Part 8
(3) Het hier bedoelde orgaan is niet homoloog met het strottenhoofd (larynx) der Zoogdieren, en draagt dus oneigenlijk dien naam. Het eigenlijke strottenhoofd (larynx superior) dient bij de vogels niet tot voortbrenging van het geluid. Het stemorgaan, door sommigen oneigenlijk onderste strottenhoofd (larynx inferior) geheeten, bevindt zich bij hen op de plaats waar de luchtpijp zich in twee longpijpen (bronchi) splitst; bij een Zuid-Amerikaansche soort van Nachtzwaluw (Steatornis garipensis) is het stemorgaan zelfs in de longpijpen zelf gelegen en derhalve dubbel. Het is voorzien van twee als stembanden werkende vliezen (membranae tympaniformia), waarbij zich bij de ware zangvogels nog een derde (de membrana semilunaris) voegt. Aldus ontstaat een dubbele stemspleet waarvan de randen door bijzondere spieren kunnen worden gespannen en verslapt. Daarenboven bezitten vele Zangvogels der Oude Wereld nog vijf tot zes paar zangspieren waarvan eenige het stemorgaan opheffen, terwijl andere het naar beneden trekken; deze zangspieren zijn bij vele Amerikaansche Zangvogels tot één enkele uit twee of drie lagen bestaande spiermassa samengesmolten.
(4) Merops apiaster.
(5) Zie Deel I, blz. 143, aant. 14.
(6) „Halo’s.” Men noemt zoo gelijkmiddelpuntige (concentrische), aan de binnenzijde rood, aan de buitenzijde wit of blauwachtig gekleurde cirkels (respectievelijk van 22° en 46° middellijn), welke men soms om de zon waarneemt, en die soms nog door een derden (van 90° middellijn), aan de binnenzijde violet gekleurden gelijkmiddelpuntigen (concentrischen) cirkel worden omgeven. Deze iriseerende kringen om de zon worden veroorzaakt door de breking van het licht door tallooze in de atmospheer zwevende ijskristalletjes.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.—VERVOLG.
Keus door het wijfje uitgeoefend.—Langdurigheid der vrijage.—Ongepaarde vogels.—Geestvermogens en smaak voor het schoone.—Voorkeur of afkeer van het wijfje ten opzichte van bijzondere mannetjes.—Veranderlijkheid (variabiliteit) van Vogels.—De afwijkingen (variaties) ontstaan soms plotseling.—Wetten der veranderlijkheid (variabiliteit).—Vorming van oogvlekken (ocelli).—Overgangen van kenmerken.—Geval van den pauw, Argus-fazant en Urosticte.
Als de seksen verschillen in schoonheid, in zangvermogen of in het voortbrengen van hetgeen ik instrumentale muziek heb genoemd, is het bijna altijd het mannetje dat het wijfje overtreft. Deze hoedanigheden zijn, zooals wij straks zagen, klaarblijkelijk hoogst belangrijk voor het mannetje. Als zij slechts voor een gedeelte van het jaar worden verkregen, is dit altijd kort voor den paartijd. Alleen het mannetje pronkt zorgvuldig met zijn verschillende bekoorlijkheden en voert dikwijls vreemde vertooningen op den grond of in de lucht in tegenwoordigheid van het wijfje uit. Elk mannetje verjaagt, of doodt, als hij kan, al zijn medeminnaars. Hieruit mogen wij besluiten, dat het doel van het mannetje is om het wijfje er toe te brengen met hem te paren, en om dit doel te bereiken, tracht hij haar op onderscheidene wijzen op te wekken of te bekoren; en dit is de meening van allen die de gewoonten van levende vogels met zorg hebben bestudeerd. Er blijft echter een vraag over, die een hoogst belangrijke beteekenis heeft voor de seksueele teeltkeus, namelijk of elk mannetje van de zelfde soort het wijfje in even hooge mate opwekt en aantrekt, dan wel of zij een keus doet en aan zekere mannetjes de voorkeur geeft. Het laatste kan bevestigend worden beantwoord op grond van vele directe en indirecte bewijzen. Het is veel moeilijker te beslissen, welke hoedanigheden de keus van het wijfje bepalen; maar wij hebben hier wederom eenige directe en indirecte bewijzen, dat het in groote mate de uitwendige aantrekkelijkheden van het mannetje zijn, hoewel ongetwijfeld zijn kracht, moed en andere geestvermogens in het spel komen. Wij zullen met de indirecte bewijzen beginnen.
Langdurigheid der Vrijage.—De lange tijd gedurende welken beide seksen van zekere vogels den eenen dag voor en den anderen na op een vaste plaats samenkomen, hangt ongetwijfeld gedeeltelijk daarvan af, dat de vrijage een langdurige zaak is, en gedeeltelijk van de herhaling der paring. Zoo duren in Skandinavië de „balzen” of „leks” van de korhoenders van het midden van Maart af, gedurende de geheele maand April tot in Mei toe. Niet minder dan veertig of vijftig, of zelfs meer vogels komen op de „leks” te zamen; en de zelfde plaats wordt dikwijls gedurende achtereenvolgende jaren bezocht. De „lek” van den grooten auerhaan duurt van het einde van Maart tot het midden of zelfs het einde van Mei. In Noord-Amerika „duren de patrijzendansen” van Tetrao phasianellus „een maand of langer.” Andere soorten van Boschhoenders zoowel in Noord-Amerika als in Siberië [159] hebben omtrent de zelfde gewoonten. De vogelaars ontdekken de hoogten waar de kemphanen samenkomen, doordat het gras er kaal is geloopen, en dit bewijst, dat de zelfde plaats gedurende langen tijd wordt bezocht. De Indianen van Guiana zijn goed bekend met de schoongemaakte open plaatsen waar zij verwachten de schoone Rotshanen („Cocks of the Rock”) te vinden; en de inboorlingen van Nieuw-Guinea kennen de boomen waar van tien tot twintig mannelijke Paradijsvogels in hun vollen vedertooi te zamen komen. In dit laatste geval is niet uitdrukkelijk vermeld, dat de wijfjes zich op de zelfde boomen verzamelen; doch de jagers zullen waarschijnlijk, als het hun niet bijzonder wordt gevraagd, haar tegenwoordigheid niet vermelden, daar haar vellen geen waarde hebben. Kleine troepjes van een Afrikaanschen wevervogel (Ploceus) komen gedurende den paartijd samen en voeren uren lang hun bevallige bewegingen uit. Groote getallen van de poelsnip (Scolopax major) verzamelen zich gedurende de schemering in een moeras, en de zelfde plaats wordt met het zelfde doel gedurende achtereenvolgende jaren bezocht; men kan ze daarop zien rondloopen, „gelijk even zoovele groote ratten”, hun vederen opzettende, met hun vleugels kleppende en de vreemdste geluiden voortbrengende. [160]
Sommige van de bovenvermelde vogels, namelijk het korhoen, het groote auerhoen, het fazanten-boschhoen, de kemphaan, de poelsnip, en wellicht eenige andere, leven, naar men gelooft, in veelwijverij. Men zou hebben kunnen denken, dat bij dergelijke vogels de sterkere mannetjes eenvoudig de zwakkere weggejaagd, en dan op eens zoovele wijfjes, als mogelijk was, in bezit zouden hebben genomen; indien het echter voor het mannetje noodzakelijk was, om het wijfje op te wekken of haar te behagen, kunnen wij den langen duur der vrijage en het samenkomen van zoovele individu’s van beide seksen op de zelfde plaats begrijpen. Sommige soorten die strikt eenwijvig zijn, „houden bruiloftsbijeenkomsten”; dit schijnt het geval te zijn in Skandinavië met een van de Sneeuwhoenders, wiens „leks” van het midden van Maart tot het midden van Mei duren. In Australië vormt de liervogel (Menura superba) „kleine ronde heuvels”, en de Menura Alberti graaft zich ondiepe holen, of, gelijk zij door de inboorlingen worden genoemd, „corroborying places” (1) uit, waar men gelooft, dat beide seksen bijeenkomen. De bijeenkomsten van M. superba zijn dikwijls zeer talrijk; en onlangs is een verhaal publiek gemaakt [161] door een reiziger die in een vallei beneden hem, dicht met struiken begroeid, „een gedruisch” hoorde, „dat hem volkomen in verbazing bracht”: naar beneden klauterende, zag hij tot zijn verwondering omtrent honderdvijftig prachtige liervogels, „in slagorde gerangschikt, met onbeschrijfelijke woede met elkander vechten.” De priëelen van de priëelvogels worden gedurende den paartijd door beide seksen bezocht; „daarin komen de mannetjes samen en strijden met elkander om de gunst van het wijfje, en daarin komen de wijfjes samen en coquetteeren met de mannetjes.” Bij twee der geslachten wordt het zelfde priëel vele jaren achtereen bezocht. [162]
De weleerw. heer W. Darwin Fox heeft mij medegedeeld, dat de eksters (Corvus pica, Linn.) uit alle deelen van het Delamere-woud bijeen plachten te komen om het groote eksterhuwelijk te vieren. Eenige jaren geleden waren deze vogels buitengewoon talrijk, zoodat een jachtopziener er op éénen morgen negentien doodde en een ander met een enkel schot zeven bij elkander zittende vogels tegelijk doodde. Terwijl zij zoo talrijk waren, hadden zij de gewoonte om zeer vroeg in de lente op bijzondere plaatsen samen te komen, waar men ze in troepen kon zien, snappende, somtijds vechtende, in de boomen heên en weêr dribbelende, en vliegende. De geheele zaak werd door de vogels klaarblijkelijk beschouwd als van het hoogste belang. Kort na de bijeenkomst scheidden zij allen, en de heer Fox en anderen merkten op, dat zij dan voor het jaargetijde waren gepaard. In de eene of andere streek waar een soort niet zeer talrijk is, kunnen natuurlijk geen groote bijeenkomsten worden gehouden, en de zelfde soort heeft wellicht in verschillende landen verschillende gewoonten. Ik heb bij voorbeeld nergens medegedeeld gevonden, dat de korhoenders in Schotland geregelde bijeenkomsten houden, en toch zijn die bijeenkomsten in Duitschland en Skandinavië zoo wel bekend, dat zij bijzondere namen dragen.
Ongepaarde Vogels.—Uit de nu medegedeelde feiten mogen wij besluiten, dat bij vogels, tot zeer verschillende groepen behoorende, de vrijage dikwijls een langdurige, teedere en lastige zaak is. Er is zelfs reden om te vermoeden, hoe onwaarschijnlijk dit ook in het eerst moge schijnen, dat sommige mannetjes en wijfjes van de zelfde soort, de zelfde streek bewonende, elkander niet altijd behagen en bijgevolg niet paren. Vele verhalen zijn publiek gemaakt van hetzij het mannetje of het wijfje van een paar, dat was doodgeschoten, en spoedig door een ander werd vervangen. Dit is veelvuldiger waargenomen bij den ekster, dan bij eenigen anderen vogel, wellicht ten gevolge van zijn opzichtig uiterlijk en nest. De vermaarde Jenner verhaalt, dat in Wiltshire één van een paar dagelijks niet minder dan zevenmaal achtereen werd doodgeschoten, „maar alles te vergeefs, want de overblijvende ekster vond weldra een ander gezel”; en het laatste paar kweekte hun jongen op. Over het algemeen wordt den volgenden dag een gezel gevonden; maar de heer Thompson deelt een geval mede, waarin er een reeds op den avond van den zelfden dag werd vervangen. Zelfs nadat de eieren zijn uitgebroeid, zal er, indien een der oude vogels wordt gedood, dikwijls een gezel worden gevonden; dit geschiedde na verloop van twee dagen in een geval, onlangs door een van Sir J. Lubbock’s opzichters waargenomen. [163] De eerste en meest voor de hand liggende onderstelling is, dat de mannelijke eksters veel talrijker moeten zijn dan de vrouwelijke, en dat in de bovenvermelde gevallen, zoowel als in vele andere die nog zouden kunnen worden medegedeeld, alleen de mannetjes waren gedood. Dit schijnt in sommige gevallen steek te houden; want de jachtopzichters in het Delamere-woud verzekerden den heer Fox, dat de eksters en kraaien die zij vroeger achtereenvolgens in grooten getale nabij hun nesten doodden, allen mannetjes waren, en zij verklaarden dit feit, doordat de mannetjes gemakkelijker werden gedood, terwijl zij aan de op de eieren zittende wijfjes voedsel brachten. Macgillivray geeft echter, op autoriteit van een uitnemend waarnemer, een voorbeeld van drie eksters, achtereenvolgens op het zelfde nest gedood, die allen wijfjes waren; en een ander geval van zes eksters achtereenvolgens gedood, terwijl zij op de zelfde eieren zaten, hetgeen het waarschijnlijk maakt, dat zij allen wijfjes waren, hoewel het mannetje, gelijk ik van den heer Fox hoor, op de eieren zal gaan zitten, als het wijfje is gedood.
De jachtopzichter van den heer Lubbock heeft herhaaldelijk, maar hoevele malen kon hij niet zeggen, één van een paar Vlaamsche gaaien (Garrulus glandarius) geschoten, en het miste nooit, of kort daarna vond hij den overlever opnieuw gepaard. De weleerw. heer W. D. Fox, de heer F. Bond en anderen hebben één van een paar kraaien (Corvus corone) geschoten; maar het nest werd weldra opnieuw bewoond. Deze vogels zijn vrij algemeen; maar Falco peregrinus is zeldzaam, en toch getuigt de heer Thompson, dat, wanneer in Ierland „hetzij een oud mannetje of een wijfje in den paartijd wordt gedood (hetgeen geen ongewone omstandigheid is), in zeer weinig dagen een ander gezel wordt gevonden, zoodat de nesten, niettegenstaande dergelijke gebeurlijkheden, zeker zijn hun aandeel jongen te leveren.” De heer Jenner Weir wist, dat het zelfde gebeurde met Falco peregrinus te Beachy Head. De zelfde waarnemer meldt mij, dat drie torenvalken (Falco tinnunculis), allen mannetjes, achtereenvolgens werden gedood, terwijl zij het zelfde nest bezochten; twee daarvan waren in vollen vederdos, en de derde in het gevederte van het vorige jaar. Een geloofwaardig jachtopzichter in Schotland verzekerde den heer Birkbeck, dat zelfs bij den zeldzamen gouden arend (Aquila chrysaëtos), wanneer de eene is gedood, spoedig een andere wordt gevonden. Evenzoo heeft men waargenomen, dat bij den kerkuil (Strix flammea) „de overlever weldra een gezel vond en het ongeluk voorbijging.”
White van Selborne, die het geval van den uil mededeelt, voegt er bij, dat hij een man heeft gekend, die, daar hij geloofde, dat de patrijzen, als zij waren gepaard, door het vechten der mannetjes werden verontrust, hen placht dood te schieten; en hoewel hij het zelfde wijfje verscheidene malen weduwe had gemaakt, was zij altijd spoedig van een nieuwen gezel voorzien. Deze zelfde natuuronderzoeker beval de musschen dood te schieten, die de muurzwaluwen van haar nesten beroofden; maar degeen die overbleef, „hetzij het een mannetje of een wijfje was, verkreeg dadelijk een gezel, en dat verscheidene malen achtereen.” Ik zou hier soortgelijke gevallen kunnen bijvoegen, betrekking hebbende op den vink, den nachtegaal en het roodstaartje. Ten opzichte van den laatsten vogel (Phoenicura ruticilla) merkt de schrijver op, dat hij in geenen deele algemeen was in den omtrek, en hij geeft veel verwondering er over te kennen, dat het op de eieren zittende wijfje zoo spoedig met goeden uitslag bekend kon maken, dat zij weduwe was. De heer Jenner Weir heeft mij een bijna gelijksoortig geval medegedeeld: te Blackheath ziet of hoort hij nimmer den zang van den wilden goudvink, en toch kwam gewoonlijk, wanneer een zijner in kooien opgesloten mannetjes was gestorven, een wild mannetje in den loop van weinige dagen en ging bij het weduwe geworden wijfje zitten, wier loktoon verre van luid is. Ik zal slechts één ander feit mededeelen op autoriteit van dezen zelfden waarnemer; van een paar spreeuwen (Sturnus vulgaris) werd er één in den morgen doodgeschoten; ’s middags was een nieuwe gezel gevonden; deze werd wederom doodgeschoten; maar vóór den nacht was het paar volledig, zoodat de troostelooze weduwe of weduwnaar gedurende den zelfden dag driemaal werd vertroost. De heer Engleheart meldt mij ook, dat hij gedurende verscheidene jaren gewoon was één van een paar spreeuwen dood te schieten, die in een gat in een huis te Blackheath hun nest bouwden; maar het verlies werd dadelijk hersteld. Gedurende één jaargetijde hield hij er aanteekening van en vond, dat hij vijf-en-dertig vogels van het zelfde nest had doodgeschoten; deze bestonden zoowel uit mannetjes als uit wijfjes, maar in welke verhouding kan hij niet zeggen; desniettemin werden na al deze vernieling nog jongen opgekweekt. [164]
Deze feiten zijn zeker opmerkelijk. Hoe komt het, dat zoovele vogels in staat zijn om een verloren gezel dadelijk te vervangen? Eksters, Vlaamsche gaaien, kraaien, patrijzen en sommige andere vogels worden gedurende het voorjaar nooit alleen gezien, en deze leveren op het eerste gezicht het moeilijkst te verklaren geval op. Vogels van de zelfde sekse leven echter, hoewel natuurlijk niet wezenlijk gepaard, somtijds bij paren of in kleine troepjes, zooals bekend is, dat met duiven en patrijzen het geval is. Somtijds leven de vogels ook bij drietallen, zooals bij spreeuwen, kraaien, papegaaien en patrijzen is waargenomen. Bij patrijzen zijn voorbeelden bekend zoowel van twee wijfjes die met één mannetje, als van twee mannetjes die met één wijfje leefden. In alle dergelijke gevallen is het waarschijnlijk, dat de vereeniging gemakkelijk zou worden verbroken. Men kan de mannetjes van sommige vogels nu en dan met hun liefdezang zien voortgaan lang na den gewonen tijd, hetgeen aantoont, dat zij een gezellin hebben verloren of nimmer verkregen. De dood van één van een paar, hetzij door ongeval of door ziekte, zou den anderen vogel vrij en alleen overlaten; en er is reden om te gelooven, dat vrouwelijke vogels gedurende den paartijd bijzonder onderhevig zijn aan een vroegtijdigen dood. Evenzoo zouden vogels wier nesten verwoest waren geworden of onvruchtbare paren, of achterlijke individu’s, er gemakkelijk toe komen om hun gezellen te verlaten, en zouden waarschijnlijk blijde zijn, als zij eenig deel konden nemen aan de genoegens en de plichten van de opkweeking van jongen, al waren die hun eigen ook niet. [165] Dergelijke gebeurlijkheden als deze verklaren waarschijnlijk de meeste der voorgaande gevallen. [166] Desniettemin is het een vreemd feit, dat er in ééne en de zelfde streek, gedurende het toppunt van den paartijd, altijd zoovele mannetjes en wijfjes gereed zouden staan om het verlies van een gepaarden vogel te vergoeden. Waarom paren dergelijke overgebleven vogels niet onmiddellijk met elkander? Hebben wij niet enige reden om te vermoeden, en dit vermoeden is bij den heer Jenner Weir opgekomen, dat het, daar de vrijage bij vele vogels een langdurige en vervelende zaak schijnt te zijn, nu en dan gebeurt, dat zekere mannetjes en wijfjes er gedurende den eigenlijken paartijd niet in slagen om elkanders liefde op te wekken, en bij gevolg niet paren? Dit vermoeden zal iets minder onwaarschijnlijk voorkomen, nadat wij zullen hebben gezien, welk een sterken tegenzin en voorkeur vrouwelijke vogels nu en dan jegens bijzondere mannetjes toonen.
Geestvermogens der Vogels en hun smaak voor het schoone.—Voor wij verder de vraag bespreken, of de wijfjes de meest aantrekkelijke mannetjes uitkiezen, of zich afgeven met den eersten den besten dien zij ontmoeten, zal het raadzaam zijn kortelijks de geestvermogens der vogels te beschouwen. Hun rede wordt gewoonlijk en wellicht terecht, voor weinig ontwikkeld gehouden; maar toch kunnen eenige feiten worden aangevoerd [167], die tot een tegenovergesteld besluit leiden. Weinig ontwikkelde redeneerende vermogens zijn echter, gelijk wij bij den mensch zien, vereenigbaar met sterke genegenheid, een scherp waarnemingsvermogen en smaak voor het schoone, en het is met deze laatste hoedanigheden, dat wij hier hebben te maken. Men heeft dikwijls gezegd, dat papegaaien zich zoo sterk aan elkander hechten, dat, wanneer de eene sterft, de andere gedurende langen tijd kwijnt; maar de heer Jenner Weir denkt, dat bij de meeste vogels de sterkte van hun genegenheid voor elkander zeer overdreven is geworden. Desniettemin heeft men, als één van een paar in den natuurstaat werd doodgeschoten, den overlever dagen achtereen een klaagtoon hooren voortbrengen; en de heer St. John [168] deelt verscheidene feiten mede, waaruit de wederkeerige gehechtheid van gepaarde vogels blijkt. De heer Bennet verhaalt [169], dat in China, nadat een woerd van het fraaie madarijnras was gestolen, de eend ontroostbaar bleef, hoewel haar vlijtig het hof werd gemaakt door een anderen madarijn-woerd die al zijn bekoorlijkheden voor haar tentoonspreidde. Na verloop van drie weken kreeg men den gestolen woerd terug, en dadelijk herkende het paar elkander met de uiterste vreugde. Spreeuwen kunnen echter, gelijk wij hebben gezien, op een enkelen dag driemaal over het verlies van hun gezel worden getroost. In den Londenschen Dierentuin hebben papegaaien hun vroegere meesters duidelijk herkend na een tijdsverloop van eenige maanden. Duiven hebben zulk een uitnemend geheugen voor plaatsen, dat men ze na een tijdsverloop van negen maanden naar hun vroegere woningen heeft zien terugkeeren, en toch hoor ik van den heer Harrison Weir, dat, als men een paar dat in den natuurstaat levenslang met elkander zou blijven leven, in den winter gedurende eenige weinige weken van elkander scheidt en met andere vogels doet paren, de beide vogels, als men ze weder bij elkander brengt, zelden, zoo ooit, elkander herkennen.
Vogels geven soms blijken van welwillende gevoelens; zij zullen de verlaten jongen zelfs van andere soorten voeden; maar dit moet wellicht als een vergissing van het instinkt worden beschouwd. Zij zullen ook, gelijk in een vroeger gedeelte van dit werk is aangetoond, volwassen vogels van hun eigen soort, die blind zijn geworden, voeden. De heer Buxton geeft een merkwaardig verhaal van een papegaai die zorg droeg voor een door de vorst beschadigden en verminkten vogel van een andere soort, zijn vederen schoon maakte en hem verdedigde tegen de aanvallen van de andere papegaaien die vrij in zijn tuin omzwierven. Het is een nog merkwaardiger feit, dat deze vogels blijkbaar eenig medegevoel toonen voor de genoegens hunner makkers. Toen een paar kakatoe’s een nest in een acaciaboom maakten, „was het koddig om te zien, welk een buitensporig belang de anderen van de zelfde soort in die zaak stelden.” Deze papegaaien gaven ook bewijzen van onbegrensde nieuwsgierigheid en bezaten blijkbaar het „denkbeeld van eigendom en bezit.” [170]
Vogels bezitten scherpe waarnemingsvermogens. Iedere gepaarde vogel herkent natuurlijk zijn gezel. Audubon verhaalt, dat van de spotlijsters der Vereenigde Staten (Mimus polyglottus) een zeker aantal gedurende het geheele jaar in Louisiana blijven, terwijl de anderen naar de oostelijke staten verhuizen; deze laatsten worden bij hun terugkomst dadelijk door hun zuidelijke broeders herkend en altijd aangevallen. Vogels in gevangen staat onderscheiden verschillende personen, gelijk wordt bewezen door den sterken en blijvenden tegenzin of genegenheid die zij, schijnbaar zonder eenige reden, voor zekere individu’s vertoonen. Ik heb daarvan talrijke voorbeelden gehoord bij Vlaamsche gaaien, patrijzen, kanarievogels en vooral goudvinken. De heer Hussey heeft beschreven, op hoe buitengewone wijze een tamme patrijs iedereen herkende, en zijn genegenheid en afkeer waren zeer sterk. De vogel scheen „verzot op levendige kleuren, en men kon geen nieuwe japon aantrekken of nieuwe muts opzetten zonder zijn aandacht op te wekken.” [171] De heer Hewitt heeft zorgvuldig de gewoonten van eenige eenden (van voor korten tijd getemde vogels afstammende) beschreven die bij de nadering van een wilden hond of kat hals over kop naar het water snelden en zich uitputten in hun pogingen om te ontsnappen; maar des heeren Hewitt’s eigen honden of katten kenden zij zoo goed, dat zij vlak bij hen gingen liggen om zich in de zon te koesteren. Zij vluchtten altijd weg voor een vreemdeling en even zoo ook voor de dame die hen verzorgde, als deze de eene of andere groote verandering in haar kleeding maakte. Audubon verhaalt, dat hij een wilden kalkoen opkweekte en temde, die altijd wegliep voor elken vreemden hond; deze vogel ontsnapte in het woud, en eenige dagen later zag Audubon, gelijk hij dacht, een wilden kalkoen en liet er zijn hond jacht op maken; maar tot zijn verwondering liep de vogel niet weg, en viel de hond, toen hij er bij kwam, den vogel niet aan; want zij herkenden elkander wederkeerig als oude vrienden. [172] (2)
De heer Jenner Weir is overtuigd, dat vogels bijzondere aandacht wijden aan de kleuren van andere vogels, somtijds uit ijverzucht, en somtijds als een teeken van verwantschap. Zoo zette hij een rietgors (Emberiza schoeniclus), die zijn zwarten kop had verkregen, in zijn vogelhuis (volière) en geen der vogels sloeg op den nieuw aangekomene acht, behalve een goudvink, die ook een zwarten kop heeft. Deze goudvink was een zeer rustige vogel en had vroeger nooit met een zijner kameraden, een andere rietgors die nog geen zwarten kop had gekregen, daaronder begrepen, twist gehad; maar de rietgors met een zwarten kop werd zoo ongenadig behandeld, dat hij uit het vogelhuis (volière) moest worden genomen. De heer Weir was ook genoodzaakt er een roodborstje uit te nemen, daar dit alle vogels die eenig rood in hun gevederte hadden, maar geen andere soorten, heftig aanviel; het doodde werkelijk een roodborstigen kruisbek en bijna ook een distelvink. Hij heeft van den anderen kant ook opgemerkt, dat sommige vogels, als zij pas in zijn vogelhuis (volière) werden gebracht, naar de soorten toe vlogen, die in kleur het meest op hen geleken, en zich aan hun zijde neêrzetten.