Part 18
In alle deelen der wereld zijn beide seksen van vele weeksnavelige vogels, vooral van die welke veelvuldig riet en biezen bezoeken, donker gekleurd. Ongetwijfeld zouden zij, indien hun kleuren schitterend waren geweest, veel meer in het oog loopend voor hun vijanden zijn geweest; maar of hun doffe kleuren bijzonder ter wille van de bescherming zijn verkregen, schijnt mij, zoover ik het kan beoordeelen, vrij twijfelachtig. Het is nog twijfelachtiger of dergelijke doffe kleuren ter wille van de versiering kunnen zijn verkregen. Wij moeten hierbij echter bedenken, dat mannelijke vogels, al zijn zij dof gekleurd, toch dikwijls veel van hun wijfjes verschillen, gelijk bij de gewone musch, en dit leidt tot het geloof, dat dergelijke kleuren door seksueele teeltkeus zijn verkregen, omdat zij aantrekkelijk waren. Vele van de weeksnavelige vogels zijn zangers; en een onderzoek dat wij in een vorig hoofdstuk hebben ingesteld, moet niet worden vergeten, waarbij wij aantoonden, dat de beste zangers zelden van levendige tinten zijn voorzien. Het schijnt, dat vrouwelijke vogels in den regel haar mannetjes hetzij wegens hun zoete stem, hetzij wegens hun fraaie kleuren voor de voortteling hebben uitgekozen, maar niet wegens beide bekoorlijkheden tegelijk. Sommige soorten die klaarblijkelijk ter wille van de bescherming zijn gekleurd, zooals de watersnip, houtsnip en nachtzwaluw, zijn volgens den maatstaf van onzen smaak eveneens uiterst bevallig geteekend en geschakeerd. In dergelijke gevallen mogen wij besluiten, dat natuurlijke en seksueele teeltkeus beide gezamenlijk hebben gewerkt voor bescherming en versiering. Of er één vogel bestaat, die niet de eene of andere bijzondere aantrekkelijkheid bezit, om daarmede de tegenovergestelde sekse te bekoren, mag worden betwijfeld. Wanneer beide seksen zoo donker zijn gekleurd, dat het overijld zou zijn om de werking der seksueele teeltkeus aan te nemen, en wanneer geen direct bewijs kan worden aangevoerd, dat die kleuren tot bescherming dienen, is het het best onze volkomen onwetendheid omtrent het geval te bekennen, of, hetgeen bijna op het zelfde neêrkomt, het toe te schrijven aan de directe werking der levensvoorwaarden.
Er zijn vele vogels van welke beide seksen opzichtig, ofschoon niet schitterend zijn gekleurd, zooals de talrijke zwarte, witte of bonte soorten; en deze kleuren zijn waarschijnlijk het gevolg van seksueele teeltkeus. Bij de gewone merel of zwarte lijster, het auerhoen, het korhoen, de zwarte treureend (Oidemia) en zelfs bij éénen der Paradijsvogels (Lophorina atrata) zijn alleen de mannetjes zwart, terwijl de wijfjes bruin of gevlekt zijn, en het kan in deze gevallen nauwelijks worden betwijfeld, dat de zwartheid een door seksueele teeltkeus verkregen kenmerk is. Het is daarom eenigermate waarschijnlijk, dat de volkomen of gedeeltelijke zwartheid van dergelijke vogels, als kraaien, sommige kakatoes, ooievaars en zwanen, en vele zeevogels, eveneens een gevolg is van seksueele teeltkeus, vergezeld van gelijke overplanting op beide seksen; want zwartheid kan moeilijk in eenig geval tot bescherming dienen. Bij onderscheidene vogels waarbij het mannetje alleen zwart is, en bij andere waarbij beide seksen zwart zijn, is de snavel of de huid aan den kop levendig gekleurd, en het daardoor gevormde contrast brengt veel bij tot hun schoonheid; wij zien dit aan den levendig gelen snavel van de mannelijke merel of zwarte lijster, aan het karmozijnen vel boven de oogen van den korhaan en den auerhaan, aan den met verscheidenheid en levendigheid gekleurden snavel van de treureend (Oidemia), aan den rooden snavel van de steen- of Alpenkraai (Corvus graculus, Linn.), van de zwarte zwaan en den zwarten ooievaar. Dit leidt mij tot de opmerking, dat het verre van ongeloofelijk is, dat de toecans de verbazende grootte van hun snavel aan seksueele teeltkeus zijn verschuldigd, om daardoor met de veel verscheidenheid vertoonende en levendige kleurstrepen waarmede deze organen zijn versierd, te kunnen pronken. [302] De naakte huid aan de basis van den snavel en rondom de oogen is eveneens schitterend gekleurd; en de heer Gould zegt, van ééne soort [303] sprekende, dat de kleuren van den snavel „ongetwijfeld in den schoonsten en schitterendsten staat zijn gedurende den paartijd.” Er is geen grooter onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat toecans met verbazende snavels zouden zijn bezwaard, hoewel die dan ook zoo licht mogelijk waren gemaakt door hun sponsachtig maaksel, met een doel dat ons ten onrechte onbelangrijk schijnt, dan dat de mannelijke Argus-fazant en sommige andere vogels met siervederen zouden zijn bezwaard, zoo lang, dat zij hun vlucht belemmeren.
Op de zelfde wijze als alleen de mannetjes van sommige vogels zwart zijn, terwijl de wijfjes dof zijn gekleurd, zijn in eenige weinige gevallen alleen de mannetjes geheel of gedeeltelijk wit gekleurd, zooals bij de onderscheidene klokvogels (Chasmorhynchus) van Zuid-Amerika, de zuidpoolgans (Bernicla antarctica), de zilverlakensche fazanten enz., terwijl de wijfjes bruin of donker zijn gevlekt. Het is daarom, volgens het zelfde beginsel als vroeger, waarschijnlijk, dat beide seksen van vele vogels, zooals witte kakatoes, verscheidene zilverreigers met hun fraaie siervederen, sommige ibissen, zeemeeuwen zeezwaluwen enz., hun meer of minder volkomen wit gevederte door seksueele teeltkeus hebben verkregen. De soorten die sneeuwachtige streken bewonen, komen natuurlijk onder een andere rubriek. Het witte gevederte van sommige der bovengenoemde vogels verschijnt bij beide seksen eerst, wanneer zij volwassen zijn. Dit is eveneens het geval met sommige rotspelikanen (7), keerkringsvogels (8) enz., en met de sneeuwgans (Anser hyperboreus). Daar deze laatste op den „naakten bodem” broeit, wanneer deze niet met sneeuw is bedekt, en daar zij gedurende den winter naar het zuiden verhuist, is er geen reden om te veronderstellen, dat haar sneeuwwit volwassen gevederte haar tot bescherming dient. In het vroeger vermelde geval van Anastomus oscitans hebben wij nog beter bewijs, dat het witte gevederte een bruiloftskenmerk is; want het ontwikkelt zich alleen gedurende den zomer, terwijl de jongen in hun onvolwassen toestand, en de volwassenen in hun winterkleed grijs en zwart zijn. Bij vele soorten van zeemeeuwen (Larus) worden de kop en hals gedurende den zomer zuiver wit, terwijl zij in den winter en in de jeugd grijs of gevlekt zijn. Bij de kleine meeuwen (Gavia) en bij sommige zeezwaluwen (Sterna) geschiedt daarentegen juist het omgekeerde; want de koppen van de jonge vogels gedurende het eerste jaar en de volwassenen zijn gedurende den winter òf zuiver wit, òf bleeker gekleurd dan gedurende den paartijd. Deze laatste gevallen bieden een tweede voorbeeld aan van de grillige wijze waarop de seksueele teeltkeus somtijds schijnt te hebben gewerkt. [304]
De oorzaak, dat watervogels zooveel veelvuldiger een wit gevederte hebben verkregen dan landvogels, hangt waarschijnlijk van hun meerdere grootte en sterk vliegvermogen af, zoodat zij zich gemakkelijk kunnen verdedigen of aan roofvogels ontsnappen, aan welke zij daarenboven niet zeer zijn blootgesteld. Bij gevolg is hier de seksueele teeltkeus niet belemmerd of geleid door de eischen der bescherming; ongetwijfeld zouden bij vogels die over den open oceaan ronddwalen, de mannetjes en de wijfjes elkander veel gemakkelijker vinden, wanneer zij opzichtig waren gemaakt, hetzij door volkomen wit of diep zwart te zijn, zoodat deze kleuren mogelijk tot het zelfde doel dienen als de loktonen van vele landvogels. Een witte of zwarte vogel zal, als hij een in zee drijvend of op den oever geworpen lijk ontdekt en zich daarop nederzet, op grooten afstand zichtbaar zijn, en andere vogels van de zelfde en van verschillende soorten naar het aas lokken. Daar dit echter een nadeel voor de eerste vinders zou zijn, zouden de individu’s die het witst of het zwartst waren, op die wijze niet meer voedsel hebben verkregen dan de minder opzichtig gekleurde individu’s. Opzichtige kleuren kunnen derhalve niet tot dit doel door natuurlijke teeltkeus allengs zijn verkregen. [305]
Daar de seksueele teeltkeus afhangt van een zoo fluctueerend element als den smaak, kunnen wij begrijpen, hoe het komt, dat er in ééne en de zelfde groep van vogels wier levenswijze bijna de zelfde is, witte of bijna witte, even goed als zwarte of bijna zwarte soorten voorkomen,—bij voorbeeld witte en zwarte kakatoes, ooievaars, ibissen, zeezwaluwen en stormvogels. Er komen in de zelfde groepen somtijds ook bonte vogels voor, bij voorbeeld de zwarthalzige zwaan (9), sommige zeezwaluwen en de gewone ekster. Dat een scherp contrast in kleur aan vogels behaagt, kunnen wij besluiten, wanneer wij de eene of andere groote verzameling van voorwerpen of reeks van gekleurde afbeeldingen doorloopen; want de seksen verschillen dikwijls van elkander, doordat bij het mannetje de bleeke deelen van een zuiverder wit zijn en de op onderscheidene wijze gekleurde donkere deelen nog donkerder tinten bezitten dan bij het wijfje.
Het schijnt zelfs, dat de bloote nieuwheid, of verandering ter wille van verandering, somtijds als een bekoring op vrouwelijke vogels heeft gewerkt, op de zelfde wijze als veranderingen van mode bij ons. De hertog van Argyll zegt [306],—en het verheugt mij de ongewone voldoening te mogen smaken, zij het slechts voor korten tijd, zijn voetstappen te mogen volgen:—„Ik word hoe langer hoe meer overtuigd, dat verscheidenheid, bloote verscheidenheid, moet worden aangemerkt als een doel en oogmerk in de natuur.” Ik wenschte, dat de hertog had verklaard, wat hij hier onder natuur verstaat. Wordt er mede bedoeld, dat de Schepper van het Heelal afwisselende resultaten verordende voor zijn eigen voldoening of voor die van den mensch? Aan de eerste meening schijnt mij evenzeer de verschuldigde eerbied als aan de laatste de waarschijnlijkheid te ontbreken. Grilligheid in den smaak der vogels zelf schijnt mij een meer gepaste verklaring. Zoo kunnen, bijvoorbeeld, de mannetjes van vele papegaaien, ten minste volgens onzen smaak, nauwelijks worden gezegd fraaier te zijn dan de wijfjes; maar zij verschillen van haar in zulke punten, dat het mannetje bijvoorbeeld een rozerooden halsband in plaats van, evenals het wijfje, „een helder smaragdgroenen smallen halsband” heeft, of dat het mannetje een zwarten halsband in plaats van „een halven gelen halsband van voren”, en een bleek rozerooden in plaats van een pruimblauwen kop heeft. [307] Daar zoovele vogels als voornaamste versiering verlengde staartvederen of verlengde kuiven hebben, schijnen de verkorte staart, vroeger bij het mannetje van den kolibri beschreven, en de verkorte kuif van den mannelijken grooten zaagbek een van de vele tegenovergestelde veranderingen van mode te zijn, die wij in onze eigen kleeding bewonderen.
Sommige leden van de Familie der Reigers leveren een nog merkwaardiger geval op van nieuwheid in kleur, die alleen wegens haar nieuwheid schijnt te worden op prijs gesteld. De jongen van Ardea asha zijn wit, terwijl de volwassenen donker leikleurig zijn; doch niet alleen de jongen, maar ook de volwassenen van den verwanten Buphus coromandus zijn in hun winterkleed wit, welke kleur in den paartijd in een rijk goudgeel verandert. Het is ongeloofelijk, dat de jongen van deze beide soorten, en ook die van sommige andere leden van de zelfde Familie [308], bijzonder zuiver wit en zoo in het oog vallend voor hun vijanden zouden zijn gemaakt, of dat de volwassenen van ééne van deze beide soorten juist gedurende den winter wit zouden zijn gemaakt in een land dat nooit met sneeuw is bedekt. Van den anderen kant hebben wij reden om aan te nemen, dat witheid door vele vogels als een seksueel sieraad is verkregen. Wij mogen daarom besluiten, dat een vroeger voorvader van Ardea asha en van Buphus een wit gevederte voor bruiloftsdoeleinden verkreeg, en de kleur op zijn jongen overplantte, zoodat de jongen en de ouden wit werden, gelijk sommige thans levende zilverreigers, en dat de witheid later door de jongen is behouden, terwijl zij door de volwassenen voor meer sterk uitgedrukte tinten werd verwisseld. Indien wij echter nog verder achterwaarts in den nacht van het verledene terug konden blikken op de nog vroegere voorouders van deze twee soorten, zouden wij waarschijnlijk de volwassenen donker gekleurd zien. Dat dit het geval zou zijn, leid ik af uit de analogie van vele andere vogels die donker zijn, als zij jong, en wit, als zij volwassen zijn, en meer bijzonder uit het geval van Ardea gularis wier kleuren de omgekeerde zijn van die van A. asha; want de jongen zijn donker gekleurd en de volwassenen wit, terwijl de jongen een vroegeren slaat van het gevederte hebben behouden. Het schijnt derhalve, dat de volwassen stamouders van de Ardea asha, van den Buphus, en van eenige verwante vogels, gedurende een lange reeks van geslachten de volgende veranderingen hebben ondergaan: eerst een donkere schakeering; daarop zuiver wit; ten derde, ten gevolge van een nieuwe verandering van de mode (als ik mij zoo eens mag uitdrukken), hun tegenwoordige leikleurige, roodachtige of goudgele tinten. Deze opeenvolgende veranderingen zijn alleen te begrijpen volgens het beginsel, dat de nieuwheid door de vogels—ter wille van haar zelf—is bewonderd.
Verschillende schrijvers hebben tegen de geheele theorie der seksueele teeltkeus de tegenwerping gemaakt, dat bij dieren en wilden de smaak van het wijfje (of de vrouw) voor zekere kleuren en andere versierselen niet gedurende vele geslachten (generaties) bestendig de zelfde zou blijven; dat eerst de eene kleur en daarna de andere bewonderd, en dus geen blijvende uitwerking zou worden voortgebracht. Wij mogen aannemen, dat de smaak dobberende, maar niet geheel en al willekeurig is. Hij hangt veel van de gewoonte af, gelijk wij bij den mensch zien; en wij mogen daaruit afleiden, dat dit ook steek zal houden bij vogels en andere dieren. Zelfs in onze kleeding blijft de geheele aard lang, en zijn de veranderingen tot op zekere hoogte trapsgewijze. Op twee plaatsen in een later hoofdstuk zullen overvloedige bewijzen worden gegeven, dat wilden van velerlei rassen gedurende vele geslachten (generaties) de zelfde litteekens op de huid, de zelfde afzichtelijk doorboorde lippen, neusgaten of ooren, misvormde hoofden enz. hebben bewonderd; en deze misvormingen vertoonen eenige overeenkomst met de natuurlijke versierselen van verschillende dieren. Zulke modes duren echter bij wilden niet eeuwig, gelijk wij mogen afleiden uit de verschillen tusschen verwante stammen op een en het zelfde vasteland. Zoo hebben ook de fokkers van dieren die voor vermaak worden gehouden, zeker gedurende vele geslachten (generaties) de zelfde rassen bewonderd en bewonderen die nog; zij wenschen ernstig kleine veranderingen die als verbeteringen worden beschouwd, maar elke groote of plotselinge verandering zou men voor de grootste verbastering houden. Bij vogels in den natuurstaat hebben wij geen reden om te veronderstellen, dat zij een geheel nieuwen stijl van kleur zouden bewonderen, zelfs wanneer groote en plotselinge afwijkingen dikwijls voorkwamen, hetgeen in geenen deele het geval is. Wij weten, dat duivekot-duiven niet gaarne paren met de verschillend gekleurde sierrassen; dat albino-vogels gewoonlijk geen echtgenoot kunnen krijgen om mede te paren, en dat de zwarte raven van de Faröer-eilanden hun bonte broeders wegjagen. Maar deze tegenzin tegen plotselinge verandering sluit geenszins, evenmin als bij den mensch, uit, dat zij kleine veranderingen op prijs kunnen stellen. Daarom schijnt het, wat den smaak aangaat, die van vele zaken afhangt, maar gedeeltelijk van gewoonte en gedeeltelijk van behagen in wat nieuw is, niet onwaarschijnlijk, dat dieren gedurende zeer langen tijd den zelfden algemeenen stijl van versiering of andere aantrekkelijkheden bewonderen, en toch kleine veranderingen in kleuren, vorm en geluid op prijs stellen.
Overzicht der vier Hoofdstukken over Vogels.—De meeste mannelijke vogels zijn gedurende den paartijd zeer strijdlustig en sommige bezitten wapenen, bijzonder ingericht om met hun medeminnaars te vechten. Doch de meest strijdlustige en best gewapende mannetjes hangen, wat den uitslag aangaat, zelden of nooit alleen af van hun vermogen om hun medeminnaars te verjagen of te dooden, maar bezitten bijzondere middelen om het wijfje te bekoren. Bij sommige is het vermogen om te zingen, of om vreemde geluiden voort te brengen, of om instrumentale muziek te maken, en de mannetjes verschillen bij gevolg van de wijfjes in hun stemorganen, of in het maaksel van zekere vederen. Wegens de merkwaardige verscheidenheid der middelen om allerlei geluiden voort te brengen, krijgen wij een hoog denkbeeld van de belangrijkheid van dit middel om het hof te maken. Vele vogels trachten het wijfje te bekoren door liefdedansen of vertooningen, uitgevoerd op den grond of in de lucht, en somtijds op daartoe gereedgemaakte plaatsen. Echter zijn versierselen van velerlei soort, de schitterendste kleuren, kammen en vleeschlappen, schoone pluimen, verlengde vederen, kuiven enz., verreweg het meest algemeene middel. In sommige gevallen schijnt de bloote nieuwheid als een bekoring te hebben gewerkt. De versierselen der mannetjes moeten hoogst belangrijk voor hen zijn; want zij zijn in niet weinig gevallen verkregen ten koste van vermeerderd gevaar voor vijanden, en zelfs van eenig krachtverlies bij den strijd met hun medeminnaars. De mannetjes van zeer vele soorten verkrijgen hun sierkleed niet, voor zij volwassen zijn, of zij bezitten het alleen gedurende den paartijd, of de tinten worden dan levendiger. Sommige tot versiering dienende aanhangsels worden gedurende de vrijage zelve grooter, gezwollen en levendig gekleurd. De mannetjes spreiden hun bekoorlijkheden met de meeste zorg en zoo, dat zij zich op het fraaist voordoen, ten toon, en doen dit in tegenwoordigheid van de wijfjes. De vrijage is somtijds een langdurige zaak, en vele mannetjes en wijfjes komen daartoe op een bepaalde plaats bijeen. Te veronderstellen dat de wijfjes de schoonheid der mannetjes niet op prijs stellen, staat gelijk met aan te nemen, dat hun schitterende versierselen, al hun pracht en pronkerij, nutteloos zijn; en dit is niet te gelooven. Vogels hebben fijne onderscheidende vermogens en in eenige weinige gevallen kan worden aangetoond, dat zij smaak voor het schoone hebben. Men weet daarenboven, dat de wijfjes nu en dan een stellige voorkeur of antipathie ten opzichte van zekere individueele mannetjes hebben.
Indien men aanneemt, dat de wijfjes de voorkeur geven aan of onbewust worden opgewekt door de schoonste mannetjes, dan zouden de mannetjes langzaam maar zeker door de seksueele teeltkeus hoe langer hoe aantrekkelijker worden gemaakt. Dat het deze sekse is, die het meest is gewijzigd, mogen wij afleiden uit het feit, dat in bijna elk geslacht waarin de seksen verschillen, de mannetjes veel meer van elkander verschillen dan de wijfjes; dit wordt goed aangetoond door zekere nauw-verwante, elkander vertegenwoordigende soorten bij welke de wijfjes nauwelijks kunnen worden onderscheiden, terwijl de mannetjes geheel verschillend zijn. Vogels in den natuurstaat leveren zekere individueele verschillen op, die ruim voldoende zouden zijn voor het werk der seksueele teeltkeus; maar wij hebben gezien, dat zij nu en dan sterker uitgedrukte wijzigingen vertoonen, die zoo dikwijls terugkomen, dat zij dadelijk zouden worden gefixeerd, als zij dienden om het wijfje aan te lokken. De wetten der variatie zullen den aard der aanvankelijk optredende veranderingen hebben bepaald en op het eindresultaat grooten invloed hebben gehad. De trapsgewijze overgangen die men kan waarnemen bij mannetjes van verwante soorten, wijzen den aard der stappen aan, welke zijn doorloopen, en verklaren op de belangwekkendste wijze zekere kenmerken, zooals de ingesneden oogvlekken (ocelli) van de staartvederen van den pauw, en de wondervol geschaduwde oogvlekken op de vleugelslagpennen van den Argus-fazant. Het is klaarblijkelijk, dat de schitterende kleuren, kuiven, schoone siervederen enz. van vele mannelijke vogels niet als een bescherming kunnen zijn verkregen; zij brengen integendeel soms gevaar mede. Dat zij niet het gevolg zijn van de directe en bepaalde werking der levensvoorwaarden, daarvan kunnen wij ons overtuigd houden, omdat de wijfjes aan de zelfde voorwaarden zijn blootgesteld geweest, en toch dikwijls uitermate van de mannetjes verschillen. Hoewel het waarschijnlijk is, dat veranderde voorwaarden, gedurende een langdurig tijdperk werkende, eenige bepaalde uitwerking op beide seksen hebben gehad, zal het belangrijkste gevolg een toenemende neiging tot fluctueerende variabiliteit of tot vermeerdering der individueele verschillen zijn geweest; en dergelijke verschillen zullen een uitnemenden grondslag voor het werk der seksueele teeltkeus hebben opgeleverd.
De wetten der erfelijkheid schijnen, onafhankelijk van de teeltkeus, te hebben bepaald, of de kenmerken door de mannetjes verkregen ter wille van de versiering, om verschillende geluiden voort te brengen of om met elkander te vechten, alleen op de mannetjes of op beide seksen, blijvend of periodiek gedurende zekere tijden van het jaar, zijn overgeplant. Waarom onderscheidene kenmerken somtijds op de eene wijze en somtijds op de andere zijn overgeplant, is in de meeste gevallen niet bekend; maar het tijdperk van de variabiliteit schijnt dikwijls de bepalende oorzaak te zijn geweest. Wanneer de beide seksen alle kenmerken gemeenschappelijk hebben geërfd, gelijken zij noodzakelijk op elkander; maar daar de opeenvolgende afwijkingen op verschillende wijze kunnen zijn overgeplant, kan men elken mogelijken trap van overgang vinden, zelfs in één en het zelfde geslacht, van de grootste overeenkomst tusschen de seksen af tot de grootste ongelijkheid toe. Bij vele nauw-verwante soorten die bijna de zelfde levenswijze volgen, zijn de mannetjes hoofdzakelijk door de werking der seksueele teeltkeus er toe gekomen om van elkander te verschillen, terwijl de wijfjes er voornamelijk toe zijn gekomen om van elkander te verschillen, doordat zij in meerdere of in mindere mate deelden in de aldus door de mannetjes verkregen kenmerken. De gevolgen van de bepaalde werking der levensvoorwaarden zullen daarenboven bij de wijfjes niet evenals bij de mannetjes zijn gemaskeerd door de opeenhooping door seksueele teeltkeus van sterk uitgesproken kleuren en andere versierselen. De individu’s van beide seksen zullen, hoedanig ook aangedaan, in elk opeenvolgend tijdvak door de vrije kruising van vele individu’s omtrent gelijkvormig zijn gebleven.
Bij de soorten bij welke de seksen in kleur verschillen, is het mogelijk, dat er eerst een neiging bestond om de opeenvolgende afwijkingen gelijkelijk op beide seksen over te planten, en dat de wijfjes werden verhinderd om de levendige kleuren van het mannetje te verkrijgen ten gevolge van het gevaar waaraan zij gedurende den broeitijd zouden zijn blootgesteld geweest. Het zou echter, zoover ik kan nagaan, een uiterst moeilijke zaak zijn om door middel der natuurlijke teeltkeus den eenen vorm van overplanting in den anderen te doen overgaan. Er zou daarentegen niet de minste moeilijkheid in zijn gelegen, om een wijfje dof gekleurd te maken, terwijl het mannetje levendig gekleurd bleef, door voor de voortteling opeenvolgende afwijkingen uit te kiezen, die van den beginne af in haar overplanting tot de zelfde sekse waren beperkt. Of de wijfjes van vele soorten werkelijk op die wijze zijn gewijzigd, moet tegenwoordig nog twijfelachtig blijven. Wanneer de wijfjes door de wet van de gelijke overplanting van kenmerken op beide seksen even opzichtig zijn gekleurd als de mannetjes, zijn haar instinkten dikwijls gewijzigd, en zijn zij er toe gebracht koepelvormige of verborgen nesten te bouwen.
In ééne kleine of merkwaardige klasse van gevallen zijn de kenmerken en gewoonten van de beide seksen geheel omgekeerd; want de wijfjes zijn grooter, sterker, luidruchtiger en levendiger gekleurd dan haar mannetjes. Zij zijn ook zoo twistziek, dat zij dikwijls met elkander vechten evenals de mannetjes van de meest strijdlustige soorten. Indien zij, zooals waarschijnlijk is, gewoonlijk haar medeminnaressen wegdrijven en de mannetjes trachten aan te trekken door met haar levendige kleuren en andere bekoorlijkheden te pronken, kunnen wij begrijpen, hoe het komt, dat zij trapsgewijze, door middel van seksueele teeltkeus en seksueel beperkte erfelijkheid, fraaier dan de mannetjes zijn geworden,—terwijl de laatste ongewijzigd werden gelaten of alleen in geringe mate gewijzigd.
Zoodra de wet van overerving op overeenkomstige leeftijden, doch niet die van seksueel beperkte erfelijkheid heerscht, dan zal dit, als de ouders laat in het leven afwijken,—en wij weten, dat dit bestendig bij onze hoenders, en nu en dan bij andere vogels geschiedt,—op de jongen geen invloed hebben, terwijl de volwassenen van beide seksen zullen worden gewijzigd. Indien beide deze wetten van erfelijkheid heerschen en een van de beide seksen laat in het leven afwijkt, zal alleen die sekse worden gewijzigd, terwijl zulks op de andere sekse en op de jongen geen invloed zal hebben. Als afwijkingen in levendigheid van kleur of in andere in ’t oog loopende kenmerken zich vroeg in het leven voordoen, gelijk ongetwijfeld dikwijls gebeurt, dan zal de seksueele teeltkeus daarop niet inwerken, voordat het voortplantingstijdperk daar is; bij gevolg zullen zij, als zij voor de jongen gevaarlijk zijn, door natuurlijke teeltkeus worden geëlimineerd. Zoo kunnen wij begrijpen hoe het komt, dat afwijkingen die zich laat in het leven voordoen, zoo dikwijls tot versiering van de mannetjes bewaard zijn gebleven, terwijl de wijfjes en de jongen bijna onaangedaan bleven, en daarom op elkander gelijken. Bij soorten die een verschillend zomer- en winterkleed hebben, van welke de mannetjes hetzij gelijken op, of verschillen van de wijfjes gedurende beide jaargetijden of gedurende den zomer alleen, zijn de graden en soorten van gelijkenis tusschen de jongen en ouden uiterst ingewikkeld; en deze ingewikkeldheid schijnt van kenmerken af te hangen, die eerst door de mannetjes werden verkregen, en op onderscheidene wijzen en in onderscheiden graad, en ook door leeftijd, sekse en jaargetijde beperkt, overgeplant.