Chapter 3 of 38 · 3991 words · ~20 min read

Part 3

Chelonia.—Bij de schildpadden komen geen sterk uitgesproken seksueele verschillen voor. Bij sommige soorten is de staart van het mannetje langer dan die van het wijfje. Bij sommige is het plastron of buikschild van het mannetje eenigszins uitgehold met het oog op den rug van het wijfje. Het mannetje van den slijkschildpad der Vereenigde Staten (Chrysemys picta) heeft aan zijn voorpooten tweemaal grooter klauwen dan het wijfje; en deze worden bij de paring der seksen gebruikt. Bij de groote landschildpad der Galapagos-eilanden (Testudo nigra) zegt men, dat de mannetjes een grootere lichaamsgestalte verkrijgen dan de wijfjes; gedurende den paartijd, en op geen anderen tijd, maakt het mannetje een heesch blaffend geluid dat op een afstand van meer dan 100 ellen kan worden gehoord; het wijfje gebruikt daarentegen haar stem nooit. [50] (4)

Crocodilia.—Bij de krokodillen verschillen de seksen niet merkbaar in kleur; en het is mij ook niet bekend, of de mannetjes met elkander vechten, hoewel dit waarschijnlijk is; want sommige soorten maken verbazende vertooningen voor de wijfjes. Bartram [51] beschrijft de wijze waarop de mannelijke alligator de genegenheid van het wijfje zoekt te verwerven door midden in het water te plassen en te brullen, „tot barstens toe opgezwollen, met opgelichten kop en staart, draait hij op de oppervlakte van het water rond, gelijk een Indiaansch opperhoofd die zijn oorlogsbedrijven verhaalt.” Gedurende den paartijd ontwikkelen de onder de kaken der krokodillen gelegen klieren een muskaatachtigen geur die zich over de plaatsen verspreidt, waar zij zich ophouden. [52]

Ophidia.—Over de slangen heb ik weinig te zeggen. Dr. Günther deelt mij mede, dat de mannetjes altijd kleiner zijn dan de wijfjes, en over het algemeen langer en dunner staart hebben; maar hij kent geen ander verschil in hun uiterlijk maaksel. Ten opzichte der kleur kan Dr. Günther bijna altijd het mannetje van het wijfje onderscheiden door zijn sterker uitgesproken tinten; zoo is de zwarte zigzagvormige band op den rug van het mannetje van de Engelsche adder scherper begrensd dan bij het wijfje. Het verschil is veel grooter bij de ratelslangen van N. Amerika, waarvan het mannetje, gelijk de oppasser in den Londenschen dierentuin mij toonde, dadelijk van het wijfje kan worden onderscheiden, doordat hij over het geheele lichaam meer donkergeel heeft. In Zuid-Afrika vertoont Bucephalus capensis een soortgelijk verschil; want het wijfje „bezit op de zijden nooit zooveel gele schakeeringen als het mannetje.” [53] Het mannetje van den Indischen Dipsas cynodon is daarentegen zwartachtig bruin met gedeeltelijk zwarten buik, terwijl het wijfje roodachtig of gedeeltelijk olijfkleurig is met een ’t zij eenvormig gelen of met zwart gemarmerden buik. Bij Tragops dispar uit het zelfde land is het mannetje helder groen en het wijfje bronskleurig. [54] Ongetwijfeld dienen de kleuren van vele slangen tot bescherming, zooals de groene tinten van boomslangen en de verschillende gespikkelde schakeeringen van soorten die op zandige plaatsen leven; maar bij vele soorten, b.v. bij de gewone Engelsche slang of adder, is het twijfelachtig of haar kleuren dienen om haar te verbergen, en nog twijfelachtiger is dit bij de vele inlandsche soorten die uiterst fraai zijn gekleurd. De kleuren van sommige soorten zijn zeer verschillend bij volwassen en jonge voorwerpen. [55]

Gedurende den rijtijd scheiden aan hun anus gelegen klieren een sterk riekende stof af [56]; en het zelfde is het geval met dergelijke klieren bij de hagedissen, en, zooals wij hebben gezien, met onder de kaken gelegen klieren bij de krokodillen. Daar de mannetjes der meeste dieren de wijfjes zoeken, dienen deze riekende stoffen afscheidende klieren waarschijnlijk meer om het wijfje op te wekken en te bekoren, dan om haar den weg te wijzen naar de plaats waar het mannetje is te vinden. [57] Hoewel de mannetjes der slangen zoo vadsig schijnen, zijn zij toch verliefd van gestel; want men heeft waargenomen, hoe vele van hen zich rondom het zelfde wijfje en zelfs rondom het lijk van een wijfje opeendrongen. Het is niet bekend, of zij uit minnenijd met elkander vechten. Hun verstandelijke vermogens zijn hooger ontwikkeld, dan men a priori zou hebben verwacht. In den Londenschen dierentuin leeren zij spoedig geen aanval te doen op de ijzeren staaf waarmede haar kooien schoon worden gemaakt; en Dr. Keen van Philadelphia meldt mij, dat eenige slangen welke hij bezat, na vier of vijf malen een strik leerden vermijden, waarmede zij in den beginne gemakkelijk werden gevangen. Een uitnemend waarnemer, de heer E. Layard [58], zag op Ceylon een brilslang haar kop door een nauw gat steken en een pad inzwelgen. „Met deze belemmering kon zij zich niet terugtrekken; dit bemerkende spuwde zij met weêrzin het lekkere hapje weêr uit, dat begon weg te kruipen; dit was meer dan haar slangenphilosophie kon verdragen; zij greep de pad opnieuw, maar nogmaals was de slang, na hevige pogingen om te ontsnappen, gedwongen om haar prooi te laten varen. Ditmaal had zij echter geleerd; de pad werd bij een poot gegrepen, medegetrokken en daarna in zegepraal opgeslokt.”

De oppasser in den Londenschen dierentuin is stellig overtuigd, dat sommige slangen, bij voorbeeld Crotalus en Python, hem van alle andere personen onderscheiden. Cobra’s, te zamen in de zelfde kooi gehouden, schijnen eenige gehechtheid voor elkander te gevoelen. [59]

Uit het feit, dat slangen een weinig redeneerend vermogen en sterke hartstochten bezitten, volgt echter nog niet, dat zij ook met voldoenden smaak zijn begaafd om de schitterende kleuren van haar gezellen zoodanig te bewonderen, dat dit leidt tot verfraaiing van de soort door seksueele teeltkeus. Desniettemin is het moeilijk zich op eenige andere wijze rekenschap te geven van de buitengewone schoonheid van sommige soorten; bij voorbeeld van de koraalslangen van Zuid-Amerika, die een schitterend roode kleur met zwarte en gele dwarsbanden bezitten. Ik herinner mij nog zeer goed, hoezeer ik verbaasd was over de schoonheid van de eerste koraalslang die ik in Brazilië over een pad zag kruipen. Slangen welke op deze bijzondere wijze zijn gekleurd, worden, zooals de heer Wallace op autoriteit van Dr. Günther verzekert [60], nergens anders ter wereld gevonden dan in Zuid-Amerika, en daar komen er niet minder dan vier geslachten van voor. Een daarvan, Elaps, is vergiftig; van een tweede, zeer verschillend geslacht, is het twijfelachtig, of het vergiftig is, en de beide andere zijn volkomen onschadelijk. De soorten die tot deze geslachten behooren, bewonen de zelfde streken en gelijken zoozeer op elkander, dat niemand, „dan een natuuronderzoeker de onschadelijke van de vergiftige soorten zou kunnen onderscheiden.” De heer Wallace gelooft daarom, dat de onschadelijke soorten haar kleuren tot bescherming hebben gekregen volgens het beginsel van nabootsing; want zij moeten natuurlijk door haar vijanden voor gevaarlijk worden aangezien. De oorzaak van de schitterende kleuren van de vergiftige Elaps blijft dan echter nog onverklaard, en deze bestaat wellicht in de seksueele teeltkeus. (5)

Slangen brengen nog andere geluiden voort dan sissen. De doodelijke Echis carinata heeft op haar zijden eenige schuine rijen schubben van een bijzonder maaksel met gezaagde randen; en, als deze slang toornig wordt, wrijft zij deze schubben tegen elkander, hetgeen „een merkwaardig, lang aanhoudend, bijna sissend geluid” voortbrengt. [61] Wat het ratelen van de ratelslang aangaat, hebben wij ten minste eenig rechtstreeksch bericht; want Professor Aughey getuigt [62], dat hij bij twee gelegenheden, zelf niet gezien wordende, op een kleinen afstand een opgerolde ratelslang bespiedde, met opgerichten kop, die een half uur lang met korte tusschenpoozingen voortdurend ratelde; eindelijk zag hij een andere slang naderen, en toen zij bij elkander waren, paarden zij. Hierdoor werd hij overtuigd, dat een van de doeleinden van den ratel is om de seksen bij elkander te brengen. Ongelukkig vergewiste hij zich niet, of het het mannetje dan wel het wijfje was, dat stil bleef liggen en de andere slang riep. Doch uit bovenstaand feit volgt in geenen deele, dat deze slangen den ratel niet kunnen gebruiken voor andere doeleinden, als een waarschuwing voor dieren die haar anders zouden aanvallen enz. Ook kan ik de verschillende verhalen niet geheel en al betwijfelen, die men heeft gedaan ten bewijze, dat zij daarmede haar prooi van vrees verlammen. Sommige andere slangen maken ook een bepaald geluid door haar staart snel tegen de omringende planten te doen trillen; en ik heb dit zelf Trigonocephalus in Zuid-Amerika hooren doen.

Lacertilia.—De mannetjes van sommige, waarschijnlijk van vele hagedissen vechten uit minnenijd met elkander. Zoo is de boombewonende Anolis cristatellus uit Zuid-Amerika uiterst strijdlustig. „Gedurende de lente en het eerste gedeelte van den zomer ontmoeten twee volwassen mannetjes elkander zelden zonder gevecht. Als zij elkander het eerst zien, buigen zij hun koppen drie of vier malen op en neder, en zetten tegelijkertijd den kraag of zak dien zij onder aan de keel hebben, op; hun oogen fonkelen van woede, en na hun staarten gedurende eenige weinige seconden van de eene zijde naar de andere golvend te hebben bewogen, als om hun krachten te verzamelen, storten zij zich woedend op elkander, rollen over elkander heen en houden elkander stevig met de tanden vast. De strijd eindigt gewoonlijk daarmede, dat een der strijders zijn staart verliest, die dikwijls door den overwinnaar wordt verslonden.” Het mannetje van deze soort is aanmerkelijk grooter dan het wijfje [63], en dit is, voor zoover Dr. Günther kon nagaan, de algemeene regel bij alle soorten van hagedissen.

De seksen verschillen dikwijls zeer in uitwendige kenmerken. Het mannetje van den bovenvermelden Anolis is voorzien van een kam die over den rug en den staart loopt en willekeurig kan worden opgezet; van dezen kam vertoont echter het wijfje geen spoor. Bij de Indische Cophotis Ceylanica bezit het wijfje op den rug een kam, hoewel die veel minder is ontwikkeld dan bij het mannetje, en evenzoo is het, gelijk Dr. Günther mij mededeelt, met de wijfjes van vele leguanen, kameleons en andere hagedissen. Bij sommige soorten is echter de kam bij beide seksen even goed ontwikkeld, zooals bij Iguana tuberculata. Bij het geslacht Sitana zijn alleen de mannetjes van een grooten keelzak voorzien (Fig. 15), die evenals een waaier kan worden opgevouwen en blauw, zwart en rood is gekleurd. Met deze prachtige kleuren pronkt hij alleen gedurende den paartijd. Het wijfje bezit zelfs geen rudiment van dit aanhangsel. Bij Anolis cristatellus bestaat, volgens den heer Austen, de keelzak die helderrood met geel gemarmerd is, ook, hoewel in rudimentairen toestand, bij het wijfje. Hier zien wij, evenals in zoovele vroeger vermelde gevallen, bij soorten tot de zelfde groep behoorende, het zelfde kenmerk tot de mannetjes beperkt, of meer volkomen ontwikkeld bij de mannetjes dan bij de wijfjes, of bij beide seksen gelijkelijk ontwikkeld. De kleine hagedissen van het geslacht Draco, die de lucht doorklieven op haar door haar ribben ondersteunde valschermen, en wier kleurenpracht elke beschrijving te boven gaat, zijn aan hun keel van door uitbreidingen der huid gevormde aanhangsels voorzien, „op de keelkwabben van hoenderachtige vogels gelijkende.” Deze worden opgezet als het dier wordt geprikkeld. Zij komen bij beide seksen voor, maar zijn het best ontwikkeld bij het mannetje, wanneer dit tot volwassen leeftijd is gekomen; het middelste aanhangsel is dan soms tweemaal zoo lang als de kop. Bij de meeste soorten loopt ook een lage kam boven over den hals; en deze is bij de volwassen mannetjes veel meer ontwikkeld, dan bij de wijfjes of de jonge mannetjes. [64]

Er zijn andere en veel merkwaardiger verschillen tusschen de seksen van zekere hagedissen. Het mannetje van Ceratophora aspera draagt op het uiteinde van zijn snoet een aanhangsel dat de halve lengte van den kop bezit. Het is cylindervormig, met schubben bedekt, buigzaam en blijkbaar vatbaar om te worden opgericht (erectiel); bij het wijfje is het geheel rudimentair. Bij een tweede soort van het zelfde geslacht vormt een eindschub een kleinen horen op den top van het buigzame aanhangsel; en bij een derde soort (C. Stoddartii, Fig. 16 en 17) is het geheele aanhangsel in een horen veranderd, die gewoonlijk van een witte kleur is, maar een purperachtige tint aanneemt, als het dier wordt geprikkeld. Bij het volwassen mannetje van deze laatste soort heeft de horen 1¼ centimeter lengte, maar bij het wijfje en de jongen is hij van zeer geringe grootte. Deze aanhangsels kunnen, gelijk Dr. Günther mij opmerkte, met de kammen van hoenderachtige vogels worden vergeleken, en dienen blijkbaar tot sieraad.

Bij het geslacht Chameleon komen wij tot het toppunt van verschil tusschen de beide seksen. Het bovenste gedeelte van den schedel van het mannetje van Chameleon bifurcus (Fig. 18), een bewoner van Madagascar, is verlengd tot twee groote, stevige, beenige uitwassen, evenals de overige deelen van den kop met schubben bedekt, en van deze wondervolle wijziging van maaksel vertoont het wijfje (Fig. 19) slechts een rudiment. Evenzoo draagt het mannetje van Chameleon Owenii (Fig. 20) van de Westkust van Amerika op zijn snoet en voorhoofd drie merkwaardige horens waarvan het wijfje (Fig. 21) geen spoor bezit. Deze horens bestaan uit een beenig uitwas met een gladde schede bedekt, die een deel uitmaakt van de algemeene bekleeding van het lichaam, zoodat zij in maaksel overeenkomen met die van een rund, geit of ander holhoornig herkauwend dier. Hoewel de drie horens zoozeer in uiterlijk van de beide groote schedeluitwassen van Chameleon bifurcus verschillen, kunnen wij nauwelijks betwijfelen, dat zij in de huishouding dezer beide dieren tot het zelfde algemeene doel dienen. De eerste onderstelling die iedereen zal invallen, is, dat zij door de mannetjes worden gebruikt om met elkander te vechten; en, daar deze dieren zeer twistziek [65] zijn, is deze meening waarschijnlijk juist. De heer T. W. Wood meldt mij ook, dat hij eens twee voorwerpen van C. pumilus bespiedde, die op een boomtak hevig met elkaâr vochten; zij bewogen hun koppen in het rond en trachtten elkander te bijten; daarop rustten zij een tijd lang en zetten later den strijd voort.

Bij vele soorten van hagedissen verschillen de seksen een weinig in kleur, daar de tinten en strepen van de mannetjes helderder en scherper zijn begrensd dan die van de wijfjes. Dit is bij voorbeeld het geval met den bovenvermelden Cophotis en met Acanthodactylus capensis van Zuid-Afrika. Bij een Cordylus-soort uit dit laatste land, is het mannetje hetzij veel rooder of groener dan het wijfje. Bij den Indischen Calotes nigrilabris is er tusschen de seksen een grooter verschil in kleur; bij het mannetje zijn ook de lippen zwart, terwijl die van het wijfje groen zijn. Bij onze gewone kleine hagedis (Zootoca vivipara) zijn „de ondervlakte van het lichaam en het grondvlak van den staart bij het mannetje helder oranje met zwarte vlekken; bij het wijfje zijn deze deelen bleek grijsachtig groen zonder vlekken.” [66] Wij hebben gezien, dat bij Sitana alleen de mannetjes een keelzak bezitten, en deze is prachtig blauw, zwart en rood gekleurd. Bij Proctotretus tenuis uit Chili is alleen het mannetje met blauwe, groene en koperroode vlekken geteekend. [67] Ik verzamelde in Zuid-Amerika veertien soorten van dit geslacht en hoewel ik verzuimde de seksen aan te teekenen, nam ik waar, dat alleen sommige individu’s met smaragdgroene vlekken waren geteekend, terwijl andere oranjekleurige kelen hadden, en dit waren in beide gevallen ongetwijfeld de mannetjes.

Bij de voorgaande soorten zijn de mannetjes levendiger gekleurd dan de wijfjes; bij vele hagedissen zijn echter beide seksen op de zelfde sierlijke of zelfs prachtige wijze gekleurd, en er is geen reden om te onderstellen, dat dergelijke opzichtige kleuren tot bescherming dienen. Bij sommige hagedissen dient echter de groene kleur ongetwijfeld om ze te verbergen en een voorbeeld is reeds in het voorbijgaan gegeven van ééne soort van Proctotretus, die volkomen gelijkt op het zand waarop zij leeft. Over het geheel mogen wij vrij veilig besluiten, dat de schoone kleuren van vele hagedissen, even goed als verschillende aanhangsels en andere vreemde wijzigingen van maaksel door de mannetjes zijn verkregen tot versiering ten gevolge van de seksueele teeltkeus en hetzij alleen door hun mannelijk kroost of door beide seksen zijn overgeërfd. De seksueele teeltkeus schijnt bij de Reptielen inderdaad een even belangrijke rol te hebben gespeeld als bij de Vogels. De minder opzichtige kleuren van de wijfjes in vergelijking van die der mannetjes kunnen echter niet, zooals de heer Wallace gelooft, dat bij vogels het geval is, worden verklaard door het blootgesteld zijn der wijfjes aan gevaar gedurende de uitbroeding der jongen. (6)

AANTEEKENINGEN.

(1) In de groote bosch-moerassen of zwampen van onze kolonie Suriname leeft een soort van visch die aldaar de Kwi-Kwi wordt genoemd (de wetenschappelijke naam van het dier is mij onbekend), welke uit gras en biezen nestjes bouwt, die door een sterk biesje zoodanig aan een in het water groeienden rietstengel zijn bevestigd, dat zij bij rijzing of daling van het water op en neder kunnen gaan. In deze nestjes legt het wijfje haar eieren en sluit daarna de opening in het water met een soort van taai slijm dicht. Deze eieren worden langzamerhand zoo groot als kleine knikkers en zijn dan een geliefkoosd aas voor een soort van wilde eenden die men in Suriname Doksie’s noemt. Het mannetje en het wijfje van den Kwi-Kwi zwemmen echter voortdurend onder het net door om dit en zijn inhoud te beschermen, zoodat, wanneer er Doksie’s op afkomen, meestal een hevig gevecht volgt, waarbij deze laatsten dikwijls ernstig worden gehavend, daar de Kwi-Kwi’s aan den kop met twee zeer sterke en scherpe beweegbare stekels en scherpe tanden zijn gewapend.

In een brief, dato 15 Dec. 1871, van St. Thomas, bericht Agassiz, dat hij een ronden bal van Sargasso-wier had opgevischt, dat vischeieren bevatte en het nest bleek te zijn van Chironectes pictus. De takjes van het wier waren onderling stevig verbonden door veerkrachtige draden („Amer. Journ.”, Febr. 1872, blz. 154).

In het „Album der Natuur”, 1876, blz. 382, vindt men bijzonderheden omtrent den nestbouw van den regenboogvisch uit Voor-Indië, een soort van het geslacht Colisa. Tevens vindt men daarin vermeld, hoe het mannetje met zijn kleurenpracht pronkt om het wijfje te bekoren, en zorg draagt voor de jongen. In den jaargang 1877 van het zelfde tijdschrift staat een artikel over den nestbouw van den Goerami (Osphronemus olfax), een visch uit Indië, China en Java, en de zorg van het mannetje voor de jongen. Beide artikelen steunen op waarnemingen van den heer Carbonnier van Parijs.

In „Nature”, 19 Nov. 1874 (en daaraan ontleend in „Alb. d. Nat.”, 1875, blz. 110) beschrijft Robert W. S. Mitchell een nest van een baarsachtig vischje van het eiland Trinidad. De jongen werden door een der ouders bewaakt.

Ook in ’t „Alb. d. Nat.”, 1861, blz. 144, wordt een kleine, tot de Siluroïden behoorende visch uit Brazilië vermeld, die zijn jongen in zijn keel- of kieuwholte medevoert.

(2) Johannes Müller („Archiv für Anatomie und Physiologie”, blz. 262) telt uit de volgende families geluidgevende visschen op:

Cataphracti: Dactylopterus, Trigla, Cottus scorpius. Sciaenoidei: Sciaena aquila, Corvina ronchus, C. ocellata, C. dentex, Otolithus regalis, Pristipoma jubelini, Pr. crocro, Pr. coro, Pr. guoraca, Pogonias chromis, Pr. fasciatus. Scomberoidei: Zeus faber. Pediculati: Batrachus grunniens. Cyprinoidei: Cyprinus tinca, Cyp. barbus, Cobitis fossilis, C. taenia. Siluroidei: Sinodontis (waarbij ook Doras kan worden gevoegd). Scelerodermi: Balistes. Gymnodontes: Diodon, Tetraodon, Orthragoriscus.

Bij Synodontis schijnt het geluid te ontstaan door de beweging der sterke stekels van de borstvinnen; bij Dactylopterus volitans C. V. en orientalis ontstaat het door het openen der kieuwdeksels en beweging daarbij in het slaapgewricht, bij Trigla en Zeus faber waarschijnlijk door trillende bewegingen van de spieren der zwemblaas. Bij Cottus scorpius nam Landois proefondervindelijk waar, dat het knorrende geluid ontstond door krachtige beweging van de spieren van den schoudergordel, versterkt door de resonantie van de groote mondholte. Bij de Sciaenoïden of Ombervisschen waartoe ook de door Darwin vermelde Sciaena aquila (de Umbrina der Italiaansche visschers) behoort, schijnen geluiden te worden voortgebracht door ongelijkmatige drukking of samentrekking der zwemblaas die bij hen van aanhangsels is voorzien, zoodat de lucht bij de verplaatsing nauwe doorgangen ontmoet. Het geluid dezer visschen schijnt dan ook meer van dat van een fluit of orgel, dan van dat van een trommel, waarmede Darwin het vergelijkt, te hebben. Het geluid van Pogonias wordt door sommigen bij klokkengelui, door anderen bij het gekwaak van groote kikvorschen, door wederom anderen bij het geluid van trommels vergeleken. Bij Balistes vetula ontstaat het geluid volgens Sörensen door stootswijs achteruitbewegen der stekels van de voorste rugvin. Op grond van waarnemingen en ontleedkundig onderzoek van Zuid-Amerikaansche Siluroïden en Characiniden besluit Sörensen, dat de zwemblaas ook een trommelend geluid kan geven, als zij door een hard, trillend gedeelte van het skelet wordt getroffen. Bij Doras maculatus komt de overbrenging der trillingen van de zwemblaas op het omgevende medium tot stand door een bewegelijk gedeelte der huid, dat beenplaten omvat, onder welke geen spieren liggen, zoodat zij onmiddellijk op de zwemblaas rusten.

Möbius („Sitzungsber. K. Akad. d. Wiss. Berlin”, Phys. math. Klasse, XLVI, 14 Nov. 1889) hoorde op Mauritius Balistes aculeatus een luid trommelend geluid voortbrengen en zag tegelijkertijd een kleine plaats der huid, dicht achter de kieuwopening, levendig trillen. In dat gedeelte der huid liggen beenplaten. Het geluid ontstaat door snel opeenvolgende samentrekkingen van de achterste en voorste segmenten der zijdelingsche spieren van den romp, waardoor het postilaviculare in trilling wordt gebracht. Deze worden op de wanden van de dicht daarnaast liggende zwemblaas en haar luchtinhoud overgebracht, hierdoor en door het medetrillen van de veerkrachtige dunne plaat van de clavicula zelf versterkt en tevens door de zwemblaas op bovengenoemde huidbeenplaten, waarmede zij rechtstreeks in aanraking is, en daardoor op het omringende medium overgebracht.

Het nut van het geluid is in dit en in vele andere gevallen waarschijnlijk, dat het vijanden doet schrikken. Bij de Zuid-Amerikaansche Siluroïden is het echter in den rijtijd het sterkst en wordt het dan door geheele scharen dezer dieren tegelijk voortgebracht. Sörensen onderstelt daarom, dat het bij deze als lokmiddel voor seksueele doeleinden dient.

In de rivier Pontianak op Borneo schijnen geluidgevende visschen voor te komen, wier tonen door de inboorlingen aan geesten worden toegeschreven.

Ik heb eens een pas uit het water gehaalden gewonen snoek (Esox Lucius) een schor, kuchend geluid hooren geven, dat uit het inwendige van het dier scheen voort te komen.

Dufossé vermeldt in een zeer uitvoerige verhandeling („Ann. des sciences natur., Zoologie”, 1874, T. XX) 52 Europeesche visschen die geluid maken. Visschen bij welke het geluid ontstaat door trillingen van de spieren der zwemblaas, kunnen ook verschillende opvolgende tonen voortbrengen, hetgeen hij bij een soort van zang vergelijkt.

(3) De hier bedoelde soort is de zoogenaamde „Bull-Frog”, letterlijk „Os-Kikvorsch”, der Noord-Amerikanen. Deze kikvorschen (hun wetenschappelijke naam is Rana mugeens) bereiken een lengte van 4 decimeter (van de punt van den snoet tot het einde der uitgestrekte achterpooten gemeten) en hun gekwaak is zoo luid, dat men het op een uur afstands kan hooren.

(4) De mannelijke schildpadden zijn doorgaans kleiner dan de wijfjes; hierin komen zij dus met de visschen (verg. blz. 6) en de slangen (vergelijk blz. 26) overeen. Wat het verschil in schakeering aangaat, op laatstgenoemde blz. tusschen de beide seksen van de Engelsche adder aangegeven, moet ik nog opmerken, dat bij onze inlandsche, soortelijk niet van de Engelsche verschillende adder de grondkleur bij de wijfjes roodbruin, bij de volwassen mannetjes zilver- of witachtig grijs is, dat bij de jongen in het bruinachtige trekt. Het regenboogvlies (iris) is bij de jonge wijfjes geel, bij de oude wijfjes vuurrood, bij de mannetjes donkerrood.

(5) Het kan voor een zwak dier dikwijls voordeeliger zijn als vergiftig te worden herkend, dan zijn gif te gebruiken. Wat helpt het een koraalslang, bij voorbeeld, die door een mensch wordt doodgetrapt, of zij hem een doodelijken beet toebrengt. Blijkbaar is het voordeeliger voor haar, als zij door haar opzichtige kleur wordt opgemerkt, en dus uit vrees niet doodgetrapt; zoo kunnen m.i. de schitterende (waarschuwende) kleuren van vele gifslangen en insekten en ook de ratel der ratelslang enz. het best worden verklaard.

(6) Daar de werking der seksueele teeltkeus in nauw verband staat met de ontwikkeling der geestvermogens, vergelijke men „Album der Natuur”, 1865, blz. 191; men zal dan zien, dat de geestvermogens bij de hagedissen veel ontwikkelder zijn dan men waarschijnlijk zou hebben verwacht.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.

Seksueele verschillen.—Kampstrijd tusschen de mannetjes.—Bijzondere wapenen.—Stemorganen.—Instrumentale muziek.—Liefdespel en dansen.—Versierselen, blijvende en tijdelijke.—Dubbele en enkelvoudige jaarlijksche ruitijd.—Het pronken der mannetjes met hun versierselen.