Part 12
Uit het licht dat het beginsel van trapsgewijzen overgang afwerpt; uit hetgeen wij weten van de wetten der variatie door de veranderingen die bij vele van onze tamme vogels hebben plaats gehad; en, eindelijk (gelijk wij later duidelijker zullen zien) uit den aard van het nog niet volwassen gevederte van jonge vogels,—kunnen wij soms met een zekere mate van vertrouwen de waarschijnlijke stappen aanwijzen, door welke de mannetjes hun schitterend gevederte en verschillende versierselen hebben verkregen; maar toch worden wij in vele gevallen door duisternis omgeven. De heer Gould maakte mij, verscheidene jaren geleden, opmerkzaam op een soort van kolibri (Urosticte benjamini), die opmerkelijk is door de merkwaardige verschillen welke de seksen vertoonen. Het mannetje heeft, behalve een prachtige keel, groenachtig zwarte staartvederen waarvan de vier middelste witte punten hebben; bij het wijfje hebben, evenals bij de meeste verwante soorten, de drie buitenste staartvederen aan elke zijde witte punten, zoodat bij het mannetje de vier centrale, bij het wijfje daarentegen de vier buitenste vederen met witte punten zijn versierd. Wat het geval merkwaardig maakt, is, dat, hoewel de kleur van den staart bij de beide seksen van vele soorten van kolibri’s opmerkelijk verschilt, de heer Gould geen enkele soort kent, behalve de Urosticte, bij welke de vier middelste vederen bij het mannetje witte punten vertoonen.
De Hertog van Argyll slaat, dit geval behandelende [212], geen acht op de seksueele teeltkeus, en vraagt: „welke verklaring geeft de wet der natuurlijke teeltkeus van zulke soortelijke verscheidenheden als deze?” Hij antwoordt: „volstrekt geen”; en ik ben dat volkomen met hem eens. Kan dit echter met even zooveel vertrouwen worden gezegd van de seksueele teeltkeus? Als men ziet, op hoe vele wijzen de staartvederen van kolibri’s verschillen, waarom zouden dan niet de vier middelste vederen alleen bij deze ééne soort zoodanig zijn afgeweken, dat zij witte punten verkregen? De afwijkingen kunnen trapsgewijze hebben plaats gehad, of ook wel een weinig plotseling, zooals in het vroeger gegeven voorbeeld van kolibri’s nabij Bogota, van welke alleen bij sommige individu’s „de middelste staartvederen fraaie groene punten hebben.” Bij het wijfje van de Urosticte merkte ik uiterst kleine of rudimentaire witte punten op aan de buitenste van de vier middelste zwarte staartvederen, zoodat wij hier een aanwijzing hebben van de eene of andere soort van verandering in het gevederte van deze soort. Indien wij de mogelijkheid toestemmen, dat de middelste staartvederen van de mannetjes in witheid verschillen, is er niets vreemds in, dat tusschen dergelijke afwijkingen door de andere sekse bij de voortplanting een keus wordt gedaan. De witte punten verhoogen in verbinding met de kleine witte oorpluimen, ongetwijfeld, gelijk de Hertog van Argyll toegeeft, de schoonheid van het mannetje; de witheid wordt blijkbaar door andere vogels op prijs gesteld, gelijk mag worden afgeleid uit dergelijke gevallen als het sneeuwwitte mannetje van den klokvogel. Men moet de mededeeling van den heer R. Heron niet vergeten, dat namelijk zijn pauwinnen, toen haar de toegang tot den gevlekten pauw was afgesloten, met geen ander mannetje wilden paren en dat jaar geen jongen voortbrachten. Het is ook niet vreemd, dat bij Urosticte juist afwijkingen in de staartvederen ter wille van de versiering bij de voortplanting zijn uitgekozen; want het onmiddellijk daarop volgende geslacht in de Familie ontleent den naam Metallura aan de pracht van deze vederen. Wij bezitten daarenboven goede bewijzen, dat de kolibri’s zich bijzondere moeite geven om met hun staartvederen te pronken. De heer Belt zegt [213], na de schoonheid van Florisuga mellivora te hebben beschreven: „Ik heb het wijfje op een tak zien zitten en twee mannetjes tegenover haar, die met hun bekoorlijkheden pronkten. Het eene schoot omhoog als een vuurpijl, spreidde daarop plotseling zijn sneeuwwitten staart uit gelijk een omgekeerde parachute, daalde langzaam tegenover haar naar beneden, draaide zich langzaam om, om zijn voor- en achterzijde te toonen ... De uitgespreide witte staart besloeg meer ruimte dan al het overige van den vogel en speelde blijkbaar de hoofdrol bij de vertooning. Terwijl het eene mannetje nederdaalde, schoot het andere omhoog en kwam langzaam met uitgespreiden staart naar beneden. Het spel eindigde met een gevecht tusschen de beide acteurs; maar, of de schoonste of de strijdlustigste de bevoorrechte minnaar werd, is mij onbekend.” Na het bijzondere gevederte van Urosticte te hebben beschreven, voegt de heer Gould er bij: „dat versiering en verscheidenheid het eenige doel is, daarvoor koester ik voor mij zelf slechts weinig twijfel.” [214] Indien dit wordt toegegeven, kunnen wij begrijpen, dat de mannetjes die op de bevalligste en nieuwste wijze waren uitgedost, een voordeel moeten hebben verkregen, niet in den gewonen strijd om het leven, maar in de mededinging met andere mannetjes, en derhalve een grooter nakomelingschap hebben nagelaten om hun nieuw verkregen schoonheid te erven.
AANTEEKENINGEN.
(1) De Australiërs voeren somtijds, als het volle maan is, in de schaduw der gomboomen fantastische dansen uit, waarbij zij allerlei vreemde geluiden maken, terwijl hun handen en enkels met ratelend loof zijn versierd en hun lichamen als geraamten beschilderd: zij noemen deze dansen Karobberee. „Corroborying places” zal dus beteekenen de plaatsen waar de Karobberee wordt uitgevoerd; zoodat dan de liefdevertooningen van Menura Alberti door de inboorlingen met hun eigen Karobberee worden vergeleken.
(2) Als een voorbeeld van de hooge ontwikkeling der geestvermogens van sommige vogels, wijzen wij op het in het „Album der Natuur”, 1864, blz. 190, en 1865, blz. 223, medegedeelde omtrent „een verstandige duif”, die na een paar malen jongen te hebben verloren, doordat deze uit het nest kropen en doodvielen, een derde maal de pooten van haar jong, om het te beletten uit het nest te kruipen, met allerlei draden, vezels, enz. zoo stevig vastbond, dat er zelfs knoopen in waren en men de schaar moest te hulp roepen om het los te maken.
(3) Een schitterend roode, tot de aniline-kleuren behoorende verfstof.
(4) „If reason be excluded”; wij begrijpen deze bijvoeging niet, nadat Darwin het geheel derde en vierde hoofdstuk van dit werk heeft gewijd aan een uitvoerig betoog, dat „het geestelijk verschil tusschen den mensch en de hoogere dieren, hoe groot het ook zij, zeker slechts een verschil in hoeveelheid en niet in hoedanigheid is” (Deel I, blz. 214), en nadat hij in het begin van dit hoofdstuk, de geestvermogens der vogels besprekende, heeft gezegd: „Hun rede wordt gewoonlijk en wellicht terecht voor weinig ontwikkeld gehouden.” Een wezen dat een weinig ontwikkelde rede bezit, verschilt in dit opzicht niet fundamenteel, maar slechts in graad (quantitatief) van den mensch: men kan niet zeggen, dat aan zulk een wezen de rede ontbreekt. Uit het in aanteekening 2 omtrent duiven en in aanteekening 8 van hoofdstuk III omtrent papegaaien aangevoerde, meenen wij daarenboven te mogen besluiten, dat Darwin het verstand der vogels wel wat te laag schat!
(5) „Albinisme en melanisme.” Het albinisme is een aangeboren gebrek in de organisatie, dat bestaat in een te geringe hoeveelheid of zelfs volkomen gemis van pigment in de huid, de haren, het regenboogvlies (iris) en de choroïdea van het oog, waardoor een melkwitte kleur van huid en haren en een roode kleur van het oog wordt veroorzaakt. Onder de dieren zijn de witte konijnen, de witte muizen, de witte olifanten en het fretje (dat niets dan een albino van den gewonen bunsing is) daarvan bekende voorbeelden. Men dacht lang, dat onder de menschen alleen bij het negerras albino’s voorkwamen; vandaar de naam van witte negers, waarmede men de menschelijke albino’s wel bestempelt. Zij worden ook wel kakkerlakken genoemd. De „schoone dames met wit haar en roode oogen”, die voor weinige jaren allerwege op de kermissen in Nederland werden vertoond, waren niets dan dergelijke albino’s. De albino’s kunnen het volle zonlicht slecht verdragen, vanwaar men ze ook wel heliophoben noemt.
Melanisme is een juist tegenovergestelde afwijking die zich kenmerkt door een zwarter of donkerder kleur, dan gewoonlijk, van de huid en de haren der dieren, en het gevolg van een overmaat van kleurstof is. Een bekend voorbeeld daarvan levert de, lang voor een bijzondere soort gehouden, zwarte panter van Java op.
(6) Dr. Körschner te Gratz [215] heeft in 1886 het ontstaan van de oogveêren van den pauw behandeld. Hij vond, dat het uitgangspunt daarvan bestond in een bij dezen vogel tamelijk veelvuldig voorkomende vedersoort die roodachtig gele en zwarte banden vertoont. Deze met banden geteekende veder kan echter, met behulp van volledige reeksen uit het eerste gevederte van jonge pauwen en het gevederte der pauwin, en eindelijk van de dij- en vleugelvederen van de pauw zelve, terug worden gebracht tot een geelachtig bruine veder met grijsachtig zwarte spikkels. Verder bevond hij, dat het zelfde bij alle hoenderachtige vogels het geval was.
Hij vond, dat men voor elk met gelijksoortige vederen begroeid vlak („Federflur”), ja zelfs voor het geheele vederkleed van den vogel, „een coördinatenstelsel kan construeeren, waarbij zoowel de op de abscissen (dwarsrijen) als de op de ordinaten (overlangsche rijen) gelegen leden overgangstrappen met bepaalde verschillen vormen”.
Hij wijst op het belang zijner waarnemingen voor de systematiek, „daar zij ons b.v. in staat stellen de verschillende siervederen van den pauwhaan, den argusfazant, den Polyplectron, van Francolinus [216], den Satyrhaan [217], der verschillende soorten van fazanten, tot een en het zelfde uitgangspunt terug te brengen, en daarenboven ook de graden van verwantschap tusschen de verschillende soorten van teekening te bepalen.”
Hij voert verder de trapsgewijze veranderingen in het gevederte aan als een bewijs, dat de soorten algemeen door langzame (en niet door een sprongsgewijze) ontwikkeling of differentieering zijn ontstaan en voegt er bij: „doch ook in het bijzonder worden wij ten opzichte van den gang der phylogenetische ontwikkeling” (ontwikkeling van den stam) „door de reeksen ingelicht. De eindproducten van die ontwikkeling (de tegenwoordige soorten) zijn ons bekend, als uitgangspunt („Anfangsglied”) kunnen wij, de juistheid van de ontwikkelingstheorie en van den oorsprong der groep (Hoenderachtige Vogels, Roofvogels) uit éénen vorm vooropstellende, de aan alle geslachten (genera) gemeenschappelijke eenvoudigste soort van teekening beschouwen, en dit des te meer, daar alle reeksen ons tot deze terugvoeren. De reeksen zelven als de som der tusschen ons uitgangspunt en de eindproducten interpoleerbare tusschentrappen mogen wij dan beschouwen als de samenvatting van een aantal van eindleden die voorouderlijke trappen van ontwikkeling vertegenwoordigen, dus als de phylogenetische ontwikkeling van het eindproduct. Met deze niet al te gewaagde veronderstelling kunnen wij ook met zekerheid het vederkleed van de voorouderlijke trappen bij benadering reconstrueeren” enz.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE VOGELS.—VERVOLG.
Onderzoek, waarom bij sommige soorten alleen de mannetjes, en bij andere beide seksen schitterende kleuren vertoonen.—Over tot ééne sekse beperkte erfelijkheid: toepassing daarvan op verschillende deelen en op een schitterend gekleurd vederkleed.—Betrekking tusschen nestbouw en kleur.—Verlies van het bruiloftskleed gedurende den winter.
Wij moeten in dit hoofdstuk onderzoeken, waarom bij vele soorten van vogels het wijfje niet de zelfde versierselen heeft ontvangen als het mannetje; en waarom bij vele andere beide seksen de zelfde, of bijna de zelfde kleuren vertoonen? In het volgende hoofdstuk zullen wij onderzoeken, waarom in enkele zeldzame gevallen het wijfje schitterender is dan het mannetje.
In mijn „Ontstaan der Soorten” [218] heb ik kortelijk het denkbeeld geopperd, dat de lange staart van den pauw lastig en de in ’t oog vallende zwarte kleur van den auerhaan gevaarlijk zouden zijn voor het wijfje gedurende den broeitijd, en dat derhalve de overplanting van deze kenmerken van het mannetje op zijn vrouwelijke nakomelingschap door de natuurlijke teeltkeus was verhinderd. Het is nog mijn meening, dat dit in eenige weinige gevallen kan zijn gebeurd: doch na rijp nadenken over al de feiten die ik in staat ben geweest te verzamelen, ben ik nu geneigd te gelooven, dat, wanneer de seksen verschillen, de opeenvolgende afwijkingen over het algemeen van den beginne af in haar overplanting beperkt zijn geweest tot de zelfde sekse bij welke zij het eerst verschenen. Sinds mijn opmerkingen in het licht verschenen, is het onderwerp van seksueele kleuring in eenige hoogst belangwekkende verhandelingen besproken door den heer Wallace [219], die gelooft, dat in bijna alle gevallen de opeenvolgende afwijkingen een neiging bezaten om gelijkelijk op beide seksen te worden overgeplant; maar dat het wijfje door de natuurlijke teeltkeus werd verhinderd om de opzichtige kleuren van het mannetje te verkrijgen, ten gevolge van het gevaar dat zij daardoor gedurende den broeitijd zou hebben geloopen.
Deze zienswijze maakt een vervelende redekaveling over een moeilijk punt noodzakelijk, namelijk of de overplanting van een kenmerk dat eerst door beide seksen wordt overgeërfd, later in zijn overplanting door middel der teeltkeus alleen tot ééne sekse kan worden beperkt. Wij moeten bedenken, dat, gelijk in het inleidende hoofdstuk over seksueele teeltkeus is aangetoond, kenmerken die in hun ontwikkeling tot ééne sekse zijn beperkt, altijd bij de andere in latenten toestand bestaan. Een denkbeeldig voorbeeld zal ons het best helpen om de moeilijkheid van het geval te zien; laten wij eens veronderstellen, dat een duivenfokker een duivenras wenscht te vormen, bij hetwelk alleen de mannetjes bleek blauw zouden zijn gekleurd, terwijl de wijfjes haar vroegere leiachtige kleur behielden. Daar bij duiven kenmerken van alle soorten gewoonlijk gelijkelijk op beide seksen worden overgeplant, zou de fokker moeten beproeven dezen laatsten vorm van erfelijkheid in tot ééne sekse beperkte overplanting te veranderen. Al wat hij kon doen, zou zijn om voortdurend elke mannelijke duif die in de minste mate van een bleeker blauwe kleur was, voor de voortteling uit te kiezen; en het natuurlijk gevolg van deze handelwijze, als zij gedurende langen tijd onophoudelijk werd voortgezet, en indien de bleeke afwijkingen sterk werden overgeërfd of dikwijls terugkwamen, zou zijn om het geheele geslacht van een lichter blauw te maken. Onze fokker zou echter genoodzaakt zijn om in elke opeenvolgende generatie zijn bleekblauwe mannetjes met leikleurige wijfjes te doen paren; want hij wenscht, dat de laatste deze kleur behouden. De uitslag zou over het algemeen zijn, hetzij de voortbrenging van een partij gevlekte bastaarden, of wel nog waarschijnlijker het spoedig en volkomen verloren gaan van de bleek-blauwe kleur; want de oorspronkelijke leikleurige tint zou met overwegende kracht worden overgeplant. Onderstellende echter, dat in elke opeenvolgende generatie enkele bleek-blauwe mannetjes en leikleurige wijfjes werden voortgebracht, en dat deze altijd met elkander werden gepaard, dan zouden de leikleurige wijfjes, als ik de uitdrukking mag gebruiken, veel blauw bloed in haar aderen hebben; want haar vaders, grootvaders enz. zouden blauwe vogels zijn geweest. Onder deze omstandigheden zou het te begrijpen zijn (hoewel ik geen stellige feiten ken, die het waarschijnlijk maken), zoo de leikleurige wijfjes een zoo groote latente neiging tot bleek-blauwheid verkregen, dat zij die kleur bij haar mannelijke nakomelingschap niet vernietigden, terwijl haar vrouwelijke nakomelingschap de leikleurige tint bleef behouden. Indien dit zoo was, zou het begeerde einddoel om een ras te maken, bij hetwelk de beide seksen standvastig in kleur verschillen, kunnen worden bereikt.
De uiterste belangrijkheid of liever noodzakelijkheid, dat in het bovengenoemde geval het gewenschte kenmerk, namelijk bleek-blauwheid, bij het wijfje, hoewel in latenten staat, bestond, zal het best door het volgende voorbeeld worden gewaardeerd: het mannetje van den Soemmerring’s fazant heeft een staart van meer dan 90 centimeter lengte, terwijl die van het wijfje slechts ruim 20 centimeter lang is; de staart van het mannetje van den gewonen fazant is omstreeks 50 centimeter lang, en die van zijn wijfje omstreeks 30 centimeter. Indien nu het wijfje van den Soemmerring’s fazant met haar korten staart met het mannetje van den gewonen fazant werd gekruist, kan er geen twijfel zijn, of het mannelijke bastaardkroost zou een veel langeren staart hebben dan die van het onvermengde kroost van den gewonen fazant. Indien daarentegen het wijfje van den gewonen fazant, met haar staart welke bijna tweemaal zoo lang (1) als die van het wijfje van den Soemmerring’s fazant is, met het mannetje van dezen laatsten werd gekruist, zou het mannelijke bastaardkroost een veel korter staart hebben dan die van het onvermengde kroost van den Soemmerring’s fazant. [220]
Om zijn nieuw ras met mannetjes van een beslist bleek-grauwe kleur en onveranderde wijfjes te maken, zou onze fokker gedurende vele generatiën voort moeten gaan met de mannetjes voor de voortteling uit te kiezen; en elke graad van bleekheid zou bij de mannetjes moeten worden gefixeerd en bij de wijfjes latent gemaakt. Dit zou een uiterst moeilijke taak zijn en is nimmer beproefd, maar zou mogelijk slagen. De voornaamste hinderpaal zou het spoedige en volkomen verlies van de bleek-blauwe kleur zijn, wegens de noodzakelijkheid van herhaalde kruisingen met het leikleurige wijfje, daar dit laatste in het eerst volstrekt geen latente neiging bezit, om bleekblauw kroost voort te brengen.
Indien daarentegen een of twee mannetjes in hoe geringe mate ook in bleekheid afweken, en de afwijkingen van den beginne af in haar overplanting tot de mannelijke sekse beperkt bleven, zou de taak om een nieuw ras van de begeerde soort te maken, gemakkelijk zijn; want men zou eenvoudig de mannetjes voor de voortteling hebben uit te kiezen en hen met gewone wijfjes te paren. Een soortgelijk geval heeft werkelijk plaats gehad; want er zijn in België [221] duivenrassen bij welke alleen de mannetjes met zwarte strepen zijn geteekend. Zoo heeft ook de heer Tegetmeier voor eenige jaren aangetoond [222], dat Engelsche Pagadet-duiven („dragons”) niet zelden zilverkleurige jongen voortbrengen, dat gewoonlijk wijfjes zijn, en hij heeft zelf tien zulke wijfjes uitgebroeid. Daarentegen is het hoogst zeldzaam, dat er een zilverkleurig mannetje wordt voortgebracht, zoodat niets gemakkelijker is dan een ras van Pagadet-duiven („dragons”) te vormen, waarbij de mannetjes blauw en de wijfjes zilverkleurig zijn. Deze neiging is inderdaad zoo sterk, dat, toen de heer Tegetmeier ten laatste een zilverkleurig mannetje verkreeg en dat met een zilverkleurig wijfje paarde, hij in zijn verwachting om een ras te verkrijgen, waarin beide seksen die kleur bezaten, werd teleurgesteld; want het jonge mannetje keerde terug tot de blauwe kleur van zijn grootvader, en alleen het jonge wijfje was zilverkleurig. Ongetwijfeld zou, als men geduld gebruikte, deze neiging tot atavisme bij de mannetjes, gesproten uit de vereeniging van een toevallig zilverkleurigen doffer met een zilverkleurige duif, kunnen worden vernietigd, en dan zouden beide seksen gelijk zijn gekleurd; en juist deze handelwijze is door den heer Esquilant met goed gevolg aangewend in het geval van zilverkleurige meeuwtjes („turbits”). Bij hoenders komen afwijkingen in kleur, die in haar overplanting tot de mannelijke sekse beperkt zijn, veelvuldig voor. Zelfs als deze vorm van erfelijkheid de overhand behield, zou het wel kunnen gebeuren, dat sommige van de opeenvolgende stappen in het proces van afwijking op het wijfje werden overgebracht, dat er dan toe zou komen om eenigermate op het mannetje te gelijken, zooals bij sommige hoenderrassen het geval is. Of ook het grootste aantal, maar niet alle opeenvolgende stappen zouden op beide seksen kunnen worden overgebracht, en het wijfje zou dan zeer veel op het mannetje gelijken. Het kan nauwelijks worden betwijfeld, dat dit de oorzaak is, waarom het mannetje van de Kropduif een iets grooteren kop en dat van de Postduif iets grootere vleeschlappen hebben dan hun respectieve wijfjes; want de fokkers hebben niet van de eene sekse met meer zorg individu’s voor de voortteling uitgezocht dan van de andere, en hebben den wensch niet gekoesterd, dat het mannetje in hooger mate met deze kenmerken zou prijken dan het wijfje, en toch is dit bij beide rassen het geval.
De zelfde handelwijze zou moeten worden gevolgd, en men zou de zelfde moeilijkheid ontmoeten, wanneer men een ras wenschte te vormen, waarvan alleen de wijfjes van de eene of andere nieuwe kleur waren. Onze fokker zou eindelijk een ras kunnen wenschen te vormen, waarbij de twee seksen van elkander en beide van de stamsoort verschilden. Hier zou de moeilijkheid uiterst groot zijn, tenzij de opeenvolgende afwijkingen van het begin af van beide seksen tot eene sekse waren beperkt, en dan zou er geen moeilijkheid bestaan. Wij zien dat bij de Hoenders; zoo verschillen de beide seksen van de gepenseelde Hamburger hoenders zeer van elkander, zoowel als van de beide seksen van den oorspronkelijken Gallus bankiva; en beide worden nu bestendig op haar standaard van uitnemendheid gehouden door voortgezette teeltkeus, hetgeen onmogelijk zou zijn, wanneer niet de onderscheidene kenmerken van beide in hun overplanting waren beperkt. De Spaansche hoenders bieden een merkwaardig geval aan; de haan bezit een verbazend grooten kam, maar sommige van de opeenvolgende afwijkingen, door de opeenhooping waarvan hij dien heeft verkregen, schijnen op de hen te zijn overgebracht; want zij heeft een kam die vele malen grooter is dan die van de hennen van de stamsoort. De kam van de hen verschilt echter in één opzicht van dien van den haan, want hij is geneigd om over te hangen, en in den laatsten tijd heeft de mode beslist, dat dit altijd het geval behoorde te zijn, en dit bevel is spoedig met goeden uitslag gevolgd. Nu moet het overhangen van den kam wel in zijn overplanting seksueel beperkt zijn; want anders zou het verhinderen, dat de kam van den haan volkomen rechtstandig bleef hetgeen in het oog van elken fokker afschuwelijk zou zijn. Daarentegen moet ook de rechtstandigheid van den kam van den haan eveneens een seksueel beperkt kenmerk zijn; want anders zou het het overhangen van den kam van de hen tegengaan.
Uit de voorgaande voorbeelden zien wij, dat het, zelfs als men een bijna onbegrensden tijd tot zijn beschikking had, een uiterst moeilijk en ingewikkeld, hoewel wellicht niet onmogelijk proces zou zijn om door teeltkeus den eenen vorm van erfelijkheid in den anderen te veranderen. Daarom ben ik, zonder stellige bewijzen in elk afzonderlijk geval, ongeneigd om aan te nemen, dat dit bij natuurlijke soorten dikwijls is geschied. Daarentegen zou er, door middel van opeenvolgende afwijkingen die van den beginne af in haar overplanting seksueel waren beperkt, geen de minste moeilijkheid in zijn gelegen om een mannelijken vogel in kleur of in eenig ander kenmerk zeer verschillend van het wijfje te maken, terwijl dit laatste onveranderd bleef, of slechts weinig veranderd, of bijzonder ter wille van de bescherming werd gewijzigd.
Daar levendige kleuren aan de mannetjes van dienst zijn bij hun mededinging met hun medeminnaars, zullen dergelijke kleuren voor de voortteling worden uitgezocht, hetzij zij al dan niet uitsluitend op de zelfde sekse worden overgeplant. Men zou bijgevolg mogen verwachten, dat de wijfjes dikwijls in meerdere of mindere mate in de levendige kleuren van de mannetjes zouden deelen; en dit is werkelijk bij een menigte soorten het geval. Indien al de opeenvolgende afwijkingen gelijkelijk op beide seksen werden overgeplant, zouden de wijfjes niet van de mannetjes zijn te onderscheiden; en dit is eveneens bij vele vogels het geval. Indien echter doffe kleuren van hoog belang waren voor de veiligheid van het wijfje gedurende den broeitijd, gelijk bij vele op den grond nestelende vogels, zouden de wijfjes die door levendige kleuren afweken of door overerving van de mannetjes eenige merkbare toeneming van de levendigheid hunner kleuren verkregen, vroeger of later te gronde gaan. De neiging in de mannetjes om gedurende een onbeperkten tijd voort te gaan met op hun vrouwelijke nakomelingen hun eigen levendigheid van kleur over te planten, zou moeten worden geëlimineerd door een verandering in den vorm van erfelijkheid; en dit zou, gelijk door ons voorafgaand voorbeeld wordt aangetoond, uiterst moeilijk zijn. Het meer waarschijnlijk gevolg van de lang voortgezette vernieling van de meer levendig gekleurde wijfjes, veronderstellende dat de gelijke vorm van overplanting de overhand behield, zou zijn de vermindering of vernietiging van de levendige kleuren van de mannetjes, ten gevolge van hun voortdurende kruising met de doffer gekleurde wijfjes. Het zou vervelend zijn alle andere mogelijke gevolgen ten einde toe na te gaan; ik mag echter den lezer herinneren dat, gelijk in het achtste hoofdstuk is aangetoond, indien zich bij de wijfjes seksueel beperkte afwijkingen in levendigheid van kleur voordeden, deze, zelfs al waren zij in het minst niet nadeelig voor hen en al werden zij bij gevolg niet geëlimineerd, toch niet zouden worden begunstigd of voor de voortteling uitgekozen; want het mannetje neemt gewoonlijk elk wijfje aan en kiest de meer aantrekkelijke individu’s niet voor de voortteling uit; bij gevolg zouden deze afwijkingen er aan zijn blootgesteld verloren te gaan, en weinig invloed hebben op de kenmerken van het ras; en dit zal helpen om te verklaren, waarom de wijfjes gewoonlijk minder levendig zijn gekleurd dan de mannetjes.