Part 10
Wat moeten wij dus uit deze feiten en overwegingen besluiten? Spreidt het mannetje zijn bekoorlijkheden met zooveel praal en wedijver ten toon zonder eenig doel? Zijn wij niet gerechtigd om te gelooven, dat het wijfje een keus doet, en dat zij de liefdesbetuigingen aanneemt van het mannetje dat haar het meest behaagt? Het is niet waarschijnlijk, dat zij met bewustheid overlegt; maar zij wordt het meest opgewekt of aangetrokken door de fraaiste, welluidendste of dapperste mannetjes. Ook behoeft niet te worden verondersteld, dat het wijfje elke gekleurde streep of vlek bestudeert, dat de pauwin, bij voorbeeld, elke bijzonderheid in den prachtigen staart van den pauw bewondert,—zij wordt waarschijnlijk slechts getroffen door het algemeen effect. Na echter te hebben gehoord met hoeveel zorg de mannelijke Argus-fazant zijn sierlijke primaire vleugel-slagpennen tentoonspreidt en zijn van oogvlekken voorziene siervederen juist opricht in de stelling waarin zij het meeste effect maken; of ook, hoe de mannelijke distelvink beurtelings zijn met gouden vlekken pronkende vleugels tentoonspreidt, mogen wij ons niet al te zeer overtuigd houden, dat het wijfje niet op elke bijzonderheid van de schoonheid let. Wij kunnen, gelijk reeds is opgemerkt, alleen beoordeelen, of er een keus wordt gedaan, uit de analogie van onzen eigen geest; en als men de rede uitsluit (4), bestaat er geen fundamenteel verschil tusschen de geestvermogens der vogels en de onze. Uit deze verschillende overwegingen mogen wij afleiden, dat de paring der vogels niet aan het toeval is overgelaten; maar dat die mannetjes welke door hun verschillende bekoorlijkheden het best in staat zijn om het wijfje te behagen of haar op te wekken, onder gewone omstandigheden worden aangenomen. Indien men dit aanneemt, is het niet zeer moeilijk om te begrijpen, hoe de mannelijke vogels trapsgewijze hun tot sieraad dienende kenmerken hebben verkregen. Alle dieren vertoonen individueele verschillen, en evenals de mensch zijn tamme vogels kan wijzigen door voor de voortteling die individu’s uit te kiezen, welke hem het fraaist schijnen, zal ook de gewone of zelfs toevallige voorliefde van het wijfje voor de meer aantrekkelijke mannetjes bijna zeker hun wijziging hebben geleid; en dergelijke wijzigingen zullen in den loop van den tijd kunnen zijn geklommen tot bijna elke hoogte die vereenigbaar was met het bestaan van de soort.
Veranderlijkheid (variabiliteit) der Vogels, en in het bijzonder van hun secundaire Seksueele Kenmerken.—Veranderlijkheid (vatbaarheid voor afwijking, variabiliteit) en erfelijkheid zijn de grondslagen voor het werk der teeltkeus. Dat tamme vogels veel afwijkingen hebben vertoond en hun afwijkingen zijn overgeërfd, is zeker. Dat vogels in den natuurstaat individueele verschillen vertoonen, wordt door iedereen aangenomen en dat zij somtijds tot onderscheidene rassen zijn gewijzigd, gemeenlijk aangenomen. [191] Er zijn tweeërlei soort van afwijkingen, namelijk die welke wij in onze onwetendheid voor een zelf ontstaan houden en die welke in direct verband staan tot de omringende levensvoorwaarden, zoodat alle of bijna alle individu’s van de zelfde soort op overeenkomstige wijze zijn gewijzigd.
Gevallen van de laatste soort zijn voor eenige jaren waargenomen door den heer J. A. Allen [192], die aantoont, dat in de Vereenigde Staten vele soorten van vogels allengs sterker worden gekleurd, naarmate men meer zuidwaarts komt, en lichter gekleurd, naarmate men westwaarts de dorre vlakten van het binnenland nadert. Beide seksen schijnen over het algemeen op de zelfde wijze te worden aangedaan, maar soms de eene sekse meer dan de andere. Dit resultaat is niet onvereenigbaar met het geloof, dat de kleuren van vogels voornamelijk het gevolg zijn van de opeenhooping van achtereenvolgende afwijkingen door seksueele teeltkeus; want zelfs nadat de seksen zeer verschillend zijn geworden, zou het klimaat een gelijke werking op de beide seksen kunnen uitoefenen, of een grooter werking op de eene sekse dan op de andere, ten gevolge van eenig verschil in gestel.
Individueele verschillen tusschen de leden van de zelfde soort geeft men algemeen toe, dat in den natuurstaat voorkomen. Plotselinge en sterk uitgesproken afwijkingen zijn zeldzaam, en het is zeer twijfelachtig, of zij dikwijls door teeltkeus zijn bewaard gebleven en dan op volgende geslachten zijn overgeplant. [193] Desniettemin kan het wellicht de moeite waard zijn, de weinige gevallen die ik in staat was te verzamelen, en die voornamelijk op de kleur betrekking hebben (eenvoudig albinisme en melanisme uitgesloten zijnde (5)), hier mede te deelen.
De heer Gould neemt, gelijk algemeen bekend is, slechts zelden het bestaan van verscheidenheden (variëteiten) aan; want hij houdt zeer kleine verschillen voor soortskenmerken; nu verhaalt hij [194], dat in den omtrek van Bogota zekere kolibri’s, tot het geslacht Cynanthus behoorende, in twee of drie rassen of verscheidenheden zijn verdeeld, die van elkander verschillen door de kleur van den staart,—„daar bij sommige al de staartvederen blauw zijn, terwijl bij andere de punten van de acht middelste fraai groen zijn.” Het schijnt, dat er in dit en in de volgende gevallen geen tusschenbeide liggende overgangsvormen zijn waargenomen. Alleen bij de mannetjes van een der Australische parkieten zijn „de dijen bij sommige scharlakenrood, bij andere grasgroen.” Bij een anderen parkiet uit het zelfde land, „is de dwars over de vleugeldekvederen loopende band bij sommige individu’s levendig geel, terwijl hij bij andere rood gekleurd is.” [195] In de Vereenigde Staten hebben eenige weinige mannetjes van den scharlakenrooden Tanager (Tanagra rubra) „een fraaien dwarsband van gloeiend rood over de kleinere vleugeldekvederen” [196]; maar deze afwijking schijnt eenigszins zeldzaam te zijn, zoodat het bewaard blijven er van door seksueele teeltkeus alleen onder ongewoon gunstige omstandigheden zou volgen. In Bengalen heeft de gekuifde wespendief (Pernis cristata) hetzij een kleine, of in het geheel geen kuif op zijn kop; zulk een gering verschil zou echter niet waard zijn geweest om te worden opgeteekend, zoo niet deze zelfde soort in zuidelijk Indië „op het achterste gedeelte van den kop een goed uitgedrukte, uit verscheidene trapsgewijze langer wordende vederen bestaande kuif” [197], had bezeten.
Het volgende geval is in sommige opzichten nog belangwekkender. Een gevlekte verscheidenheid (variëteit) van de raaf, waarvan de kop, borst en onderbuik, en gedeeltelijk ook de vleugels en staartvederen wit zijn, is tot de Faröer beperkt. Zij is daar niet zeer zeldzaam; want Graba zag gedurende zijn bezoek van acht tot tien levende voorwerpen. Hoewel de kenmerken van deze verscheidenheid niet volkomen standvastig (constant) zijn, is er toch door onderscheidene uitstekende vogelkenners (ornithologen) een afzonderlijke soortnaam aan gegeven. Het feit, dat de gevlekte vogels met veel gedruisch werden nagezeten en vervolgd door de andere raven van het eiland, was de hoofdoorzaak, die er Brünnich toe bracht om te besluiten, dat zij soortelijk verschillend waren; maar men weet nu, dat dit een dwaling was. [198]
In onderscheidene deelen van de noordelijke zeeën wordt een merkwaardige verscheidenheid (variëteit) van den gewonen zeekoet (Uria troile) gevonden, en op de Faröer behoort, volgens de schatting van Graba, één van elke vijf vogels tot deze verscheidenheid. Zij wordt gekenmerkt door een zuiver witten ring rondom het oog, met een kromme smalle witte streep, 3,75 centimeter lang, die van uit den ring naar achteren voortloopt. Dit in het oog loopende kenmerk veroorzaakt, dat deze vogel door onderscheidene vogelkenners (ornithologen) als een afzonderlijke soort is gerangschikt onder den naam van U. lacrymans; maar men weet nu, dat het een bloote verscheidenheid is. Zij paart dikwijls met de gewone soort, en toch zijn er nimmer tusschenbeide liggende overgangsvormen gezien; en dit is ook niet te verwonderen, want afwijkingen die plotseling verschijnen, worden dikwijls, gelijk ik elders [199] heb aangetoond, hetzij onveranderd, hetzij in het geheel niet overgeplant. Wij zien dus, dat twee verschillende vormen van de zelfde soort in de zelfde streek naast elkander kunnen bestaan, en wij kunnen niet betwijfelen, dat, wanneer de eene eenig groot voordeel boven den anderen had bezeten, hij zich spoedig zou hebben vermeerderd ten koste en met uitsluiting van den andere. Indien, bij voorbeeld, de mannelijke gevlekte raven, in plaats van door hun kameraden te worden vervolgd en verjaagd, in hooge mate aantrekkelijk waren geweest, evenals de bovenvermelde gevlekte pauw, voor de gewone zwarte wijfjes, zou hun aantal spoedig zijn toegenomen. En dit zou een geval van seksueele teeltkeus zijn geweest. [200]
Wat de kleine individueele verschillen die in meerdere of mindere mate aan al de individu’s van de zelfde soort gemeen zijn, aangaat, hebben wij alle reden om te gelooven, dat zij verreweg het belangrijkst zijn voor het werk der teeltkeus. Secundaire seksueele kenmerken zijn bij uitstek onderhevig aan afwijking, zoowel bij dieren in den natuurstaat als bij getemde dieren. [201] Er is ook reden om aan te nemen, gelijk wij in ons achtste hoofdstuk hebben gezien, dat afwijkingen meer geneigdheid hebben om zich bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse voor te doen. Al deze omstandigheden zijn in hooge mate gunstig voor de seksueele teeltkeus. Of op die wijze verkregen kenmerken op ééne sekse of op beide seksen worden overgeplant, hangt, gelijk ik in het volgende hoofdstuk hoop aan te toonen, in de meeste gevallen uitsluitend af van den vorm van erfelijkheid, die bij de groepen in kwestie de overhand heeft.
Het is somtijds moeilijk zich eenige meening te vormen over de vraag, of zekere geringe verschillen tusschen de seksen van vogels eenvoudig het gevolgd zijn van hun vatbaarheid voor afwijking (veranderlijkheid, variabiliteit) met tot ééne der seksen beperkte erfelijkheid, zonder de hulp van de seksueele teeltkeus, dan wel of zij door de werking dezer laatste zijn vermeerderd. Ik beroep mij hier niet op de tallooze voorbeelden, dat het mannetje pronkt met prachtige kleuren en andere versierselen waarin het wijfje slechts in geringe mate deelt; want het is bijna zeker, dat deze gevallen het gevolg daarvan zijn, dat het mannetje oorspronkelijke kenmerken heeft verkregen en die later in meerdere of mindere mate op het wijfje heeft overgeplant. Wat moeten wij echter besluiten ten opzichte van zekere vogels bij welke, bij voorbeeld, de oogen bij de beide seksen eenigermate in kleur verschillen? [202] In sommige gevallen verschillen de oogen sterk; zoo zijn bij ooievaars van het geslacht Xenorhynchus die van het mannetje zwartachtig bruin, terwijl die van het wijfje guttegom-geel zijn; bij vele Neushorenvogels (Buceros) hebben, gelijk ik van den heer Blyth [203] hoor, de mannetjes hoog karmozijnroode en de wijfjes witte oogen. Bij den Buceros bicornis zijn de achterrand van den helm en een streep op den kam van den snavel bij het mannetje zwart, doch bij het wijfje niet. Moeten wij nu veronderstellen, dat deze zwarte merken en de karmozijnen kleur van de oogen bij de mannetjes door seksueele teeltkeus zijn bewaard gebleven of vermeerderd? Dit is zeer twijfelachtig; want de heer Bartlett toonde mij in den Londenschen dierentuin, dat de binnenzijde van den bek van dezen Buceros bij het mannetje zwart en bij het wijfje vleeschkleurig is; en dit werkt niet in op hun uiterlijk aanzien of schoonheid. Ik nam in Chili [204] waar, dat het regenboogvlies (iris) van den Condor, als hij omtrent een jaar oud is, donkerbruin is, maar op volwassen leeftijd bij het mannetje in geelachtig bruin en bij het wijfje in levendig rood verandert. Het mannetje bezit ook een kleinen, overlangschen, loodkleurigen, vleeschachtigen kam. Bij vele Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) dient de kam in hooge mate tot versiering en neemt gedurende de vrijage levendige kleuren aan; maar wat moeten wij denken van den dofgekleurden kam van den Condor, die in onze oogen volstrekt geen versiersel is? De zelfde vraag kan worden gedaan ten opzichte van onderscheidene andere kenmerken, zooals de knobbels aan de basis van de Chineesche gans (Anser cygnoides), die bij het mannetje veel grooter dan bij het wijfje zijn. Geen zeker antwoord kan op deze vragen worden gegeven; maar wij behooren voorzichtig te zijn met de verzekering, dat de knobbels en verschillende vleezige aanhangsels niet aantrekkelijk voor het wijfje kunnen zijn, wanneer wij bedenken, dat bij wilde menschenrassen onderscheidene afgrijselijke misvormingen—diepe litteekens met opgezwollen vleezige randen op het gelaat, een met stokken of beenderen doorboord neusschot, wijd opengerekte gaten in de ooren of lippen—allen als versierselen worden bewonderd.
Hetzij onbelangrijke verschillen tusschen de seksen, zooals de juist opgenoemde, al dan niet door de seksueele teeltkeus zijn bewaard, zoo moeten toch die verschillen, even zoo goed als alle andere, oorspronkelijk afhankelijk zijn van de wetten der variatie. Volgens het beginsel van correlatieve ontwikkeling varieert het gevederte dikwijls op verschillende deelen van het lichaam, of over het geheele lichaam, op de zelfde wijze. Wij zien hiervan goede voorbeelden bij sommige hoenderrassen. Bij al de rassen zijn de vederen van den hals en de lendenen van het mannetje verlengd en worden sikkelvederen genoemd; wanneer nu beide seksen een vederkuif verkrijgen, hetgeen een nieuw kenmerk in het geslacht (genus) is, worden de vederen van de kuif van het mannetje sikkelvedervormig, klaarblijkelijk volgens het beginsel van correlatie, terwijl die op den kop van het wijfje van den gewonen vorm zijn. Ook de kleur van de sikkelvederen die de kuif van het mannetje vormen, staat dikwijls in verband met die van de sikkelvederen aan den hals en de lendenen, zooals men kan zien door deze vederen te vergelijken bij de goud- en zilvergevlekte Kuifhoenders, het Houdan- en het Crève-coeur-ras. Bij sommige natuurlijke soorten kunnen wij volkomen het zelfde verband zien tusschen de kleuren van deze zelfde vederen, zooals bij de mannetjes van de prachtige Goudlakensche en Amherst-fazanten.
Het maaksel van elke individueele veder veroorzaakt, dat over het algemeen elke verandering in haar kleur symmetrisch is; wij zien dit bij de verschillende gestreepte, gevlekte en gepenseelde hoenderrassen, en volgens het beginsel van correlatie worden de vederen over het geheele lichaam dikwijls op de zelfde wijze gewijzigd. Wij zijn daardoor in staat zonder veel moeite rassen aan te fokken, wier gevederte bijna even symmetrisch van teekening en kleur is, als dat van natuurlijke soorten. Bij gestreepte en gevlekte hoenders zijn de gekleurde randen van de vederen scherp begrensd; maar bij een bastaard, door mij opgekweekt uit een zwarten Spaanschen haan, wiens vederen een groenen weêrschijn hadden, en een witte strijdhen, waren al de vederen groenachtig zwart, behalve aan hun uiteinden die geelachtig wit waren; maar tusschen de witte uiteinden en de zwarte gronddeelen was er op elke veder een symmetrische, gekromde, donkerbruine gordel. In sommige gevallen bepaalt de schacht van de veder de verdeeling van de kleuren; zoo was bij de lichaamsvederen van een bastaard van dezen zelfden Spaanschen haan en een zilvergevlekte Kuifhen de schacht en een nauwe ruimte aan elke zijde daarvan groenachtig zwart, en deze werd omgeven door een regelmatigen gordel van donkerbruin, omzoomd met bruinachtig wit. In deze gevallen zien wij vederen een symmetrische schakeering verkrijgen, evenals die welke zooveel bevalligheid verleenen aan het gevederte van vele natuurlijke soorten. Ik heb ook een verscheidenheid (variëteit) van de gewone duif opgemerkt, wier vleugelbalken symmetrisch door drie lichte schakeeringen waren omzoomd, in plaats van eenvoudig zwart op een leiblauwen grond te zijn, zooals bij de stamsoort.
Bij vele groote groepen van vogels kan men opmerken, dat het gevederte bij elke soort verschillend is gekleurd, maar dat toch zekere vlekken, teekeningen en strepen, hoewel eveneens verschillend gekleurd, bij al de soorten bewaard zijn gebleven. Soortgelijke gevallen komen bij de duivenrassen voor, die gewoonlijk de beide vleugelbalken behouden, hoewel zij rood, geel, wit, zwart of blauw gekleurd kunnen zijn, terwijl het overige gevederte van de eene of andere geheel verschillende kleur is. Ziehier een merkwaardig geval waarin sommige teekeningen bewaard zijn gebleven, hoewel op bijna volkomen omgekeerde wijze gekleurd als in den natuurstaat; de oorspronkelijke duif heeft een blauwen staart waaraan de buitenste helft van de naar buiten gekeerde baarden van de twee buitenste staartvederen wit zijn gekleurd; en nu is er een onder-ras dat een witten in plaats van een blauwen staart heeft, doch waarvan juist dat kleine gedeelte zwart is, dat bij de stamsoort wit is. [205]
Vormingswijze en veranderlijkheid (variabiliteit) van de Oogvlekken (Ocelli) op het gevederte van Vogels.—Daar geen versierselen schooner zijn dan de oogvlekken (ocelli) op de vederen van onderscheidene Vogels, op het haarkleed van sommige Zoogdieren, op de schubben van Reptielen en Visschen, op de huid van Amphibiën, op de vleugels van vele Schubvleugeligen (Lepidoptera) en andere Insekten, verdienen zij bijzondere opmerking. Een oogvlek (ocellus) bestaat uit een vlek, omsloten door een ring van een andere kleur, gelijk de pupil van het oog door het regenboogvlies (iris); doch de centrale vlek wordt dikwijls ook nog omringd door bijkomende gelijkmiddelpuntige (concentrische) gordels. De oogvlekken op de staartdekvederen van den pauw leveren daarvan een welbekend voorbeeld en eveneens die op de vleugels van den dagpauwoogvlinder (Vanessa). De heer Triton heeft mij de beschrijving van een Zuid-Afrikaanschen nachtvlinder (Gynanisa Isis), met onzen nachtpauwoogvlinder verwant, gegeven, bij welken een prachtige oogvlek bijna de geheele oppervlakte van elken achtervleugel beslaat; zij bestaat uit een zwart middelpunt, een half doorschijnende halvemaanvormige teekening omsluitende, omringd door opeenvolgende okergele, zwarte, okergele, vleeschkleurige, witte, vleeschkleurige, bruine en witachtige gordels. Hoewel wij de trappen niet kennen, langs welke deze verwonderlijk schoone en samengestelde versierselen zich hebben ontwikkeld, is het proces, ten minste bij insekten, waarschijnlijk eenvoudig geweest; want, gelijk de heer Trimen mij schrijft, „is geen kenmerk dat alleen op teekening en kleur betrekking heeft, bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) zoo onstandvastig als de oogvlekken, zoowel in aantal als in grootte.” De heer Wallace die het eerst mijn aandacht op dit onderwerp vestigde, toonde mij een rij voorwerpen van ons gewone bruine zandoogje (Hipparchia Janira), talrijke overgangen van een eenvoudige kleine zwarte vlek tot een bevallig geschakeerde oogvlek vertoonende. Bij een Zuid-Afrikaansche kapel (Cyllo Leda, Linn.), tot de zelfde Familie behoorende, zijn de oogvlekken nog veranderlijker. Bij sommige voorwerpen (A, Fig. 49) zijn groote ruimten op het bovenvlak der vleugels zwart gekleurd en omsluiten onregelmatige witte teekeningen; en van dezen staat af kan men een onafgebroken reeks overgangsvormen volgen tot een tamelijk volkomen oogvlek (A1) en dit is het gevolg van de samentrekking der onregelmatige gekleurde vlekken. Bij een andere reeks voorwerpen kan men den overgang volgen van uiterst kleine puntjes, door een nauwelijks zichtbare zwarte lijn omgeven (B), tot volkomen symmetrische en groote oogvlekken (B1). [206] In gevallen als deze, vereischt de ontwikkeling van een volkomen oogvlek geen lange reeks afwijkingen of langdurige inwerkingen der teeltkeus.
Bij vogels en vele andere dieren schijnt uit de vergelijking van verwante soorten te volgen, dat cirkelvormige vlekken dikwijls ontstaan uit het afbreken en de samentrekking der strepen. Bij den Tragopan-fazant vertegenwoordigen flauwe witte lijnen bij het wijfje de fraaie witte vlekken van het mannetje [207]; en iets van dien zelfden aard kan bij de beide seksen van den Argus-fazant worden waargenomen. Hoe dit ook moge zijn, de schijn begunstigt zeer het geloof, dat, van den eenen kant, een donkere vlek dikwijls wordt gevormd, doordat de kleurstof naar een centraal punt wordt getrokken uit een omringenden gordel die aldus lichter wordt gemaakt. En, van den anderen kant, dat een witte vlek dikwijls wordt gevormd, doordat de kleurstof uit een centraal punt wordt weggedreven, zoodat zij zich opeenhoopt in een omringenden donkerder gordel. In elk dier beide gevallen is de vorming van een oogvlek het gevolg. De kleurstof schijnt in een vrij standvastige hoeveelheid aanwezig te zijn, maar wordt, hetzij middelpuntzoekend (centripetaal), of middelpuntvliedend (centrifugaal) verdeeld.
De vederen van het gewone parelhoen leveren een goed voorbeeld van witte vlekken door donkerder gordels omringd, en overal waar de witte vlekken groot zijn en dicht bij elkander staan, vloeien de omringende donkere gordels ineen. In den zelfden vleugelveder van den Argus-fazant kan men donkere vlekken zien, die door een bleeken, en witte vlekken die door een donkeren gordel worden omringd. De vorming van een oogvlek in haar eenvoudigsten staat schijnt dus een eenvoudige zaak te zijn. Door welke verdere stappen de meer samengestelde oogvlekken die door opeenvolgende gekleurde ringen worden omgeven, zijn ontstaan, wil ik niet beweren, dat ik kan verklaren. Als wij ons echter de van gekleurde gordels voorziene vederen van het bastaardkroost van verschillend gekleurde hoenders, en de buitengewone veranderlijkheid (variabiliteit) der oogvlekken bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) herinneren, kan de vorming van deze schoone versierselen moeilijk een zeer ingewikkeld proces zijn, en hangt waarschijnlijk van de eene of andere geringe en trapsgewijze verandering in den aard der weefsels af.
Trapsgewijze Overgangen van Secundaire Seksueele Kenmerken.—Gevallen van trapsgewijzen overgang zijn belangrijk voor ons, daar zij aantoonen, dat het ten minste mogelijk is, dat hoogst samengestelde versierselen door kleine opeenvolgende trappen zijn verkregen. Om de werkelijke trappen te ontdekken, langs welke het mannetje van den eenen of anderen bestaanden vogel zijn prachtige kleuren of andere versierselen heeft verkregen, zouden wij de lange lijn van zijn oude en uitgestorven voorouders moeten aanschouwen, en dit is blijkbaar onmogelijk. Wij kunnen echter wellicht in het algemeen een leiddraad daartoe verkrijgen door al de soorten van een groep, wanneer het een groote is, te vergelijken; want eenige daarvan zullen waarschijnlijk, ten minste gedeeltelijk, sporen van hun vroegere kenmerken hebben behouden. In plaats van in vervelende bijzonderheden te treden omtrent onderscheidene groepen bij welke treffende gevallen van trapsgewijzen overgang zouden kunnen worden vermeld, schijnt het het beste plan om een of twee sterk sprekende gevallen te nemen, bij voorbeeld dat van den pauw, om te ontdekken of er op die wijze eenig licht kan worden geworpen op de stappen door welke deze vogel zoo prachtig is versierd. De pauw is voornamelijk zoo merkwaardig door de buitengewone lengte van zijn staartdekvederen, terwijl de staart zelf niet zeer verlengd is. De baarden staan langs bijna de geheele lengte van deze vederen elk afzonderlijk of zijn ontleed; dit is echter ook het geval met de vederen van vele soorten, en met sommige verscheidenheden (variëteiten) van het tamme hoen en de tamme duif. De baarden vereenigen zich nabij het einde van de schacht om de ovale schijf of de oogvlek te vormen, die zeker een van de schoonste zaken is, die in de wereld bestaan. Deze bestaat uit een iriseerend, donkerblauw, tandvormig ingesneden middelpunt, omringd door een rijken groenen gordel, welke op zijn beurt wordt omgeven door een breeden koperachtig bruinen gordel, door vijf andere smalle gordels van eenigszins verschillende iriseerende schakeeringen omsloten. Een klein kenmerk in de schijf verdient wellicht opmerking; de baarden zijn over een ruimte langs één der gelijkmiddelpuntige concentrische gordels in meerdere of mindere mate ontbloot van hun zijdelingsche takjes, zoodat een deel van de schijf door een bijna doorschijnenden gordel wordt omgeven, die er een in hooge mate afgewerkt uiterlijk aan geeft. Ik heb echter elders [208] een volkomen overeenkomstige afwijking in de sikkelvederen van een onder-verscheidenheid (sub-variëteit) van den strijdhaan beschreven, bij welke de metaalglans bezittende uiteinden van het lagere deel van de veder worden gescheiden door een symmetrisch gevormden doorschijnenden gordel, gevormd door de naakte deelen van de baarden. De onderrand of basis van het donkerblauwe midden van de oogvlek is op de lijn van de schacht diep ingekerfd. Ook de omringende gordels vertoonen, gelijk men op de teekening Fig. 50 kan zien, sporen van inkervingen of liever afbrekingen. Deze inkervingen komen zoowel bij den Indischen (Pavo cristatus) als bij den Javaanschen pauw (P. muticus) voor; en zij schenen mij toe bijzondere aandacht te verdienen, als waarschijnlijk in verband staande met de ontwikkeling van de oogvlek; maar gedurende langen tijd kon ik hun beteekenis niet gissen.