Part 32
En hij reed vooraan op den toestormenden dichten drom der hoorigen aan, die ditmaal dicht bijeen aanstormden, in hun schilden het hihàhihà van den barditus doende weerschallen.
Ditmaal reed Solbert achter den eersten drom, van verre gevolgd door een tweeden drom.
Sogol, zijn doorzicht erkennend, hield ook in en liet zijn ruiters voorbij rennen, achter hen de leiding nemend.
De vrouwen hadden zijn bevel niet gevolgd. Haar breede rij stond onbewogen, wachtend op het treffen der mannen.
Het schampen van de zwaarden en het gegil en gekrijsch kondde Sogol, dat de eerste drommen op elkaar gestooten waren.
Beiden bleven thans, vechtend tot op het uiterste, dicht bijeen, geen voet wijkend, de stervenden nog trachtend door zwakken stoot of houw den vijand te treffen. Er waren hoorigen, die in waanzinwoede gerakend, met schuim op den mond en bloedbeloopen oogen opsprongen tegen de paarden en zich met de tanden vastklemden in ’t vleesch van den hals. Er waren ruiters, die van de paarden afgedrongen, te voet zich bleven weren, houwend rond zich heen een open plaats en zelf bloedend uit vele wonden, verwoed doorhouwden, tot ze opeens stijf achterover vielen.
Toen gaf Solbert een teeken aan zijn horenstekers en opeens wierpen wel honderd hoorigen de zwaarden weg, staken twee vingers van elke hand in den mond en begonnen schril en met korte stooten te fluiten.
De paarden, verschrikt, steigerden, hoorden niet naar het toom, keerden zich op de achterpooten draaiend om en snelden door elkaar weg.
Sogol wilde ze terug drijven. Maar opnieuw schrilde het snerpende, snijdende krijschgefluit en ook zijn paard werd schichtig, keerde zich om en hoewel hij ’t den bek samenkneep met het bit, nam het in doodsangst het bit tusschen de tanden en snelde weg...
„Verloren! Verloren! Verloren!” huilde Sogol, zijn hoofd naar den grond om niet zijn ondergang te zien. Maar opeens hoorde hij juichend geroep, hooge stemmen van vrouwen...
Hij keek op...
De bende der vrouwen en maagden kwam aangerend en voorop reed Harimona, in een lang, wit gewaad, dat ver naar achteren over haar slank, zwart paard heen hing. Zij hield een klein, glinsterend zwaard stijf en schuin-recht voor zich uit
„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.
Heur witte haren zwierden haar, wijd golvend in den wind, na. Heur roode oogen glinsterden als ros vuur in windtocht.
„Were Wotan... Were Wotan!” gilde zij.
Zij scheen Sogol niet te zien, reed hem voorbij en de vrouwen en maagden reden hem bijna omver. Doch zijn paard, nu schrikkend van de hooge gillende stemmen der vrouwen keerde zich om en rende weer op de vijanden in, Harimona achterna.
De paarden der vluchtende ridders waren kalmer geworden. Want de fluiters bij de hoorigen raakten vermoeid en de natgeworden vingers en beblaarde lippen maakten het fluiten steeds moeielijker.
Nu zagen zij de vrouw, blank op haar donker ros....
Zij reed alleen alle anderen vooruit, midden op de benden van de hoorigen aan.
Solbert kreeg haar in ’t oog.
Hij hield zijn paard in.
„De heilige vrouwe!” kreet hij, zonder zich rekenschap te geven van zijn roep.
„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.
De hoorigen hadden den roep van hun aanvoerder gehoord.
„De heilige vrouwe!” riepen er eenigen, die haar faam kenden van verhalen... Een paar mannen keerden zich om, verschrikt door de gestalte.
Maar Solbert, zich herstellend, rende op haar toe, het zwaard opgeheven... De man en de vrouw stietten op elkaar in.
Doch Solberts paard, vlak voor zich ziende het wapperen van haar wit los gewaad, steigerde, draaide zich schichtig om.
Solbert rukte aan ’t bit. Maar opeens zag hij Harimona in de oogen. Het was hem of een stralend vuur daaruit op hem toe schoot... Hij sidderde door al zijn leden, liet zijn zwaard uit de handen vallen... hief de handen op.
Nogmaals sprong het paard op... Solbert viel van ’t paard en op den grond knielde hij:
„Genade, heilige vrouwe?” smeekte hij.
Zij liet het bebloede zwaard zinken...
„Genade di en dijn mannen!” antwoordde zij.
Zijn mannen, ziende hoe hun aanvoerder talmde voor de heilige maagd en neerviel, waren ontzet. Eén riep er: „De heilige vrouwe is onkwetsbaar!”
Een ander: „Zij roept Wotan aan...” En meteen wierpen zij de wapens weg en renden terug naar de kampen.
De vrouwen en maagden waren Harimona genaderd en wilden voortstormen, de vluchtende hoorigen achterna. Maar Harimona hief haar zwaard op en beval: „Sta!”
Toen de vrouwen weer stil stonden, riep zij:
„Vrouwen en maagden, stijgt af en help de gewonden... die van de edelen en van de hoorigen. De strijd is geëindigd. Solbert vraagt genade.”
Sogol was terzijde te paard blijven zitten.
Hij zag hoe Harimona afsteeg, op Solbert toeliep en hem opheffend, naar hem toeleidde.
„Koning Sogol, uw hertog vraagt genade!” zeide Harimona.
„Heer, ik vraag genade!” zeide Solbert... „Zie, mijn mannen vluchten en ik ben machteloos...”
Nu eerst zag Harimona, dat Solbert bloedde uit een wonde in de zijde...
Sogol steeg af en steunde zijn tegenstander van zooeven.
„Koning” zeide Solbert, „mijn rijk is uit... wees goed voor haar... weet, dat ik haar beminde... maar zij heeft mij verworpen, ofschoon ik haar alles aanbood, voor di, hoewel du haar alles had ontnomen... Vaarwel, heilige vrouw... Trouw is het hoogste!...”
Hij sloot de oogen en zijn gelaat werd lichtgeel.
„De lever is doorboord!” zeide Sogol, de wond beschouwend.
Zij tilden den dooden Solbert op en droegen hem langzaam naar terzij.
„Hertog, zorg voor zijn eer!” beval Sogol een der edelen.
Samen liepen daarna beiden een poos zwijgend naast elkaar naar Beldun toe.
„Hoe kwaamt di hier, heilige vrouwe?” vroeg Sogol.
„De oppergod leidde mi!” antwoordde Harimona.
Hij keek haar donker met vragenden blik aan.
„Is dijne lever ook nog krank?” vroeg Harimona.
„Nog altijd....” zeide hij somber.
„Hoe kwaamt di hierheen?”.... vroeg hij weer.
„Ik voelde, dat du in nood waart. Toen heb ik een wit kleed aangegord en een paard bestegen en een zwaard in de hand genomen om di te redden....”
„Wie meldde di mijn gevaar?”
„De oppergod in mij, Sogol....”
„De lever?” vroeg hij.
„Neen.... het hart!”....
Hij zag haar aan en uit haar oogen straalde hetzelfde licht, dat Solbert verward had en verdeemoedigd.
„Vergeef mi!”.... zeide Sogol, voor ’t eerst zwak en deemoedig.
„Ik heb di niets te vergeven... want ik heb di altoos blijven beminnen....”
„Ook toen ik di verjoeg....”
„Toen het meest.... want weet koning, de lever begrijpt het hart niet, maar het hart begrijpt de lever wèl.... In de lever woont de twijfel, maar in het hart de liefde... En dat koning is de levensboom, die duizendmaal vernietigd, duizendmaal weer wortels schiet.... want hij is een deel van God zelf....”
Berlijn 1905.
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.
[2] Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia [Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Het religieuze instinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot heden onverzwakt gebleven.
[3] De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.
[4] Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden. Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met den winter.
[5] Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling. Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren zeker leefden?
[6] Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten unde singen, des vlizzen sie sich sêre” in Kudrun, vers 51.
[7] Vd. D. Detlefsen, Die Entdeckung des germanischen Nordens im Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.
[8] Drie maagden in een gouden huis, Die zijn van alle markten thuis, De eene, die spint zijde, De andere vormt uit krijde (krijt, leem) De derde snijdt het haverstrôo Behoede Wod ons kind’jes lôo. (land.)
[9] Naar een perkament uit 1300. n. Chr., dus bijna 15 eeuwen later, dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna juist hetzelfde:
Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken; zieken niet aanraken!... Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en priesters.
[10] Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl. Quellen and Forschungen zur alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft II Berlijn 1904.
[11] Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.
[12] Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).
[13] Nachtreizen. De oude Germanen rekenden bij nachten, dus dagreis kon hier niet gebruikt worden.
[14] De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch” geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania” van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht. Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche verdorvenheid is wel merkwaardig. Dertien eeuwen Christendom trouwens vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort, schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande... kortom tegen alle zonden van de twaalf caesars bij elkaar!
Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen, opvoedingsgestichten, kostscholen.
Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op geslachtelijk gebied abnormaal.
De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch” hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.
Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman „Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!
[15] Er is geen reden om de waterproef voor onbekend bij de oude Germanen te houden, hoewel de berichten omtrent haar toepassing niet verder dan de middeleeuwen gaan. Het geloof aan heksen is veel ouder dan de middeleeuwen, waarschijnlijk door de Germanen uit hun vermoedelijk oer-land, Indië, medegebracht.
[16] De saks was gewoonlijk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord zeis schijnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mij gedacht als een soort speerbijl, in saks een stam ak of hak zoekend en deze weder verbindend met haaks of hoeks.
[17] De meening, dat de oude Germanen geen haardvuur kenden, deelt de schrijver, zooals de lezer reeds herhaaldelijk heeft kunnen merken, niet.
[18] Wind, geur, zonnestraal—wij weten nú dat zij aan de stof gebonden zijn. Sogol kon dit niet weten.
[19] Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v. Chr. bezielden en aan een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen van hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend. Het Christendom, dat veel heeft van een Boeddhisme naar Joodschen karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is juist door de Germanen het best begrepen.
Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.
Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.
In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken, waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa, de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.
Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.
Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte, zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën tusschen den mensch en zijn werken.
Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen, waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht, fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit. Sogols gebrekkige kennis heb ik laten doorschemeren.
[20] Atjehsche vrouwen, vertelde mij een geloofwaardig kolonist, wreekten zich soms op dergelijke wijze, wanneer Nederlandsche soldaten krijgsgevangen waren gemaakt.
[21] Sommigen meenen, dat de Scandiërs tegen 100 v. Chr onder Odin uit Azië zijn gekomen. Anderen noemen als datum 250 n. Chr. Is de onderstelling te gewaagd, dat de Scandiërs een Aziatisch kustvolk waren? Eenige hunner schepen werden tot Scandia gedreven, daar landden de lieden na lange zwerftocht, vestigden er zich en huwden met vrouwen van andere volksstammen. Hun oorspronkelijke beschaving ging grootendeels verloren, maar zij behielden herinnering zoowel van den cultus als van de ligging van het land hunner afkomst, ten minste van het bestaan daarvan. Men heeft te weinig aandacht geschonken aan het feit, dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo goed den Aziaten op den zoek naar ’t avondland heeft gedreven als het, vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen, Nederlanders) op den zoek naar ’t morgenland drong. Ulysses, Columbus, Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wij de andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeft getoond hoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De vele moderne Mars-romans zijn weinig anders dan de vooruitloopende fantasie—de voelhoorns van ons instinct—en de wetenschap zal ze eens ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden omtrent onontdekte zeeën en landen, hun „Mars-romans”, ontnuchterd heeft, maar niet geheel tot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.
En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het Ulysses-Columbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot b.v. Japan door te dringen, dáár gevangen waren genomen, tot dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd hadden met de eilandbevolking?
Na eenige eeuwen zou dan op zoo’n eiland een bevolking leven, wier raadselachtige afkomst den etnologen veel te denken zou geven.
Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen.... en men bedenke, dat Othon waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit de Veer een kenner van ’t Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters beoefend werd.
Wij zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs in de meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren, wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.
[22] Frija, (Frea, Frî, Fríg, Frie, Frée, Frecke, Fricke, Frigg, Friecke) heeft 24 dochters, die in honden zijn veranderd.
[23] Erce van erco, Aarde. Attilas gemalin heet Erka. Gevonden, gebedelde of gestolen zaden gelden bij den akkerzegen voor bijzonder heilzaam.
[24] Een broodoffer voor ’t begin van ’t ploegen werd in geheel Germanje gebracht.
[25] Een deel van het broodoffer, werd aan de bij den veldarbeid werkzame mannen en vrouwen gegeven, opdat zij op deze wijze de wonderbare geneeskracht van ’t offer zouden deelachtig worden.
[26] Het komt mij voor, dat ook de oud-Germaansche kunstenaars standaard-verhalen hadden van onbekenden ouderdom, die elk dichter naar zijn eigen opvatting weergaf, juist zooals thans nog. Historische of plaatselijke nauwkeurigheid bond hun evenmin als b.v. de Nederlandsche schilders, die de geboorte te Bethlehem voorstelden, zelfs in een tentje op ’t ijs. Vandaar het moeielijke werk van het nasporen van den historischen achtergrond der sagen, die velen zeer vernuftig in de Germaansche hemel-fantaisie zoeken. Bij mijn voorstudiën voor deze reconstructie heb ik zeer een vergelijkend overzicht der oud-Indische en oud-Germaansche sagen gemist. Een uitvoerig werk, dat de sagen der menschheid omvatte, zou de vergelijkende sagen-studie zeer te stade komen.
[27] Knods met geprikkelden knop.