Part 19
„Ik denk aan den draak... Ik zou hem gaarne uitgraven... Wilt du mi helpen?... Ik denk zoo... wanneer ’t vriestijd wordt, zal het te laat zijn en als de stormen komen wordt de draak onder ’t zand bedolven en als de bliksemspeer in ’t boschje zwiert, kan alles verbrand worden.”
„De tijd dringt, Sogol. Du zult in dijn vaders koninkrijk een andere koning vinden, die di zal weerstaan...”
„Ik zal mijn Nervieërs wel weten te herwinnen... en du zult mi helpen...”
„En als de koude ons hier overvalt. Wij hebben nog wel vier nachtreizen [13] af te leggen, voor wij aan uws vaders gebied komen.”
Hij keek treurig.
„Als wij een gedeelte opgroeven?” vroeg hij. „Wanneer ik een gat groef in ’t midden van de gewelfde lijn, dan zeker zou ik den omvang van ’t dikste gedeelte van ’t lichaam kunnen opdelven. En den maag openen om te zien, wat de draak gegeten heeft.... menschen, kobolden of.... of....”
Hij weifelde, het woord uit te spreken.
„Wat meent di?” vroeg zij.
„Of gras.... gelijk een koe....”
„Dat hoopt di?” vroeg zij ondeugend.
„Ja.... dat hoop ik.... want mij is een gedachte door ’t hoofd gevaren.”
Hij zweeg en zij wachtte zonder te vragen op zijn antwoord.
„Een doode draak,” ging hij voort, meer in zichzelf sprekend dan tot zijn geliefde, „is nog geen levende. Als hij levend was geweest, ja dan.... dan had ik kunnen zien in ’t licht van zijn oogen en ervaren of hij vuur kon spuwen en ontdekken of hij meer verstand had dan een redeloos dier....”
„Twijfelt di nog altijd?”
„Ja.... ik twijfel.... ik heb zoo getwijfeld voor ik den Nickelman in den gröhl dorst aan te randen... en ook heb ik zoo getwijfeld, toen ik den schalgeest bij de twee eiken aanviel.... durven moet men, altoos durven.... niet vreezen voor de eigen gedachte... er zit in het menschelijk hoofd een groote spin, die verbeelding heet. Hij weeft spinsels, altoos nieuwe spinsels, en als men die spin door laat weven, bedekt hij de rede ten laatste met webbe op webbe, tot die een dik, taai kleed vormen, waaronder de waarheid onherkenbaar bedekt ligt.... Weg spin! Weg webben in mijn hoofd.... de waarheid wil ik weten.... de waarheid....”
Hij stond op, liep naar de plaats, waar de kop van het monster uit het gat omhoog stak. Zij was hem gevolgd en wenkte Haun mede te komen. Toen Sogol, over de welvende lijn loopend aan een diepte kwam, stak hij daar diep zijn zwaard in en trok dan, een gat woelend, het zwaard weer terug.... Dat rook vreemd, een reuk die Sogol, die toch veel kruiden-aftreksels kende, onbekend was.... Hij streek met den vinger langs het zwaard; daarop kleefde een taai, dik, bruin, stinkend vocht. En in het gat, dat hij door ’t insteken van ’t zwaard gemaakt had, kwam nu ook traag een dikke, half-vloeibare, bruingore massa oprijzen.
„Het drakenbloed!” kreet Harimona.
Sogol keek haar even aan en knielde bij ’t gat, waar ’t trage vocht nu al over den rand sijpelde.
„Haun, haal een brandenden tak van ’t vuur!” beval Sogol. En tot Harimona:
„Als ’t drakenbloed is, moet het branden!”....
Haun, kwam met den brandenden tak.
„Ga wat terug, meester!” waarschuwde Harimona, zelf eenige passen terugtredend....
„Zijt di bang?” vroeg Sogol, met toorn in ’t oog.
Hij stak de brandende fakkel, met een bitteren lach om den mond, in ’t gat. Meteen sloeg de vlam als een zuil van vuur omhoog uit het gat en de gewelfde lijn op den grond sloeg met een donderend geweld open, stukken aarde, oude boomwortels en steenen opwerpend.
Haun was de eerste die wegrende, altoos maar rennend, niet omziende naar ’t vuur. Harimona was achterover geslagen en op haar viel de kroon van een boom, die door de ontploffing ontworteld was en schuin naar voren viel. De vuurzuil was opgestegen vlak in Sogols gezicht. Maar zijn lange baard, tot de wortels verzengd, had hem behoed voor brandwonden....
Hij zag Harimona liggen, sprong op haar toe.
„Ben di gewond, liefste?” riep hij smartelijk.
„Neen, neen... help mi... help mi...”
Opnieuw volgde een ontploffing. Nu spoot een straal van ’t trage vocht uit den grond en een dikke rookwolk begon langs de geheele lengte van de lijn op te stuwen. De schok had Sogol een eind opgeworpen in de lucht, maar hij viel terug op de kroon van den boom waarop hij veerde, hoewel enkele takken in zijn lichaam drongen. Hij voelde de pijn niet, stond op, trok Harimona onder de takken weg en haar optillend, snelde hij met haar weg van de gevaarlijke plek. Achter zich hoorde hij nogmaals een knal en nogmaals en ’t geheele boschje stond in dikke en zwarte, stinkende rook, waartusschen het goud en rood der vlammen met vuursplinters oplaaide...
Buiten den wind bleef Sogol staan en keek naar ’t brandende boschje.
„Gelooft di nu?” vroeg Harimona, wier gelaat geheel zwart was geworden door den walm. „Nu heeft de doode draak nog vuur gespuwd... ziet di het nu... du ongeloovige!”
In hare ontzetting zag zij hem met verschrikte oogen aan en haar stem klonk verwijtend.
„Verbrand mee, als du vreest!” antwoordde Sogol verachtelijk, de stukken tak, die in zijn linker arm en in zijn dij waren gedrongen er uittrekkend, waardoor het bloed naar voren kwam en begon langs zijn arm en zijn been te sijpelen.
En haar de bloedende arm dicht voor ’t gelaat houdend, zeide hij:
„Kom... genees deze wonden nu door dijn heiligheid... stelp dit bloed op dit oogenblik en ik zal gelooven...”
Zij keek naar de wonden met blikken, waaruit de wil en het verlangen om te genezen spraken... Maar het bloed bleef vloeien en stremde zwartrood op de huid...
„Ik kan niet!” zeide zij, „ik kan niet... Bind toch dijn kleed er om... du zult verbloeden...”
„Zóó genezen kan ik ook... en die daar, den draak zal ik ook wel leeren kennen...”
Hij keek om naar water en zag Haun, die doodsbleek en klappertandend naar zijn meester kwam.
„Jongen, haal water voor dijn meester... gauw...” riep Harimona. „Dáár is een kreek...”
En zij wees op een regenwelletje, waarbij de paarden stonden, die met vooruitgestoken kop, snuivend van angst, naar ’t brandende vuur zagen, door hun kluisters alleen verhinderd om er in te galoppeeren.
Hij schepte water in zijn lederen jachtbuis en bracht het naar Harimona, die een stuk van haar lijnwaden onderkleed scheurend, de wonden bette en verbond.
Sogol liet zich lijdzaam behandelen, zijn gedachten waren bij den brand in het boschje. Nog steeds stegen de vlammen op en van tijd tot tijd hoorde hij een zwakke ontploffing, waarop dan een nieuwe uitlaaiïng van ’t vuur volgde. Daar ’t nog helder dag was, wierpen de vlammen geen lichtschijnsel over de vlakte en de wind dreef de rook in roetige wadems weg.
Nu hij verbonden was, dacht Harimona aan zich zelve. Zij had, terwijl zij bij Sogol gebukt stond, heur los wit haar, dat langs haar gelaat viel, weggestreken en toen gemerkt, dat haar vingers zwart waren. Haun zeide haar nu, dat heur gelaat met roetwalm was bedekt. Daarom liep zij naar de kreek en wilde heur gelaat afwasschen. Maar het water liep van heur gelaat zooals van een zwanenrug, zoo vettig was het roet. Haun, die naderbij was getreden om zijn meesteres te helpen, zag het en liep snel zoekend langs den grond, speurend naar vogelmest. Toen bij op het hooge gras wat mest vond, bracht hij het haar. Maar zelfs nu ze ’t gelaat daarmede insmeerde, was het walm niet weg te wisschen.
Haun liep naar Sogol en vroeg hem raad. Sogol trad naderbij en overtuigde zich van de vetheid van den roetwalm.
„Het lijkt wel ievervet!” zei Haun.
Sogol zag hem met een snellen blik vol erkentelijkheid aan.
„Zoo, mijn jongen.... dat is beter dan bleek wegloopen....” en zich tot Harimona richtend:
„Het zal met koud water niet gaan.... ik zal roode zuring koken.... daarmede zal di ’t wel weg kunnen wasschen.”
Hij plukte wilde zuringsteelen, legde ze in de holte van zijn bronzen schild, porde het vuur op, plaatste het schild op de gevorkte takken er boven, goot met Hauns jachthemd water in ’t schild en wachtte tot het water er in kookte. Toen bracht hij het schild aan Harimona en thans eerst kon zij ’t gelaat schoonwasschen.
„Nu zijt di blanker dan weleer!” zei hij schertsend.
„Maar du hebt dijn mooien baard verloren.... en het is of du jonger zijt geworden.... Hoe oud zijt di?”
„Vijf en twintig jaren.... en du?”
„Negentien jaren....”
„Dat zijt di nog bijna een kind....”
„Maar ik heb meer beleefd, dan menige oude vrouw... en dat heeft mi wijs gemaakt.... Ik heb di nooit gezegd, waarom ik niet wilde, dat du Maresag zoudt ombrengen, vóór wij vluchtten....”
„Hij had het verdiend, de schurk, de vrek....”
„Haun,” zeide Harimona, „maak het schild van dijn heer schoon.”
Haun nam het schild op en liep er mede naar de kreek.
„Zeg geen booze woorden meer van Maresag, mijn geliefde.... Ik mag ze niet aanhooren....”
„Staat di nu nog onder zijn invloed?”
„Neen.... maar weet, dat hij mijn vader is....”
Zij lette schijnbaar niet op de verbazing van Sogol, maar ging voort:
„Mijn vader; niet alleen mijn wereldsche maar mijn bloed-vader is Maresag, de opperpriester. Mijn moeder was Anertha, de Druïdes, die met mijn vader in gemeenschap leefde. Toen ik geboren werd, gaf mijn vader mijn moeder bittere kruiden, zoodat haar borsten schrompelden en zij geen melk gaf. Want er waren vijanden van mijn vader, oude Druïden, die naar zijn plaats stonden. Zij beschuldigden Anertha van onkuischheid. Het Druïdending kwam bijeen en mijn moeder trad naakt voor de priesters, die haar ziende met de verschrompelde borsten, aan haar onschuld geloofden en over degenen, die den laster hadden verbreid werd gericht gehouden en men rukte ze de tongen uit, zoodat zij ellendig stierven, behalve een, die gevlucht was in ’t woud en zich wreken wilde. Hij wachtte mijn voedstermoeder op en doodde het kind in haar armen, meenende dat ik het was. Doch het was het kind van haarzelve. Mijne moeder was sedert zeer bevreesd voor mijn leven en zij besloot de bittere kruiden niet meer te gebruiken, opdat hare borsten weder zwellen zouden en zij mij zelve zou kunnen zoogen. Maresag merkte dat en wilde haar dwingen tot het gebruiken der bittere kruiden. Zij bleef weigeren, van moederliefde vervuld. Toen was mijn vader zeer bang, want zoo het bedrog ontdekt werd wist hij, dat hem de marteldood wachtte....”
Zij zweeg en zat in gepeinzen, starend naar het brandende boschje, waar de vlammen zachtjes aan verminderden.
„En toen?” vroeg Sogol.
„Toen.... toen.... toen heeft men mijn arme moeder dood in ’t bosch gevonden.... en zij was geteekend met het bloedige kruis, dat de wilde mannen in de borst van hun slachtoffers kerven.... en de borsten waren haar afgesneden en zij was geschoffeerd....”
„Dat had Maresag gedaan....”
„Ik mag het niet zeggen en niet doen zeggen.... laat ik nu zwijgen.... Maresag is mijn vader, bedenk dat.... Maar di wilde ik dit zeggen, omdat ik er een ter wereld moet hebben, die met mij mijn geheim draagt.... Du weet, wat men omtrent mij in de Renigo vertelde.... Het verhaal van de drachtige ree met de lichtende ster tusschen de ooren, de sprekende maan, de berg Wittewa, waar de kroon bewaard wordt.... dat alles was leugen....”
„Dat is de oorsprong van onze mythen en sagen!” zei Sogol bitter.... „Alles misdaad, leugen en bedrog.... de waarheid is zwart, zwart als de nacht.... en het leven is leeg, bodemloos.... een vloek over het leven....”
„Daarom mijn geliefde, voelde ik zooveel eerbied en ontzag voor di, toen ik zag hoe dapper du waart en hoe helderziend.... En daarom ook, daar du twijfelt, wil ik twijfelen en daar du ontkent, wil ik ontkennen.... want ik heb di lief, lief met een ontzaggelijken eerbied.... want moedig zijt di.... moedig boven allen, allen.... Toen ik door den slag van het drakenvuur werd teruggeworpen en onder den boomkruin lag, zag ik Haun vluchten en toen zag ik dijn gezicht.... dijn baard smeulde weg, het vuur spoot rondom di op.... maar in dijn oogen zag ik geen schrik en dijn leden beefden niet.... maar met groote, vragende blikken staardet di naar den wel, waaruit ’t zengende vuur opspoot en ik zag hoe dijn wil om te weten sterker was dan te leven.... En toen zijt di, niet achtend op ’t eigen gevaar over den vuurpoel heen naar mi toegesprongen om mi te redden.... Du hebt de gouden lindenkroon gehaald van den berg Rodewa moet ik die heeten... en den draak en den hond en de geit verwonnen. En de zeven reuzen, zijn dat niet de boomen van ’t boschje, die daar afgebrand zijn....”
Zij wees naar ’t boschje. Zeven boomen hieven boven het smeulende boschje hun zwarte, verkoolde stammen op.
„Het is vreemd mijn geliefde,” zeide Sogol, naast haar gaande zitten en zijn arm om haar leest slaande, „er schijnt in al deze leugensproken der priesters vaak diep een waarheid te zitten, zooals in de bittere schaal van de walnoot een zoete kern kronkelt... En toch, leugens zijn het, misleidende, slechte leugens....”
„En de zoete kern in die leugens mijn geliefde, dat is de waarheid van onszelf. De sagen en de mythen schijnen mij toe allen te gelijken op den boom uit het sprookje van de wonderfee... kent di het?”
„Neen... vertel het mi...!”
„Er was een wijzen koning in het verre land van Scandi, die oud was geworden en geen opvolger had. Toen was hij zeer bedroefd, want hij wist niet wien hij zijn kroon zou doen erven, zonder bevreesd behoeven te zijn, dat zijn rijk na zijn dood door een onwaardige zou worden bestuurd. Hij liep dag aan dag in het bosch te denken en vond geen middel om den waardigsten te kiezen. Toen ontmoette hij eindelijk een fee, die hem vroeg wat hem deerde.
„Maagd,” zeide hij, „ik ben oud en dicht nabij den dood. Mijn zonen zijn allen gestorven in den strijd voor het vaderland. Nu weet ik niet wien ik als opvolger zal aanwijzen.”
„Ik zal di helpen,” zeide de fee. „Hier in ’t bosch is een wondervijver. Ieder, die er zich in spiegelt, ziet er zijn eigen beeld in, naar zijn eigen verbeelding. Zend degenen, die du meent, dat uw opvolgers zouden kunnen zijn, naar dien vijver en vraag hoe zij er zich in zien.”
Toen ging de koning terug en liet verkondigen, dat in het woud een vijver was, waarin elk zichzelf zou kunnen spiegelen, zooals hij was. Tien mannen werden uitverkoren om in den vijver zich te spiegelen en wie de waardigste was, zou den troonopvolger zijn.
De tien mannen gingen naar den wondervijver en de koning stond aan den oever en hoorde, wat elkeen zeide, die in den vijver had gekeken.
De eerste, die zijn spiegelbeeld zag, zeide: „Koning, ik zie mij met een gouden kroon op ’t hoofd.” De tweede zeide: „Koning, ik zie mij met een purperen mantel aan.” De derde zeide: „Koning, ik zie mij zittende op een troon.” De vierde zeide: „Koning, ik zie mij met een schepter in de hand.” De vijfde zeide: „Koning, ik zie mij, met het koningszwaard voor den schouder.” De zesde zeide: „Koning, ik zie mij met een lichtkrans om ’t hoofd.” De zevende zeide: „Koning, ik zie mij, staande op uw schouderen.” De achtste zeide: „Koning, ik zie mij, staande aan uw sterfbed en uw vinger wijst mij aan.” De negende zeide: „Koning, ik zie de schimmen van uw zonen, die mij op het schild heffen...”
De koning echter, die al deze negen mannen had aangehoord, voelde zich bedroefder dan ooit. Want hoe zou hij kiezen komen tusschen zooveel uitverkorenen. De tiende man nu, die de laatste was, die zich in den vijver zou spiegelen, omdat hij reeds van het begin nadenkend terzijde had gestaan, bleef wachten als schroomde bij, om zich te spiegelen.
„Waarom spiegelt du di niet?” vroeg de koning verwonderd.
„Koning,” antwoordde de tiende man, „is het wel noodig, dat ik de keus nog verzware, waar er zoovelen uitverkoren zijn.”
„Spiegel di,” gebood de Koning.
Toen schreed de man nader en boog zich over den vijverrand. Maar hij bleef gebogen wachten en scheen beschaamd om zich weder op te richten.
„Wat ziet di?” vroeg de koning eindelijk ongeduldig.
Nu richtte de tiende man zich langzaam op en de koning zag, dat een traan langs zijn wangen biggelde en in den vijver dropte.
„Sta op!” zeide nu de wijze koning, den tienden man met zijn schepter aanrakend, „du zijt uitverkoren!”
„Hoe juist!” riep Sogol uit....
„Ik denk dikwijls aan dat sprookje, mijn geliefde. Is die wondervijver niet als het leven der oude tijden, zooals wij dat onthouden in onze mythen en sagen.... wij allen die er ons in spiegelen, zien onszelf zoo gaarne als waardig om de navolgers der grooten te zijn.... en maar een enkele beseft zijn eigen nietigheid....”
„Neen.... neen.... die vijver is het geheele leven.... en wie zich er in spiegelen zijn de menschen.... de menschen, die zich koningen wanen en alléén een heele, enkele wijze weent—want hij weet, dat hij het koningschap dezer wereld onwaardig is.... kom, wellieve, het vuur sintelt nog maar na.... wij zullen gaan onderzoeken, wat er met den draak gebeurd is....”
„Zij keek hem liefdevol aan en dan, met een zacht droevig, schertsend lachje, zei zij:
„Ja, laten wij gaan.... wellicht dat de oude koning ook di met zijn schepter aanraakt...”
„De oude koning Wod... hij daar?” spotte Sogol, wijzend in den hooge. „Hoe zou hij? Is al niet lang onttroond? Kom Haun! riep hij wat luider, tot den jongen, die ’t bronzen schild blank had gepoetst met fijn zand en ’t nu met een stuk vossevel opwreef, „wij gaan naar ’t vet van den iever zien!”
„Daar draagt hij den wondervijver aan!” schertste Harimona, toen ze zag hoe Haun, het blinkende schild hooghoudend om de vrucht van zijn arbeid te toonen, nader kwam.
„En wel mag du di er in spiegelen, wellieve!” zeide Sogol. „Maar weenen moogt di niet, want zoo schoon als du bent, was nooit een koningsdochter!”
„Du bent vol goeden moed, meester.”
„Die kleine muzikant heeft mi de oplossing van ’t raadsel van ’t brandende drakenbloed gebracht.... komt mee.... ik zal ’t di zeggen.”
De grond was nog warm in ’t boschje, dat geheel uitgebrand was. De zeven naakte boomstammen staken met hun verkoolde stampen meewârig op uit den zwartig-grauwe grond, waar nog sintels nagloorden.
Sogol trad voorzichtig naar de kuil, waar de drakenkop uit opstak, nu omhoog gewerkt tot aan den nek, maar witblank doorgegloeid, een geraamtekop. Sogol zag de diepe gaten der oogkassen en de machtige kaak met de platte groote tanden met verwondering aan.
„Hij heeft tanden als een groote bul,” meende Haun.
Weer keek Sogol den jongen met innige erkentelijkheid in de oogen aan.
„Du, schrandere vos, uit di zal wat goeds groeien.... Het zijn werkelijk groote bulletanden”... zei hij voortgaande tot Harimona... „en deze draak is geen roofdier geweest, anders zou hij tanden hebben als een beer of een wolf.... Dat zijn de tanden van een goedig vee.... die draak heeft gras gevreten.... of vruchten.... maar dan alleen bramen en appels.... want knagen zooals een eekhoorn heeft hij niet gekund....”
Hij liep terzij van de opengespleten gewelfde lijn.... stond stil bij het gat, waar hij de vlammende fakkel had ingestoken.... het was bruin uitgebrand, met korsten van een zwartige, vettige, nagloeiende massa. Maar er staken geen beenderen uit....
„Ziet eens hier.... de draak was niet zoo lang als ik dacht.... hij was in ’t midden doorgebroken.... Daar lag zijn kop.... Daar lag zijn kop.... en hier zijn staart.... Ik zal eens peilen waar zijn achterdeel begint.” Maar toen hij zijn zwaard een eind verder in den grond stak, moest hij ’t ijlings terugtrekken en loslaten.... zoo warm werd het onder den grond. Daar borrelde de trage, dikke, zwarte massa nog op kookhitte.
Sogol tornde een paar draden uit het onderkleed van Harimona, draaide ze tot een pit en doopte ze in de gloeiende massa. Toen liep hij een eind terzijde en hield de pit tegen een smeulende tak, die hij tot een vlam aanblies.
De pit vatte vlam en brandde spoedig helder op. Sogol wierp haar op den grond en trapte haar uit.
„Haun heeft gelijk gehad.... ievervet en tanden als een bul.... die draak is geen draak geweest.... dat was een groot dier.... een heel groot dier.... Maar waar is het vandaan gekomen? De kop zal wel ’t meest op dien van een reuzensalamander hebben geleken.... zie di wel Harimona.... denzelfden vooruitstekenden bek.... maar deze hier heeft tanden gehad, platte tanden gelijk het goedmoedige vee.... Het is zijn vet, dat gebrand heeft... die zwarte brei is zijn vet geweest.... zooals het varken in een vetlaag zit....”
„Waarvan zouden die knallen gekomen zijn?” vroeg Harimona. Nu zij dicht bij den kop stond, de reusachtige beenderen zag, zonder vrees thans nauwkeurig toekeek, begon ook zij aan de echtheid van den draak te twijfelen. Zeker, haar geliefde had gelijk. Wanneer Maresag den draak zou ontdekt hebben zou hij hem gebruikt hebben om het volk vrees en ontzag in te boezemen. Hoe eerlijk was haar geliefde. Indien hij den kop van den draak had medegenomen, gindsch in zijn rijk gestoft zou hebben op zijn gevecht met den draak en de verovering, zou hij zeker begroet zijn als de moedige prins, die den gruwelijken draak had bevochten en overwonnen. Maar hij dacht zelfs niet aan die bedriegerijen. Hij was oprecht en waar.
„Ik herinner mij,” zeide Sogol, „dat ik eens als jongen met kornuiten in ’t bosch spelend het kreng van een ever vond, die daar was gestorven.
„Hij was zeer dik en gezwollen en wij, meenende, dat het dier drachtig was geweest, staken nieuwsgierig een fram in zijn vel.... Toen steeg uit het dier een stank op, zoo verpestend, dat wij allen wegliepen en één van de jongens bezwijmde. De stank volgde ons een heel eind en thuis kwamen de honden ons besnuffelen en blaften en zochten, alsof zij wild speurden. Ons was het, alsof wij dien stank nog altijd inademden en wij werden door onze ouders uit de hutten gezonden om ons te baden...
„Die stank van dat ieverkreng kwam sissend door ’t vel naar buiten... Toen heb ik niet beproefd of ’t ieverbloed branden kon... maar het had heel goed kunnen zijn, dat die stank toen ook met een knal was ontvlamd...
„Hoe lang ligt de draak hier?... Niemand heeft ooit zoo’n dier levend gezien... de regen heeft hier in ’t boschje den grond omgewoeld en misschien hebben stinkbronnen, juist als in de Ravenstroth opspuitend, hem uit de diepte omhoog gewerkt... Hoe lang is het geleden, sinds de draak hier verrekte? Wel vóór hier de eerste boom groeide, want in dit boschje had hij zich niet kunnen bewegen... kijk dien breeden kop... hoe zou hij tusschen de boomen doorgekomen zijn, zonder ze te breken...”
Hij bleef een tijd zwijgen, in nadenken verzonken.
„Wij kunnen nu naar mijn koninkrijk optrekken Harimona. Laten wij nog eens langs de gebogen linie loopen... Het vuur heeft voor ons de graversarbeid gedaan... Ziet eens die ribben... Ze zijn zoo hoog als een paard en zoo breed als mijn schild... Wat gruwelijk aanzien moet dat reuzenbeest gehad hebben... Maar gevaarlijk was hij toch niet, met zijn platte tanden en misschien wel even goedig als een koe... Hier is ’t gat weer... ziet di... hij is doormidden gebroken... maar hoe komen de twee deelen zoo ver van elkaar? Hier in dit gat, waar de knal uitkwam, is uit beide deelen van ’t lichaam het vet heengesijpeld...”
Zij liepen een eind voort en kwamen nu aan ’t andere deel van het dier.
„Hier vangt het lichaam weer aan... tot dáár, waar de staart nog opsteekt...”
Hij snelde vooruit, bemerkend dat de staart niet door ’t vuur was aangetast. En den staart nauwkeurig beschouwend, bevond hij, dat zijn veronderstellingen juist waren geweest. Een zwartige, vettige massa, die hij met den vinger kon indeuken, zat als klei om de beenderen gekleefd.