Part 23
Doch de priesters bestreden dat. Het was wel zeker een prins geweest, een echten prins en geen roover. Dat had men gemerkt aan zijn trotsche houding, zijn overmoedig gedrag, de schoone wijze waarop hij wist te spreken en de vele talen, die hij kende. Want men had hem in de kampen hooren redeneeren met priesters van de Sfafen en met gezanten van het Paarden-eiland en met schippers van Scandische vaartuigen, die hij naar den weg had gevraagd om naar het vreemde land te komen. Een Scandische schipper zelfs, die hem, naar de gewoonte der Scandiërs, die wanneer met hun naar den weg tot het vreemde land vraagt, altoos verhalen van den grooten zeeslang en het gruwelijke meerwijf, had hij voor leugenaar uitgemaakt. De Scandiër had zijn mes getrokken en was Sogol te lijf gegaan. Die had een mes geleend en den Scandiër na drie trekken een stoot in de borst toegebracht. Maar hij had zijn tegenstander dadelijk verbonden en hem niet naar ’t gebruik, den doodsteek gegeven, zoodat de schipper sedert dankbaar was en gezegd, dat hij Sogol den weg naar ’t vreemde land zou wijzen. Toen hadden de andere Scandiërs den gewonde tusschen zich ingenomen en later had men hem dood gevonden, hangende met de beenen naar beneden aan een boomtak. Zoo handelen de Scandiërs met allen, die het geheime middel willen verraden, waardoor zij het gruwelijke meerwijf, dat over de zee van het vreemde land heerscht, weten te paaien.
De Nerviërs spraken nu veel over den onbekenden prins, die zoo dapper en knap was en begonnen bij de andere lieden te vragen of zij ook herinnering hadden van prins Sogol. Toen was er een vrouw geweest, die Sogols moeder had gekend en een andere verhaalde van den ouden priester Myst, die voor jaren was uitgetrokken om den zoon van den Bellovaakschen koning te zoeken.
En de priesters, ondervraagd, verklaarden dat een ouden priester steeds in de nabijheid van den prins was gezien en ook een jongen horenblazer.
De priester was gestorven, maar de horenblazer was verdwenen in denzelfden nacht dat Harimona door Sogol was geschaakt.
Veel menschen gingen nu met de drie priesters mede loopen om naar den prins en de heilige jonkvrouw te zoeken en verbreidden door het land de geschiedenis van Sogol. Toen de priesters eindelijk te Waberloo aankwamen, waren hun al vele lieden vooruitgesneld en ook kondschappers van trouwe heertogen van koning Solbert, die den koning waarschuwen lieten voor den nieuwen dinger naar de koningsmacht.
Maar er waren ook vele heertogen, die den toenemenden macht van Solbert bemerkend, naijverig waren en wel gaarne een nieuwen koning op den troon wilden zien. Want onder de Nerviërs en de Bellovaken, hoewel van Germaansche afstamming, zijn er, die van de Galliërs, waarmede zij dikwijls in aanraking komen, de onbestendigheid hebben overgenomen en altoos haken naar verandering van regeering. Daarbij kwam, dat Solbert een zéér strengen koning was, die den Galliërs vijandig was en de vrouwenregeering van vroeger toeschreef aan den invloed der verwijfde Galliërs. Hij had alle Gallische gebruiken onder de Nerviërs en Bellovaken uitgeroeid. Het drinken van wijn werd bestraft met het uitsnijden van de tong, omdat de wijn wellustig maakt. Niemand, ook de voornaamste hertog niet, mocht kleederen van meer dan twee kleuren dragen.
Zwakke kinderen en bastaarden werden dadelijk na de geboorte gedood en Solbert was het, die het oude gebruik weder in eer herstelde, dat kinderen dadelijk na de geboorte in koud water moesten ondergedoopt worden om hun levenskracht te beproeven.
Vooral de vrouwen waren zeer ontevreden met de regeering van Solbert. Want hij, zich herinnerend waartoe de vrouwenregeering had aanleiding gegeven, had de vrouwen weder volkomen onderworpen aan den man. Zij moesten ’s winters thuis weven en ’s zomers het land bebouwen. De mannen hadden het recht hun vrouwen een weeftaak op te leggen en haar, wanneer zij haar taak niet voleindigd hadden, te kastijden met de zweep.
Ook de kleeding der vrouwen was door koning Solbert voorgeschreven. Zij moesten naar de oude zede der voorvaderen hals en armen bloot dragen, ook gedurende den winter. De boezem moest echter door een stijf lijnwaad worden weggedrukt, opdat de maagden de jongelieden, en de gehuwde vrouwen niet anderen dan hun eigen man tot begeerte zouden brengen. Ten einde de vrouwen en de maagden door een uiterlijk teeken te onderscheiden, moesten de maagden twee kleine krullen buiten de hoofdhuive dragen, terzijde voor de ooren. Aan de gehuwde vrouwen was deze dracht verboden. Want het was voorgekomen, dat mannen door gehuwde vrouwen tot ontucht waren gebracht, doordat zij zich als ongehuwden hadden voorgedaan.
Door al deze strenge maatregelen was koning Solbert weinig bemind. Evenwel, daar men erkennen moest, dat dit alles in ’t belang van den stam geschiedde, gevoelde men toch ontzag voor den strengen koning. Doch er was nog een andere reden waarom vele aanzienlijken Solbert een kwaad hart toedroegen, dan alleen wegens zijn beperking van de ontucht en de weelde.
De koning had de hoorigen onder hetzelfde recht gesteld als de vrijen. Dit nu was van oudsher nooit zoo geweest. De vrijen werden gevonnist op het Ding naar de wetten die in het groote gedicht van koning Noric was vervat en die de zeven priesters elk voor een zevende deel kenden. Stierf een der zeven wethouders of raakte hij door den ouderdom verzwakt, zoodat hij zijn deel niet meer voor het Ding vlot kon opzeggen, dan werd een jongen priester tot wethouder verheven, nadat hij op een Ding, ten overstaan van het geheele volk, zijn deel vier maal achter elkaar had opgezegd, zonder ook maar een enkelen keer te haperen. Maar de hoorigen werden gevonnist door hun heer en voor hen waren de straffen strenger.
Koning Solbert nu, die ervaren had, dat de heeren de hoorigen ook bij de minste vergrijpen zware straffen oplegden, zoodat de vrouwen der hoorigen nachten door zaten te weven om de boeten hunner mannen te kunnen voldoen, daar anders de mannen met wilgeteenen werden gekastijd of de ooren van ’t hoofd werden gesneden of geblinddoekt naast den ezel in de graanmolen aangebonden, had bevolen dat geen heer zijn hoorigen anders rechten mocht dan naar het recht van koning Noric. En om te voorkomen, dat de heeren zouden zeggen, dat zij ’t recht niet kenden, werden in elk gebied zeven hoorigen en zeven heeren gekozen, die het gedicht van koning Noric uit het hoofd moesten leeren, juist zooals de priesters.
De priesters, ziende dat de heilige wetenschap van het oude recht aldus niet alleen aan heeren, maar zelfs aan het gemeen werd onderricht, verweerden zich en zeiden, dat dit een inbreuk op het recht der priesters was. Toen was koning Solbert opgestoven en hij had gedreigd, dat hij boodschappers zou zenden naar Scandia, waar het heilige recht was gegrift op bronzen tafels in de onvergankelijke runen. Die bronzen tafels had koning Noric in de jaren zijner eenzaamheid, toen hij met zijn lier had rondgezworven in het vreemde land, van Wotan zelf ontvangen.
De priesters waren zwijgend weggegaan. Want zij kenden de heilige runen niet en vreesden vervangen te zullen worden door priesters uit Scandia, die runen konden lezen en zoo zelfs spraken met de koningin van het vreemde land, die zij met de schippers eiken broodplanken stuurden waarop runen waren ingegrift. Maar zij morden en offerden in stilte een vaars aan Donar en smeekten hem koning Solbert door zijn bliksem te vellen.
De heeren, nu gedwongen hun hoorigen te vonnissen naar het recht van koning Noric, konden geen zware straffen meer opleggen en morden, wachtend op een gelegenheid om den koning ten val te brengen. Doch de hoorigen waren Solbert dankbaar en velen van hen, wetend dat zij allen voor zware misdrijven aan den lijve gestraft konden worden, werden overmoedig, zoodat zij, wanneer te veel van hen werd gevergd, weigerden hun taak te verrichten en riepen om het recht van koning Noric. Ook waren er veel misdrijven, waar in ’t recht van koning Noric in ’t geheel geen straf op was gesteld, zooals wanneer een maagd weigerde in den bruidsnacht bij heur heer te slapen; of wanneer een knecht weigerde de straf te boeten, die zijn heer op het Ding was opgelegd wegens een vergrijp. Want deze gebruiken waren ten tijde dat koning Noric in ’t vreemde land zwierf, nog niet bekend geweest.
Toen de drie priesters van Renigo eindelijk bij koning Solbert te Waberloo werden toegelaten, was al in ’t heele gebied bekend, dat Sogol, de dappere en geleerde prins, in aantocht was, vergezeld van een heilige maagd. De priesters en de heeren bereidden zich voor om prins Sogol waardig te ontvangen en een Ding te doen uitroepen, waarop gerecht zou worden, wie het meeste recht op den troon had. Maar de hoorigen waren vast besloten voor hun koning Solbert te strijden en zelfs als het Ding anders mocht beslissen, toch koning Solbert trouw te blijven en hem hun arm aan te bieden.
Onder de hoorigen liepen veel slechte geruchten omtrent Sogol. Zijn moeder was de gevloekte kol Spûr geweest, die verdronken was bij de waterproef. [15] Zijn vader, de roofzieke Bellovaaksche hertog. Hij had te Renigo zondige redevoeringen gehouden en de goden geschonden. Harimona, heette het, was door hem, met behulp van giftige kruiden in een diepen slaap gebracht en toen medegevoerd. De geest van zijn moeder, de kol Spûr, was verschenen in de gedaante van den jongen horentoeter en deze had de heilige maagd in haar slaap besproken, ontheiligd en betooverd en zoo haar de wonderkracht ontnomen.
En telkens kwamen er nieuwe verhalen van de slechtheid van Sogol. Men had hem gezien in het Aardener woud bij de vervloekte krijgsvrouwen en hij had met haar ontucht begaan.
Hij had de krijgsvrouwen weder tot een horde gevormd en zijn moeder had ze hellewapens gegeven in den vorm van groote rietstengels. Wie door het riet werd aangeraakt kreeg groote brandblaren en stierf aan waterkoorts.
Koning Solbert ondervroeg de drie priesters uitvoerig. Zij vertelden van de schatten van den haag van Renigo, van de macht van den hoogepriester Maresag, van de wonderlijke geboorte van Harimona, van den roep die van haar uitging en van de laatste groote verzameling van pelgrims aan den Rîn. Welke genezingen zij had verricht en hoe prins Sogol in de kampen was verschenen, vergezeld van een ouden priester en een jongen horenblazer. Dat Harimona alle bruidegoms had afgewezen maar prins Sogol, die als offer voor ’t volk had moeten dienen, door haar Batouwschen lijfwacht had doen redden. En dat toen Harimona den prins bij haar in hare vertrekken dagen lang had verborgen gehouden en eindelijk met hem was gevlucht.
Koning Solbert liet zich veel omtrent Harimona verhalen. Of zij schoon was? En hoe de kleur van heur haar was en hoe die van haar oogen. Hoe lang zij was? Zoo lang als gemeenlijk de vrouwen van Renigo, die bekend stonden als zware wijven of misschien wel van zijn lengte?
En Solbert sprak weinig over prins Sogol en scheen zich niet om Sogol te bekommeren. Maar veel sprak hij over Harimona, werd niet moede van haar te hooren en wanneer een der priesters vermoeid was van ’t spreken, begon de koning den andere te ondervragen en wanneer deze ook ’t zelfde vertelde, dan toch luisterde de koning met groote aandacht.
Hij wilde de namen kennen van al de bruidegoms, die om heur hadden geworven. Het verhaal van de zeven recken bij de burcht Wittewa, waar de geest des winters huisde, die de kroon van Harimona bewaarde en van den draak Frango, den hond Whridlo en de geit Baza, bracht den koning zoo in vervoering, dat hij zijn hand aan de greep van zijn lang zwaard bracht en de priesters zagen hoe zijn hand sidderde, als was de koning gereed om het van ’t leer te trekken.
Veertig snelle kondschappers riep de koning ten laatste tot zich. En door het geheele gebied moesten zij bekend maken dat zoodra Sogol en Harimona zich vertoonden, beiden gevangen moesten genomen worden. Sogol, ’t zij dood of levend, maar Harimona met veel omzichtigheid en met alle eer en waardigheid, die men aan een zoo schoone en heilige jonkvrouw verplicht was. Den dood wachtte dengeen, die haar op welke wijze dan ook, zou krenken, schaden of beleedigen en de tong zou dengeen worden uitgesneden, die een woord sprak, dat hare kuische eer bevlekte.
Onder het lagere volk nu was men zeer gebeten op Sogol, die een zoo heilige jonkvrouw door tooverkunst had geschaakt. Maar onder de edelen was gemor en werden geheime samensprekingen gehouden. En bitter vroegen de edelen, of in het gedicht van ’t recht van koning Noric soms straf stond gesteld op het smaden van een ontuchtige priesteres?
HOOFDSTUK XI.
Sogol, de beide vrouwen ziende vluchten en bemerkend, dat een naakten man naar een hol kroop, reed tot dicht bij het hol, steeg af en riep:
„Vriend, wie bent di? kan ik helpen?”
De priester, in grooten angst, vreezend dat Sogol hem zou gevangen nemen, daar Harimona hem kende, nam een kloek besluit. Zijn rol van kwaden kabouter beviel hem en daarom riep hij uit het hol:
„Treed niet nader, vreemdeling. Ik ben de groote kabouter. Wie mijn hol betreedt moet sterven!”
Sogol, in stede van verschrikt terug te wijken, lachte helder op. Harimona en Haun kwamen nader en Sogol tot Harimona:
„Pas op, liefste. Hier is ’t hol van den grooten kabouter. Wie zijn hol binnentreedt moet sterven!”
Harimona glimlachte zacht en Haun, hoewel inwendig toch bevreesd, verkloekte zich om Sogol te vragen:
„Meester, zal ik hem er uit toeten?”
„Blaas mijn jongen!” zei Sogol.
Maar nu Haun den horen aan zijn mond zou zetten, begon hij toch van vrees te beven en in stede van een flinken horenschal toeterde hij een iel, trillerig geluid.
Sogol wilde lachen, maar opeens keek hij ernstig. Uit het hol klonk de schal terug en daarna van heel ver nog eens.
„Hoort di het, Haun?”
„Ja, meester.”
„Wie denkt di, dat daar blaast?”
„De zotte geest uit de stroth, dien du verjaagd hebt.”
„Zal di nooit wijzer worden knaap...” riep Sogol norsch. „Ik zal di nogeens een les geven, dat du alle vrees voor geesten en kobolden verliest.”
Harimona was afgestegen en legde heur hand op Sogols schouder.
„Geliefde, wees voorzichtig. Een voorgevoel zegt mi, dat hier gevaar dreigt. Ik voel de tocht van den dood langs ons strijken.”
„Zult di dan ook nooit moedig worden?” toornde Sogol en spottend riep hij: „Kom eens naar buiten.”
„Vreest di niet vreemdeling? Weet, dat ik niet uit mijn hol treed zonder onheil!”
„Dan zal ik di halen, du leugenbeest!”
Moedig stapte Sogol de grot binnen. Maar de priester doofde meteen zijn brandend kienhout en vluchtte naar achter. Hij kende nu vrijwel den weg, sloop naar het plateau bij het water en verschool zich daar in een nis.
Sogol, die in de duisternis rondtastend, de scherpe wanden voelde, trad weder naar den uitgang.
„Is hij ontvlucht?” vroeg Harimona.
„Voorloopig ja. Maar wij zullen den vriend wel te pakken krijgen. Houd hier de wacht Haun. Ik ga fakkels snijden.”
Sogol liep ’t woud een eindje in, hakte eenige geschikte droge takken van jonge dennen af en met zijn rondhout vuur draaiend in ’t blok, stak hij ze aan, tot ze goed opvlamden en liep toen terug, ’t hol binnen.
De druipsteengrot wekte zijn verwondering niet, zoomin als de echo dat gedaan had. Hij had wel meer zulke grotten gezien en wist, dat de kristallen door Scandische zeelieden medenomen werden als ze naar het vreemde land voeren. Maar toen hij door de tweede grot aan het onderaardsche meer kwam en de zuilenrijen en gewelven langs de oevers aanschouwde, vloog de gedachte door zijn brein, dat hij dit keer werkelijk in een der paleizen van kabouterkoningen was binnengedrongen, waarvan de sagen zooveel verhaalden.
„Kabouterkoning!” riep hij, „Vertoon di. Ik ben dijn vriend en vraag gastvrijheid.”
De priester, bemerkend dat Sogol alleen was, kwam op het denkbeeld Sogol hier in het meer te storten, dan naar buiten te vluchten, den horenblazer te verschrikken of door een vuistslag neer te vellen en vervolgens Harimona met geweld weg te voeren. Het groote paard van Sogol kon beiden dragen en de twee andere paarden zou hij een poot verbrijzelen, zoodat Sogol, ook wanneer hij zich uit het water redde, hem niet zou kunnen vervolgen. Daarom kwam hij nu uit zijn schuilhoek en riep:
„Hier ben ik, vreemdeling? Wat wilt di?”
Zoodra Sogol den naakten man zag en den beschaafden uitspraak van het Renigo’sche dialect hoorde, kreeg hij argwaan en nu gevoelde hij spijt toornig tegenover Harimona te zijn geweest.
„Waar ben ik hier, Kobold?” vroeg Sogol.
„In mijn rijk, vreemdeling. Hebt di geen vrees om de kabouters aan den arbeid te zien, kom dan mede....”
Sogol volgde den naakten man, maar was zéér op zijn hoede. Deze liep hem vooruit, steeds meer naar achter en daalde toen de breede trappen van het ondergrondsche meer af.
„Sta hier vreemdeling en schouw in den zwarten spiegel. Dan zult di mijne kabouters zien.”
Sogol trad nader. Plotseling sprong de priester terzij, sloeg hem het brandende kienhout uit de hand, zoodat het in ’t water viel en sissend uitdoofde. Sogol had zich meteen schrap gezet en toen nu in ’t duister de priester hem een duw gaf, wankelde hij niet maar greep den man vast. Deze, merkende dat zijn toeleg mislukt was, trachtte zich los te rukken maar Sogol, sterker dan hij, hield hem stevig vast bij de armen.
De twee mannen hadden geen woord gewisseld bij deze worsteling. Nu echter zeide Sogol, wien alles klaar werd:
„Als dijn leven di lief is, worstel dan niet langer en leid mi naar buiten.”
Meteen pakte Sogol ’s mans armen zoo van achteren vast, dat het hem weinig moeite zou kostten den man als een dunne plank naar achteren om te buigen.
„Heer, laat mi los... Ik zal di voorgaan en leiden. Ik ben een arme kobold, die ’t daglicht niet kan verdragen.”
„Verdraagt di dit beter?” vroeg Sogol, ’s mans schouders zoo prangend, dat hij een gil van pijn uitte.
En den man voor zich uitduwend, liep hij op goed geluk in de richting van den uitgang. Maar in ’t zwarte duister verdwaalde hij, liep zonder het te weten in de tegengestelde richting van den uitgang en ten laatste stuitte hij in den hoek, waar de geraamten en de steenen bijlen lagen.
„Heer, wij zijn den verkeerden weg geloopen.”
„Wat ligt daar?” vroeg Sogol.
„Ik weet niet, heer?”
„Wat. Een groote kobold zou niet weten, wat in zijn eigen hol ligt?”
Sogol schopte tegen de voorwerpen op den grond. Iets ronds en hards rolde weg; zij hoorden het rollen langs den hellenden weg en dan een plons in ’t water. De echo het rollen herhalend en weder herhalend maakte het roldebolder tot een lang, dof dreunend geluid.
Nogmaals schopte Sogol zijn voet tegen de massa voor zich en weder rolde met veel gebolder iets ronds weg langs den hellenden weg naar ’t ondergrondsche meer.
„Wat zijn dat?” vroeg hij.
„Ik weet niet, heer!”
„Du liegt.. du weet het heel goed.. ik zal di zeggen, wat het zijn.... het zijn doodshoofden, du vervloekte roover! Dat zijn dijn slachtoffers!”
„Heer, geloof mi... het is niet zoo... ik ben een eerlijk man.”
„Dat heb ik gemerkt, toen du mi in ’t water wilde stooten... En wat is dat? En wat is dat?”
Sogol, nu trappend tegen de urnen en de steenen bijlen, vermoedend dat dit de buit van den roover was, omknelde de armen van den gevaarlijken moordenaar nog vaster. Want minder voor zichzelf dan wel voor Harimona vreesde hij, wanneer de roover mocht ontsnappen.
Van uit de verte klonk een angstig geschrei, dat zich herhaalde en in de gewelven voortschalde van muur tot muur. Daarna de eerste schallen van een Nervisch deuntje.
„Hierheen, hierheen!” riep Sogol.
Maar Haun, die op Harimona’s bevel met een bundel kienhouten en een brandend kienhout Sogol tegemoet ging, door de echo misleid, liep een anderen weg op, dan waar Sogol riep. Sogol zag hem zoeken met zijn brandend hout, dat echter te weinig schijn verspreidde om den afgelegen hoek te verlichten, waar de twee mannen stonden.
„Loop langs het meer en dan rechts af!” riep Sogol, de woorden langzaam uitsprekend met tusschenruimten, opdat het eene woord niet het andere door den echo-schal zou onverstaanbaar maken.
Nu liep Haun in de goede richting en was weldra bij zijn heer. Maar hij en Sogol verschrikten beiden, toen ze bij den roodgeligen schijn van den walmenden brandenden tak een hoop geraamten zagen bij elkaar liggen te midden van steenen bijlen en urnen.
„Draak, monster, ondier!” kreet Sogol. En den priester in zijn woede optillend wierp hij hem van zich af langs het hellende plateau, waar te voren de doodskoppen waren ingerold. De man trachtte zijn vaart te stuiten, doch slaagde er niet in en tuimelde in het zwarte meer. Sogol hoorde de plons en daarna begon de man, in ’t zwarte duister zwemmend zonder te weten naar welke richting hij kon ontkomen, bevreesd in het donker alleen te blijven nu hij den weg niet meer wist, om hulp te roepen en te schreien. En zijn angstkreten, door de echo’s herhaald, klonken hol en vertienvoudigd. Het scheen of niet één mensch daar in het donker tegen den dood worstelde maar alsof tien, twintig lieden uit de zwarte kolk om hulp schreiden.
Haun stond bevend bij Sogol.
„Wilt di hem redden, meester?”
„Neen.., laat hem verdrinken... hij heeft zijn straf welverdiend...”
Maar de man in ’t water liet niet af.
„Heer, heer!” schreeuwde hij, „ik ben een priester uit Renigo... Heer, om der wille van de heilige maagd, red mi... Heer, in naam van Harimona...”
„Licht mi bij, jongen!” zei Sogol nu tot Haun. „In haar naam zal niet vergeefs erbarming worden ingeroepen.”
Hij daalde voorzichtig langs het plateau af, stak een kienhout aan en verlichte het donkere watervlak. De priester lag al midden in ’t water. „Kom... du hebt Harimona aangeroepen... Du zult gered worden!” riep Sogol.
„Ik kan niet meer heer... ik kan niet meer!”
Sogol sprong hem niet na. Want bij ’t licht van de toortsen zag hij dat het water zwart en drabbig was, een donkere poel, die naar bedorven eieren rook.
Maar dichtbij kwam de naakte man weer boven. Sogol greep hem vast en trok hem tegen de kant op. Hij merkte dat het hellende plateau plotseling stijl eindigde, alsof een afgrond met drabbig water was gevuld. Maar de man gaf geen teekenen van leven meer en neus en mond waren met een dik, taai slijk gevuld. Sogol tilde het lichaam op en door Haun voorgelicht, vonden zij de twee toegangsgrotten en kwamen eindelijk weder buiten in de frissche lucht.
Harimona wachtte met bleek gelaat en bevende lippen en toen zij Sogol zag terugkomen met het lichaam van den naakten man op zijn armen, snelde zij op hem toe.
„O vriend... hoe gelukkig ben ik, dat du bent weergekeerd... Ik voelde mij zoo beklemd...”
„Hier is de kabouter,” zei Sogol, het lichaam zacht op ’t mos uitstrekkend. „Du hebt wèl gelijk gehad mij te waarschuwen, geliefde. Want hij wilde mij tersluiks in een poel werpen, die daar achter in de grot is.”
„Ik ken den man... dat is Wieland, de runenkenner...”
„Dan begrijp ik alles!” zeide Sogol. „Maar hoe kwamen die twee gevluchte vrouwen in zijn tegenwoordigheid? En waarom heeft hij al die menschen vermoord?”
„Heeft hij menschen vermoord?” vroeg Harimona.
„Ja... het hol ligt vol geraamten en doodshoofden...”
„Maar dan kan hij die moorden niet gedaan hebben. Want vóór wij vluchtten, was hij nog in de haag.”
„Dat is waar,” zeide Sogol.
Hij begon er spijt over te gevoelen, den man verdronken te hebben.
„Wij zullen hem verbranden en in een urn begraven, hoewel ik anders weinig geloof van de straf, die de zielen van niet-verbrande lichamen moeten dulden. Kom Haun, laat ons een brandstapel maken.”
Zij zochten dor hout bijeen, stapelden het hoog op en legden toen het lijk van den verdronken Wieland er op. Toen draaide Sogol vuur en stak de brandstapel aan. De vlammen, lekkend om het dorre hout stegen, spoedig hoog op.