers, roemde de rijke en voorname bruidegoms en vroeg dan angstig of zij zich al door den geest bezield voelde.
Maar zij schudde moe het hoofd, en zei droevig, dat de heilige geest uitbleef. Dan keef Maresag ongeduldig, bezwoer haar, dat zij een begin zou maken, wees haar op het rijzen van de nieuwe maan, die bloedrood en zwaar aan den hemel stond en die de laatste maan van dit jaar zou zijn. Vóór de winter aanbrak, moest het feest gevierd worden.
Zij bleef lusteloos en treurig. Hij stak een vuur van twijgjes aan en brandde er kruiden en poeiers op, die de extase bevorderen. Doch zij hoestte, stiet een luik open, kreet dat de visioenen niet wilden komen.
Als hij dan alleen met haar was, begon hij haar verwijten te doen, schold haar uit, spuwde haar in ’t gelaat, noemde haar een hure, een iverskind, stompte haar, trapte haar, dreigde haar met een zwaard, dat hij voor haar oogen aanzette, te onthoofden.
Zij bleef hem lusteloos aanzien, verzette zich niet en hij trad dan naar buiten, opeens weder kalm, met waardigen tred en ’t hoofd met den langen, grijzenden baard opgeheven, deelde hij de op een afstand bij de offersteenen wachtende druïdessen mede, dat de heilige geest gekomen was, maar door booze geesten was verdreven, doch morgennacht weer zou keeren. En als hij waardig en statig zijn donkere hut intrad, begonnen de druïdessen de zachte wijzen in koor te zingen, die den heiligen geest moesten bekoren en verleiden om in de haag te blijven toeven.
Zij dan, Harimona, zat eenzaam op haar leger en luisterde droevig naar dien zang en wierp zich plotseling neder en begon te weenen, snikte, kreet, trilde, griste met gekromde vingers door haar volle haren en na dien aanval van woede, viel ze weer moede neder en starend door het open luik naar de maan, die uit wazen van rossig parelmoeren wolkjes oprees, zuchtte ze: O, dat du min god waret.... Alles, alles is leugen!....
HOOFDSTUK VII.
Koning Goës vond ten laatste een middel om zijn eiland onneembaar te maken, zonder dat hij zijn vadsige onderdanen tot een verdediging met het zwaard in de hand behoefde te dwingen.
Hij liet een grooten dijk rondom het eiland aan de zeezijde opwerpen en deed daarin een sluis aanbrengen. Daardoor was hij in staat het geheele eiland, behalve de bergloh en de woningen op de terpen en op de palen, onder water te zetten, zoodat een vijand zeker verdrinken zou, wanneer hij een inval op ’t eiland had gedaan en de zeesluis werd opengezet. Hij hief nu opnieuw schatting en toen de zeevaarders, de riviervlotters en de Velagers weder met een inval dreigden, liet hij een horde krijgsknechten rustig naderen. Zoodra ze op ’t eiland waren en ze al, juichend om den geringen wederstand en hopend op de rijke buit, naar de bergloh wilden trekken, waar de geheele bevolking en de levende have was heengevlucht, deed hij de sluisdeur opentrekken, de golven bruischten binnen en binnen het kwartier stond geheel Bedekoog blank. De Velagers, die met hun kleine, armzalige schuiten in de buurt lagen en de overstrooming zagen, meenden dat een ramp geschied was en juichten over het ongeluk hunner rijke buren en weldoeners. Maar toen het eb werd en het zeewater liep weder weg van ’t eiland, in het dunne laagje slib de lijken van de verdronken krijgsknechten achterlatend, waar de krabben al met tastende schaartjes overheen kropen, werden ze angstig en waren doodsbevreesd voor de wraak van koning Goës. De zeevaarders en de houtvlotters waren verbaasd en vernederd tegelijkertijd, zonden gijzelaars, betreurden hun opzet, deden van hun oprechte bewondering voor den Koning blijken en daar zij beloofden voortaan de schatting te betalen, werd spoedig de vrede gesloten.
Thans stapelden zich fabelachtige rijkdommen op het eiland op. Uit vrees, dat de begeerte opgewekt zou worden van machtige vorsten, werden de rijkdommen deels op de bergloh verborgen, deels aan de burgers gelijkelijk verdeeld en het bezoeken van ’t eiland werd aan vreemdelingen verboden. Alleen de zeevaarders en de houtvlotters hadden verlof zich op een aangewezen gedeelte van ’t eiland op te houden. De Velagers werden tot dienstbaarheid verplicht en deze lieden gewenden zich er langzamerhand geheel aan, te leven van ’t geen ze op Bedekoog verdienden, stalen, kregen of bedelden.
Na koning Goës, die op hoogen leeftijd stierf, regeerde de wijze, maar uiterst gierige Koning Tsierk en diens zoon en opvolger, Gise was het, die bekend is geworden als de groote Zeeuw.
Hij begon met het verbod der toelating van vreemdelingen af te schaffen en schepte er integendeel een groot vermaak in, vreemdelingen zijn schatten te toonen en ze gastvrij te onthalen. Ook gebood hij den burgers hetzelfde te doen en weldra werd Bedekoog heinde en verre bekend als een gelukkig en welvarend rijk, waar ieder gastvrij en in vrede werd ontvangen. Wanneer dan de vreemdelingen kwamen, noodigde Koning Gise ze aan zijn tafel, waar zij bediend werden van gouden schalen, die zij na den maaltijd mochten medenemen. Hij deed keur van spijzen op tafel brengen en in zoo groote hoeveelheid, dat het scheen of elke gast honger had voor tien. Ook werd nevens elken gast een geheele twintig maatszak wijn van ’t vreemde land gezet en driederlei soort bier in drie kruiken, zoo groot als een vijfjarig kind, zuur geel bier, bitter zwart bier en zoet, geelgoud, koningsbier. De koning zelf gaf het voorbeeld en schrokte zoo, dat de gasten vreesden dat hij zou stikken. Maar het was slechts om de gasten aan te moedigen. Om de vroolijkheid van het gastmaal te verhoogen, had hij zijn drie opperkoks gekozen uit den stand der Bedekoogsche geleerden. Het waren ernstige koks, die in gebonden spraak hun sproken zeiden. De koning was de beste kenner en wanneer een opperkok-dichter dan zijn sproke zei, sloeg de koning met een gouden kroes op zijn bord, de rhythmen scandeerend en wanneer een stafrijm werd gesproken, legde hij den sproke-spreker door een mes met de punt in de tafel te steken, het zwijgen op en hij maakte dan de gasten opmerkzaam op de verheven schoonheid van de sproke en het welgelukte stafrijm. De beste sprokespreker was Hall, die ook in ’t toebereiden van zeevisch zijn wedergade niet had. De tweede sprokespreker was Hamm, die behalve in de verskunst, uitmuntte in het bakken van eierkoeken. De derde sprokespreker was Hann, die belast was met het toebereiden van de sausen en het rhythmisch noemen van den prijs van elk gerecht, dat den gasten werd toegediend.
De gasten, gewoonlijk na de derde ronde reeds beschonken, lachten luid en hartelijk om de sprokesprekers en koning Gise, zeer daarmede ingenomen, begon dan op zijn beurt de verdienste van zijn sproke-sprekers te roemen. Hoe zwaar Hall was en hoeveel eierkoeken Hamm reeds in zijn leven had gebakken en dat, wanneer men alle sauzen die Hann al had toebereid bij elkaar in één kom wierp, die kom zoo diep zou moeten zijn, dat een os er rechtop in zou kunnen staan en zoo wijd als den omvang van vier koningsbuiken. Als de gasten niet meer eten konden, begon de koning ze te tarten, loofde gouden bekers uit voor de gasten, die nog een hoentje, een duif, een speenvarkentje zouden verorberen. Hij gaf ook prijzen aan de gasten, die den diksten buikomvang hadden en was heerlijk-jolig wanneer dan bleek, dat de koning den diksten buik van allen had.
Na het toonen der schatten werden de gasten naar Veloog geleid en de Koning had dan groot genot, wanneer de gasten zich verwonderden over de armoede en de buikloozigheid der Velagers, die zich trachtten te wreken door geestige spot-verzen en schimpscheuten, waarbij de koning en zijn drie opperkoks de gasten wezen op het gebrek aan stafrijmen en de fouten in den rhythmus van de armeluispoëzie.
Op Veloog regeerde in deze tijden de Koning Mise, bekend wegens zijn rijkdom aan woorden en armoede aan stof. Hij verging van naijver op den Koning Gise en trachtte ondanks alles, diens roem te overschaduwen. Hij noodigde van heinde en verre vreemdelingen uit naar Veloog en gaf dan ook gastmalen. Doch het servies was van gebakken klei en de spijzen waren sober en mager, terwijl als drank slechts witbier werd toegediend en dan nog slechts in leege eierdoppen en mosselschelpen, zoodat men nooit meer dan één teug tegelijk kon nemen. Hij had eveneens drie hofdichters, armzalige, magere, uitgehongerde kerels, vernuftige, geestige schoeljes, die met elkaar wedijverden in ’t vinden van grollen en onuitputtelijk in ’t bespotten van den dikken Gise, die als men hem hun spotdichten overbracht, verachtelijk de schouders ophaalde, zeggend dat de rhythmus alles te wenschen overliet, en het stafrijm ontbrak.
Koning Mise voerde zijn gasten na den karigen maaltijd naar een zaal, die met schelpen was versierd en daar liet hij de mooiste Veloogsche deerntjes naakt dansen, terwijl zijn drie hofdichters grollen maakten op de dansende meiskens en hare lichamelijke bekoorlijkheden. Tot slot noodigde de Koning zijn gasten uit tot een wedstrijd in het persifleeren en wie de grappigste grollen op den Koning zelf, zijn gastmaal, zijn hofdichters en zijn danseressen ten beste gaf, werd voor dien avond en nacht tot Koning van Veloog benoemd en mocht allen bevelen, tot den Koning zelf. Dit nu had tengevolge, dat de vreemdelingen niet wisten waar zij zich het best vermaakt hadden, bij den dikken of bij den mageren Koning, en algemeen luidde het oordeel, dat wie slechts van één van beiden de gast was geweest, een onvolmaakt genot had gesmaakt. Koning Mise was met dezen triomf tevreden, maar Koning Gise beschouwde dit als een nederlaag en hij poogde, door steeds meer overdadige gastmalen en door steeds strenger gerhythmeerde sproken tenslotte de overwinning te behalen.
Nu brachten de vreemdelingen naar beide eilanden het bericht van de wonderdaden van de groote priesteres Harimona en de voorwaarden, waarop men haar als bruid zou kunnen krijgen. Koning Gise en Koning Mise, beiden ongehuwd, besloten naar de hand van Harimona te gaan dingen. Maar er was nog een andere reden, waarom zij de priesteres wilden spreken. Er was een zeegeest in de buurt gekomen, die volgens Gise een slechten smaak en volgens Mise een goeden smaak had. Hij werkte namelijk den bodem voor de fioord van Bedekoog omhoog, waardoor deze dreigde te verzanden, zoodat vaak reeds schepen, die zwaarbeladen waren en daardoor grooten diepgang hadden, niet binnen konden vallen. Daarentegen diepte de zeegeest de haven van Veloog uit, zoodat daar reeds enkele lichtbeladen schepen ongehinderd waren binnengeloopen, wat bij menschenheugenis te voren nooit geschied was. De Bedekauwers vreesden voor ’t verloopen van hun zeehandel en de Velagers juichten over de toeneming van het verkeer. Koning Gise nu zou de priesteres gaan vragen, den zeegeest te bezweren, dat hij de fioord van Bedekoog weder op de noodige diepte bracht en Koning Mise zou smeeken, dat Harimona den zeegeest bezwoer, voort te gaan met de uitdieping van de haven van Veloog.
Over en weer werden groote toebereidselen voor de reis naar de heilige haag van Renigo gemaakt en de sprokesprekers der beide eilanden, die de lijfwachten van hun Koningen zouden vormen, bestookten elkaar met sproken en grollen.
Koning Gise, die gehoord had, dat de opperpriester Maresag gevoelig was voor geschenken en offers, besloot groote schatten mede te nemen en met veel statie op te treden. Vijftig wagens liet hij bouwen, versierd met kunstig snijwerk, hoog op sierlijke, slanke wielen. In de grootste en schoonste wagen zat hijzelf op een troon van purper met een gouden kroon op ’t hoofd en een gouden schepter in de hand. Achter zijn zetel stonden, ook in kostbare hemelsblauwe gewaden Hall, Hamm en Hann, met in de rechterhand gouden spatels, braadspitten en sauskwirrels en in de linkerhand rotten met gouden snaren. De wagen werd getrokken door twaalf edele rossen van ’t Paarden-eiland, met purperen dekkleeden en gouden hoefijzers en in de wagen lagen heerlijke eetwaren als ronde, purper geverfde kazen, gerookte hammen, dikke worsten, korven vol honing en de beroemde gebrande molleboontjes van ’t eiland Fabarix (Burcanx, Borkum.) [7]
De andere wagens waren eveneens gevuld met de heerlijkste eetwaren, geborgen in zilveren en gouden vaatwerk, overzeesche wijnen, dubbelgebrouwde bieren en honingkoeken. In een groote, gouden kooi werd op een statie-wagen de wereldberoemde sprekende vogel Lorre medegevoerd, die als bruidsgeschenk bestemd was.
Hoe armzalig en ellendig zag tegenover dezen vorstelijken stoet het karretje van Koning Mise er uit. Het was een lage schelpenkar op twee massieve wielen zonder spaken waarvoor, daar de Velagers geen paarden mochten bezitten, een mager ezeltje was gespannen. Koning Mise zelf zat op de bok, zijn magere, naakte voet tegen den stuurboom en zijn drie hofdichters in grauwe lompenplunje, zaten achter in de hobbelige kar. Leeftocht namen zij niet mede, want het was juist een slechten tijd tegen den winter en eieren en visch bedierven te spoedig. Koning Mise had besloten, dat hij achter den stoet van Koning Gise zou rijden niet uit nederigheid, maar in de welberekende overtuiging, dat er dan genoeg leeftocht zou afvallen.