Chapter 30 of 32 · 3989 words · ~20 min read

Part 30

En den volgenden dag trokken ze weder de ploegen, de kerels en de meiden, en den volgenden dag, en den volgenden dag tot de week om was.

Thonarsdag werd gerust. Sigbert sliep den heelen dag door bij de zakken graan. De jongens en de meiden gingen langs de geploegde landen wandelen, hand in hand, Tjeerd met Walhild en Reri met Swanhild en bij de boschjes keken zij naar de boomen, waarvan er enkele vroege, die op de zonzijde stonden, al gingen ontknoppen. Reri vertelde ook van de twee goudstukken, die hij had gekregen van Maresag en hij overlegde met Swanhild wat zij er voor ruilen zouden, Friesche koeien, zwijnen van de Skalde-eilanden, Friesche sandalen voor Swanhild en een bronzen oorijzer.

Tjeerd vertelde van de groote reis, van de heldendaden van Reri en van zijn broers kracht. Maar Walhild zei dat ze Reri toch nooit tot man zou willen, al zou hij ook aanvoerder van een saks worden. En dat Tjeerd toch ook sterk was en dat hij toch tegen zijn grooten broer had òp-geploegd.

Toen keek Tjeerd Walhild dankbaar en liefdevol aan en hij pakte haar in den nek en drukte haar hoofd tegen zijn borst en kuste haar in den hals en op de wangen. Zij begonnen samen te spreken over de akkers; welke vader Tjeerd zou toewijzen en welke Reri. Walhild zei, dat Sigbert beiden met de bijl moest doen werpen.

Maar Tjeerd wilde liever dat met de kootjes zouden worden gerold, want als Reri de bijl zou werpen, ging zij over zoovele akkers heen.

Met de nieuwe week begon het zaaien en eggen. Sigbert had het graan afgedeeld en bestemd wat weite-akker en wat gerste-akker en wat spelt-akker en wat rogge-akker zou worden. Maar voor het honig-graan had hij nog geen akker gekozen en hij wist niet welken grond hij er voor kiezen zou om ’t beste beschot te krijgen.

Daarom nam hij een handvol honing-graan en wierp het omhoog in de lucht. De wind woei het oostwaarts. Toen besloot hij den kleinen, glooienden akker, die tegen het oosten lag, te kiezen.

En nu, met een schort vol zaad, liep hij langs de blauwzwarte gronden; zijn hand gruiste zacht in ’t rulle zaad en dan, met gelijke arm-zwaaien naar rechts en links, strooide hij de korrels met de zware rechterhand uit, bij elken zwaai mompelend: „Voor Wot, voor Nerth, voor Wot, voor Nerth,” en dan weer na een poos „voor Thor, voor Frigg, voor Thor, voor Frigg.”

Reri en Tjeerd, de eg trekkend, liepen achter hem aan en zagen hun vader voor zich uitgaan, zijn groot, recht lijf in gelijkmatige deining.

Drie dagen duurde het zaaien en het eggen. Toen, tegen den nanoen, als alle akkers geploegd, gezaaid en geëgd waren, riep Sigbert zijn twee zonen en de twee meiden tot zich en gebood hun, hem en Maaike te volgen.

Zij gingen naar den stroom en aan den oever ontkleedden zij zich allen. Toen daalden ze naakt af in het koude water en namen met elkaar een bad.

Maaike had aan den oever voor allen de nieuwe kleederen uitgebreid. Voor de twee vrijsters elk een wit onderkleed en een fijngeweven lichtblauw wollen opperkleed. Voor de twee zonen lange witte onderkleeren en zwaargeweven, bruinwollen bovenkleeren. Sigbert sloeg de groote, zware pij om met de witte puntmuts op den rug hangend, die hij als saksvoerder en dingrechter mocht dragen. Zij zelve trok een nieuwen donkergrijzen huifmantel aan over een wit wollen onderkleed. De oude kleeren van allen werden tot een bundel gebonden en toen naar den grooten offersteen gebracht.

Daar draaide Sigbert vuur en stak eerst een kleine mutsaard aan voor den offersteen. Daarop legde elk zijn bundel oude kleeren en toen de kleeren brandden, een dichte, zwarte rook opsteeg, hief Sigbert de handen hoog en ving met een zware stem den lofzang aan, waarop de twee zonen invielen en daarna de moeder en de twee nieuwe dochters:

„Wotan, groote Heer almachtig, Donar, met den donder krachtig, Tivaz, aller helden vaêr, De drie goden bij elkaâr. Heilige Drieëenigheid, Heilige Drievuldigheid. Houdt ons van de zorg bevrijd, Al de donk’re akkerwenden Dragen kind’ren in de lenden, Heil, de groote hemelheeren, Dat zij weren, weren, weren!...”

„Were Wotan!” riep Sigbert na den zang.

„Were Donar!” riep Reri.

„Were Tivaz!” riep Tjeerd.

„Wére, wére, wére!” riepen de vrouwen in koor.

En allen zich bukkend, kusten zij Nerthus, de aarde-moeder.

Toen nam Sigbert de kootjes en wierp ze op den offersteen, eerst voor Reri en Swanhild. Die hadden zes oogen. Toen voor Tjeerd en Walhild. Die hadden vier oogen.

„Zes wenden akker voor Reri, vier voor Tjeerd!” zei Sigbert.

En in hun nieuwe kleederen, verfrischt door het bad, zachtjes gewarmd door de stralen van de nanoenzon van ’t beginnende voorjaar, liepen zij allen paarsgewijs, hand in hand, langs den lietweg waar goudbruin in de zon, de hut lag van Reginbirn, den vader der twee maagden, zingend een lustig landliedje, de gevatte handen los slingerend aan de armen en voor zich den hoogen halboog van den goud-bewolkten hemel....

„Zije aan zije, Al in de Meie, Paar aan paar, Al naast elkaar, Nieuwe Heeren, Nieuwe kleeren Komt de nieuwe zonnegloed, Leef di in de Batouw goed.”

HOOFDSTUK XVIII.

Den heelen winter bleven de twee partijen in Nervigo gewapend tegenover elkaar staan, zonder dat het tot een groot treffen kwam.

Sogol woonde op het groote Schedelhuis te Beldûn en in een zijvleugel van dat versterkte slot huisde Harimona.

Het Ding der edelen was bijeengekomen en Sogol was tot eersten hertog gekozen. Na den beslissenden slag zou het Ding opnieuw vergaderen en als de overwinning aan de zijde der edelen was, Sogol tot koning uitroepen. Het huldigings-feest zou tegelijkertijd de bruiloft van Sogol en Harimona worden.

De strenge winter maakte het onmogelijk om veel te veranderen in ’t staatsbestuur. De edelen en de edelvrouwen zaten thuis in de groote, houten huizen, versierd met paardeschedels, die het ongeluk afweerden en warmden zich voor de groote houtvuren. Sprokesprekers trokken rond en zegden vergezeld van knapen of maagden, die vaardig waren in ’t begeleiden van de recitatie met horen en liermuziek, sproken en heldendichten op en sagen. De mannen hoorden het liefst naar de verhalen der krijgslieden, den strijd van Berenwelp met Grendel, de wraak van Grendels moeder, het gruwelijke poelwijf, den strijd van Berenwelp en Wigleif tegen den rotsdraak. Maar de maagden en vrouwen luisterden liever naar de liefdesgeschiedenis van Waldiwa, de vreemde maagd en prins Rutger of naar de smartelijke liederen die Hildburg zong, toen haar broeder en haar zonen gevallen waren. [26]

Sogol liet ook dikwerf sagen-zeggers komen, maar hij hoorde norsch toe en vond geen vermaak noch in de strijden der helden noch in de liefdesgeschiedenissen of rouw-zangen. Hij vroeg de sagensprekers of zij de helden gekend hadden en of zij wel eens een draak hadden gezien en als zij ontkenden maar voortgingen met het opzeggen, zat hij somber toe te hooren.

Er was een sproke-spreker te Beldun aangekomen, een magere, roodharige man, die zonder begeleiding was en een lier had van twee stierhorens gemaakt, waartusschen zeven snaren gespannen waren. Hij was in lompen gekleed en zag er verhongerd uit. Daarom werd hij van alle deuren teruggewezen en hij viel tegen den laten middag uitgeput neer voor het venster van Harimona’s vertrek. Zij hoorde buiten steunen en toen zij het gespannen kalfsvel, dat het venster afsloot, afnam en riep, wie daar klaagde, antwoordde de man slechts met een zucht. Zij keek nu uit het venster en den armen man ziende liggen in de koude, noodde zij hem uit, binnen te komen, zich te verwarmen en wat te eten. De man keek dankbaar op en hoewel hij zeer uitgeput was, sleepte hij zich naar de deur en Harimona, den grendel wegschuivend, liet hem binnen. Zij bood hem een ligplaats bij ’t houtvuur aan en gaf hem een nap met warme bouillon van paardevleesch.

Toen hij zich wat hersteld had, vroeg zij hoe hij in dezen ellendigen staat was geraakt. Hij antwoordde, dat hij een Skandiër van geboorte was, maar als schandekind overal veracht was geweest. Toen had hij zichzelf een lier vervaardigd en was zingende en sproke-sprekend naar de Nervigo getrokken omdat de mare ging, dat in Nervigo elkeen geacht werd om zichzelf en niet om zijn afkomst. Maar nu hij na veel ontberingen eindelijk in de Nervigo was aangekomen had hij vernomen, dat er strijd te wachten stond tusschen de edelen en de vrijgelatenen en niemand had zijn sproken willen hooren omdat hij geen schoone kleederen had en geen fraaien lier en geen geleide, dat de liederen kon zingen.

Harimona diende den man nog een nap met paardevleesch toe en zette een kan mede voor hem neer, hem gebiedend te wachten en zich voor te bereiden. Want hij zou voor Sogol mogen spreken.

Zoodra de zanger alleen was, liet hij eten en drinken staan, maar wierp zich op een overkleed van Harimona, dat over een stoel lag, ’t welk hij met kussen overdekte. Ook een paar van hare sandalen, die bij ’t vuur stonden, nam hij op en drukte ze aan zijn borst en kuste ze.

Maar Sogol wilde den man niet hooren. Hij had genoeg van de sproke-sprekers. Ellendige leugenaars waren het. Leugens waren de verhalen van de gevechten der helden en leugens de verhalen van de draken. Het waren laffe kruipers, die men onder den voet moest vermorzelen. Want wie hun geschenken gaf, bezorgen zij zoodra als held, al ware hij ook laf als een haas.

„Maar zij spreken toch ook schoone sproken van ware helden!” meende Harimona.

„Dat zijn geen helden.... de heldenmoed bestaat niet in ’t trekken op ’t zwaard en ’t sterven in den kamp. Want al die helden waren verzekerd van het eeuwige geluk in Walhalla, wanneer zij stierven. Strijden met den twijfel in de borst, strijden zonder uitzicht, dat is moed. En strijden tegen de duisternis van ’t eigen gemoed, dat is heldhaftig. Vraag dijn sprokespreker of hij een sproke kent van den strijd van een held tegen de zwartheid van ’t menschelijk lot. Van een held, die den draak van onze verblinding kan verslaan....”

Hij sloeg zich toornig met de vuist tegen het hoofd.

„Dan moest hij di bezingen, mijn geliefde!” zeide Harimona zacht.

Zij ging terug naar heur vertrek en zich tot den mageren Scandiër wendend, zeide zij:

„Mijn heer wil di hooren op één voorwaarde.... dat du geen kampen tusschen helden sterk dan lichaam bezingt maar kampen van helden, sterk van geest.”

„Vrouwe,” zei de sproke-spreker, „ik ken de sproke van den geketenden held Sinterfietzilo. Maar het is een gevaarlijke sproke, want wie haar zegt wordt door de priesters gebannen.”

„Komt mede, Scandiër. Mijn heer zal di vrijdom geven.”

Hij volgde heur naar de groote, halfduistere hal. Sogol zat op een lagen zetel voor ’t houtvuur en roode schijnsels schemerden om hem heen.

„Mijn Heer,” zeide Harimona, „hier is de Scandische sproke-spreker.”

Sogol keerde zich half om.

„Kom dichterbij, dat ik dijn gezicht zie.”

De magere, roodharige man trad tot bij ’t vuur.

„Zijn dijn haren zoo ros of is het ’t schijnsel van ’t vuur, dat ze zoo kleurt?” vroeg hij.

„Heer, het is de kleur van mijn hoofdhaar.”

„Hoe, een Scandiër met rood haar?” vroeg Sogol verwonderd.

„Ja heer.... mijn moeder was een Scandische....”

„En dijn vader?....”

„Heer, ik heb geen vader.”

„Du hebt geen vader.... en wie was dan dijn moeders vrijer?”

„Heer, mijn moeder voer mede op een skig. En in een vreemd land werd zij geroofd en die van daar verkrachtten haar. Na jaren kwam een andere skig en zij vluchtte met mi naar de skig en werd weder na lange reizen, teruggevoerd naar ’t Scandische rijk.”

„Bent di in ’t vreemde land geweest?” vroeg Sogol, vol belangstelling.

„Ja heer, maar ik was nog slechts een knaap.”

„Wat hebt di daar gezien?”

„Heer, wat ik weet is de herinnering van het kind. Er waren groote witte huizen en tempels. Er stonden beelden van goden en godinnen van witten steen, den menschen gelijk maar met edeler trekken. Meer weet ik niet, Heer.”

„Weet dijn moeder meer?”

„Zij is dood, Heer.”

„Vertelde zij di nooit wat van ’t vreemde land?”

„Niet veel heer.... maar één sproke ken ik. Doch daar ik den naam niet behouden heb van den held, wil ik hem Sinterfietzilo noemen, omdat hij ook aan een rots geketend was.”

„Spreek dijn sproke, man!” zeide Sogol ernstig. „En zoo du mij vermaakt, zal ik di kleederen en stand schenken.”

Harimona vleide zich neer op een berehuid naast Sogol’s stoel, heur hoofd leunend tegen zijn knie.

De sprokespreker knielde voor beiden, stemde zijn lier, tinkelde er even op en begon:

„Er was in ’t verre vreemde land een man, die op een nacht droomde, dat hij gestorven was. Het was alles duister om hem heen en hij hoorde een gestadig ruischen als van een verre zee. Hij meende, dat dit de kar van den oppergod was, die naderde, maar hij bleef in ’t duister liggen en hoorde het ruischen doch de kar kwam niet naderbij. Toen wilde hij roepen om te zeggen, dat hij daar dood lag, wachtend op de komst van den oppergod. Doch de oppergod kwam niet en toen ontwaakte hij.

„Sedert begon hij te peinzen over het leven na den dood en hij ging naar alle tempels om met de priesters te spreken. Doch de verhalen van de priesters gaven hem geen vrede en steeds werd hij gepijnigd door de gedachte, dat de dood het einde van het leven was en er daarna geen leven meer bestond, maar dat de ziel zich oploschte in het ruischen van de wereldzee.

„Dat vertelde hij ook aan de andere menschen en toen hij eens, bij een offerplechtigheid, de priesters hoonde, werd hij gegrepen en tot straf aan een eenzame rots geketend, waar hij moest verhongeren.

„Toen hij nu daar vastgeketend stond, had hij geen berouw, maar hij vloekte de menschen, die hem zoo gestraft hadden en den oppergod, die hem wel het ruischen van zijn kar had doen hooren, doch hem niet verschenen was. Dat maakte den oppergod toornig en hij hield den doodsgeest ver van de rots waar Sinterfietzilo aan was vastgeketend, zoodat de zondaar eeuwig moest hongeren.

„Maar Sinterfietzilo op zijn beurt, vloekte den oppergod en tartte hem, zeggend: „Du wreedaard, het leven kunt di mij wel geven, maar nemen kunt di het mi niet!”

„De oppergod nu, daalde af en verscheen hem en zeide:

„„Wat, du maaksel van mijn handen. De sterren allen kan ik met één slag vernietigen en dan zou ik di niet kunnen verpulveren?”

„„Neeniet, du machtelooze. Want wat geweest is, is geweest en du kunt het niet ongedaan maken.”

„„Du menschenbroedsel, wat let mi, en ik vernietig di en de heele wereld met di?”

„„Du kunt niet.... du kunt niet.... Want wat geweest is, is geweest....”

„Toen nam de oppergod de zon van den hemel en door het gat stortte een stroom water over de aarde en alles wat daar op leefde verdronk.

„Jaren liet de Oppergod de aarde zoo woest en ledig. Toen hing hij de zon weder uit en de aarde droogde en de landen kwamen weer boven en de levensboom sloeg weer nieuwe wortels en nieuwe menschen groeiden er aan, geslacht na geslacht en op een dag werd ook Sinterfietzilo weder geboren en weer droomde hij zijn doodsdroom en weer stond hij tegen den oppergod op en toen hij weder geketend was, daar sprak hij tot den oppergod:

„„Ziet di wel, dat du machteloos bent. Hier ben ik weer en wat geweest is, is geweest en geen macht, in de hemelen net zoomin als op de aarde, kan vernietigen wat bestaan heeft.”

„Toen werd de oppergod zoo woedend, dat de wereldzee opschuimde en de heele aarde overstroomde. En weer was de aarde woest en ledig, eeuwen na eeuwen tot de oppergod voldaan was en moede van het straffen. De wateren weken terug en de aarde dook weder op en de levensboom sloeg nieuwe wortels en de eerste menschen werden geboren en geslacht volgde op geslacht tot Sinterfietzilo geboren werd en tot man opgroeide en zijn droom van den dood droomde en de priesters hoonde en weder geketend werd aan de rots. En weder smaadde hij den oppergod.

„De god nu heeft zoo duizendmaal het menschdom vernietigd en duizendmaal is de levensboom weder opgegroeid en Sinterfietzilo is uit de geslachten opgestaan en heeft telkens met meer smaad den oppergod gehoond, omdat hij niet ongedaan kon maken wat gedaan was. Toen heeft de oppergod hem laten leven, zoo vastgebonden aan de rots, eeuwig versmachtend en nooit kunnende verdwijnen. En tot straf zendt de oppergod elk jaar een heiligen gier naar Sinterfietzilo en deze rijt hem met den scherpen snavel zijn lever uit. Daar lijdt Sinterfietzilo, de godenhoner, dan ’t heele jaar onduldbare smarten door, tot de lever is aangegroeid. En dan na één jaar, zoodra de lever genezen is, komt de heilige gier opnieuw. En dat altoos door, jaar na jaar, totdat Sinterfietzilo deemoedig is geworden en erkennen wil dat de oppergod almachtig is. Maar Sinterfietzilo lijdt liever alle eeuwige smarten dan dat hij zich verdeemoedigd. En de oppergod is onmachtig, want wanneer hij den levensboom uitroeit, roeit hij zichzelf uit, omdat de wortels van den levensboom gevoed worden door de ziel van den oppergod, die den levensboom uitroeiend tegelijk zichzelf zou uitroeien. Zoo leven zij dan, beiden in eeuwigen strijd, Sinterfietzilo en de oppergod en de strijd kan slechts eindigen, wanneer beiden sterven en daarom zal de strijd eeuwig duren, want alles kan de oppergod, behalve dit ééne, zichzelf vernietigen. Daarom is in dezen strijd geen overwinnaar en geen overwonnene maar een eeuwige kamp....”

De sprokespreker zweeg en bleef in het vuur staren. Harimona hief het hoofd op naar Sogol en zij zag, dat tranen langs zijn wangen biggelden.

„Waarom weent di?” vroeg ze zacht, opstaande dan en hem haar arm troostend om den hals leggend.

„Zou ik niet weenen?... Wèl heeft hij de waarheid gesproken.... Sinterfietzilo, dat ben ik.... en dat is elkeen die naar de ontraadseling van het geheim des levens streeft... En toch, hij had gelijk, Sinterfietzilo had gelijk...”

De sprokespreker zag met eerbiedige bewondering naar Sogol op.

„Groote Heer, is het mogelijk, dat zooveel wijsheid van di afstraalt.... Want ook ik Heer, geef Sinterfietzilo gelijk.... hij is grooter dan de oppergod. Want de oppergod heeft de macht tot aanval en bestraffing, maar Sinterfietzilo heeft slechts de macht tot verdediging.”

„En wat denkt de heilige vrouwe?” vroeg Sogol, zacht ironisch.

„Ik denk, dat Sinterfietzilo ongelijk heeft...”

„Ik wist het, dat du zoo denken zoudt,” antwoordde Sogol onwillig. „En waarom heeft hij ongelijk?”

„Omdat hij met menschenkracht den hemel wil bestormen. Laat menschen met menschen en goden met goden strijden. Kampt bij het zwaardspel de dwerg tegen den reus? Of de zwakke tegen den sterke? Neen, nietwaar, alleen de strijd tusschen porturen met gelijke zwaarden is schoon en edel...”

De sprokespreker was opgestaan en naderbij gekomen. Nu vleide hij zich voor Harimona neder en keek naar heur op met groote, verbaasde oogen.

„Wat is het zwaard van Sinterfietzilo?... Een kleine, kromme sikkel vol scharen, het arme, geringe menschenverstand. Maar de oppergod heeft het reuzenzwaard, waarmede hij met één slag de zon van den hemel kan losslaan, gelijk een schild van den wand. Zaagt du ooit een boer vechten tegen een hertog? De boer lag geveld vóór hij den hertog geraakt had. Zoo Sinterfietzilo, die den oppergod te lijf wil. Du kondet sprokespreker, dat de oppergod alles vermag, behalve zichzelf te vernietigen. Maar ik zeg di, dat hij ook dàt zou kunnen, als hij dat wilde...”

„Onmogelijk, onmogelijk!” kreet Sogol, als voelde hij de smart van den gier, die hem de lever openreet.

„Wanneer du denkt met dijn verstand... dan ja, mijn bruidegom, is het mogelijk. Maar als di den oppergod wilt naderen, in zijn ondoorgrondelijk wezen, moet du hem tegemoet treden zooals de boer, die den hertog tegemoet komt, niet met zijn sikkel gescherpt en gereed tot den ongelijken strijd, maar deemoedig en vol vertrouwen, zooals dat een boer past, die niet weet welke groote wijsheid woont in ’t hoofd zijns heeren, noch richten kan over diens wil en daden. Het goddelijke vangt aan, waar het menschelijke eindigt...”

Zij schrikte even op. De sprokespreker was met gebukt hoofd tot aan heur voeten gekropen en had die gekust.

„Kus mi niet, maar kus den geest, die door mi spreekt!” zeide zij, heur voet terugtrekkend.

„Di kan hij niet kussen dan in dijn lichaam!” antwoordde Sogol. En zich tot den sprokespreker richtend:

„Du man, sta recht. Ik houd niet van gebogen ruggen. Het dier gaat gebukt, omdat het een slaaf is, maar de mensch gaat rechtop. Zijn verstand heeft hem bevrijd uit den eersten staat der onderworpenheid. En het zal hem bevrijden uit den tweeden staat, tot hij vliegen kan gelijk de geest, zonder de afstanden te kennen, noch den duur van den tijd...”

„En wat de mensch zou kennen, dat zou de oppergod niet vermogen?” vroeg Harimona, zacht-droevig haar geliefde aanziende. „Want wie tijd en afstand kan vernietigen, die kan ook méér vernietigen, dan een menschenverstand kan uitdenken. Hoe groot is niet het onderscheid tusschen het dierenverstand en het menschenverstand. En du zoudt meenen, dat dan de afstand tusschen menschenverstand en godenwijsheid niet nog grooter moest zijn? Dijn trouw paard groef wel een gat in den wand van ’t donkere hol, waar zijn meester lag geketend. Maar méér vermocht het niet. Zoo dan, wel kunt di een gat graven in den hemelwand, waarachter de groote goden zijn, maar ze bevrijden kunt di niet, omdat dijn verstand daartoe niet reikt. Het is niet hun schuld, dat zij voor di onbereikbaar zijn, maar dijne. De oppergod kan alles, alles, alles, maar Sinterfietzilo kan niet alles, alles, alles begrijpen. En daarom past hem deemoed en vertrouwen en zoo goed als de wantrouwige godenvijand door den oppergod wordt gestraft, zoo goed wordt de vertrouwer in zijn alwijsheid beloond...”

„O vrouwe... o heilige vrouwe... hoe dank ik di... straks schonkt di mi spijs en drank voor het hongerende lichaam, maar dit is meer... want du verzaadt mijn smachtende ziel... o, heilige vrouwe!”

De sprokespreker had zich weder voor haar neergebogen en weende van dankbaarheid.

„Ik wil niet, ik wil niet!” kreet Sogol. Hij bracht beide handen aan de zijde, alsof zijn lever hem pijn deed. En opeens, in toornige woorden losbarstend: „Ik kàn niet vertrouwen... ik kàn mi niet verdeemoedigen... Ja, du vrouwen, die van dijn eerste jeugd gewend wordt op te zien en te vertrouwen en deemoedig te zijn en afhankelijk te wezen van den man... du kunt di verdeemoedigen ook voor de goden... En du sprokespreker, die rondreist, verbeeldend en lofzingend en uw woord tot dienend verheerlijken van anderer daden maakt—du kunt vertrouwen. Het is dijn slaafsche, zwakke aard... Maar ik ben een vorstenzoon en de kampioen, die voor mi verschijnt met verdekt gelaat, ik dwing hem met mijn zwaard ’t gelaat te toonen... Rechtop ben ik geboren en rechtop wil ik leven, al moet het dan ook zijn opblikkend naar den hemel, met een vloek op de lippen en een traan van smart in ’t oog. Mijn verstand is geen sikkel... het is een scherp gewet zwaard, dat ik wèl weet te hanteeren... En dit zeg ik di vrouw, en dit zeg ik di, sprokespreker... een slavengod mint de gebogen ruggen, maar een heerengod mint het opgerichte gelaat en ’t gereede zwaard. Ik zeg di, dat er niets bestaat buiten het verstand, en wat buiten het verstand bestaat, welnu, dat het vertrouwen vrage en deemoed eische van die dat, wat buiten het verstand is, bezitten...”

„Ik bezit het!” zeide Harimona fier.

„Heilige vrouwe!” murmelde de sprokespreker.

„Slaafschen zin bezit di! Een kol zijt di en een leugenwijf”, toornde Sogol op... „Ha... Sinterfietzilo.. wel bent di eenzaam aan dijn rots van marteling geketend... Want die ’t liefste di was, staat het verste van di... Gelooft di vrouw? Zeg mi, gelooft di in de goden?”

Hij pakte haar bij den arm en schudde haar heftig.