Part 9
Die lachte en toen de jongen hem zeide, hoe hij den boschgeest had uitgescholden en hoe hij hem met den speer was nagerend, maar dat deze niets anders had gedaan, dan zich verstoppen en de schimpen herhalen, nam Sogol het hoofd van den knaap tusschen de handen en kuste hem op voorhoofd en wangen en zeide:
„Braaf zoo mijn jongen. Du bent een echte Nerviër. Ik zal di tot krijgstoeter verheffen op mijn groote reis en di een wapenspreuk geven.”
„Welke?” vroeg Haun.
„Vreezeloos en trouw!”
Dien dag gingen Sogol en Haun samen naar den boschgeest. Sogol liet Haun enkele tonen blazen, dan hier, dan daar, dan verder en hij luisterde scherp naar het antwoord.
’s Avonds, bij ’t haardvuur, sprak hij met Myst over den boschgeest, den eenige in den stroth, dien hij niet had kunnen verklaren. Hij bewoonde een zeker deel van den stroth, onder den grond of terzijde van twee dikke eiken. Zijn gebied was niet heel groot en Sogol wist precies waar de geest antwoordde en waar niet. Ook had hij, juist als Haun, den geest op velerlei wijzen genoodigd om zich te vertoonen, eveneens zonder gevolg. Nu de jongen vertelde, dat de geest de vossevellen niet had genomen, maar de eieren had uitgezogen, begon Sogol na te denken. Hij legde op dezelfde plaats nu ook eieren neder en met een celt gewapend, bleef hij met Haun dien avond en dien nacht de wacht houden achter een beuk, dicht bij de eieren, besloten om als de boschgeest de eieren kwam halen, hem staande te houden of neer te vellen.
Midden in den nacht hoorde zij een geritsel in de dorre bladeren op den grond. Haun, bevend van vrees, drukte zich tegen Sogol aan, die onbewegelijk, den steel van den celt vast in de vuist geklemd, gereed was voor den aanval. Toen zagen zij den boschgeest naar de eieren sluipen.
„Sta geest!” schreeuwde Sogol op de eieren toespringend.
„Sta geest!”, schalde het driemaal, maar meteen sprong een gedaante op en vluchtte.
Sogol wierp haar de celt na en raakte haar zoo, dat zij neerstortte.
Haun was Sogol nagesprongen, maar nu zij den geest zagen vallen, juichten zij beiden een: Ojo, Ojo!
Doch de boschgeest antwoordde van een andere zijde met een ojo! en de gedaante kon dus niet de boschgeest zijn geweest.
Sogol liep tot daar, waar de gedaante was neergevallen en greep er naar.
„Grendeldebliksem!” kreet hij, „’t Is een vos!”
En toen zij een toorts hadden aangestoken door een stuk droog hout te draaien in een doorboord houtblok, zagen zij bij den vlam dat een magere oude vos, schier tandeloos, die geen dieren meer kon aanvallen, zich aan de eieren wilde te goed doen.
„Zoo zal de boschgeest ook dijn eieren hebben opgepeuzeld Haun en de vossevellen hebben laten liggen... hij had er zelf een en dat was hem genoeg... Ik geloof, dat er geen boschgeest is...”
„Maar wie zou dan hier toeteren?” vroeg Haun.
„Dat zullen wij morgen nog eens onderzoeken.”
Zij gingen met den dooden vos naar de hut. Doch al ’s morgens vroeg liepen ze weer beiden naar den boschgeest. Nogmaals liet Sogol Haun toeten.. nu hier, dan daar, dan op een boom en met een punthout trok hij lijnen langs den grond en maakte teekens om te onthouden, waar de geest driemaal antwoordde en waar tweemaal en waar eenmaal en waar de geest niet antwoordde.
Bij de twee eiken was ’t geluid altoos het sterkst.
„Als hij hier is, moet hij hier wonen. Ik zal die eiken omwerpen.”
En nu zag Haun hoe Sogol alleen, gedurende dagen bezig was om de twee eiken om te werpen. Dat deed hij heel vreemd, niet zooals in ’t land der Nerviërs, waar zij met lange bronzen messen heen en weer sneden, doch Sogol groef een geul rondom den stam en wierp deze vol stukken hars, die hij dan met een grooten steen fijnstampte. Ook boorde hij in den stam beneden diepe gaten en stopte die vol met harspoeder. Onderwijl vermaakte Haun zich met toeteren en nu bij de grenzen van het gebied van den boschgeest wist, vond hij een aardig spel uit. Hij blies eerst een wijsje, daar waar de boschgeest niet antwoordde. Dan blies hij in ’t gebied van den boschgeest ’t zelfde wijsje gedempt, door zijn vuist in den horen te steken en daarna weer snelde hij buiten ’t gebied en speelde weder zonder drieschal. En nog voor Sogol de beide eiken zoover gereed had, dat het hars kon worden aangestoken was Haun zoover, dat hij, beurtelings op en buiten ’t gebied van den boschgeest loopend en hij alleen zijn horen blazend, den indruk wekte, alsof er vier mannen op vier horens speelden.
En weer kuste Sogol den jongen, toen deze hem zijn kunststuk vertoonde.
Dien dag stak hij het hars niet aan, maar wilde denken en spreken met Myst, die zich wat beter begon te gevoelen en op vertrekken aandrong. Sogol vertelde Myst van ’t geen hij en Haun beleefd hadden, sprak over de onverklaarbare snaakschheid van den geest en hoe hij hoopte, door het vellen der eiken, hem uit zijn gebied op te jagen en hen zoo te zien te krijgen... als hij te zien is en als hij werkelijk bestaat.
„Maar aan hem is het niet mogelijk te twijfelen. Hij laat zich toch hooren.”
„Dat is de vraag juist. Hij laat zich hooren, maar nooit anders dan wanneer een ander zich heeft doen hooren. Hoewel wij zijn stem vernemen, zegt die stem niets anders dan een herhaling van ’t geen wij gezegd hebben. Met dezen boschgeest gaat het al niet anders dan met de andere goden, die hun stem niet doen hooren. Deze schalt onze stem terug.. de anderen zijn herhalingen van verbeeldingen. Deze twee eiken vormen mijn laatste proefneming. Zie ik ditmaal niet een echten geest, dan is ’t met mijn geloof voor goed gedaan en ik zal uit mijn rijk de priesters verjagen.”
Myst maakte zwakke tegenwerpingen. Hij zelf was geneigd Sogol gelijk te geven, maar hij voelde zijn dood naderen en het denkbeeld, dat er wellicht geen Walhalla zou zijn, verschrikte hem zoo zeer, dat hij in stilte begon te bidden tot Wotan en Donar en offers beloofde, wanneer de boschgeest zich zou vertoonen.
Den volgenden morgen wilde de grijsaard met Sogol en Haun medegaan. Daar hij nog te zwak was om veel te loopen, legde Sogol hem op een baar en spande er den beer voor, die na een paar fiksche slagen begreep, dat hij trekken moest. Haun mocht nu niet toeten, want de beer, door Sogol in zijn uren van eenzaamheid afgericht op ’t dansen naar de wijs van den horen, zou ondanks slaag, het trekken er aan geven om den dans uit te voeren, denzelfde, die Myst en Haun eens zoo verschrikt hadden. Maar nu was Haun met den beer vertrouwd en hij bracht hem dikwerf wilde honing mee uit het woud en de beer duwde gaarne zijn ruige kop speelsch tegen den jongen muzikant aan.
Bij de twee eiken werd de beer losgemaakt en met een stokslag naar huis gejaagd. Toen moest Haun nog eens toeteren, opdat Sogol zich de teekens wel zou herinneren, waar de boschgeest driemaal antwoordde, waar tweemaal, waar éénmaal en waar zijn gebied uit was. Nu draaide Sogol een drogen stok tot vlam en stak het hars aan rondom in de geul om de eiken en in de gaten in den stam. De drie mannen gingen nu op een afstand staan, opdat zij niet door de vallende boomen zouden kunnen worden getroffen of door den rook stikken.
Langzaam begon de hars te branden. Een fijne, aromatische geur verbreidde zich in ’t bosch, tot daar zelfs waar de drie mannen stonden, hoewel ze boven den wind naar den brand stonden te kijken. In den kring van zwarten walm beneden aan den voet der stammen, vuurde het rosse licht van de vlammen. Het hars in de gaten vatte nu ook vuur en na een poos stonden de twee reusachtige eiken aan den voet in brand. De vochtige boomen vatten geen vlam maar verkoolden langzaam en in de boorgaten, waar de gloeiende hars gesmolten kwam uitvloeien, sisten de vochten smorend in ’t roet.
„Blaas nog eens Haun,” zei Sogol.
De jongen blies op zijn hoorn en nog altijd klonken driemaal dezelfde tonen terug.
De eiken begonnen aan de voeten der stammen doorgebrand te raken. De trage smook krinkelde en walmde langs de stammen op en dreef als een nevel van roet onder het loover. Daaruit vielen nu vogeltjes, bedwelmd door den rook, die Haun snel opraapte en door ze te beademen, weder wilde opwekken. Maar hoewel de lijfjes nog warm waren, met de vreemde warmte van vogels, bleven de oogjes geloken en alleen een trekje met de pooten toonde soms, dat ’t leven nog natrilde.
„Achteruit Haun... Meester, een beetje achterwaarts... ze zullen naar die zij vallen...”
Met de punt van een lans, hoopte Sogol het hars dat afvloeide, weder tegen de stamvoeten op, die nu zwart en verkolend door ’t vuur ingevreten, begonnen over te hellen. Myst was terzij op een stronk gaan zitten en wachtte angstig maar met groote verwachting op ’t verschijnen van den boschgeest. Opeens begon een der eiken te hellen en plotseling nu, eenmaal aan ’t vallen, zonk de zware boom neer, sleurde met de takken den tweeden mede, die hoewel nog in den kern vast, met een knak afbrak en meeviel...
„Blaas mijn jongen, blaas!” riep Sogol, verrijzend midden tusschen het groen der takken, zelf een boschgod gelijkend met zijn bruin gelaat, zijn donkere, ernstige, glimmende oogen, zijn ruwe, lange, zwarte baard en zijn lang donkerbruin hoofdhaar, dat den machtigen rechterschouder gedeeltelijk bedekte, over den linkerschouder, waar ’t berevel met een fibel was vastgestoken, naar achteren was geworpen.
Haun blies... ditmaal weerklonk geen schal.
„Hij is gevlucht!” riep Myst... „Hebt di hem gezien?”
Sogol sprong door de takken heen en den hoorn van Haun nemend, liep hij een eind terzijde en blies... Nu kwam de schal flauw éénmaal terug... Hij snelde naar een andere plaats, daar waar de stem van den boschgeest gewoonlijk uit de diepte scheen te komen, en blies. Maar geen schal antwoordde. Hij liep in rechte lijn naar de tegenovergestelde plaats. Nu weerklonk de hoornstoot eerst luid en dan iets verder heel zacht
„Wat denkt di ervan?” vroeg Myst, half hopend, dat Sogol in de vlucht van den boschgeest zou gelooven: „Zou hij gevlucht zijn?”
Sogol lachte bitter.
„Wij zijn dwazen en lafbekken bij elkaar, meester. Er is geen boschgeest. De boschgeest ligt hier, hier, hier!”
Hij trapte met driftige verachting op de takken der twee gevelde eiken.
„Als ik ze weer oprichten kon, zooals ik ze heb geveld, dan zou de boschgeest weer terug komen. Ik heb nu ik zelf blies, het te duidelijk gehoord. Niet een ander blaast, maar de toon, die ik blies, denzelfden toon meester, schalde terug. En hier, tegen deze eiken is de toon altoos aangebotst, zooals een zwaard, dat op een schild stuit en door de kracht van den slag, terugdrilt. De eigen toon viel terug en nogmaals terug en nogmaals terug, steeds zwakker omdat zijn kracht verminderde. Hier tegen den eik en dan tegen dien eik en dan tegen den grond, zoodat het scheen of ’t geluid uit den grond kwam, terwijl het van den grond terugsloeg, zooals de bikkel terugslaat bij het kootjes-spel. Dit is mijn laatste proef geweest meester—er zijn geen geesten en er zijn geen goden...”
„Sogol wacht di!” riep de oude priester ontzet.
Sogol knarsetandde en zijn borst verheffend alsof hij tegen onbekende machten met kloeken moed zich ten strijd zette, trappend op de ameren van ’t vuur:
„Neen meester... er zijn geen goden... noch in, noch op, noch boven de aarde... Wat daar leeft is de weerklank van ons leven, is de schal die terugvalt op onzen roep... Wijzelf zijn de goden en als een god zal ik voortaan strijden tegen hen, die den weerschal hooger stellen dan den toon des horens zelf...”
Hij plukte eikenloof van de takken der gevallen reuzen, vlocht er kronen van, zette er een op de witte haren van den priester, een op de blonde lokken van den jongeling en toen, zichzelf kronend, riep hij in vervoering uit:
„Blaas den barditus, den Nervischen barditus mijn jongen. Wij zijn drie goden, grijsheid, wijsheid en jeugd. Hier aan onze voeten liggen de twee slechte reuzen, die ik geveld heb, vrees en domheid... Wij zijn de goden en wat daar anders bestaat is de weerklank van ons zelf... Blaas mijn jongen, blaas, den strijdzang tegen de valsche goden...!”
En terwijl Haun, blijde met zijn eikenkrans, den Nervischen barditus blies, met krachtige stooten, die nu niet meer angstig driemaal weerschalden, liep Sogol, hoog de celt boven zijn hoofd zwaaiend als snelde hij ten strijd tegen een onzichtbaren vijand vooruit, dansend van overmoed, roepend in de holle linkerhand, luide het: „Wij zijn de goden, wij, wij, wij alleen,” tartend omziende tusschen ’t hout en boven in ’t loover, terwijl achteraan, angstig en nog altoos twijfelend, de oude priester liep, biddend inzichzelf voor ’t heil van den jongen prins en toch, diep-in, diep-in nog altijd met vreeze verwachtend, dat daar een bliksem zou neerslaan uit de lucht van de groote goden, die de hoovaardij immers bestraffen!...
HOOFDSTUK XIII.
Het was sedert dagen feest in Renigo. Harimona, de goddelijke jonkvrouw, had door Maresag doen aanzeggen, dat zij in deze maan zitting zou houden. Er waren terzijde van de groote beukenlaan, loofhutten opgericht voor de priesters, de priesteressen en de voorname personen, die met hun geschenken wachtten op hun beurt van toelating. Ver, daar achter aan de lager gelegen delling, naar de zijde van den breeden Rîn toe, stond het gewone volk wachtend op de toestemming om haar voorbij te mogen loopen in den stoet, die gevormd zou worden. In de laatste dagen was het zeer rumoerig geweest, want de toeloop was groot en de verschillende stammen, hier bijeen komend, raakten vooral als er veel bier gedronken was, al licht in strijd en dan riepen de hoofdlieden hun saks van honderd bijeen en de hoofdman aan de spits stormden ze, in wigvormige slagorde, op de tegenpartij aan. Rondom stonden de feestgangers om te genieten van dat schoone oorlogsspel, en de vrouwen en moeders en bruiden, die mede gekomen waren, moedigden de mannen aan. Na den strijd lagen dan de gewonden en de stervenden op het veld en nu weenden en weeklaagden de vrouwen, maar de mannen, die zich zonder een klacht verbinden lieten, waren beschaamd omdat zij ’t verloren hadden en ook wel dreef er ’s avonds een lijk op den stroom van een, die een wonde in den rug had ontvangen en niet zoo geschandvlekt, terug wilde gaan naar zijn stam of van een, die zijn schild had verloren en door een eed gebonden was, zich na dat verlies het leven te nemen. Maar gruwelijker was het, wanneer maagden zich verdronken, omdat de bruigom laf was geweest of gevallen was.
Harimona had op een nachtelijke wandeling eenmaal het lijk van zoo ’n jonkvrouw naar den oever van den stroom zien aanspoelen en toen zij vernam, dat er geen dag voorbijging waarop niet doodslag en zelfmoord plaats vonden in de kampen, wilde zij door Maresag doen zeggen, dat wie niet in vrede leefde, door haar zou verbannen worden. Maresag had echter doen weten, dat Harimona boete stelde op alle gewelddadigheid en nauwkeurig de boeten bepaald voor doodslag, verminking of zelfmoord en zoo bleven de gewelddadigheden en zelfmoorden voortduren, tot vreugde van Maresag, die ziekelijk gierig en begeerig, de boeten ontving.
Aan ’t eind der beukenlaan liep de weg op naar den heuvel van de heilige haag. Te halver hoogte was een zwaren steen gewenteld, welke als offerblok zou dienen. Aan de beide zijden waren steenen haarden gebouwd en kringen van brandspitten, om de offerdieren toe te bereiden. En hooger op den heuvel, onder een baldakijn van blank lijnwaad met roode borduursels in den vorm van sparretakken, was een groote, breede granieten zetel opgericht, met een hooge leuning. Rondom den zetel lagen blauwe zelindebloemen en paarsche boschviooltjes. Verder terzij, onder doeken van wit lijnwaad met roode strepen versierd, stond de heilige wagen, die door veertien witte koeien getrokken, een rondgang zou doen door de kampen. Harimona zou op den wagen staan en zich aan het volk vertoonen. Dan zou de wagen na den rondgang rijden tot aan den stroom en hier zouden de koeien worden afgespannen om geslacht en gebraden te worden. Maar de wagen zelf zou in den stroom worden gereden en er gingen geruchten, dat Harimona het groote offer zou doen brengen uit de vroegere tijden van waar en vroom geloof, toen de voorvaderen aan Tius menschen offerden en daarvoor beloond waren met zege in den strijd en overvloed en vruchtbaarheid. En op dat menschenoffer hoopten ze allen. Ze wisten nog niet wie geofferd zou worden, een hoorige, een vrije, een jonkvrouw of een ridder, die ’t kortzwaard droeg. Enkele, die veel herinnering hadden of verhalen kenden van vaders en grootvaders, zeiden, dat vroeger, toen de voorvaderen nog onverbasterd waren, de priesteres zelve zich aan Tius had geofferd om den god tevreden te stellen en gunsten voor de menschen te verkregen. Er waren er ook, die weder den grooten god van teenen wilden vlechten, waarin knapen en meisjes werden gebracht, die dan met den god werden verbrand. Sommige moeders boden hun kinderen aan voor dien godgevalligen dood. Ook voor het menschenoffer waren er velen, die zich vrijwillig bij Maresag hadden aangemeld wèl wetend, dat Tius hen in het Walhalla onder de helden zou plaatsen.
Doch Maresag, het volk kennend en wel wetend, dat het ten laatste de zelf-opoffering van Harimona zou eischen, liet weten, dat het menschen-offer door de goden zelf zou worden aangewezen op den dag van de omvaart. En oude wijven, die in de kampen voorspellingen deden, droomen duidden, met het ei werkten, brachten uit, dat het offer een man zou zijn uit de bosschen, met lang haar en een langen baard en dat hij vergezeld zou worden van een held uit Walhalla in de gedaante van een ouden priester en van een zoon van Nerthus, in de gedaante van een jongeling, die hemelsche muziek zou maken.
Daarom werden de toestroomende lieden met veel belangstelling begroet, door degenen, die reeds wachtten en men hoopte op de komst van de drie heiligen der drie leeftijden, den grijsaard, den man en den jongeling.
De komst van Koning Mise en zijn drie dichters had overal opzien gewekt. Wel waren zij armelijk gekleed en kwamen in een grove ezelkar aangereden, maar Mise had een kroon van eikeloof op ’t hoofd, en was de eerste waarachtige Koning, die tot Harimona kwam. Toen het bekend werd, dat Koning Mise van het Skalde-eiland dingen wilde naar de hand van Harimona en haar smeeken kwam, de haven van zijn eiland dieper te doen worden, riep Maresag hem tot zich, boog zich op den grond voor den Koning en hoorde met welgevallen, dat hij de zoo machtige Nehalennia wilde afzweren voor Harimona.
Maresag, verheugd over den invloed van Harimona, tot zelfs in een zoo afgelegen rijk, leidde den Koning en zijn drie dichters zelve rond langs de schatkamers en de vier, die prachtige bronzen vazen, de vaten vol barnsteen, de heerlijke gewaden, de stapels lijnwaad, de gepolijste drinkhorens, de urnen vol klompjes goud en nog velerlei andere schatten ziende, konden zich niet weerhouden van bewondering en de drie dichters waren neerslachtig, vreezend dat hun heer, die geen geschenken kon geven, zijn aanzien zou inboeten.
Koning Mise liet zich alles tot in bijzonderheden toonen. Een bronzen vat met stukken agaat en serpentijn opgeladen, wekte zijn twijfel „of ’t wel tot den bodem gevuld was, of dat er onder waardeloos zand lei?” Maresag nam het vat en keerde het om, wierp den inhoud op den grond, om te toonen, dat het vol was. Maar bij een tridagna, gevuld met bronzen sluitspelden, uitte hij weder twijfel aan den inhoud en Maresag overtuigde hem opnieuw. Nu begon koning Mise af te dingen op de hoedanigheid van het lijnwaad, de kleur van de pelzen, de grootte van de drinkhorens, de doorzichtigheid van enkele groote stukken gepolijst barnsteen. Maresag, gelukkig met een Koning, die zooveel kennis van zaken had, blijde de volkomen waarde van de bezittingen te kunnen uitstallen en te kunnen spreken over zijn schatten, begon op kindsche wijze de geschenken te roemen en te snoeven op de schatten van de haag van Renigo, die door geen andere schatten in ’t Germaansche land werden overtroffen. Maar Mise lachte verachtelijk, sprak over de schatten in de gouwen der Frisen en der Galliërs en begon wonderverhalen te doen van zijn eigen bezittingen. Zoo had hij dien kostbaren schat Hoe-Moor, dewelke een geschenk van de goden zelve was, van grooter waarde dan het glanzendste brons en van doorzichtiger goudglans dan ’t zuiverste barnsteen en wie er maar wat van meedroeg, had een eeuwigen glans in de oogen, schooner dan die de zonnestraal wekt in den amberen bikkel. Wie deze schat des levens bezat, kon in de grootste smarten lachen, bij de zwaarste tegenslagen met een zachten glimlach gelaten zijn en begrijpen het spel van goden en menschen. Troost gaf deze schat aan treurenden, wijsheid aan peinzers en al bezat men tienmaal zooveel schatten als in de haag van Renigo bijeen waren, zonder Hoe-Moor bleef men slechts een armzalige stakkerd.
Maresag zag den Koning met begeerige blikken aan, terwijl achter zijn rug Pimm, Pinn en Pill bezig waren de zakken van hun pijen te vullen met de schatten, die daar, zonder Hoe-Moor, als waardeloos lagen.
„Harimona zal zeker die schat van di eischen!” zeide de hebzuchtige priester tot koning Mise.
„Ik verwachtte niet anders.”
„Heb di ze meegebracht?”
„Zou ik, als bruidegom, zonder dezen durven werven? Hier, mijn drie gezanten droegen ze en ik bewaakte ze.”
De drie gezanten stonden haastig overeind en terwijl de Koning zachtjes aan met den priester voortliep, sprak hij:
„Het is een vreemde bezitting, die wonderbare schat. Men zou hem den rijkdom der armen en de armoede der rijken kunnen noemen. Wie hem eens bezit, kan hem niet verliezen en zoo machtig werkt hij, dat men stervend door hem, kan glimlachen.”
„Is hij zwaar? Hoe ziet hij er uit?” vroeg Maresag nieuwsgierig.
„Meent di, dat een schat door de goden zelve gegeven, gewogen kan worden als nietswaardige aardsche schatten en gezien met gewone menschelijke oogen. Deze schat, heer priester, kunnen de blinden vaak zien, maar de zienden dikwerf niet. En licht is hij als een zonnestraal of schoon als de regenboog en mild als de voorjaarsregen en verzachtend als balsem.”
„Ach, groote Koning, zou ik er niet een heel, heel klein stukje van kunnen zien... nu dadelijk?”
„Mijn drie getrouwen dragen steeds iets van den schat bij zich. Zie hen aan, grauw zijn hun pijen en geen sieraden zijn in hun bezit. Zooals hun Koning weten zij, dat wien de goden Hoe-Moor verleende, weinig meer behoeft, om in deze wereld met een gestadigen lach op de lippen rond te gaan.”
De drie scharluinen lachten op dit oogenblik werkelijk en hun Koning zei geen leugen toen hij beweerde, dat zij iets van den schat bezaten.
„Ach, groote Koning, wat zou ik niet willen geven, als ik iets van die schat mocht bezitten.”
„Het is moeilijk er iets van af te staan. Want hoe zou ik met leege handen bij Harimona kunnen komen?”
„En mijn voorspraak dan? Weet, o Koning, dat één woord van mij, den hoogepriester, Harimona kan dwingen.”
„Doch al deze schatten hier getuigen toch, dat zij veel verlangt van haar aanbidders.”
„Het zijn haar schatten niet. Het zijn de schatten van de heilige haag van Renigo. En weet, o koning, ik ben de opperpriester van Renigo en naar mijn wil worden deze schatten verdeeld.”
„Maar zij behooren aan de haag.”
„Neen, vreemdeling. Mijn schatten zijn het, de mijne alleen en niemand anders dan ik, zal ze behouden. Schenk mij van uw wonderschat en ik zal u het eerst van allen toegang tot Harimona geven en zal zorgen, dat zij uwe wenschen volvoert”