Chapter 7 of 32 · 3996 words · ~20 min read

Part 7

Koning Gise sprong op van vreugde, toen hij deze nederlaag van Pimm bijwoonde. Alle gasten juichten den Gids toe, die door één woord te veranderen opeens de geheele sproke van den hiaat gezuiverd had.

Koning Mise keek Pimm aan, Pimm keek Pill en Pill, Pinn aan en deze vier, in stede van beschaamd te zijn door zulk een nederlaag op sproke-gebied, verstoutten zich grollen te spreken, die nog meer aantoonden, dat zij geen maat wisten te houden.

Pill zeide:

Zoo zwijnig was een zwijn, dat toen men zwijn zei, Hij riep: Te weinig zwijn, en voegd’er nog een Hamm bij.

Pimm zeide:

Twee hammen en één Hamm, Alle drie aan één kram!

Pinn sprak:

Tel op, daar waren hammen vijfen, Eén op de schouders, vier aan de lijven.

Koning Mise besloot:

Hamm op, Hamm onder, is ’t niet fijn, Dat heet ik toch een dubbel zwijn.

Koning Gise wilde juist zijn koks opdragen te antwoorden, toen opeens onder een luid geschreeuw Fridbold en zijn gezellen kwamen aanstormen.

Koning Mise gevolgd door zijn drie sproke-sprekers vluchtten en met groote schreden zich reddend, klommen zij in een hoogen eik en bleven, beschermd door het loover, toezien naar het bedrijf der roovers beneden.

Deze waren gewapend met steenen bijlen en dreigden allen, die zich wilden verdedigen, neer te slaan. De gasten vluchtten naar alle zijden. Hall, Hamm en Hann waren de eersten, die door de roovers vastgebonden werden aan hun wagen en terwijl zij bedreigd door de bijlen der roovers om genade smeekten, riepen de drie boven uit den boom hun spotdichten toe.

Koning Gise wilde zijn zwaard trekken, maar daar zijn hand nog vet was van een kluif, gleed deze van ’t gevest af, zoodat hij tegen Fridbold een zwaardstoot uitvoerde zonder een zwaard in de hand te hebben, waarop Fridbold in lachen uitbarstte. Uit den boom klonk:

Wie trok zijn zwaard en stak temet, In andrer niet, in ’t eigen vet?

Gise keek omhoog in den eik, maar daar de drie dichters hooger waren geklommen, geheel in ’t loover verscholen zaten en koning Mise door het rijke maal en de spanning van ’t oogenblik verrast, juist zijn overkleed had opgetrokken om aan een natuurlijke behoefte te voldoen, ontdekte koning Gise niet, wie hem deze grol toeriep.

Fridbold wilde nu op koning Gise aanvallen, deed een stap voorwaarts maar net op dit oogenblik viel ’t gevoeg van koning Mise uit de takken naar beneden, juist op ’t gelaat van den roover, die ’t gezicht overstroomd en met de oogen verblind in woesten drift tegen den stam van den eik opsprong en onder vreeselijke vloeken koning Mise bedreigde, meenende dat hier opzet in ’t spel was en verraad duchtend.

Koning Mise riep zijn drie dichters te hulp en de vier verdedigden zich wanhopig tegen den roover, die zijn gelaat met een slip van zijn jachthemd afwisschend, bezwoer de verraders te zullen ophangen aan den eigensten drekboom.

Koning Gise, zich buiten gevaar ziende, had nu na eenige moeite zijn zwaard toch nog uit de scheede gekregen en het manmoedig zwaaiend, liep hij statig naar den wagen, waar zijn drie koks waren vastgebonden, sneed ze met het zwaard los en beval hen, hem te volgen en wèl op te letten, opdat later hun heldendicht geen leemten zou aanwijzen. De vier stormden nu naar den wagen waar de kogelronde Alkmeersche kazen bewaard lagen en terwijl de roovers, in vereeniging met de zeeschuimers, die hoe ook weldoorvoed, hun ouden aard voelden bovenkomen nu er te rooven viel, en zich niet kunnend bedwingen en werkloos toezien, de andere wagens plunderden, juichend over zulk een rijken buit, om Fridbold riepen, die wanhopig vocht tegen de vier verraders in ’t eike-loover, gaf koning Gise waardig en koen zijn bevelen aan zijn drie trouwe koks, die hij de kazen met kracht liet werpen naar de roovers. Deze, zich eerst bedreigd meenend, maar nu den dikken koning ziende die met zijn drie dikke koks de kazen uit den wagen wierp, zonder iemand te treffen, begonnen te lachen, werden overmoedig, bevalen de deerntjes van koning Mise nader te treden, zetten de wijnzakken aan den mond en begonnen een groot drinkgelag, daar Fridbold de hoofdman nog altijd niet verschenen was en hierdoor alle tucht bij zijn gezellen ontbrak. Maar toen de beschonken roovers zich aan de deerntjes wilden vergrijpen begonnen de schuimers, die ook braaf mede gedronken hadden, zich te verzetten en weldra waren de roovers en de schuimers met elkaar aan ’t bakkelaaien, terwijl de deerntjes, gillend en ontdaan, naar den wagen van koning Gise kwamen loopen en hem smeekten om bescherming.

De koning liet zich daarom op den kaaswagen hijschen en zijn zwaard met de punt in een kaas stekend, daarna met kracht het zwaard door de lucht zwierend naar de zijde van de bakkelaaiers, suisde de kaas met een vaart door de lucht, viel te midden van de troep neer en raakte een roover zoo op ’t achterhoofd, dat de man bewusteloos neerviel. Een tweede kaas, door den grooten koning Gise op dezelfde wijze weggeslingerd, trof een zeeschuimer voor den neus, zoodat de man een gil van pijn uitend, bloedend neerzeeg.

Nu eerst bemerkten schuimers en roovers den nieuwen vijand en wilden vereenigd op koning Gise aanvallen, die zijn zwaard met een kaas op de punt vooruitgestoken, gereed om weder te slingeren, dapper stand hield. De drie koks echter, niet weinig verstoord dat de Alkmeersche kazen zoo maar werden weggeslingerd, ten prooi aan rooversgespuis, want eenige roovers, die achteraf stonden, hadden de twee door koning Gise geworpen kazen opgeraapt en sneden er met hun messen hompen van af, die zij opschrokten, smeekten hun koning aan de keuken te denken.

„Zijn dat dichters, die zulks zeggen?” vroeg de koning verontwaardigd.

„Neen—koks!” antwoordde Hamm.

„Dan hebt du gelijk!” erkende de koning en de kaas van de punt zijns zwaards nemend, reikte hij haar Hamm over. Dit nu verbitterde de roovers, die toe kwamen stormen onder ’t geroep van: „Hier de kazen!—Wij moeten de kazen hebben!”

Nu week koning Gise en zijn drie koks weer terug in den kaas-wagen. De roovers klommen ook op den wagen en wilden den koning te lijf, toen zij iets ontdekten, dat hun allen terug deed afdeinzen.

Op de bok van den wagen stond een gouden kooi en daarin zat een grooten vogel, maar zoo vreemd van pluim en veer als nog nooit gezien was. Hij had een grijzen kop, een purper lichaam en een blauwen staart.

„Dat is een betooverde boschgeest!” riep koning Gise, toen een der roovers naderde. Deze, moediger dan de anderen, wilde zijn hand in de kooi steken om den vogel te grijpen. Doch de vogel gaf een flinke beet in de hand van den roover, zoodat deze terugweek. Maar een doodsschrik beving hem, toen de betooverde boschgeest zijn bek bewoog en duidelijk verneembaar zei: „Grendeldebliksem... hangen zal je!”

De roover sprong met een zet van den wagen, zwikte zijn voet op een der kazen, die op den grond lagen en nu hinkend van pijn, zoo snel hij kon wegstrompelend, riep hij: „Vlucht, vlucht, vlucht! De boschgeest is los!...”

De vogel, was door de geopende kooi ontsnapt en op den rand der wagen gaan zitten, gestadig herhalend: „Grendeldebliksem... hangen zal je!” De andere roovers op den wagen vluchtten nu ook en die beneden stonden en ver bij ’t bosch, ziende hoe hun spietsgezellen in wilden vlucht kwamen aanstormen, hun hoofdman nog steeds niet bemerkend, vermoedend dat alles verloren was, begonnen ’t ook op een loopen te zetten en de vlucht was nu algemeen.

Koning Gise, met uitgetrokken zwaard gevolgd door de drie koks, die hem van zijn dolzinnig plan, alléén de roovers te vervolgen wilden weerhouden, stortte de vluchtenden na, die omkijkend, de vier mannen kloek op zich ziende aanstormen, in radeloozen vaart, voorwaarts renden. Een enkele, door ’t ongewone wijngenot, zwaar ter been, viel spoedig neer en koning Gise dezen naderend, hief zijn zwaard op en beval zijn drie koks, wel op deze houding te letten ter wille van de nauwkeurigheid van het heldendicht.

Hall, vol geestdrift door dit dapper bedrijf sprak:

Held Gise vocht er fier als vechtersbaas, Hij spaarde ’s vijands bloed en d’ eigen kaas.

Waarop Hamm sprak:

Toen koning Gise was in ’t grootst gevaar, Zag men de roovers rollen met elkaar,

En Hann besloot:

Reeds raakt ’s lands lot beslist, toen drâ het neemt een draai, Daar ’t rooversrot verschrikt, vlucht voor een papegaai.

Koning Gise, in stede van den beschonken roover te doorsteken, sloeg met het plat van zijn zwaard de maat bij deze sproken, doch zoo manmoedig en van krijgsvuur bezield, dat de roover, zijn handen aan ’t murw geslagen achterdeel brengend, ontnuchterd door de pijn en de smart, om genade smeekte.

„Genade schenk ik!” zei koning Gise grootmoedig, „maar behoud deze herinnering.” Zich nu keerend tot zijn koks, zeide de edele koning:

„Alzoo moest de maat worden geslagen, op elken dichter, die geen maat weet te houden!” En de drie koks, keken beangst, wel wetend dat het heldendicht, dat zij zouden te maken hebben, streng door den koning zou worden beoordeeld en dat hun een zelfde straf wachtte, indien zij zondigden tegen de maat en de geboden van de alliteratie.

De zeeschuimers, de overwinning van Koning Gise ziend, begonnen inderhaast al de uit de wagens geworpen schatten weder op te laden en de deerntjes legden onder leiding der drie koks de kazen weder op stapels zoo netjes, als men ze op de markt te Alkmeer aan ’t meer Flevo niet schooner en sierlijker gestapeld zou kunnen zien.

Tijdens deze bedreven was er op den eik waar Koning Mise en zijn drie dichters zich tegen den aanval van Fridbold verdedigden, wat vreeselijks gebeurd. Mise en zijn drie dichters, wijkend voor Fridbold, waren steeds hooger in den eik geklommen. Maar boven in den boom werden de takken fijner en dunner en ten laatste konden zij niet verder, zonder gevaar te loopen, dat de takken zouden breken en zij naar beneden zouden storten. Nu eerst leerden zij de voordeelen van de magere keuken huns heers waardeeren, want indien zij zoo verachtelijk dik waren geweest als de drie koks van Koning Gise, zouden zij zeker reeds veel vroeger uit den boom zijn gestort. Thans echter werden zij door hun licht gewicht gered, want Sigbold, hun steeds volgend, bedacht niet, dat dezelfde tak, die den mageren Koning en zijn magerder dichters nog droeg, zijn gewicht niet kon torschen. Zoo dan brak een tak boven in den top, de rooverhoofdman viel naar beneden en van tak op tak stortend, greep hij zich ten laatste eerst aan den ondersten vast en zeker zou hij zijn leven gered hebben, ware het niet, dat juist op dezen tak Koning Mise een deel van zijn gevoegsel had achtergelaten. De gladheid maakte den rooverhoofdman ’t onmogelijk zich vast te klemmen met zijn handen, die losgleden en met den kreet: „Verrader!” stortte hij nu op den grond en bleef dood liggen in een hoop drek.

Dat was het einde van Fridbold, den rooverhoofdman, eens gevreesd als woudkoning, thans verlaten en ellendig, roemloos gestorven, overwonnen niet door den saks of de speer of den aakst maar door verradelijk gevoegsel.

Toen nu Koning Gise bij het lijk stond en er geen gevaar meer te duchten was, kwam Koning Mise langzaam naar beneden gekropen, gevolgd door zijn drie dichters.

„Hoe heb ik dien neergeveld?” vroeg Koning Mise, de slip van zijn grauw overkleed met een beweging niet zonder waardigheid, zoo om de heup slaande, dat een gele en kwalijk riekende vlek verborgen werd.

„Hebt di dat gedaan?” vroeg Koning Gise.

„Ik en mijn drie getrouwen.”

Koning Gise keek naar den eik, langs welks stam Pill, Pimm en Pinn zich onder elkaar langzaam lieten afglijden. Doch minder gevat dan hun heer en vreezend, dat nu de gerechte wraak hun zou treffen, begonnen zij, zoodra zij den voet op den vasten grond hadden, met zulk een vaart weg te rennen, dat zij zelfs den terugroep van Koning Gise niet hoorden, die in de meening, dat zij de gevluchte roovers wilden achtervolgen, hun van het overbodige dezer heldhaftige poging meende te moeten overtuigen, door de verzekering, dat de roovers reeds te ver weg waren.

Het was onderwijl laat geworden en na de veelbewogen stonden had Koning Gise honger. Dankbaar voor de hulp die Koning Mise hem verleend had, noodigde hij deze aan zijn tafel uit, tevens echter zich er op beroemend, dat zijn drie koks een heldendicht zouden maken, zoo lang en zoo schoon, zuiver in de maat en rijk aan alliteratie, dat tot in het verre nageslacht gesproken zou worden van den heldhaftigen strijd van Koning Gise tegen den vervaarlijken roover Fridbold en zijn gezellen.

Pill, Pinn en Pimm, uit de verte bemerkend, dat de disschen aangerecht werden, slopen weder nader. Nu vernamen zij het kloekmoedig gedrag van Koning Gise en om niet voor de drie koks onder te doen, vroegen zij Koning Mise verlof een dierenfabel te mogen dichten op het manhaftig bedrijf van Koning Mise, den grooten held, die den gruwelijken roover Fridbold had in ’t zand doen bijten.

„In ’t zand?” vroeg Koning Mise en keek naar het lijk van den roover aan zijn voeten en diens nog altijd besmeerd aangezicht.

Dien avond eindigde vroolijk en Pill sprak ten slotte:

Wie snoerden lang de gordels toe, Tot redding kwam door kaka-toe?

HOOFDSTUK XI.

Hoe dichter prins Istovar van Mjellego, zoon van Tjilbard, Koning der Friezen, de haag van Renigo naderde, des te neerslachtiger werd hij. „Hoe zal ik ooit,” klaagde hij tot Melle, „voor de oogen der schoone bruid durven te verschijnen, zonder heldendaden bedreven te hebben? Van zooverre komen wij en geen avontuur dat waard is bezongen te worden, hebben wij gehad. Thoering’s eerste stoot gold een zwakke vrouw. Zevens trotsche manen waren oorzaak, dat vier brave lieden opgejaagd werden. Ik hoop een joncfrou uit de baren te redden en ervaar, dat ik een medeminnaar aan het leven heb teruggeven. En nu, de heerwegen zijn vol haaggangers, de roovers houden zich afzijds, de bruidegoms, in stede van zich met mij te meten, zijn om niets meer bezorgd dan om met een ongekwetst hachje en onbeschadigde geschenken, de andere hand-dingers vóór te zijn. Wat blijft mij, ongelukskind anders over, dan weer terug te reizen en o schande, mijn koninklijken vader te zeggen, dat ik weergekeerd ben zooals ik vertrokken ben, Thoering beschaamd af te koppelen, bedenkend dat het gewijde zwaard door vrouwe-bloed is onteerd, Zeven naar den stal te voeren en te zeggen: Eet rustig dijn haver. Dijn heer is niet waard, di te berijden!”

De getrouwe Melle, zeer bedroefd omdat de prins bedroefd was, peinsde over een middel, dat zijn jongen heer de levenslust terug zou geven. Hij sprak met Sigbert en met Tjeerd en met Reri over den rampspoed van hun tocht zonder avontuur.

Sigbert raakte vertoornd. „Wat, die prins zocht opzettelijk strijd? Was ’t al niet genoeg, dat de landman, die niets liever wilde, dan zijn akker in vrede te bebouwen en zijn vee in rust te fokken, telkens gedwongen werd den ploeg voor den saks te verwisselen. Wanneer de prins avontuur wenschte, om zijn jeugdige kracht te beproeven, dan zou hij in den oogsttijd naar de Batouw komen en de aren voor roovers aanzien en de sikkel, Thoering doopen. Dan kon hij roovers neerslaan van zonsopgang tot zonsondergang, tot zijn kleeren dropen van ’t zweet en zijn arm lam was van de slagen en rondom het rooversvolk lag neergesabeld en nu de buit naar den dorschvloer kon worden gedragen. Daar mocht hij den vlegel weder Thoering noemen en roovers beuken van zonsopgang tot zonsondergang en dan de buit opnieuw vergaderen in wannen en zakken en dragen naar de molen of naar de kuilen, waar ’t graan gedurende den winter lag bewaard.”

Toen Melle dit gezegde den prins overbracht, lachte hij smadelijk en zeide, dat deze rooverskamp een Batouwschen hoorige of een boer kon bevallen, maar dat een Frieschen prins alleen tegen edele en dappere roovers kon vechten, weerbare mannen, die wisten wat Thoering waard was en als ze een houw ontvingen, den arm wisten te waardeeren en schatten, die zoo raak sloeg, maar niet tegen redelooze koren-aren, die als de mieren, alleen sterk waren door hun aantal.

Tjeerd wilde met den prins een wedstrijd aanbinden in ’t klimmen in boomen en ’t springen over slooten. Prins Istovar keerde zich droevig af en liet door Melle zeggen, dat Tjeerd beter deed, een eekhoorn, een haas en een ree uit te dagen. Een Friesche prins klom alleen, wanneer hij een schans had te bestormen en hij sprong alleen, wanneer zijn ros onder hem sprong. Reri had met den prins willen prijsvechten met de vuist, doch Istovar deed weten, dat hij niet vocht dan met Thoering. Daar Reri niet met het kortzwaard terecht kon, weigerde hij den prijskamp.

Sigbert en zijn twee zonen, als zij den prins zagen rijden, keken elkaar veelbeteekenend aan.

„Ik geloof,” zei de een tot den ander, „dat dien jongen kaerel meer verstand heeft tusschen zijn knieën dan tusschen zijn schouders.”

Hoewel Melle nauwelijks een beteren uitslag verwachtte bij Herebaeld, vroeg bij dezen toch, of hij voor den prins een waardigen kampioen wist, zwak hopend, dat Herebaeld wellicht op ’t kortzwaard trekken wou.

„Er is een sterke vijand in de buurt. Hij heeft ons tijdens de reis veel kwaads toegevoegd en ons doen dwalen. Maar ik vrees, dat de prins hem niet met Thoering te lijf zal kunnen gaan.”

Melle sprak over dien vijand tot den prins.

Deze, Thoering vooruitstekend, riep honend, dat hij den vijand afwachtte, wie hij ook was, al ware hij sterk als een god.

Herebaeld trad naderbij en sprak:

„Prins, op den dag komt de vijand niet, maar tegen den avond kan ik hem di toonen. Doch ik vrees, hij zal di te sterk zijn.”

„Al ware ik alléén in ’t duister, ik zou hem met Thoering doorsteken.”

„Prins, du spreekt te veel.”

„Ik wed om mijn voorrang bij de bruid.”

„Du hebt het gezegd. Welaan... wij zullen zien.... nog dezen avond.”

Toen het donker was geworden trokken prins Istovar, Thoering, Zeven en Herebaeld ter zijde van den weg, van verre in stilte gevolgd door Melle. Aan een kruisweg bleven de twee jongelieden staan.

„Waar is de vijand en hoe is zijn naam?” vroeg de prins.

„Zijn naam is Brendel!” antwoordde Herebaeld.

„Brendel!” riep de prins, zich op zijn ros in postuur zettend en Thoering opstekend, „hier staat prins Istovar thoe Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Friezen. Kortzwaard tegen kortzwaard... kom op als du moed hebt!”

Hij wachtte, maar daar niemand antwoordde of zich vertoonde, herhaalde de prins zijn daging. En daar weder niemand opkwam, riep de prins:

„Herebaeld, ik geloof dat dijn vijand niet durft.”

„Zeker heer... hij staat reeds gereed en wacht.”

„Waar dan?”

„Ginds!”

„Ik zie niets!”

„Maar daar, recht voor di... hij heeft een gouden pantser aan.”

Herebaeld wees op Brendel, die hoog en schitterend in de lucht stond, vooraan in de strijdlinie der zeven minnaars van Nehalennia.

„Die daar, de voorste, is dat Brendel?” vroeg de prins, met uitgestrekten arm Thoering voor zich uithoudend en diens betooverden punt richtend op de schitterende ster.

„Die is het!...” riep Herebaeld.

„Vooruit dan, mijn ros!” kreet de prins en zijn paard de sporen in de lenden drukkend, reed hij in vollen draf, met uitgestrekt zwaard en gebogen zijdelings over den fraai gebogen hals van ’t fiere ros, naar den einder, waar Brendel stond, hoog, klaar, met schitterend kuras en manmoedig den aanval des jongelings afwachtend.

Herebaeld staarde hem na, hoe hij reed op ’t witte ros door het hooge gras, moedig op Brendel aan en dacht:

„Zoo waar, ik geloof dat de kloeke jonge vorst ons wreken zal.” En zijn vuist tegen de ster ballend zeide hij: „Wacht du, misleider. Du zult weten, dat du ons op dwaalwegen hebt gevoerd.”

Onderwijl reed prins Istovar in woesten galop voort, op den vijand aan. Maar deze, hoewel voorzien van een gouden kuras, week laf terug en hoe sneller Zeven draafde, des te sneller vluchtte Brendel.

„Kortzwaard tegen kortzwaard!” riep prins Istovar. „Sta zeg ik, als du kampen durft!”

Maar Brendel week steeds achterwaarts en Zeven begon reeds te hijgen. De prins spoorde zijn ros opnieuw aan, toen dit plotseling zijn vaart inhield, de voorpooten gestrekt voor zich uitspalkend en de achterpooten inhurkend.

Prins Istovar buitelde schier over den kop van Zeven heen. Hij steeg af, nam het paard bij den teugel en keek om zich heen om te ontdekken, wat het paard verschrikt had. Boven aan den hemel was een zware wolk voor de sterren geschoven. De prins keek op en merkte het:

„Dus zijt du dan toch eindelijk afgestegen! Welaan, kom op, kortzwaard tegen kortzwaard. Hier staat prins Istovar thoe Mjellego!”

In ’t vage duister van den laten avond zag de prins nu uit een boschje Brendel naderen, maar in zwarte rusting, gelijk roovers die plegen te dragen. Het was een groote, zware vijand, die vooraf werd gegaan door een klein, zwart paard. Nu hij nader kwam zag hij, dat Brendel op een wagen zat en dat achter in de wagen nog drie roovers hadden plaats genomen.

De prins steeg weder te paard, stuurde Zeven zoo dat het ros met een sprong midden voor de kar van Brendel stond en met Thoering dreigend riep hij:

„Bij Baduhenna, stel di te weer, kortzwaard tegen kortzwaard.”

Brendel hield zijn klein ros in en nu, in het vage duister zag de prins hoe de vier roovers samenspraak hielden.

„Bij Baduhenna... weert di... Thoering tegen één, Thoering tegen twee, Thoering tegen drie, Thoering tegen vier... Eén tegen vier... hier staat prins Istovar thoe Mjellego... weert di!”...

Opeens sprongen de vier roovers uit de kar en elk vluchtte naar een andere zijde.

De prins gaf een ruk aan den teugel van Zeven en rende een roover na. Deze, zich omkeerend riep:

„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”

Daarom wendde de prins den teugel en vervolgde nu den tweede. Ook deze hield stil en riep:

„Niet ik, de andere draagt het kortzwaard!”

En de derde nu naderend, verwees deze hem naar den vierde.

De vierde hield stand en wachtte den ruiter af.

„Kortzwaard tegen kortzwaard!” schreeuwde de prins, blakend van krijgsvuur.

„Prins!” antwoordde de roover, „niet ik ben di waardig, doch mijn hoofdman. Hij nadert daar ginds met zijn stoet. Als du moed hebt, kamp dan met deze. Maar ik vrees, dat du den strijd zult verliezen!”

Prins Istovar antwoordde niet; hij zag in de verte, vaag in ’t half duister Brendel zitten op een hoogen triomfwagen, ’t kortzwaard aan de zijde en omgeven door een stoet van piekeniers. Onvervaard snelde hij op den vijand af en voor diens karos inhoudend, hield hij Thoering vooruit en schreeuwde:

„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego, kortzwaard tegen kortzwaard!”

Een vreeselijke verwarring ontstond in den stoet van Brendel. De piekeniers wierpen op ’t gezicht van den dapperen prins hoog op Zeven met Thoering dreigend in de vuist, hun pieken weg en renden naar alle zijden in ’t hooge gras om zich te redden. Alleen Brendel op den triomfwagen hield koen stand en trok zijn kortzwaard, terwijl achter hem drie donkere gestalten oprezen, die in de triomfwagen zich hadden bevonden.

„Hier staat prins Istovar thoe Mjellego—Vrijheid alle tijd! Noem dijn kampspreuk!”

„Ik worstel en kom boven!” antwoordde Brendel, van de wagen zich latend glijden en nu, met getrokken kortzwaard onvervaard toeloopend op den prins.

De prins steeg nu ook van Zeven en Thoering recht voor zich houdend, met de punt hemelwaarts, vroeg hij:

„Dappere kampioen—uw strijdnaam?”

„Koning Gise van Bedekoog!” klonk het in ’t half duister van den stillen nacht.

„Koning, aan u den eersten streek.”

Koning Gise, naar de regelen der schermkunst met het kortzwaard, liet zijn zwaard glijden langs het zwaard van den prins, zoodat beide kampioenen zich overtuigen konden, dat de zwaarden even lang waren. Daarna, eveneens volgens de regelen, bleven de beide hooggeborenen zoo staan en zeiden elk hun laatsten wensch, opdat, mocht na den eersten stoot reeds een kampioen vallen, de tegenpartij den laatsten wensch kon overbrengen of vervullen.