Part 14
Het zou een langen en strengen winter worden, want de eereprijs had hoog gebloeid en de igelriede was dicht met gewas bezet geweest, twee vaste teekenen voor Sigbert. Reri had zijn wapenberusting behouden en van Harimona drie groote gouden munten gekregen, belooning voor zijn trouwe diensten en voor de redding van het valsche offer. Reri was er trotsch op, den Nervischen prins nog levend uit den stroom te hebben getrokken. Want ware hij verdronken en zou de stroomgod het valsche offer ontvangen hebben, dan zou de Rîn zeker buiten zijn oevers zijn getreden en overal vloeden hebben veroorzaakt. Nu echter zou de watergeest, met de drie maagdjes, die men hem later had geofferd, in ’t voorjaar genadig zijn en geen onheilen aanrichten.
Tjeerd had twee overkleeden voor zichzelf en Sigbert een stuk purperlaken en een stuk overzeesch lijnwaad waarin afbeeldingen van zeemonsters waren geweven, voor Maaike, zijn vrouw, medegebracht. Maar het beste wat hij van de lange, groote reis mede had genomen was toch wel de voorspelling van de groote priesteres, dat het komende jaar voorspoedig zou zijn, een rijken oogst zou opleveren en zeker weder de Batouw tot welvaart zou komen.
Ondanks hun vermoeidheid en de ziekte van den jongsten broer, waren ze dan ook gelukkig, toen ze eindelijk den lietweg afkomend, de Batouw zagen, bedekt onder een sneeuwwa en de boomen al bladerloos. Sigbert blikte over de verre velden, herkende de kleine boomgroepen, waarachter hij wist, dat de hutten lagen en denkend aan de goeden oogst, die te wachten stond en onder de witte sneeuw wetend de mulle, peerse aarde van zijn land, zei hij tot Sigbert:
„’t Is toch een mooi land, jong, ’t onze. Wij hebben veel gezien maar als du dat ziet, moet du toch toegeven, smukker land is ’t er niet.”
Hij stampte met zijn voeten, die in schaapsvachten gewikkeld waren, stevig op den bekenden grond, zijn grond en weer voortgaande.
„Geen vloeden, geen marschen, alles smukke grond voor graanland en voor runderen. Een smuk land is ’t jong, ’t onze... nou spreek eens op jong, du bent zoo stil...”
Reri, die voorop ging, de boomen van de draagbaar op zijn machtige schouders, stampte nu ook met den voet op den grond, in de vochtige jachtsneeuw.
„Ja vaêr, smuk is ’t zeker, maar daar aan den Rîn is ’t ook niet slecht. Als ’t niet om du en moeder ’weest was, ik had den dienst bij den priester aangenomen. Want ’t eten was best vaêr, zeg zelf of ’t eten niet best was?”
„Nou,” riep Tjeerd over de baar heen, waarin Herebaeld moede en koortsig lag, „zulke meêt brouwen ze nergens. Wat was dàt zuiver brouwsel.”
„En du keuningskind, ben di niet blide, dijn Batouw weer te zien. Zie ’ns rondom. Komend voorjaar is dat alles golvend als ’t groote meer van de aren. Dan is er weer meel voor moeder om flaaien van te bakken en honingkoeken en eiermeêl sal du drinken en weer sterk worden... Du moet niet zoo slap zijn jong. Moeder sal di wel plegen en nou weten wi ook ’t middel om altijd gezond te sin. Weten wi niet Tjeerd?”
Hij keek knipoogend Tjeerd aan, die van een vroede vrouw ’t middel gekocht had om honderd jaar te worden. Hij had haar zeven dagen moeten dienen en toen had zij hem ter belooning het wondervers geleerd dat luidde:
Vor methe saltu die huten, Nicht lange vasten, Kalt ezzen nutzen, Blut saltu lazen, Kaze saltu dicke hauen, Sennep saltu ezzen, Lange saltu slaffen, Koden bat saltu miden, Weinberen saltu trinken, Rure kranken nicht, Kol unde pippele saltu nicht ezzen. [9]
„Ik zeg niks vaêr. Maar ik wou, dat ik al bij moeder aan de pappot zat.”
„Het wondert mi, dat wi nog geen buren zien!” zeide Herebaeld.
De drie anderen, zoolang nu al gewoon langs verre, eenzame wegen te loopen, voelden de waarheid van de opmerking van den zieke.
„’t Is al stevig koud buîten!” meende Sigbert.
„Nee,” zei Tjeerd, „daar zit wat anders achter, vaêr.”
„Wat zou ’t zijn?” vroeg Sigbert ongerust.
„Wi sin zoo lang weg ëweest, vaêr. En ’t sin harde tiden... de Dantubaren hadden al honger toen wi wegtrokken. En veel is er nit bi gekommen...”
Uit de kille, dijzige lucht begon het fijntjes te sneeuwen. Sigbert voelde zijn opgeruimde stemming neerslaan. Hij klemde de knoestige vuist vaster om den stok waarop hij steunde, alsof hij de greep van een wapen omvatte, waarmede hij zijn land verdedigde tegen vijanden.
Zij liepen haastig door met vaste, breede schreden, Sigbert voorop, de twee broers vóór en achter de handbaar in gelijken stap wat schuin terzijde van den weg, die alleen door de boomenrijen aangegeven, voor hen uit zoo wit was als de velden rondom. Na een lange poos zoo voort te zijn getrokken in de doodelijke stilte van ’t besneeuwde land, waar zelfs ’t geluid van hun voetstap werd gedoofd, Sigbert steeds vooruitstarend, om door de al dichter vallende sneeuwvlokken het huis te kunnen zien, riep Herebaeld uit de baar:
„Vaêr, daar is onraad.”
En hij wees met zijn vinger moe links van den weg, waar een vlucht kraaien verward opvlogen.
„Grendeldebliksem!” zeiden Tjeerd en Reri tegelijk, ook opziende naar de vogels, die blijkbaar opgeschrikt waren.
„Als ik maar kon zien!” zuchtte Sigbert, zijn hand nu boven zijn oogen en turend door de sneeuw naar de kim en na een poos:
„Jongens, ik geloof, dat ze daar aan ’t branden bennen. Mij dunkt, ik zie rook.”
De beide oudste zoons tuurden in de richting, waar hun vader heenkeek.
„Wie wonen daar?” vroeg Reri.
„Dat moet Hadubrand zijn..... Die heeft toch zulke popels bij zijn huis....”
„We moesten er heen tijgen.”
„Hoe wil di? We kunnen toch niet dwars over ’t land.. Du kunt door de sneeuw niet zien, waar de kuilen zijn.”
„’t Moet maar!” meende de vader. En hij stapte terzij ’t land in. Maar zijn stok tastend vooruitzettend, voelde hij dat deze diep in de sneeuw wegzonk.
„Daar heb di ’t al,” riep Tjeerd.
„Grendeldebliksem... de schrabouwen... zij hebben de graankuilen leeggestolen!”
Verslagen bleven ze staan om den stok, die diep in de sneeuw stak. Dadelijk hadden ze het onheil begrepen. De karige wintervoorraad, die in ’t land ingekuild werd tegen den winter, was door roovers leeggestolen. Wie de roovers waren wisten zij niet en ze dachten daar op ’t oogenblik niet aan. Zij dachten alleen aan de verschrikking van den komenden winter zonder graan.
„Eén kuil zegt alle kuilen niet,” meende Reri, ziende naar zijn vader, die de sneeuw met den stok wegduwend, de grootte van de graankuil mat.
„Wij moeten naar huis, zoo gauw wij maar kunnen,” zei Sigbert. „Tjeerd ren du vooruit, ik blijf met Reri bij de baar. Hier, neem den horen mee om te waarschuwen als er wat gebeurt.”
Hij gaf Tjeerd den horen, die aan zijn gordel hing en Tjeerd, hem aannemend, begon het dadelijk op een loopen te zetten, in den rustigen, gestagen draf van een, die wist dat hij lang zou hebben vol te houden.
Zij zagen hem voor zich uitloopen, vaal grijs tegen het blauwwitte der sneeuw en voortstappend, bleven zij hem naoogen, tot hij in de dichte vlokken verdween. Het voorgevoel van een ramp drukte hen zoo neer, dat zij geen van drieën spraken. Reri nu vooruit loopend, de einden der draagbaarboomen op zijn schouders, hield zijn kleinen kop op de lage dikke hals wat naar voren, de oogen op een kier geopend tegen de toewaaiende vlokken. Sigbert, de achtereinden van de baarboomen op zijn schouders, de knuisten om de einden gekneld, al moede geworden, deed zich geweld aan om de vlugge maat der passen van Reri te volgen. Herebaeld, onder het dek gekropen, lag bevend en klappertandend, met zijn fijn meisjesgezicht, vermagerd en spits, meeschokkend bij elken tred van de dragers.
Zij liepen, de twee mannen zonder bepaalde gedachten, vervuld van één verlangen, spoedig, heel spoedig thuis te kunnen zijn.
Sigbert bemerkte, dat Reri ook moede werd. Want dikwerf struikelde hij, en een paar keer had hij met de handen de draagboomen op zijn schouders wat verlegd. Maar nu liep hij geheel terzij en week van den weg af.
„Hebt di wat?” riep Sigbert.
„Vaêr, ik kan niet meer zien. Het zwabbert voor mijn oogen.... ik moet me vasthouden om niet te vallen.”
Hij omklemde een jongen beuk, die terzijde van den weg stond en wachtte zoo.
„Dat ’s niks jong. Dat ’s van de vlokken. Loop du achteraan en houd de oogen toe. Ik zal vooraanloopen.”
Zij verwisselden van plaats. Sigbert, nu vooraanloopend voelde zich uitgeput. Hij had achter Reri loopend, diens stappen machinaal gevolgd. Nu moest hij vooraan den pas aangeven. Zijn oogen had hij maar op een kier geopend om niet sneeuwduizelig te worden. Reri, na een kort poosje wat bekomen, merkte de vermoeidheid van zijn vader.
„Vaêr!” riep hij. „’k Moest Herebaeld op mijn rug nemen en de baar hier laten.”
Maar Sigbert, denkend aan de statie-gewaden en de geschenken, die in de baar lagen, gaf geen antwoord, stapte zich vermannend met vastere treden door.
Herebaeld scheen uit een slaap te ontwaken.
„Vaêr!” steunde hij.
„Wat is ’t jong?”
„Vaêr, hoordi niks?”
Sigbert stond stil en luisterde.
„Neen jong!”
„En du Reri, hoor di niks?”
„Wat zou ’k hooren in de sneeuw!”
„’t Was me of ’k een horen hoorde....”
Maar nog had hij niet uitgesproken of Sigbert en Reri hoorden nu ook het zwakke toeten van een verren horen.
„Dat ’s Tjeerd!” riep Reri.
„We moeten hem helpen.... daar is onraad vader.... Wij zetten Herebaeld hier neer bij dien boom. Wij komen terug zoodra ’t gaat.”
„Ik blijf bij mijn kind,” zei Sigbert vastbesloten.
„Tjeerd is dijn kind ook.”
„Ga du naar Tjeerd.... ik blijf hier.”
Reri gordde zijn zwaard wat hooger, opdat ’t hem niet bij ’t gaan zou hinderen en begon met krachtige stappen in de richting van waar het toeten geklonken had, te loopen. Na een wijle hoorde hij het toeteren weer, nu duidelijk de drie korte stooten, die een hulproep beduiden. Nu, zijn vermoeienis onderdrukkend, begon hij ’t op een loopen te zetten, kierend door de oogleden om niet weder duizelig te worden. Een derde maal klonk het hulpsignaal—nu heel dichtbij. Ter zij, midden in een hoop sneeuw zag hij door den dichten, stagen val der sneeuwvlokken wat bewegen en meteen hoorde hij nogmaals de drie horenstooten.
„Hier ben ik!” riep Reri, tastend met de handen vooruit naar den horenblazer toeloopend. Het was een jongen uit ’t dorp van Reri, die hem herkennend, nu op hem toesnelde.
„Gauw, gauw.... haast-di.... Tjeerd zond mij uit.... De Dantubaren zijn gekomen en hebben ’t graan geroofd en de hutten in brand gestoken.... Gauw, gauw.... Tjeerd vecht met de mannen van ’t dorp mee.... maar er zijn er zooveel, zooveel....”
„Voer me jongen, voer me!” zei Reri. Hij hield zijn hand op den schouder van den knaap, die hem tusschen twee lage heuvels door, waarbij zij tot de knieën in de sneeuw zonken naar de woning van Wate leidde, een van de rijkste Batouwers. Daar vond hij een achttal mannen met aaksten, saksen en frammen gewapend, gereed om uit te trekken. Zij begroetten Reri met een handdruk, vroegen naar Sigbert, vertelden van den inval der Dantubaren, die door honger gedreven, zich allen hadden vereenigd en in de Batouw waren gevallen om ’t graan te stelen en te plunderen. Zij waren als woedende dieren, sloegen allen die zich verzetten neer, mannen, vrouwen en kinderen, wilden de heele bevolking van de Batouw uitmoorden uit vrees voor werwraak.
De Dantubaren trokken nu in de richting van de woning van Sigbert, wetende dat hij en zijn drie zonen op een verre reis waren. Tjeerd was al op weg naar de woning om zijn moeder en zijn bruid te beschermen. Zij waren gereed om hem te gaan helpen.
Reri trok zijn kortzwaard, toonde het even aan de verbaasde Batouwers, want in de Batouw kende men zulke schoone wapenen niet en het groepje van acht mannen schreed door de sneeuw, die wat minder dicht begon te vallen, naar de woning van Sigbert. Daar krinkelde de rook al op van het strooien dak, maar een tiental Batouwers waren vechtend tegen een zwerm Dantubaren. Reri herkende Tjeerd dadelijk en zijn kortzwaard opstekend in de lucht, rende hij toe, gevolgd door zijn strijdmakkers. De Dantubaren, een groep van wellicht vijfhonderd, waren rondom ’t brandende huis bezig. Enkele droegen het huisraad naar buiten. Anderen waren aan ’t zoeken naar de graankuilen. Maar de meesten wierpen met korte speren en steenen naar de kleine troep Batouwers, die zooeven teruggeslagen, opnieuw zich voorbereidde op een stormloop. Nu zij Reri en de zijnen zagen komen, riepen zij hun Hoeiej!... Hoeiej!... en Reri, antwoordend, stortte zich met opgeheven kortzwaard op de Dantubaren. Deze, den reus met het vreemde wapen ziende, waren bevreesd geworden. Zoodra zij bemerkten, dat Reri, zich midden tusschen hen werpend, naar alle zijden hun vermagerde, uitgeputte strijdmakkers, alleen sterk door hun menigte neersloeg, weken zij en nu twaalf Batouwers, een kleinen saks vormend, in gesloten krijgsorde op hen losstormden, Tjeerd voorop, baan makend naar Reri, die alleen midden tusschen de ellendigen, tot met de schouders boven hen uitstekend, met rustige slagen koppen spleet, zoodat hij in een kring van bloedende lijken stond.
De Dantubaren begonnen te vluchten. Een viertal hunner, grooter en breeder dan de anderen, trachtten hem te weerhouden. Met hun frammen vooruit, stormden ze elk van een andere zijde op Reri aan. Maar voor zij hem bereikt hadden, was de saks van Tjeerd genaderd en de vier, nu in verwarring, werden door de Batouwers van Tjeerds wig neergeslagen.
De Dantubaren, die op een afstand nog waren blijven wachten, hopend dat het de vier gelukken zou, den Batouwschen reus te vellen, vluchtten nu in een drom, de hoofden voorover, de ruggen in deining en in regelmaat stampend op den dichten sneeuwgrond.
Een paar Batouwers waren de hut binnengesneld en droegen nu Maaike naar buiten. Zij was door den rook ademloos, maar in de frissche buitenlucht kwam ze bij, herkende haar twee zonen, vroeg naar Sigbert en naar Herebaeld.
Met sneeuw werd de brand in ’t rieten dak gebluscht. Vrouw Sigbert, hoorende dat heur man en heur kind aan den weg waren gebleven, riep een zestal maagden, die in doodsangst voor de Dantubaren, over de velden gevlucht waren en zich in een schuur hadden verstoken.
Zij liet ze een wagen uit een schuur halen, zond ze daarmede op weg naar Sigbert.
Ze vonden den uitgeputten man, half ingesneeuwd en bewusteloos bij de baar van Herebaeld, die een lijkbaar was geworden.
Herebaeld lag met het vermagerde, ovalen meisjesgezicht boven het dek rustig en stil. Zijn baret was terzijde geschoven en onder den rand uit, krulden de blonde lokken van het hoofd, dat ondanks de dubbele kruin en de voorspellingen, op deze wereld niet heerschen zou.
HOOFDSTUK III.
Toen Sogol ontwaakte lag hij in een groote hut, zacht op mollige pelzen en tegen de wanden zag hij schoone Oostersche weefsels. Door het venster woei een zoel windje en buiten hoorde hij het welbekende toeteren van Haun’s horen.
Hij voelde zich zwaar in ’t hoofd en zonder zich te verroeren, bleef hij nadenken om zich het doorleefde in zijn gedachten terug te brengen. Hij herinnerde zich het geroep van de menigte, het te water! te water! Hij herinnerde zich ook hoe hij de menigte overzien had, toen hij boven ze heen, weg werd gedragen naar den stroom toe... Méér herinnerde hij zich niet, maar half in droom doordenkend, kon hij wel zoowat opmaken, wat er gebeurd moest zijn. Ze hadden hem in ’t water geworpen, hij was ondergedompeld en toen bewusteloos geraakt. Later was hij gered en nu lag hij hier.
Maar wie had hem gered? Wiens hut was dit? Hij keek eens rond, zag op een zetel in den hoek vrouwengewaden liggen. Hij lag dus in ’t vertrek van een vrouw.
Meteen schoot het hem te binnen, dat dit de hut van Harimona moest zijn. Had zij hem gered? Was hij op haar bevel uit het water gehaald? En waar was zij nu?
Hij gevoelde zich zwak en vooral misselijk.
„Haun!” riep hij, hopend dat de jongen hem door het open venster buiten zou kunnen hooren.
Een gordijn van den wand werd opgetild en Harimona trad binnen.
Zij knielde bij zijn leger neder en hem met haar koperroode oogen liefdevol aanziende vroeg zij, of hij zich wat beter gevoelde.
„Wat is er met mij gebeurd?” vroeg hij kort.
„De dwazen wilden di verdrinken. Toen heb ik di door mijn Batouwschen wacht laten redden.”
„Mij redden? Waarom?”
„Omdat ik di liefheb.”
Zij lag geknield voor zijn leger. Hij zag het zilverwitte haar, dat in rustige golving van de scheiding in ’t midden van den schedel neerstroomde langs het witte hemd, dat heur schouders losjes en ruim bedekte; de driehoek van ’t blanke voorhoofd; de roode oogen tusschen de lange, witte, wimpers; de bleeke wangen; de lange spitse neus en de hoogroode lippen. Nu ook zag hij het haastige dansen van haar boezem onder ’t flosse witte hemd en hij rook de geur van haar lichaam.
„Du antwoord niet?” vroeg zij hem smeekend aanziend.
Hij voelde dankbaarheid jegens haar wegens zijn redding en in hem kwam de gedachte op, dat zij wellicht beter was dan haar leven van bedrog. Zij zag aan zijn oogen, dat hij haar niet meer verachtte en niet langer op haar toornde en nogmaals herhaalde zij, haar mond dicht bij den zijne:
„Ik heb di lief prins, ik heb di lief!”
Hij richtte zich een beetje op. Een teederheid kwijnde in hem, een gevoel van zwakte en zucht om zich aan een ander over te geven.
„Waarom?” vroeg hij moe.
„Omdat du waar zijt. Omdat du van alle wervers de eenige waart, die trotsch bleef en heer van zichzelf.... Ik heb di lief, ik heb di lief.... ik heb di lief!”
Zij legde haar arm om zijn hals en boog nu zich zoover voorover, dat heur haren, afhangend, zacht zijn wangen kriebelden.
Maar hij weerde haar zacht af, sloot de oogen, voelde zich onpasselijk.
„Du bent nog ziek,” zeide zij. „Ik zal wat sennep voor di trekken.”
„Wrijf mij hier,” zeide hij, ’t dek opslaande en op zijn maag wijzend. „Zoo, steeds opwaarts.”
Zij masseerde zijn maag en hij, na eenige hikken, begon spoedig water op te geven.
Liefelijk hield zij zijn voorhoofd vast, veegde telkens zijn lippen schoon, sprak onderwijl zachte woordjes van medelijden en troost en toen zij hem weer had neergelegd, depte zij zijn voorhoofd met koud water, veegde den grond schoon en strooide gedroogde thijm en lavendel in ’t vertrek, zoodat een aromatische geur zich verspreidde.
Sogol zag haar stil bezig zijn en dacht aan zijn moeder, vooral toen de geuren van de kruiden naar hem opstegen, dezelfde geuren, die zijn moeder strooide in de lijnwaadkeet. En herinneringen aan den Donarsdag thuis kwamen hem voor den geest; hoe dan zijn moeder haar mooie, blauwe huifmantel had omgedaan en de schoone halsketting van om-en-de-om een barnsteenen en een bronzen bikkeltje en hij, door de week naakt rondloopend of met maar een klein vachthesje, kreeg dan zijn geel overkleedje en zijn leeren sandaaltjes aan. Dan gingen zij samen de wijding brengen aan Nehalennia; moeder bracht geneeskrachtige kruiden of brouwsels tegen de koorts en tegen het hartewee of smeersels tegen de jicht aan de godin en hij Sogol, een bundel bloemen, of ’s winters een toortsje. En in den tempel rook het zoo vreemd en Myst, toen nog jong, gaf hem dan als hij zijn bloemen had neergelegd aan den voet van ’t offerblok en hij had zijn wijding goed opgezegd, goudbruine honingballetjes, die als du ze wat in den mond had gehad, kon uittrekken tot lange draden, die dan opeens kràp afbraken en notenstokjes, waarop noten in honing gedoopt waren gestoken of koekjes in den vorm van heilige evers en ’t Wotansros. Er was toch veel liefs in dien kindertijd gebeurd. Hoe was hij vast overtuigd geweest, dat Nehalennia de zoete kinderen op Baldersavond, als de dag ’t kortst was, bezocht en naast de stookplaats lekkers strooide, honigbikkels, thijmkoek, knappende molleboontjes, zonnetjes van eiertaart en kleine aaksten en kleine saksen en kleine frammen van hout om oorlogje mee te spelen. Ook stonden er dan ’s morgens zoo opeens een paar nieuw helgele sandaaltjes en een karretje van leem met echte wielen, waarop ’t beeld van Nehalennia, zooals ’t was bij de groote optocht. Dan kwamen ’s morgens de andere kinderen uit het dorp op bezoek en ze zongen samen wijsjes tot dank...
Trijn en Volla zijn gegaan, Op een grooten witten zwaan, Hoog in de lucht al op en neer, Lieve, lieve, lieve zusters, ’k wil niet méér...
of
Balder-de-Balder is een goeie man, Zonnetjes bakt-ie al in zijn pan, Bruin van de boter en goud van het licht, Balder-de-Balder, de zon is in ’t zicht!
Harimona zat stil op een lagen schemel bij ’t bed en zag hoe de zieke, de oogen gesloten, lag te mijmeren. Want glimlachjes glimpten langs zijn mondhoeken weg en soms prevelde hij en de rechterhand boven ’t dek, bewoog rhythmisch als sloeg zij de maat.
Toen hij de oogen opende, zag hij meteen in haar roode oogen en hij zag hoe de liefde en het meewaren daaruit straalden.
„Kind,” zeide hij, voor ’t eerst haar zacht toesprekend, „ik heb aan mijn moeder gedacht. Het was een brave, edele vrouw, die ik zéér lief heb gehad.”
Hij wachtte een oogenblik en ging dan voort:
„Zij is gestorven.... verdronken kind en nu ik zelf in ’t water ben gestort weet ik, wat zij heeft moeten lijden, vóór zij stierf.”
„Verdronken.... de arme!”
„Ja, wèl de arme.... de priesters heetten haar een tooverkol, omdat zij hun schanddaden berispte.... en ’t had weinig gescheeld of het zou haar zoon niet anders zijn gegaan.... Vertel mij eens, waar is Maresag, dien hongerwolf....”
Zij legde den vinger op haar mond.
„Stil.... hij is in de schuren. Hij weet niet, dat du hier zijt.... hij meent, dat du en den Batouwer beiden op den bodem van den Rîn liggen. Als du weer geheel gezond zijt, trek dan met uw kleinen horenblazer terug naar uw land....”
„Waar is de oude priester, die bij mij was?”
„Hij is gestorven van den schrik, toen hij, na zelf bevrijd te zijn, di wegvoeren zag naar den stroom.... De Ewarten hebben hem weggevoerd om den lijkdienst te bezorgen. De man wordt in een heilig graf bijgezet.”
„Arme Myst!” zei Sogol eenvoudig.
„Wilt di niet voor hem bidden...”
„Ik bid nooit!”
Zij richtte zich verschrikt op.
„Du.... een prins.... du....?” vroeg ze, nog ongeloovig.
„Neen.... ik bid nooit.... waarom zou ik bidden.... er zijn geen goden.... en er is geen Walhalla.... en geen eeuwig heiligdom.... en geen eeuwig leven....”
„Prins.... prins!....” zeide zij en langs haar meewárig gelaat, kropen traandroppels.
„Hoe lang ben ik bewusteloos geweest?” vroeg hij.
„Toen de Batouwer di op den anderen oever bovenbracht, is hij met di naar de Wiebers-Riehe geloopen en daar heeft hij di gewreven en geknepen tot du ’t water opgaaft uit de maag en even bij dijn zinnen kwaamt. Toen zijt di weer zinloos geworden en toen hij di ’s avonds bij mi bracht, waart gi nog altoos zin-loos. Ik heb di hier genomen, di met warme doeken gewreven, dijn mondholte schoongewasschen en dijn neus van ’t slijm bevrijd en daarna hebt du weer water gebraakt. Den ganschen nacht laagt du toen weder zonder zinnen en nu is ’t al na den noen. Zoolange bent di zonder zinnen geweest.”
„Ik ben dood geweest kind en weer tot het leven teruggekeerd. En wat heb ik van Walhalla gezien of ’t Eeuwig Heiligdom? Niets.... niets.... als wij dood zijn gaat het met ons als met een dood blad.... wij worden verpulverd, zooals du de thym verpulverde en de lavendel, die ook eens leefden.”
„De bloem heeft geen ziel.... maar wij menschen hebben wel een ziel, die weder opstaat.”