Part 27
De ontwikkeling van den baard en de behaardheid van het lichaam verschillen aanmerkelijk bij de menschen die tot verschillende rassen behooren, en zelfs bij de verschillende families in één en het zelfde ras. Wij, Europeanen, zien dat onder ons zelven. Op het eiland St. Kilda krijgen, volgens Martin [431], de mannen geen baarden die daarenboven zeer dun zijn, voor zij dertig jaar of nog ouder zijn. Op het Europeesch-Aziatische vasteland heerschen baarden, tot wij aan gene zijde van Indië komen, hoewel zij bij de inboorlingen van Ceylon dikwijls ontbreken, zooals in oude tijden door Diodorus werd opgeteekend. [432] Aan gene zijde van Indië verdwijnen de baarden, zooals bij de Siameezen, Maleiers, Kalmukken, Chineezen en Japanneezen; desniettemin zijn de Aino’s [433] die de noordelijkste eilanden van den Japanschen archipel bewonen, de harigste menschen van de wereld. Bij de negers is de baard schraal of hij ontbreekt, en zij hebben bijna geen bakkebaarden; bij beide seksen ontbreekt het fijne wolhaar op het lichaam bijna geheel. [434] De Papoea’s van Insulinde, die bijna zoo zwart als negers zijn, bezitten daarentegen goed ontwikkelde baarden. [435] In den Stillen Oceaan hebben de bewoners van den Fidsji-archipel groote ruige baarden, terwijl die van de niet ver van daar gelegen archipels van Tonga en Samoa baardeloos zijn; maar deze menschen behooren tot verschillende rassen. In de Ellice-groep behooren al de inwoners tot het zelfde ras, en toch hebben alleen op één eiland, namelijk Nunemaya, „de mannen prachtige baarden”, terwijl zij op de andere eilanden in plaats van een baard slechts een dozijn alleenstaande haartjes hebben. [436]
Door het groote Amerikaansche vasteland heên kan men zeggen, dat de mannen baardeloos zijn; doch bij bijna al de stammen gebeurt het wel eens, dat eenige weinige korte haren op het gelaat verschijnen, vooral gedurende den ouderdom. Bij de stammen van Noord-Amerika schat Catlin, dat aan achttien van elke twintig mannen door de natuur geen baard is geschonken; maar nu en dan kan men wel eens een man aantreffen, die in zijn jongelingsjaren heeft verzuimd de haren uit te trekken, en die een zachten baard van een centimeter of vijf lang bezit. De Guarani’s van Paraguay verschillen van alle omringende stammen, doordat zij een kleinen baard hebben, en zelfs eenig haar op het lichaam, doch geen bakkebaarden. [437] De heer D. Forbes die bijzonder op deze zaak acht heeft geslagen, deelde mij mede, dat de Aymara’s en Quichua’s van de Cordilleras opmerkelijk arm aan haar zijn, en toch verschijnen in den ouderdom nu en dan eenige alleenstaande haren op de kin. De mannen van deze beide stammen hebben zeer weinig haar op de onderscheidene deelen van het lichaam, waarop bij de Europeanen overvloedig haar groeit, en de vrouwen hebben op de overeenkomstige deelen in het geheel geen haar. Het hoofdhaar bereikt echter bij beide seksen een ongewone lengte, daar het dikwijls tot op den grond reikt, en dit is eveneens het geval bij sommige der Noord-Amerikaansche stammen. In de hoeveelheid haar en in den algemeenen vorm van het lichaam verschillen de seksen bij de oorspronkelijke bewoners van Amerika niet zooveel van elkander, als bij de meeste andere menschenrassen het geval is. [438] Dit feit komt overeen met hetgeen bij sommige verwante apen het geval is; zoo verschillen de seksen van den chimpanzee niet zooveel van elkander als die van den gorilla of orang. [439]
In de vorige hoofdstukken hebben wij gezien, dat bij de Zoogdieren, Vogels, Visschen, Insekten enz. vele kenmerken welke men alle reden heeft om te gelooven, dat oorspronkelijk door seksueele teeltkeus alleen door ééne sekse werden verkregen, op beide seksen zijn overgebracht. Daar deze zelfde vorm van overplanting bij den mensch in ruime mate de overhand schijnt te hebben behouden, zullen wij veel nuttelooze herhalingen vermijden, indien wij de aan mannelijke seksen bijzonder eigen kenmerken tegelijk met zekere andere aan beide seksen gemeene kenmerken beschouwen.
Gevechten.—Bij barbaarsche volken, bij voorbeeld bij de Australiërs, zijn de vrouwen voortdurend de oorzaak van oorlog, zoowel tusschen de individu’s van éénen en den zelfden stam als tusschen verschillende stammen. Evenzoo was het ongetwijfeld in oude tijden; „nam fuit ante Helenam mulier teterrima belli causa.” Bij de Noord-Amerikaansche Indianen is de strijd tot een systeem herleid. Hearne [440], die uitnemende waarnemer, zegt:—„Bij die volken is het altijd het gebruik geweest, dat de mannen worstelen om elke vrouw waaraan zij zijn gehecht; en de sterkste partij gaat, gelijk van zelf spreekt, altijd met den prijs weg. Aan een zwak man, tenzij hij een goed jager en zeer bemind is, wordt zelden veroorloofd een vrouw te houden, welke een sterker man zijn opmerkzaamheid waardig keurt. Deze gewoonte heerscht bij alle stammen en veroorzaakt een grooten geest van wedijver onder hun jonge lieden die bij alle gelegenheden, van kindsbeen af, hun kracht en bekwaamheid in het worstelen beproeven.” Bij de Guana’s van Zuid-Amerika getuigt Azara, dat de mannen zelden huwen, voor zij twintig en meer jaren oud zijn, daar zij vóór dien leeftijd hun medeminnaars niet kunnen overwinnen.
Andere soortgelijke feiten zouden kunnen worden medegedeeld; maar zelfs indien wij daaromtrent geen bewijzen hadden, zouden wij volgens de analogie met de hoogere Vierhandigen (Quadrumana) [441] bijna met zekerheid mogen aannemen, dat de wet van den strijd bij den mensch gedurende de vroegere trappen zijner ontwikkeling heeft geheerscht. Het nog heden ten dage nu en dan voorkomen van hoektanden die boven de andere uitsteken, met sporen van een diastema of open ruimte tot opneming van de tegenovergestelde hoektanden, is volgens alle waarschijnlijkheid een geval van atavisme, van terugkeer tot een vroegeren toestand waarin de voorvaders van den mensch van deze wapenen waren voorzien, evenals de mannetjes van zoovele nog levende Vierhandigen (Quadrumana). In een vorig hoofdstuk wordt opgemerkt, dat toen de mensch allengs den opgerichten stand aannam en zijn handen en armen voortdurend gebruikte om met stokken en steenen te vechten, zoowel als voor de andere doeleinden van het leven, hij zijn kaken en tanden hoe langer hoe minder zal hebben gebruikt. De kaken zullen toen, tegelijk met haar spieren, door onbruik zijn verkleind, evenals het ook met de tanden door de nog niet goed begrepen beginselen van correlatie en besparing van groei zal zijn gegaan; want wij zien overal, dat deelen die niet langer van dienst zijn, in grootte afnemen. Door dergelijke stappen zal de oorspronkelijke ongelijkheid tusschen de kaken en tanden bij de beide seksen van den mensch ten laatste volkomen zijn uitgewischt. Het geval is bijna evenwijdig met dat van vele mannelijke Herkauwende Dieren (Ruminantia) bij welke de hoektanden tot bloote rudimenten zijn verkleind of verdwenen, naar het schijnt ten gevolge van de ontwikkeling van horens. Daar het verbazende verschil tusschen de schedels van de beide seksen bij den Gorilla en Orang in nauw verband staat met de ontwikkeling van ontzaglijke hoektanden hij de mannetjes, mogen wij het besluit trekken, dat de verkleining van de kaken en tanden bij de vroege mannelijke voorouders van den mensch tot een zeer in het oog loopende en gunstige verandering in zijn uiterlijk leidde.
Er kan weinig twijfel zijn, dat de meerdere lichaamsgrootte en kracht van den man in vergelijking met de vrouw, en evenzoo zijn breedere schouders, meer ontwikkelde spieren, hoekiger lichaamsvorm, grootere moed en strijdlustigheid, allen voornamelijk zijn geërfd van den eenen of anderen vroegen voorvader welke, gelijk de bestaande anthropomorphe apen, deze kenmerken bezat. Deze kenmerken zullen echter behouden zijn gebleven of zelfs vermeerderd gedurende de lange eeuwen die de mensch nog in barbaarschen toestand doorbracht, doordat de sterkste en stoutmoedigste mannen het best slaagden in den algemeenen strijd om het leven, en ook in het bemachtigen van vrouwen en daardoor een groot aantal nakomelingen nalieten. Het is niet waarschijnlijk, dat de grootere kracht van den man oorspronkelijk werd verkregen door de overgeërfde gevolgen van zijn zwaarder werken dan de vrouw voor zijn eigen onderhoud en dat van zijn huisgezin (3); want bij alle barbaarsche volken zijn de vrouwen gedwongen om op zijn minst even zwaar te werken als de mannen. Bij beschaafde volken heeft de beslissing van het bezit der vrouwen door een gevecht sinds lang opgehouden; daarentegen moeten bij hen de mannen in den regel zwaarder werken dan de vrouwen voor hun gemeenschappelijk onderhoud; en op die wijze zal hun grooter kracht behouden zijn gebleven.
Verschil in Geestvermogens van de beide Seksen.—Wat verschillen van dezen aard tusschen man en vrouw aangaat, is het waarschijnlijk, dat de seksueele teeltkeus een zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Ik weet zeer goed, dat sommige schrijvers betwijfelen of er eenig dergelijk hun van nature aanklevend verschil bestaat; maar dit is minst genomen waarschijnlijk wegens de analogie der lagere dieren die andere secundaire seksueele kenmerken vertoonen. Niemand zal tegenspreken, dat de stier in aard van de koe, het mannelijke wilde zwijn van de zeug, de hengst van de merrie, en, gelijk aan de bezitters van menagerieën welbekend is, de mannetjes van de grootere aapsoorten van de wijfjes verschillen. De vrouw schijnt van den man te verschillen in verstandelijken aanleg, en vooral ook door haar grootere teederheid en geringer zelfzucht; en dit geval gaat zelfs bij wilden door, gelijk uit een welbekende plaats uit Mungo Park’s reizen en uit mededeelingen, door vele andere reizigers gedaan, blijkt. Ten gevolge van haar moederlijke instinkten spreiden vrouwen deze hoedanigheden in buitengewone mate jegens haar kinderen ten toon; daarom is het waarschijnlijk, dat zij die dikwijls tot haar medeschepselen zullen uitbreiden. De man is de mededinger van andere mannen; hij schept behagen in het wedijveren en dit leidt tot eerzucht die maar al te gemakkelijk in zelfzucht overgaat. Deze laatste hoedanigheden schijnen zijn natuurlijk en rampzalig geboorterecht te zijn. Men neemt algemeen aan, dat bij de vrouw de vermogens van rechtstreeksche erkenning (intuïtie), van snelle opmerking, en wellicht van navolging sterker zijn uitgedrukt dan bij den man; maar op zijn minst sommige van deze vermogens zijn kenmerkend voor de lagere rassen, en derhalve voor een vervlogen en lageren trap van beschaving.
Het hoofdonderscheid in de verstandelijke vermogens der beide seksen blijkt hieruit, dat de man, in al wat hij aangrijpt, een hoogeren graad van voortreffelijkheid bereikt dan de vrouw kan bereiken,—hetzij zulks diepe gedachte, rede of verbeeldingskracht, of wel alleen het gebruik van zinnen en handen vereischt. Indien er twee lijsten werden gemaakt van de mannen en de vrouwen die het meest hebben uitgeblonken in dichtkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst, muziek—met inbegrip van compositie en uitvoering—, geschiedenis, wetenschap en wijsbegeerte, met een half dozijn namen onder elk vak, dan zouden die beide lijsten niet met elkander te vergelijken wezen. Wij mogen derhalve uit de wet van de afwijking van het gemiddelde die de heer Galton in zijn werk „Hereditary Genius” zoo uitnemend heeft uiteengezet, afleiden, dat indien de mannen in staat zijn in vele onderwerpen beslist uit te munten, de gemiddelde maatstaf van het verstandelijk vermogen bij den man hooger moet staan dan bij de vrouw. (3)
De half-menschelijke mannelijke voorouders van den mensch en de menschen in wilden staat hebben gedurende vele geslachten om het bezit der vrouwen gestreden. Eenvoudige lichamelijke kracht en groote gestalte zouden echter slechts weinig tot de zegepraal bijdragen, wanneer zij niet waren verbonden met moed, volharding en onverschrokken geestkracht. Bij sociale dieren moeten de jonge mannetjes menigen strijd doorstaan, voor zij een wijfje winnen en de oude mannetjes kunnen hun wijfjes alleen door hernieuwde gevechten behouden. Zij moeten ook, in het geval van den mensch, hun wijfjes en ook hun jongen tegen allerlei soort van vijanden verdedigen en voor hun gemeenschappelijk onderhoud op de jacht gaan. Om echter vijanden te vermijden of hen met goed gevolg aan te vallen, om wilde dieren te vangen en wapenen uit te vinden en te fatsoeneeren, wordt de hulp van hoogere geestvermogens, namelijk waarnemingsvermogen, rede, uitvindingsvermogen of verbeeldingskracht vereischt. Deze onderscheidene vermogens zullen dus voortdurend op de proef zijn gesteld en gedurende den manbaren leeftijd voor de voortteling uitgekozen; zij zullen daarenboven gedurende dit zelfde levenstijdperk door het gebruik zijn versterkt. Derhalve mochten wij, in overeenstemming met het meermalen aangehaalde beginsel, verwachten, dat zij minst genomen een neiging zouden bezitten om hoofdzakelijk op de mannelijke sekse op den overeenkomstigen mannelijken leeftijd te worden overgeplant.
Wanneer nu twee mannen, of een man en een vrouw, die alle geestvermogens in gelijke volkomenheid bezitten, met uitzondering dat de eene grooter geestkracht, volharding en moed heeft, met elkander in wedstrijd komen, zal over het algemeen die eene de uitnemendste blijken te zijn en de zegepraal behalen, wat ook het onderwerp van den wedstrijd moge zijn. [442] Hij mag worden gezegd genie te bezitten: want een groote autoriteit heeft verklaard, dat genie geduld is, en geduld, in dezen zin, beteekent onversaagde, onbezweken volharding. Dit begrip van genie is echter wellicht onvolledig; want zonder de hoogere vermogens van verbeeldingskracht en rede kan men in vele zaken niet op uitnemende wijze slagen. Deze laatste vermogens zullen zich echter even goed als de vorige bij den man hebben ontwikkeld, gedeeltelijk door de seksueele teeltkeus,—dat is, door den wedstrijd van de mannetjes die elkanders medeminnaars waren, en gedeeltelijk door natuurlijke teeltkeus,—dat is, door voorspoed in den algemeenen strijd om het leven; en daar in beide gevallen de strijd gedurende den volwassen leeftijd plaats zal hebben gehad, zullen de daardoor verkregen kenmerken meer volkomen op de mannelijke dan op de vrouwelijke nakomelingschap zijn overgeplant. Het komt met de meening, dat sommige onzer vermogens door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd of versterkt, overeen, ten eerste, dat zij, gelijk algemeen wordt aangenomen, tegen den tijd waarop men manbaar wordt, een aanmerkelijke verandering ondergaan, en, ten tweede, dat gesnedenen gedurende hun geheele leven in die zelfde hoedanigheden lager ontwikkeld blijven. Zoo is ten laatste de man verstandelijk de meerdere van de vrouw geworden. Het is inderdaad gelukkig, dat de wet van gelijke overplanting van kenmerken op beide seksen over het geheel door de geheele Klasse der Zoogdieren heên de overhand heeft behouden; want het is waarschijnlijk, dat anders de man in geestelijke begaafdheid evenveel uitnemender zou zijn geworden dan de vrouw, als de pauw in sierlijkheid van gevederte uitnemender is geworden dan de pauwin.
Men moet steeds bedenken, dat de neiging van door een van beide seksen in een laat levenstijdperk verkregen kenmerken om op de zelfde sekse op den zelfden leeftijd te worden overgeplant, en van op vroegen leeftijd verkregen kenmerken om op beide seksen te worden overgeplant, regels zijn, die, hoewel over het algemeen wel, toch niet altijd steek houden. Gingen zij altijd door, dan zouden wij mogen besluiten (ik ga hier echter eenigszins buiten de grenzen die ik mij had gesteld), dat de overgeërfde gevolgen van de vroege opvoeding van jongens en meisjes gelijkelijk op beide seksen zouden worden overgeplant, zoodat de tegenwoordige ongelijkheid in geestvermogens tusschen de beide seksen niet door een gelijken gang van hun vroege opvoeding zou kunnen worden uitgewischt, en ook niet door hun ongelijke vroege opvoeding kan zijn veroorzaakt. Opdat de vrouw de zelfde hoogte als de man zou bereiken, zou zij, wanneer zij bijna volwassen was, tot geestkracht en volharding opgeleid, en zouden haar rede en verbeeldingskracht zoo sterk mogelijk moeten worden geoefend, en dan zou zij waarschijnlijk deze hoedanigheden voornamelijk op haar volwassen dochters overplanten. De vrouwen, als geheel beschouwd, zouden daardoor echter niet tot hooger ontwikkeling kunnen worden gebracht; tenzij gedurende vele generaties de vrouwen die in bovengenoemde krachtige deugden uitmuntten, huwden, en een grooter aantal kinderen voortbrachten, dan andere vrouwen. Gelijk vroeger ten opzichte van lichaamskracht werd opgemerkt, moeten de mannen, hoewel zij heden ten dage niet vechten om vrouwen te verkrijgen, en deze vorm van teeltkeus is voorbijgegaan, toch over het algemeen gedurende hun mannelijken leeftijd een heftigen strijd voeren om zich zelven en hun huisgezinnen te onderhouden; en dit zal een neiging doen ontstaan om hun geestvermogens, en bij gevolg de tegenwoordige ongelijkheid tusschen de seksen, op de zelfde hoogte te houden of zelfs te vergrooten. [443]
Stem en Muzikale Vermogens.—Bij sommige soorten van Vierhandigen (Quadrumana) is er op volwassen leeftijd een groot verschil tusschen de seksen in de kracht van haar stem en in de ontwikkeling der stemorganen; en de man schijnt dit verschil van zijn vroege stamouders te hebben geërfd. Zijn stembanden zijn ongeveer een derde langer dan bij de vrouw of bij jongens, en ontmanning brengt op hem de zelfde uitwerking voort als op de lagere dieren; want zij doet „dien sterken groei van het schildvormige kraakbeen enz. ophouden, die de verlenging der stembanden vergezelt.” [444] Met betrekking tot de oorzaak van dit verschil tusschen de seksen, heb ik niets te voegen bij de in het vorige hoofdstuk gemaakte opmerkingen omtrent de waarschijnlijke gevolgen van het lang voortgezet gebruik van de stemorganen door het mannetje onder den prikkel van liefde, woede en ijverzucht. Volgens Sir Duncan Gibb [445] verschilt de stem bij de verschillende menschenrassen; en bij de inboorlingen van Tartarije, China enz., verschilt de stem van den man, naar men zegt, niet zooveel van die der vrouw, als bij de meeste andere rassen.
Het vermogen om te zingen of muziek te maken en het behagen scheppen daarin, mag, hoewel het bij den mensch geen seksueel kenmerk is, hier niet stilzwijgend worden voorbijgegaan. Hoewel de door allerlei soort van dieren voortgebrachte geluiden tot vele doeleinden dienen, kan toch nadrukkelijk worden verzekerd, dat de stemorganen oorspronkelijk werden gebruikt en volkomener gemaakt in verband met de voortplanting van de soort. Insekten en eenige weinige Spinnen zijn de laagste dieren die eenig willekeurig geluid voortbrengen; en dit wordt over het algemeen bewerkstelligd met behulp van schoon gebouwde sjirporganen die dikwijls alleen tot de mannetjes zijn beperkt. De aldus voortgebrachte klanken bestaan, ik geloof in alle gevallen, uit den zelfden toon die rhythmisch wordt herhaald [446]; en dit is soms aangenaam zelfs voor de ooren van den mensch. Hun voornaamste en in sommige gevallen uitsluitend gebruik schijnt te zijn om de andere sekse te roepen of te bekoren.
De door Visschen voortgebrachte geluiden worden, naar men zegt, in sommige gevallen alleen door de mannetjes gedurende den paartijd gemaakt. Al de luchtademende Gewervelde Dieren bezitten noodzakelijk een toestel om lucht in te ademen en uit te blazen met een pijp die vatbaar is om aan het einde te worden gesloten. Als dus de oorspronkelijke leden van deze Klasse (4) sterk werden opgewekt en hun spieren hevig samengetrokken, zullen bijna zeker doellooze geluiden zijn voortgebracht; en deze zouden, als zij op eenige wijze nuttig bleken te zijn, gemakkelijk kunnen zijn gewijzigd of versterkt door het bewaard blijven van daartoe geschikte afwijkingen. De Amphibieën zijn de laagste luchtademende Gewervelde Dieren, en vele van deze dieren, namelijk kikvorschen en padden, bezitten stemorganen die gedurende den paartijd onophoudelijk worden gebruikt, en die dikwijls hooger ontwikkeld zijn bij het mannetje dan bij het wijfje. Alleen het mannetje van de Schildpad maakt een geluid en dit alleen gedurende het jaargetijde der liefde. Mannelijke Alligators brullen of loeien gedurende het zelfde jaargetijde. Iedereen weet, op hoe groote schaal Vogels hun stem gebruiken als een middel om het hof te maken; en sommige soorten voeren ook iets uit, dat instrumentale muziek zou mogen worden genoemd.
In de Klasse der Zoogdieren waarmede wij hier meer bijzonder hebben te maken, gebruiken de mannetjes van bijna alle soorten hun stemmen gedurende den paartijd veel meer dan op eenigen anderen tijd; en sommigen zijn volkomen stom behalve gedurende dien tijd van het jaar. Van andere soorten gebruiken beide seksen of alleen de wijfjes, haar stemmen als een liefderoepstem. Als men deze feiten overweegt en tevens in het oog houdt, dat de stemorganen van sommige viervoetige dieren bij het mannetje veel meer zijn ontwikkeld dan bij het wijfje, en wel hetzij bestendig of slechts tijdelijk gedurende den paartijd, en verder dat bij de meeste lagere Klassen de door het mannetje voortgebrachte tonen niet alleen dienen om het wijfje te roepen, maar ook om haar op te wekken of te lokken, is het een verwonderingwekkend feit, dat wij tot dusverre nog geen enkel goed bewijs hebben, dat deze organen door mannelijke Zoogdieren worden gebruikt om de wijfjes te bekoren. De Amerikaansche zwarte brulaap (Mycetes caraya) vormt misschien een uitzondering, gelijk waarschijnlijk ook een van die apen doet, welke nader bij den mensch komen, namelijk, de Hylobates agilis. Deze gibbon heeft een uiterst luide doch muzikale stem. De heer Waterhouse getuigt [447]: „Het scheen mij, dat bij het opklimmen en het afdalen van de toonladder de intervallen altijd nauwkeurig halve tonen waren; en ik ben zeker, dat de hoogste noot juist een octaaf hooger was dan de laagste. De hoedanigheid der tonen is zeer muzikaal; en ik twijfel niet, of een goed vioolspeler zou in staat zijn een nauwkeurig denkbeeld te geven van de compositie van den gibbon, behalve wat haar luidheid aangaat.” Daarna deelt de heer Waterhouse de noten mede. Professor Owen die eveneens een beoefenaar van de muziek is, bevestigt het voornoemde getuigenis, en voegt er bij, dat deze gibbon „het eenige der redelooze („brute”) zoogdieren is, dat gezegd kan worden te zingen.” (5) Hij schijnt na de uitvoering van zijn zang zeer opgewekt te zijn. Ongelukkig zijn zijn gewoonten in den natuurstaat nooit nauwkeurig waargenomen; maar wegens de analogie van bijna alle andere dieren is het in hooge mate waarschijnlijk, dat hij zijn muzikale tonen vooral gedurende het jaargetijde der liefde doet hooren.
De waarneming van muzikale maten en van den rhythmus, zooal niet het behagen daarin, schijnt aan alle dingen gemeen te zijn, en hangt ongetwijfeld van den gemeenschappelijken physiologischen aard van hun zenuwstelsels af. Zelfs Schaaldieren (Crustacea) die niet in staat zijn eenig willekeurig geluid te maken, bezitten zekere gehoorharen die men in trilling heeft zien geraken [448], als de juiste muzikale tonen werden aangeslagen [449]. Het is welbekend, dat sommige honden huilen, wanneer zij bijzondere tonen hooren. Robben schijnen muziek op prijs te stellen, en hun voorliefde daarvoor „was aan de ouden goed bekend, en wordt nog heden ten dage dikwijls door de jagers benuttigd.”[449] Bij al die dieren, namelijk Insekten, Amphibieën en Vogels, waarvan de mannetjes gedurende het jaargetijde der liefde muzikale tonen of eenvoudige rhythmische klanken voortbrengen, moeten wij aannemen, dat de wijfjes in staat zijn die naar waarde te schatten, en daardoor worden opgewekt of bekoord; anders zouden de onophoudelijke inspanning der mannetjes en de samengestelde organen die somtijds uitsluitend door hen worden bezeten, nutteloos zijn.
Bij den mensch neemt men algemeen aan, dat de zang de grondslag of oorsprong der instrumentale muziek is. Daar noch het behagen in muzikale tonen, noch het vermogen om ze voort te brengen voor den mensch van eenig direct nut zijn met betrekking tot zijn gewone levensverrichtingen, moeten zij worden gerangschikt onder de meest geheimzinnige vermogens waarmede hij is begiftigd. Zij bestaan, hoewel in een zeer ruwen en, naar het schijnt, bijna latenten toestand, bij menschen van alle rassen, zelfs de wildste; maar zoo verschillend is de smaak der verschillende rassen, dat onze muziek aan wilden niet het minste genoegen verschaft, en hun muziek voor ons afgrijselijk en zonder uitdrukking is. In eenige belangwekkende opmerkingen omtrent dit onderwerp [450] twijfelt Dr. Seemann, „of zelfs onder de volken van westelijk Europa, innig verbonden als zij zijn door nauw en veelvuldig verkeer, de muziek van het eene door het andere in den zelfden zin wordt opgevat. Als wij oostwaarts reizen, dan vinden wij, dat daar zeker een andere muzikale taal is. Vreugdezangen en dansmuziek zijn daar niet langer, gelijk bij ons, in de majeur-, maar altijd in de mineur-toonsoorten.” Hetzij de half-menschelijke voorouders van den mensch, evenals de bovenvermelde gibbon, het vermogen bezaten om muzikale tonen voort te brengen en ongetwijfeld ook op prijs te stellen, of niet, zoo hebben wij toch alle reden om te gelooven, dat de mensch deze vermogens in een zeer verwijderd tijdperk bezat, want zingen en muziek zijn uiterst oude kunsten. De dichtkunst die als de dochter van den zang mag worden beschouwd, is eveneens zoo oud, dat vele personen er zich over hebben verbaasd, dat zij gedurende de vroegste tijden waarvan wij eenig bericht hebben, zou zijn ontstaan.