Part 37
[360] Dit wordt echter zeer onwaarschijnlijk gemaakt, doordat in het bovenvermeld boekje van von Herberstain van de Auerossen (Bos Urus) wordt gezegd: „Men paart ze met de tamme koeien, maar de jongen worden dan niet door de Urussen in de kudde geduld, en de kalveren van dergelijke bastaarden komen dood ter wereld.” Daar men uit het feit, dat twee vormen vruchtbare jongen met elkander voortbrengen, op het tegenwoordig standpunt der wetenschap niet meer (gelijk men vroeger deed) mag besluiten, dat het geen twee verschillende soorten zijn, kan men er des te zekerder van zijn dat twee vormen die onvruchtbare of onvolkomen vruchtbare jongen met elkander geven, ongetwijfeld soortelijk verschillen.
[361] Uit den verschillenden tijd van het afvallen der horens bij het mannetje en het wijfje blijkt echter, dat zij nog steeds met de sekse in verband staan. Het zou belangrijk zijn na te gaan, of de horens bij gesneden rendieren afvallen op den zelfden tijd als bij de ongesneden mannetjes, dan wel op den zelfden tijd als bij de wijfjes. Vergelijk ook het door Darwin (II, blz. 231, 232, 233), gezegde omtrent gecastreerde antilopen, herten, schapen, geiten, runderen enz.
[362] „Ueber den Ursprung der secundären männlichen Geschlechtscharakteren etc.”, Kosmos, 1881, blz. 172. (Zie ook „Afstamming van den Mensch”, 4de Ned. uitgaaf, deel I, blz. 557, 559.)
[363] „Afst. v.d. Mensch”, 4de uitg., Deel II, hoofdstuk XVII, blz. 254. Zie ook hoofdstuk XIV over voorkeur bij het paren door vrouwelijke vogels getoond en over hun op prijs stellen van schoonheid.
[364] „The Voyage of the Vega”, Eng. Vert. (1881, vol. II, blz. 97).
[365] „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 154.
[366] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 585.
[367] Ibid., blz. 595.
[368] Zie, bij voorbeeld, majoor W. Ross King („The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 53, 131) over de gewoonten van den eland en het wilde rendier.
[369] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 600.
[370] De heer Green, in „Journal of Linn. Soc.”, vol. X, Zoology, 1869, blz. 362.
[371] C. L. Martin, „General Introduction to the Nat. Hist. of Mamm. Animals”, 1841, blz. 431.
[372] „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1860, blz. 21.
[373] Omtrent den zeeolifant, zie een artikel door Lesson, in „Dict. Class. Hist. Nat.”, tome XIII, blz. 418. Omtrent de Cystophora of Stemmatopus, zie Dr. Dekay, „Annals of Lyceum of Nat. Hist. New-York”, vol. I, 1824, blz. 94. Pennant heeft ook inlichtingen omtrent dit dier bij robbenvangers ingewonnen. De volledigste mededeelingen worden door den heer Brown, die den rudimentairen toestand van de blaas bij het wijfje betwijfelt, gedaan in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 435.
[374] Zooals bij het bevergeil (castoreum) van den bever; zie het hoogst belangwekkende werk van den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”, 1868, blz. 300. Pallas („Spic. Zoolog.”, fasc. VIII, 1779, blz. 23) heeft de riekende stoffen afscheidende klieren der zoogdieren grondig besproken. Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 634) behandelt deze klieren insgelijks met insluiting van die van den olifant en (blz. 763) die van de spitsmuis.
[375] Rengger, „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 355. Deze waarnemer deelt ook eenige merkwaardige bijzonderheden mede omtrent den voortgebrachten geur.
[376] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 632. Zie ook Dr. Murie’s waarnemingen omtrent hun klieren in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1870, blz. 340. Desmarest, over Antilope subgutturosa, „Mammalogie”, 1820, blz. 445.
[377] Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, fasc. XIII, 1799, blz. 24; Desmoulins, „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome III, blz. 586.
[378] Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery at Knowsley”, blz. 28.
[379] Judge Caton over het Wapiti-hert, „Transact. Ottawa Acad. Nat. Sciences”, 1868, blz. 36, 40; Blyth, „Land and Water”, over Capra aegagrus, 1867, blz. 37.
[380] Hunter’s „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 236.
[381] Zie Dr. Gray’s „Cat. of Mammalia in British Museum”, part. III, 1852, blz. 144.
[382] Rengger „Säugethiere” enz., blz. 14; Desmarest, „Mammalogie” blz. 66.
[383] Zie de hoofdstukken over deze verschillende dieren in Deel I van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ook Deel II, blz. 98; ook hoofdstuk XX, over de uitoefening van teeltkeus door half beschaafde volken. Omtrent de Berbura-geit, zie Dr. Gray, „Catalogue”, ibid., blz. 157.
[384] J. A. Allen, in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207. De heer Dobson over seksueele kenmerken bij de Chiroptera, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241. Dr. Gray over luiaards, ibid., 1871, blz. 436.
[385] Osphranter rufus, Gould, „Mammals of Australia”, vol. II, 1863. Omtrent de Didelphys, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 256.
[386] „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Nov. 1867, blz. 325. Omtrent Mus minutus, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 304.
[387] J. A. Allen in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207.
[388] Desmarest, „Mammalogie”, 1820, blz. 223. Omtrent Felis mitis, Rengger, ibid., blz. 194.
[389] Dr. Murie over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, blz. 108. De heer R. Brown, over de P. Groenlandica, ibid., 1868, blz. 417. Zie ook omtrent de kleuren van robben, Desmarest, ibid, blz. 243, 249.
[390] Judge Caton in „Trans. Ottawa Acad. of Nat. Sciences”, 1868, blz. 4.
[391] Dr. Gray, „Cat. of Mamm. in Brit. Mus.”, part III, 1852, blz. 134–142; ook Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, waarin een prachtige afbeelding van Oreas Derbianus voorkomt: zie den tekst over Tragelaphus. Omtrent den Kaapschen Eland (Oreas canna), zie Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. 41 en 42. Er zijn ook vele van deze antilopen in den Londenschen dierentuin.
[392] Omtrent de de Ant. nigra, zie „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 133. Omtrent een verwante soort bij welke een gelijk seksueel kleurverschil bestaat, zie Sir Samuel Baker, „The Albert Nyanza”, 1866, vol. II, blz. 327. Voor de A. sing-sing, Gray, „Cat. B. Mus.” blz. 100. Desmarest, „Mammalogie”, blz. 468, over A. caama; Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, over den gnoe.
[393] „Ottawa Academy of Sciences”, 21 Mei, 1868, blz. 3, 5.
[394] S. Müller over den Banteng, „Zoogd. Indischen Archipel”, 1839–1844, tab. 35; zie ook Raffles, aangehaald door Dr. Gray in „Land and Water”, 1867, blz. 476. Omtrent geiten, Dr. Gray, „Cat. Brit. Mus.”, blz. 146; Desmarest, „Mammalogie”, blz. 482. Omtrent Cervus paludosus, Rengger, ibid., blz. 345.
[395] Sclater, „Proc. Zool. Soc.”, 1866, blz. 1. Het zelfde feit is ook door de heeren Pollen en van Dam volkomen bevestigd.
[396] Omtrent Mycetes, Rengger, ibid., blz. 14; en Brehm, „Illustrirtes Thierleben”, Bd. I, blz. 96, 107. Omtrent Ateles, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 75. Omtrent Hylobates, Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 135. Omtrent Semnopithecus, S. Müller, „Zoogd. Indischen Archipel”, tab. X.
[397] Gervais, „Hist. Nat. des Mammifères”, 1854, blz. 103. Afbeeldingen worden gegeven van den schedel van het mannetje. Desmarest, „Mammalogie”, blz. 70. Geoffroy St. Hilaire en Cuvier, „Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I.
[398] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. vert., deel II, blz. 89, 90.
[399] „Essays and Observations by J. Hunter”, uitgegeven door Owen, 1861, vol. I, blz. 194.
[400] Sir S. Baker, „The Nile Tributaries of Abyssinia”, 1867.
[401] Fiber zibethicus, Audubon en Bachman, „The Quadrupeds of N. America”, 1846, blz. 109.
[402] „Novae species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Het dier dat ik ree heb genoemd, is Capreolus Sibericus subecaudatus van Pallas.
[403] „The Naturalist in Nicaragua”, blz. 249.
[404] Zie de fraaie platen in A. Smith’s „Zoology of S. Africa”, en Dr. Gray’s „Gleanings from the Menagery of Knowsley.”
[405] „Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 5.
[406] „Travels in South Africa”, 1824, vol. II, blz. 315.
[407] Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, blz. 64. De heer Blyth („Land and Water”, 1869, blz. 42) zegt, van het zwijnshert van Ceylon sprekende, dat het helderder witte vlekken heeft dan het gewone zwijnshert, in het jaargetijde waarin het nieuwe horens krijgt.
[408] Falconer en Cautley, „Proc. Geolog. Soc.”, 1843; en Falconer’s „Pal. Memoirs”, vol. I, blz 296.
[409] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.
[410] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. vert., Deel I, blz. 68–72.
[411] „Proc. Zool. Soc.”, 1862, blz. 164. Zie ook Dr. Hartmann, „Ann. d. Landw.” Bd. XLIII, blz. 222.
[412] Ik nam dit feit waar in den Londenschen dierentuin; en talrijke voorbeelden er van kan men zien op de gekleurde platen in Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome II, 1824.
[413] Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 310.
[414] Ik heb de meeste der bovengenoemde apen in den Londenschen dierentuin gezien. De beschrijving van den Semnopithecus nemaeus is ontleend aan den heer W. C. Martin, in zijn „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 460; zie ook blz. 475, 523.
[415] De hier bedoelde soort is Mephitis Chinga
[416] Dit is onjuist. Het vocht wordt door bijzondere klieren van aanmerkelijke grootte afgescheiden, die zich in den mastdarm openen en door een bijzondere spier kunnen worden samengetrokken.
[417] In de geologische opeenvolging vertoonen zich de Pachydermata vroeger dan de Ruminantia met welke zij door de Anoplotheroiden zijn verbonden. De stamouders der Ruminantia waren naar alle waarschijnlijkheid fossiele Pachydermata. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, „De Paleontologische Geschiedenis der Hoefdieren”, in „Alb. d. Nat”, 1881, blz. 197, 244, en voor het genetisch verband tusschen levende en uitgestorven zoogdieren in het algemeen, vooral ook Prof. O. Smidt, „Die Säugethiere in ihrem Verhältnisse zur Vorwelt”, Leipzig, Brockhaus, 1884 („Internat. wiss. Bibl.”, Bd. LXV).
[418] „Humboldt”, Jahrg. 1885 en 1886. Düsing, „Humboldt”, Nov. 1887 en Sept. 1888, Eimer, „Untersuchungen über das Variiren der Mauereidechse”, Berlin, 1881, Düsing, „Über die Färbung der Thiere”, „Kosmos”, 1886, Bd. II, blz. 382. In „Humboldt”, Oct. 1887, toont Eimer aan, dat ook Kerschner’s onderzoekingen omtrent het vederkleed der vogels zijn stelling bevestigen.
[419] Schaaffhausen, vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 419, 420, 427.
[420] „The Heart of Africa”, Eng. vert., 1873, vol. I, blz. 544.
[421] Ecker, vertaling in „Anthropolog. Review”, Oct. 1868, blz. 351–356. De vergelijking van den schedelvorm van den man met dien van de vrouw is door Welcker met veel zorg uitgewerkt.
[422] Ecker en Welcker, ibid., blz. 352, 355; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vertaling, blz. 81.
[423] Schaaffhausen, „Anthropolog. Review”, ibid., blz. 429.
[424] Pruner-Bey, omtrent negerkinderen, aangehaald door Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., 1864, blz. 189; voor verdere feiten omtrent negerkinderen, aangehaald, van Winterbottom en Camper, zie Lawrence, „Lectures on Physiology” enz., 1862, blz. 451. Omtrent de kinderen der Guarani’s, zie Rengger, „Säugethiere” enz., blz. 3. Omtrent de Australiërs, Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. vert., 1863, blz. 99
[425] Rengger, „Säugethiere” enz., 1830, blz. 49.
[426] Zooals bij Macacus cynomolgus (Desmarest, „Mammalogie”, blz. 65) en bij Hylobates agilis (Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I, blz. 2).
[427] „Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 253.
[428] De heer Blyth meldt mij, dat hij nooit meer dan één voorbeeld heeft gezien, dat de baard, bakkebaarden enz. bij een aap in den ouderdom grijs werden, zooals bij ons zoo algemeen het geval is. Dit gebeurde echter bij een ouden en gevangen gehouden Macacus cynomolgus wiens knevels „opmerkelijk lang en menschelijk” waren. Over het geheel geleek deze aap op lachwekkende wijze op een van de regeerende vorsten van Europa, naar wien hij algemeen werd genoemd. Bij sommige menschenrassen wordt het hoofdhaar nauwelijks ooit grijs; zoo heeft de heer D. Forbes, naar hij mij meldt, daarvan nooit een voorbeeld gezien bij de Aymara’s en Quichua’s van Zuid-Amerika.
[429] Dit is het geval met de wijfjes van onderscheidene soorten van Gibbons (Hylobates), zie Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist Nat. des Mamm.”, tome I. Zie ook omtrent H. Lar, „Penny Encyclopedia”, vol. II, blz. 149, 150.
[430] De resultaten werden door Dr. Weisbach afgeleid uit de door Dr. Scherzer en Dr. Schwarz gedane metingen, zie „Reise der Novara: Anthropolog. Theil”, 1867, blz. 216, 231, 234, 236, 239, 269.
[431] „Voyage to St. Kilda” (3rd. edit, 1753), blz. 27.
[432] Sir J. E. Tennent, „Ceylon”, vol. II, 1859, blz. 107.
[433] Quatrefages, „Revue des Cours Scientifiques”, 29 Aug. 1868, blz. 630; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., blz. 127.
[434] Over de baarden van de negers, Vogt, „Lectures” enz., ibid., blz. 127; Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. vert., 1863, vol. I, blz. 96. Het is opmerkelijk, dat in de Vereenigde Staten („Investigations in Military and Anthropological Statistics of American Soldiers”, 1869, blz. 569), de zuivere negers en hun gekruist kroost bijna even harige lichamen schijnen te hebben als die van Europeanen.
[435] Wallace, „The Malay Arch.”, vol. II, 1869, blz. 178.
[436] Dr. J. Barnard Davis over Oceanische rassen, in „Anthropolog. Review”, April, 1870, blz. 185, 191.
[437] Catlin, „North American Indians”, 3rd. edit., 1842, vol. II, blz. 227. Over de Guarani’s, zie Azara, „Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome II, 1809, blz. 58; ook Rengger, „Säugethiere von Paraguay”, blz. 3.
[438] Prof. en Mevrouw Agassiz („Journey in Brazil”, blz. 530) merken op, dat de seksen van de Amerikaansche Indianen minder verschillen dan die van de negers en van de hoogere rassen. Zie ook Rengger, ibid., blz. 3, over de Guarani’s.
[439] Rütimeyer, „Die Grenzen der Thierwelt; eine Betrachtung zu Darwin’s Lehre”, 1868, blz. 54.
[440] „A Journey from Prince of Wales Fort”, 8vo. ed., Dublin, 1796, blz. 104. Sir J. Lubbock („Origin of Civilisation”, 1870, blz. 69) deelt andere soortgelijke gevallen in Noord-Amerika mede. Omtrent de Guana’s van Zuid-Amerika, zie Azara, „Voyages”, enz. tome II, blz. 94.
[441] Over het vechten der mannelijke gorilla’s, zie Dr. Savage in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1847, blz. 423. Omtrent Presbytis entellus, zie het „Indian Field”, 1859, blz. 146.
[442] J. Stuart Mill merkt op („The Subjection of Women”, 1869, blz. 122): „De dingen waarin de man de vrouw het meest overtreft, zijn die welke het meeste hoofdbreken en lang hameren op enkele gedachten vereischen.” Wat is dit anders dan geestkracht en volharding?
[443] Een opmerking van Vogt heeft op dit onderwerp betrekking; hij zegt: „het is een opmerkelijk feit, dat het verschil tusschen de seksen, met betrekking tot de schedelholte, toeneemt met de ontwikkeling van het ras, zoodat de mannelijke Europeeër de vrouwelijke daarin veel meer overtreft dan de negerin. Welcker heeft deze stelling van Huschke door zijn metingen van negerschedels en Duitsche schedels bevestigd.” Vogt geeft echter toe („Lectures on Man”, Eng. vert., 1864, blz. 81), dat er meer waarnemingen omtrent dit punt worden vereischt.
[444] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 603.
[445] „Journal of the Anthropolog. Soc.”, 1869, blz. LVII, LXVI.
[446] Dr. Scudder, „Notes on Stridulation”, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XI, April 1868.
[447] Medegedeeld in W. C. L. Martin’s „General Introduc. to Nat. Hist. of Mamm. Animals”, 1841, blz. 432; Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 600.
[448] Helmholtz, „Théorie Phys. de la Musique”, 1868, blz. 187.
[449] De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc”, 1868, blz. 410.
[450] „Journal of Anthropolog. Soc.” Oct. 1870, blz. CLV. Zie ook de verschillende latere hoofdstukken in Sir Lubbock’s „Prehistoric Times”, die een uitnemende beschrijving van de gewoonten van wilden bevatten.
[451] Sedert dit hoofdstuk is afgedrukt, heb ik een hoogst belangrijk artikel gelezen van den heer Chauncey Wright („North Amer. Review”, Oct. 1870, blz. 293), die bij de bespreking van bovenstaand onderwerp opmerkt: „Er zijn vele gevolgen der laatste wetten of overeenstemmingen der natuur, door welke de verkrijging van een nuttig vermogen vele daaruit voortvloeiende voordeelen en ook beperkende nadeelen, zoowel feitelijk als mogelijk, met zich zal brengen, welke het nuttigheidsbeginsel niet in den kring zijner werking kan hebben begrepen.” Dit beginsel heeft een belangrijke strekking, gelijk ik in het tweede hoofdstuk van dit werk, over de verkrijging door den mensch van sommige zijner geestelijke kenmerken, heb trachten aan te toonen.
[452] Zie de zeer belangwekkende bespreking van den Oorsprong en de de Werking der Muziek, door den heer Herbert Spencer in zijn verzameling van „Essays”, 1858, blz. 359. De heer Spencer komt tot een juist tegenovergesteld besluit als waartoe ik ben gekomen. Hij besluit, dat de maten die in een aandoenlijke rede („emotional speech”) worden gebruikt, den grondslag uitmaken, waaruit zich de muziek heeft ontwikkeld; terwijl ik besluit, dat muzikale tonen en rhythmus het eerst door de mannelijke of vrouwelijke voorouders van den mensch werden verkregen om daardoor de tegenovergestelde sekse te bekoren. Zoo werden muzikale tonen vast verbonden met eenige van de sterkste hartstochten welke een dier in staat is te gevoelen en worden bij gevolg instinktmatig of door verbinding van denkbeelden („association”) gebruikt, wanneer sterke gemoedsaandoeningen in woorden worden uitgedrukt. De heer Spencer geeft volstrekt geen voldoende verklaring, en ook ik kan dit niet, waarom hooge of diepe tonen, zoowel bij den mensch als bij de lagere dieren, worden gebruikt om zekere gemoedsaandoeningen uit te drukken. De heer Spencer geeft ook een belangwekkende beschouwing over de betrekkingen tusschen dichtkunst, voordracht en zang.
[453] Rengger, „Säugethiere von Paraguay”, blz. 49.
[454] Ik vind in Lord Monboddo’s „Origin of Language”, vol. I (1774), blz. 469, dat Dr. Blacklock eveneens dacht: „dat de eerste taal onder de menschen muziek was, en dat, vóór onze denkbeelden werden uitgedrukt door gearticuleerde klanken, zij werden medegedeeld door tonen, verschillende al naar de onderscheidene graden van hoogte en laagte.”
[455] Zie een belangrijke beschouwing over dit onderwerp in Häckel, „Generelle Morph.”, Bd. II, 1856, blz. 246.
[456] Een uitvoerige en uitnemende beschrijving van de wijze waarop wilden uit alle deelen der wereld zich versieren, heeft de Italiaansche reiziger Prof. Mantegazza gegeven in „Rio de la Plata, Viaggi e Studi”, 1867, blz. 525–555; al de volgende opgaven zijn, wanneer geen andere werken worden aangehaald, aan dit geschrift ontleend. Zie ook Waitz, „Introduct. to Anthropolog.”, Eng. vert., vol. I, 1863, blz. 275 et passim. Lawrence geeft ook zeer uitvoerige bijzonderheden in zijn „Lectures on Physiology”, 1822. Sinds dit hoofdstuk was geschreven, heeft Sir J. Lubbock zijn „Origin of Civilisation”, 1870, uitgegeven, waarin een belangwekkend hoofdstuk over dit onderwerp voorkomt, en waaraan ik (blz. 42, 48) eenige feiten heb ontleend omtrent het verven van tanden en haren en het doorboren der tanden bij wilden.
[457] Humboldt, „Personal Narrative”, Eng. vertaling, vol. IV, blz. 515; over de verbeeldingskracht die uit het beschilderen van het lichaam blijkt, blz. 522; over het wijzigen van den vorm van de kuit van het been, blz. 466.
[458] „The Nile Tributaries”, 1867; „The Albert Nyanza”, 1866, vol. I, blz. 218.
[459] Medegedeeld door Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, 4th. edit., vol. I, 1851, blz. 351.
[460] Omtrent de Papoea’s, Wallace, „The Malay Archipelago”, vol. II, blz. 445. Over het kapsel der Afrikanen, Sir S. Baker, „The Albert Nyanza”, vol. I, blz. 210.
[461] „Travels”, blz. 533.
[462] „The Albert Nyanza”, 1866, vol. I, blz. 217.
[463] Livingstone, „British Association”, 1860; verslag gegeven in het „Athenaeum”, 7 Juli 1860, blz. 29.
[464] Sir S. Baker (ibid., vol. I, blz. 210) zegt, van de inboorlingen van Centraal-Afrika sprekende: „elke stam heeft een verschillende en onveranderlijke wijze om zich het haar op te maken.” Zie Agassiz („Journey in Brazil”, 1868, blz. 318) over de onveranderlijkheid van de tatoeëering bij de Indianen van het Amazonengebied.
[465] De weleerw. heer R. Taylor, „New Zealand and its Inhabitants” 1855, blz. 152.
[466] Mantegazza, „Viaggi e Studi”, blz. 542.
[467] „Travels in South Africa”, 1824, vol. I, blz. 414.
[468] Zie omtrent de aanhalingen Gerland, „Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868, blz. 51, 53, 55; ook Azara, „Voyages” enz., tome II, blz. 116.
[469] Over de voortbrengselen van het plantenrijk, die door de Noordwestelijke Amerikaansche Indianen worden gebruikt, „Pharmaceutical Journal”, vol. X.
[470] „A Journey from Prince of Wales Fort”, 8vo edit. 1796, blz. 89.
[471] Aangehaald door Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, 3rd. edit., vol. IV, 1844, blz. 519; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., blz. 129. Omtrent het oordeel der Chineezen over de Singaleezen, E. Tennent, „Ceylon”, vol. II, 1859, blz. 107.
[472] Prichard volgens de opgaven van Crawfurd en Finlayson, „Phys. Hist. of Mankind”, vol. IV, blz. 534, 535.
[473] „Idem illustrissimus viator dixit mihi praecinctorium vel tabula foeminae, quod nobis teterrimum est, quondam permagno aestimari ab hominibus in hac gente. Nunc res mutata est, et censent talem conformationem minime optandam esse.”
[474] „The Anthropological Review”, Nov. 1864, blz. 237. Voor verdere aanhalingen, zie Waitz, „Introduction to Anthropology”, Eng. vert., 1863, vol. I, blz. 105.
[475] „Mungo Park’s Travels in Africa”, 4to, 1816, blz. 53, 131. Burton’s mededeeling wordt door Schaaffhausen aangehaald, „Archiv für Anthropologie”, 1866, blz. 163. Omtrent de Banyai, Livingstone, „Travels”, blz. 64. Omtrent de Kaffers, de weleerw. heer J. Shooter, „The Kafirs of Natal and the Zulu Country”, 1857, blz. 1.
[476] Omtrent de Javanen en Cochin-Chineezen, zie Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. vert., vol. I, blz. 305. Omtrent de Yura-Cara’s A. d’Orbigny, aangehaald bij Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, vol. V, 3rd. edit., blz. 476.
[477] „North American Indians”, door G. Catlin, 3rd. edit., 1842, vol. I, blz. 49; vol. II, blz. 227. Omtrent de inboorlingen van Vancouver’s Eiland, zie Sproat, „Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25. Omtrent de Indianen van Paraguay, Azara, „Voyages”, tome II, blz. 105.
[478] Omtrent de Siameezen, Prichard, ibid., vol. IV, blz. 533. Omtrent de Japanneezen, Veitch in „Gardener’s Chronicle”, 1860, blz. 1104. Omtrent de Nieuw-Zeelanders, Mantegazza, „Viaggi e Studi”, 1867, blz. 526. Omtrent de overige vermelde volken, zie aanhalingen in Lawrence. „Lectures on Physiology” enz., 1822, blz. 272.
[479] Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 321.
[480] Dr. Barnard Davis haalt Dr. Prichard en anderen wegens deze op de Polynesiërs betrekking hebbende feiten aan in „Anthropological Review”, April 1870, blz. 185, 191.
[481] Ch. Comte maakt opmerkingen in dezen zin in zijn „Traité de Législation”, 3rd. edit., 1837, blz. 136.
[482] De Vuurlanders beschouwen, gelijk mij een zendeling heeft medegedeeld, die lang onder hen heeft geleefd, Europeesche vrouwen als uiterst schoon: maar op grond van hetgeen wij hebben gezien omtrent het oordeel van de andere inboorlingen van Amerika, kan ik niet anders denken dan dat dit een vergissing moet zijn, tenzij evenwel deze getuigenis betrekking heeft op de weinige Vuurlanders die eenigen tijd onder Europeanen hebben geleefd en ons als hoogere wezens moeten beschouwen. Ik wil hierbij voegen, dat een hoogst ervaren waarnemer, Kapitein Burton, gelooft, dat een vrouw die wij als schoon beschouwen, door de geheele wereld heên wordt bewonderd, „Anthropological Review”, Maart 1864, blz. 245.
[483] „Personal Narrative”, Eng. vert., vol. IV, blz. 518, en elders. Mantegazza wijst in zijn „Viaggi e Studi”, 1867, met aandrang op dit zelfde beginsel.
[484] Omtrent de schedels der Amerikaansche stammen, zie Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, 1854, blz. 440; Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, vol. I, 3rd. edit., blz. 321; omtrent de inboorlingen van Arakhan, ibid., vol. IV, blz. 537. Wilson, „Physical Ethnology”, Smithsonian Institution, 1863, blz. 288; omtrent de Fidsji-eilanders, blz. 290. Sir J. Lubbock, („Prehistoric Times”, 2nd. edit, 1869, blz. 506) geeft een uitvoerig resumé over dit onderwerp.
[485] Omtrent de Hunnen, Godron, „De l’Espèce”, tome II, 1859, blz. 300. Omtrent de bewoners van Otaheite, Waitz, „Anthropolog.”, Eng. vert., vol. I, blz. 305. Marsden, aangehaald door Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, 3rd. edit., vol. V, blz. 67. Lawrence, „Lectures on Physiology”, blz. 337.
[486] Dit feit werd op de reis der Novara bewezen: „Reise der Novara; Anthropolog. Theil”, Dr. Weisbach, 1867, blz. 265.
[487] „Smithsonian Institution”, 1863, blz. 289. Over de modes der Arabische vrouwen, Sir S. Baker, „The Nile Tributaries”, 1867, blz. 121.
[488] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel I, blz. 236; deel II, blz. 210.
[489] Schaaffhausen, „Archiv für Anthropologie”, 1866, blz. 164.
[490] De heer Bain („Mental and Moral Science”, 1868, blz. 304–314) heeft omtrent een dozijn min of meer verschillende theorieën van het denkbeeld van schoonheid gegeven; maar geen daarvan stemt volkomen met de hier gegevene overeen.