Chapter 18 of 32 · 3989 words · ~20 min read

Part 18

Hij sprong op, liep op haar toe, omhelsde haar, kuste haar op ’t witte haar, op de wangen, op de hals, op den mond. En juichend weer sprong hij recht, roepend.... „ik heb het gevonden, ik heb het gevonden.... ik zal alles, alles vinden....”

En zich weer neerzettend bij ’t vuur, wilde hij opnieuw spreken, maar de vreugde overweldigde hem opnieuw.... Hij sprong nogmaals op, hief zijn handen omhoog naar den sterrenhemel, bolde de vuisten en naar boven roepend:

„Ik heb het gevonden.... o zaligheid.... o geluk.... ik heb het gevonden.... ik heb het gevonden....”

Zij keek hem bewonderend maar niet zonder angst aan, gespannen wachtend op zijn verklaring.

„En alles, alles, alles zal ik ontdekken! Wacht du daar, wacht.... ik zal dijn geheim doorvorschen.... Wacht du daar, wacht du!”

En hij balde dreigend de vuist tegen den hemel. Daarna zich weer neerzettend, ging hij voort:

„De sterren zijn niet anders dan de maan. De maan is een groote ster, veel grooter dan de anderen, maar er is geen ander verschil.

„Wat met de maan gebeurt, gebeurt met de sterren. Maar omdat ze zoo klein zijn, kunnen wij het niet zien....”

„Maar wat gebeurt dan met de maan?” vroeg Harimona.

„Zij wordt ’s avonds niet ontstoken en ’s morgens niet gedoofd. Zij brandt altoos.... altoos, altoos.... Zij staat ook aan den hemel als wij haar niet zien.... Geeft een toorts licht op den noen? Neen, niet waar? Maar naarmate het donkerder is, geeft de toorts meer licht. Zoo is het met de maan en zoo is het met de sterren.... zij hebben maar een zwak licht, zooals de toorts, dat men beter zien kan, naarmate het donkerder wordt.... Vandaar dat de maan op sommige avonden eerst bleek is gelijk zilver en hoe donkerder het wordt, des te heller schijnt haar vuur. In den morgen wordt zij weer bleeker.... tot zij onzichtbaar wordt... het licht van de zon maakt haar onzichtbaar...”

„En wie steekt de zon aan?” vroeg Harimona.

„Wat wijf? Ik doe di kond van een groote ontdekking en in stede van mede te juichen blijft du vragen? Is het al niet veel te weten, dat de maan en de sterren daags branden zoogoed als ’s nachts?”

„Het is veel, maar de raadselen blijven raadselen, meester.”

„Neen, ze blijven het niet, vrouw. Raadselen waren de kobolden en de elfen, tot ik ontdekte, wat hun eigenlijk wezen was. Raadsel was het schijnen der sterren en der maan alléén ’s nachts, totdat ik vond, dat zij ook overdag schijnen. Laat mij denken en ik zal ook vinden waar hun oorsprong was en waar de oorsprong dier oorsprong aanving. Maar ik moet tijd hebben om te denken. En du, geliefde, wees niet laf, als al die anderen maar durf óók door te denken, altoos dieper, alsof dijn gedachte een donker woud ingaat. Dring er doorheen en aan de andere zijde vindt du het nieuwe land.”

Eenige dagen later terwijl zij de Bellovaaksche gouwen al naderden, werden zij door een zwaar onweer verrast. Harimona was angstig en wilde onder een boom schuilen. Maar Sogol toornde op haar en ook op Haun, die in ’t bosch wilde blijven tot het onweer was voorbij getrokken. Hij dwong beiden hem te volgen op het groote, vlakke land, dat aan den zoom van ’t woud aanving en zoodra de eerste bliksemstraal knetterde begon Sogol te woeden tegen Donar. Hij daagde hem uit, vloekte hem met de vreeselijkste vloeken, wees hem smadelijk op zijn achterdeel.

„Drekgod, drekgod, drekgod, kom op. Sla mij, drekgod met dijn bliksem, als du daar zijt.... Hier sta ik, een god zooals du, maar machtiger, want ik ben hier werkelijk en du, du, du, zijt niet, du zijt maar een schepping van lafhartigen en angstschijters....”

Harimona en Haun, in den regen staande midden op ’t land, staarden met onzetting naar Sogol, die slechts met een berehuid om zijn naakt lichaam, de machtige armen bloot, met opgeheven vuisten dreigende gebaren maakte tegen het blauwgrijze werk, waarin zij de bliksems zagen bersten en den donder rommelen. En bij elken bliksemstraal, bij elken donderslag vernieuwde Sogol zijn vloeken en bedreigingen. Hij liep soms op een drafje voorwaarts in de richting van den einder vanwaar de bliksem kwam aanlichten.

„Tref mi nu... tref mi nu... speer van den drekgod... Du durft kunt, du kunt niet.... hier sta ik.... bereid om dijn speer op te vangen.... tref mi dan.... tref mi dan!....”

Hij sprong op van den grond, zijn borst naakt, en gezwollen, zijn armen wijd geopend als verwachtte hij den bliksemstraal. Het schuim stond hem op de lippen van woede en Harimona, hem zoo ziende, voelde zich bevreesd terwijl Haun weende.

Het onweer verminderde in kracht en trok weldra voorbij. De blauwgrijze hemel brak in wolkenbrokken en uit het diepblauw daartusschen kwam de zon schijnen.

Sogol werd kalmer en nu omziende voor Harimona zeide hij trotsch:

„Hebt di het nu gezien, dat ook de groote goden niet bestaan? Waar was Donar met zijn gouden speren? Waar was zijn rollenden donderwagen?.... Hebt du geweend knaap?...”

„Ik vreesde zoo, dat de speer di zou treffen,” antwoordde Haun.

„Du zult niet weenen als dijn meester de goden uitdaagt.... maar du zult weenen, als de anderen zich voor de goden verdeemoedigen.... Onthoud dat knaap.... en bindt de kluisters los van de paarden.”

Zij stegen op en reden door de frissche lucht onwaaierd, stapvoets verder.

„Waarom zegt di niets?” vroeg Sogol, bemerkend hoe zijn geliefde zwijgend naast hem reed en geen woord van bewondering had voor zijn moedig bestaan.

Zij keek hem van terzijde aan en hij zag een schroomvollen eerbied in haar vreemde, roode oogen.

„Ik heb een zonderlinge gedachte, Sogol!”

„Gelooft di nog aan Donar?” vroeg hij haast angstig.

„Neen.... maar mi kwam de gedachte in ’t hoofd, dat du wellicht zelf een god zijt....”

„Ik ben een mensch, een gewoon mensch.... zooals du, zooals Haun.... Of meent du nog, dat du ook een godin zijt?”

„Neen... ik ben geen godin... maar du zijt een god... en du weet het zelf niet.... En misschien weten de andere goden evenmin, dat zij goden zijn....”

„Vrouw, du zegt zulke diepe gedachten, dat du zelve ze niet omvat....”

Zij reden langen tijd zwijgend voort, Sogol zijn hoofd neerwaarts gebogen en zijn gefronste oogen naar den bodem gericht. Eindelijk zeide hij:

„Dat kan het zijn, mijn lief. De goden weten zelve niet, dat zij goden zijn.... zooals dit paard onder mij, dat sterk is, daden van kracht doet en toch zijn eigen kracht niet kent... Wat zijn de goden dan?... Redelooze krachten, die hun daden doen zonder de macht over die daden....”

„Maar het paard heeft een berijder, die het stuurt meester.... Zoo heerscht dan Wotan over de goden als de mensch over de dieren....”

„Ik zou di kussen kunnen als du zoo spreekt, en toch weenen omdat du altoos weer tot Wotan dijn gedachte voert.... Maar Wotan kàn niet bestaan.... zoomin als Donar bestaat.... zoomin als de kleinere geesten....”

„Welke macht doet de zon dáár schijnen?” vroeg Harimona.

En haar aanblikkend, zag hij uit haar roode oogen een straal gouden licht schijnen.

„Wie doet, die wolk daar schuiven? En die daar? En die daar? Staat achter elke wolk een geest, die haar voortschuift? Of zit op elke wolk een ruiter, zooals op het paard, en stuurt haar en leidt haar met bit en teugel en spoor? Ziet ze ijlen en barsten en vluchten in hare vreemde gestalten.... Voelt du niet, dat het de wind is, die ze wegblaast, zooals het kind de kaarsjes wegblaast van de weidebloem.... Ik kan nog niet alles weten.... maar omdat ik iets weet, weet ik dat ik méér zal kunnen weten.... Het zijn alles krachten, redelooze krachten, die niet anders doen dan ze doen omdat ze niet anders kunnen.... De zon, de maan, de sterren, de bliksem, de donder, de wolken.... zij allen zijn redeloos en doen zooals ze moeten doen....”

„En wij dan?”

„Wij vrouw.... wij.... wij zijn ook al niet anders dan de zon en de sterren en de wolken.... wij zijn ook krachten, die onze eigen macht niet kennen....”

Hij reed een poos zwijgend voort. Toen weder, tot haar:

„Waarom zouden wij iets anders zijn dan de dingen om ons heen. Zijn wij niet even dom als de natuurkrachten? Moeten wij niet eten, drinken, slapen als het tijd daarvoor is, zooals daarboven het onweer komt, als het de tijd voor het onweer is? Weten wij met zekerheid iets meer dan deze paarden? Weten wij meer van ons verleden? Meer van onze toekomst? Meer van wat boven de hemelen is en onder de aarde? Waarom val ik ter aarde wanneer ik van mijn paard stort en kan niet omhoog vallen, of in de lucht mij zwevende houden door mijn wil alleen? De mensch is een natuurkracht zoo goed als de bliksem en de donder, zoogoed als de zonnestraal een natuurkracht is.”

„Maar waar komen die natuurkrachten vandaan?” vroeg Harimona weder.

„Ik weet het niet.... ik weet het nog niet.... En moeten zij dan bepaald ergens vandaan komen? En moeten zij dan bepaald ergens heengaan? Waarom zouden zij er niet altijd geweest zijn en er altijd blijven?”

„Ik kan dijn gedachtenvlucht niet volgen Sogol.... In mijn binnenste leeft gestadig het gevoel alsof er nog een ander leven is.... een leven, dat als de gedachte of de droom geen lichaam noodig heeft om te bestaan. Zoo dikwerf als Maresag mij met zijn kruiden in de verrukking bracht, ontsteeg ik mijn lichaam en zwierf langs onbekende velden en wegen en zweefde over oneindige wateren of steeg den sterren tegemoet.”

„En hebt di dan wel eens andere dingen gezien dan hier?”

„Ja.... ik heb de goden aanschouwd, Wotan het meest.... En hij was het, die mij de kracht gaf, wonderen te doen zooals du hebt kunnen zien.... toen ik de lammen genas en de blinden en die met etterende wonden neerlagen.”

„Was dat geen bedrog, Harimona?”

Hij hield zijn paard in en zich over haar paard buigend en het ook tot stilstand dwingend, keek hij haar diep en ernstig in de oogen.

Zij keek hem onverschrokken aan.

„Dacht di, dat ik het liefste, dat ik ter wereld heb, zou bedriegen? Dan is het beter, dat ik terugkeer.”

„Dus du kunt wonderen verrichten?”

„Als ik in de verrukking ben.... ja....”

„En die kreupelen, die reeds genazen zonder dat zij di zagen?”

„Kan niet mijn ziel uitgestraald zijn ook zonder dat ik het wist of wilde? Was niet al wat ik in mijn verrukking deed, iets waarover ik geen macht had en waaraan ik zonder mijn verrukking vreemd was?”

Hij reed weer voort naast haar en dacht zwijgend na.

„Het is droevig,” zeide hij eindelijk, „Wie het gedachtenwoud binnenrijdt komt niet tot licht, maar hij verwart zich hoe langer hoe meer in ’t donkere hout. In mij komt de vreemde lust op, dit leven te eindigen om te weten. En ik voel naijver op die anderen, die vroom gelooven kunnen in al de goden, de grooten en de kleinen. Maar ik kan niet... ik heb immers ervaren, dat de Nickelman een aal was en de grondgeest een geluidsschal....”

Na een poos vroeg hij plotseling:

„En wat was er waar van Frango, den draak, Whridlo, den hond en Baza, de geit?”

„Begreep di dat niet?”

„Neen.... hoe zou ik.... Er bestaan geen draken!”

„Het was een raadsel van Maresag om de vele minnaars te beproeven. Frango was de moed, Whridlo was de trouw, Baza was de soberheid. Wie dit raadsel zou begrijpen was mij waardig, meende Maresag honend.”

„En du vondt dat goed?”

„Wat Maresag wilde moest ik doen... ik kon hem niet weerstaan. Hij had een groote macht over mij, waaraan ik mij niet kon onttrekken... Eerst toen du kwam en ik door mijn geloof in dijn kracht overwon, kon ik met di medegaan.”

„Ik dacht wel, dat de draak ’t een of ander groote onbekende dier zou zijn, dat de laffen zou verschrikken.”

„Maar er bestaan zeker draken, Sogol. In mijn verrukkingen heb ik ze gezien. Zij hadden lange muilen met scherpe tanden en lage pooten gelijk een hagedis en lange staarten, met punten bezet...”

„Ik wilde, dat ik met di naar dat gewest van dijn verrukkingen kon opstijgen.”

Zij reden een eind voort tot zij aan een klein boschje kwamen, waar zij afstegen om te rusten en de paarden te voederen. Zij zagen om naar Haun, die een eind vooruit was gereden en nu uit het gezicht was.

Sogol nam zijn horen en stiet een paar schrille tonen uit den horen. Toen na eenig wachten Haun niet terug kwam, kluisterde Sogol zelf de voorbeenen der paarden, nam ze het bit uit den mond en liet ze grazen. Daarna zocht hij met Harimona in ’t boschje naar paddestoelen, die hun als leeftocht dienden wanneer geen klein wild gevangen was of niet een ree of een hert door Sogol met de speer was neergedrild. Nog zochten zij, toen zij Haun’s horen in de verte drie korte stooten hoorden geven, het signaal, dat hij in gevaar verkeerde.

Harimona verbleekte maar Sogol snelde naar zijn paard, ontkluisterde het en de hand aan ’t kortzwaard, reed hij in galop naar den kant, vanwaar nu voor de tweede keer het alarmsignaal klonk.

Toen hij een eind gereden had, zag hij Haun staan nevens zijn paard. De jongeling kwam zijn heer te gemoet loopen.

„Wat is er aan de hand?” riep Sogol.

„Meester... Meester... er is hier wat vreemds...”

„Wat, mijn jongen?”

„Meester... het lijk van een draak ligt hier...”

Sogol steeg af en volgde Haun in ’t kleine boschje. Daar had het instroomende regenwater den grond onderwoeld en uit een kuil, half met water gevuld, stak de kop uit van een draak.

Sogol groef met zijn zwaard de aarde rondom wat weg. Zij was vastgeslikt met het vleesch van den reusachtigen kop. Hij zette de zwaardpunt in den grooten muil van ’t dier en trachtte deze open te breken. De kop brak broos vaneen en de scherpe, spitse tanden rolden naar buiten.

„Ga de meesteres halen en de paarden. Ik blijf hier Haun!” zeide Sogol en toen de jongen wegreed in de richting, die Sogol hem had aangewezen, begon deze nu voorzichtiger met zijn zwaard het tot zwartige klompen met den huid en ’t vleesch van den draak gesmijde veen, van den kop af te steken.

Hij was nog bezig den kop vrij te steken, toen Harimona en Haun aangereden kwamen. Sogol voelde zich beschaamd, wist niet wat hij zou zeggen tot Harimona.

Zij voelde zijn schaamte en om hem niet te kwetsen zeide zij:

„Misschien is het toch geen draak maar een vreemd groot dier.”

Hij zag haar aan met lichtjes van dankbaarheid en geluk in de oogen.

„Gelooft di dat?” vroeg hij nogmaals.

„Het kon toch zijn...”

„Wij kunnen het ten minste onderzoeken... Als hij levend was geweest, zou ’t minder makkelijk zijn gegaan. Zie dien muil eens. ’k Heb er mijn zwaard tot aan den greep ingestoken en nog altijd was ik niet aan ’t keelgat.... Ga eens naast den kop staan Haun... ziet eens... De muil alleen is hooger dan Haun...”

„En waar zijn zijn oogen?”

„Ik heb al deze aarde rondom afgestoken, maar ben nog niet aan zijn oogen toe gekomen...”

„Ik denk, dat hij rechtstandig in den grond staat,” zeide Haun, bemerkend dat de muil spits opstond, „alsof het gat de uitgang van ’t hol van den draak was geweest.”

„Wat denkt di te doen?” vroeg Harimona aan Sogol, ziende hoe hij vermoeid was van ’t graven.

„Ik wilde wel gaarne hier blijven en den heelen draak uitgraven.... Dan kunnen wij zien hoe hij er uitziet.”

„Maar dat kunt di alleen niet....”

„Haun zal helpen.... en.... en.... als du wilt.... du ook....”

„Met onze handen?”

„Neen, ik zal spaden snijden....”

„En uw koninkrijk?” vroeg Harimona.

Sogol dacht na.

„Het was misschien beter, dat du eerst mannen haalde, die du hielpen?....” vroeg Harimona.

„Dat kan lang duren.... als ’t gaat vriezen is ’t graven onmogelijk.... en ik weet niet of ik mannen zal vinden, dapper genoeg om den draak uit te graven.... kom.... laten wij eerst eten, rusten en dan ten minste den kop van het monster uitgraven....”

Harimona maakte vuur en Haun, met een speer gewapend, ging in ’t boschje naar wild speuren. Al heel spoedig kwam hij terug met een haas, die hij den speer door den kop gedrild had, toen ’t dier voor zijn voeten opsprong. Harimona nam haar klein gordelmes en begon het dier te villen. Haun stond er bij en keek nauwlettend toe.

„Heb di zoo’n honger vent?” vroeg Harimona.

„Nee.... ik heb bessen gegeten en nootjes.... ik heb geen honger....”

Maar omdat hij toch bleef toekijken, vroeg zij weer:

„Wat wil je Haun? Je kijkt zoo vragend....”

Hij kleurde, zag verlegen zijwaarts.

„Er uit er mee, als du wat zeggen wilt!” zei Sogol gewild streng.

„Ik wou de meesteres wat vragen.... ik ben nu al zoo lang van huis.... en ik wou weten of ik vader of moeder en mijn broertje gezond en wel zal aantreffen....”

„Dat weet ik niet!” lachte Harimona.

„Als du wilde.... en eens voor mij keek.... daar...”

En hij wees, even bang naar Sogol opblikkend, op de darmen van de haas.

„Vervloekt!” stoof Sogol op.

„Ik wist wel, dat de meester het niet zou willen!” zei Haun, half schreiend.

„De meester heeft gelijk Haun. Ik kan niet uit de darmen waarzeggen....”

„En niemand kan het, Haun. Hoe kom di aan die vraag.”

„Ginds op ’t groote veld te Renigo was een vrouw, die uit ingewanden de toekomst kon lezen. Wie haar een geit bracht, die spelde zij de toekomst uit de darmen van de geit; en wie haar een ree bracht, die spelde zij de toekomst uit een ree. En er kwam zelfs éens een man, die een kalf bracht en zij liet het slachten en las uit de darmen.”

„Dat is alles bedrog, Haun. Ze deed het om de dieren.”

„Nee meester.... ’t was geen bedrog. Ik heb de vrouw een geitje gebracht en zij voorspelde mij, dat ik op reis zou gaan met een koningszoon en zijn bruid en die zullen tot hoog aanzien geraken: De koningszoon zal koning worden en de bruid, koningin! En ’t is tot nu toe uitgekomen.... och lieve meesteres.... ik smeek di.... zie toch even in de darmen en zeg mi of mijn broertje nog leeft....”

Harimona keek Sogol vragend aan, half besloten om den jongen zijn wil te geven. Maar Sogol keek somber.

„Als wij zelf de domheid bevorderen.... wie zal ze dan bestrijden?” vroeg hij.

En zich tot kalmte dwingend, zei hij tot Haun:

„Mijn jongen, al kwam wat zij zeide ook uit, toch was ’t bedrog. Het gaat bij die voorspellingen zoo.... Komen ze uit, dan gelooft men aan de buitengewone zienerskracht.... komen ze niet uit, dan vergeet men de voorspelling of meent bij een slechte waarzegster te zijn geweest. Maar ’t zijn alle slechte waarzegsters. Niemand weet iets van de toekomst.... niemand.... niemand.... de goden zelve niet.... zij zijn ook aan het lot onderworpen, zonder dat zij weten, hoe het zal loopen.... en het zal een slecht lot voor ze zijn, als de koningszoon, werkelijk koning wordt.”

Sogol had de laatste zinnen meer tot zichzelf dan tot Haun gezegd, die teleurgesteld naar den haas bleef zien.

Harimona, na den haas gestroopt te hebben en van de ingewanden ontdaan, stak hem aan een bronzen spit, dat op twee gevorkte takken rustte en nu moest Haun langzaam draaien.

Sogol, zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, was al weder naar den kop van den draak geloopen en begon deze verder met zijn zwaard te ontgraven. Maar bemerkend, hoe weinig hij hierdoor bereikte, liep hij een eindje ’t bosch in zoekend naar een boom, geschikt om er spaden van te snijden. Een zwarte stronk, die manshoog boven den grond uitstak, zeker ’t overblijfsel van een boom, die door den bliksem getroffen was en daardoor van buiten bruin gebrand, kwam hem geschikt voor en hij sloeg er zijn zwaard tegen. Maar ’t zwaard ging er diep in en stuitte toen op iets hards. Sogol keek verwonderd en nu, de stronk belastend, ervoer hij, dat hier weder het lijk van een draak was verborgen, nu met den staart opwaarts uit het hol. Hij zag de grove schubben van den staart, hoewel ’t vleesch verkoold was en ook nog de knoesten van de dorens van den rug....

Daar waren dus twee draken in dit boschje geweest. Beiden wellicht door den bliksem getroffen. Maar hoe deze vreemde houding te verklaren.... de één met den kop hoogopgestoken uit de krocht, de andere met den staart opwaarts? Waren zij voor ’t onweder gevlucht?

Hij mat den afstand tusschen de twee draken.... Een denkbeeld kwam in hem op.... maar hij weifelde om het aan te nemen.... Neen.... dat kon niet.... zoo groot was een draak niet.... dat overtrof alle verhalen van de sagen.... Het was wel de lengte van een wand [12].... En toch.... als kop en staart eens tot denzelfden draak behoorden.... de ligging was zoo, dat de mogelijkheid kon bestaan?...

Hij keek met scherpen blik in de richting van den kop en zijn geoefend oog bemerkte, dat de bodem over dien langen weg voor een deel bol stond, zoo de richting aangevend, waarin het lichaam van den draak kon liggen.

Hij vergat het haasje, dat ginds aan het spit braadde, hoewel hij den heelen dag weinig anders dan wat bramen en hazelnoten gegeten had. Bij den drakenstaart zittend, de kin op den greep van zijn zwaard geleund, was hij in nadenken verzonken.

Dat was dus een draak, een echte draak. Ditmaal behoefde hij geen wonderverhalen van anderen te gelooven. De sagen waren dus geen bedrog. Faffner en Kirgold en Frango bestonden.... Maar als de draken bestonden, dan konden ook de goden bestaan.... Hier lag het geheim ontraadseld voor hem.... hier aan zijn voeten, weinige vamen onder den grond....

Hij mocht niet verder reizen.... al verloor hij er zijn koninkrijk door.... wat beteekende een koninkrijk tegen de doorgronding van dit geheim. Wéten moest hij, voor alles wéten, wilde hij.

Haun blies een paar tonen om hem tot het middagmaal te roepen. Hij blies een paar tonen ten antwoord en liep langs de gewelfde lijn van de grond gaande langzaam terug naar Harimona, tellend zijn schreden om den afstand te meten. Twee honderd groote schreden was de draak lang. Veel hooger dan de hoogste boom hier in ’t boschje... veel hooger dan ooit een boom, waar ook, gegroeid was...

Maar als dat dier zoo lang was en zoo hoog, hoe zou het dan hier in ’t nauwe boschje, dat zelfs een man nauw doorliet, zich hebben kunnen bewegen? Hij keek naar de boomen rondom... Zij waren allen minstens vijf-en-twintig jaren oud... dus de draak moest al jaren lang dood zijn. Nergens ook was een spoor van gebroken boomen en de schorsen waren nergens afgeschuurd...

Peinzend als altoos, kwam hij terug bij Harimona en zij, gewoon aan zijn peinzerijen, vroeg niets, sneed den haas in deelen en reikte Sogol een bout. Hij stak het geroosterde vleesch werktuigelijk in zijn mond, zijn donkere oogen starend voor zich uit zonder te zien, kouwend het vleesch zonder het te weten... altoos beziggehouden door zijn gedachten.

„Rijden wij verder, meester?” waagde Haun ten laatste te vragen.

Harimona zag hem bestraffend aan. Maar Sogol had de vraag niet gehoord en bleef turen, altoos door turen in denkgestaar.

Haun sloop stilletjes weg van ’t vuur en den kop van den haas nemend, begon hij dezen een eind verder om en om te gooien, om zijn geluk te beproeven. Want als de schedel boven komt, wacht men goede tijding en als de kaak boven komt slechte.

Harimona nam een berenhuid van het leger en legde deze zacht om de schouders van den peinzenden man. Daardoor uit zijn gepeins ontwakend, zag hij haar aan.

„Kind,” vroeg hij, „zouden wij niet gaan eten?”

„Wij hebben al gegeten, liefste!” zei ze met een zachten glimlach, „en du hebt medegegeten... waaraan dacht du zoo ingespannen?”