Chapter 38 of 38 · 1477 words · ~7 min read

Part 38

[491] Hypochondria (regiones hypochondriacae) zijn de streken van den buik, een rechts en een links, die uitwendig met dat deel van het geraamte overeenkomen, dat door de voorste gedeelten der 6 valsche ribben en hun kraakbeenderen wordt gevormd. Tusschen de beide hypochondria ligt het zoogenaamde epigastrium dat zich van het onderste gedeelte van het zwaardvormig uitsteeksel van het borstbeen tot op twee vingerbreedten van den navel uitstrekt.

[492] Ofschoon de hier opgegeven verschillen niet allen tot de secundaire seksueele kenmerken kunnen worden gebracht, scheen het mij niet onbelangrijk ze mede te deelen. Mocht de beschrijving voor sommige lezers minder duidelijk zijn, zoo kan toch de bijvoeging niet schaden en zal wellicht de belangstelling van vele andere lezers opwekken.

[493] Ta-Mah beteekent Noordland; de bewoners van Ta-Mah zijn afgebeeld met blauwe oogen, blond haar en vleeschkleurig gelaat.

[494] „Schopenhauer and Darwinism.”, in „Journal of Anthropology”, Jan. 1871, blz. 323.

[495] Deze aanhalingen zijn ontleend aan Lawrence („Lectures on Physiology” enz., 1822, blz. 393) die de schoonheid der hoogere klassen in Engeland hieraan toeschrijft, dat zij gedurende langen tijd de schoonste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgekozen.

[496] „Anthropologie”, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct. 1868, blz. 721.

[497] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 220.

[498] Sir J. Lubbock, „The Origin of Civilisation”, 1870, chap. III, vooral blz. 60–67. De heer M’Lennan spreekt in zijn uiterst belangrijk werk over „Primitive Marriage”, 1865, blz. 163, van de vereeniging der beide seksen „in de vroegste tijden als los, voorbijgaand en in zekere mate algemeen.” De heer M’Lennan en Sir J. Lubbock hebben vele bewijzen bijeenverzameld van de uitermate groote losbandigheid der wilden in den tegenwoordigen tijd. De heer L. H. Morgan besluit in zijn belangwekkende verhandeling over het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap („Proc. American Acad. of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868, blz. 475), dat gedurende de oorspronkelijke tijden de veelwijverij (polygamie) en alle vormen van huwelijk wezenlijk onbekend waren. Uit Sir J. Lubbock’s werk blijkt ook, dat Bachofen insgelijks gelooft, dat oorspronkelijk de communale vermenging heeft geheerscht.

[499] „Address to British Association.” „On the Social and Religious Condition of the Lower Races of Man”, 1870, blz. 20.

[500] „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 86. In de onderscheidene boven aangehaalde werken zal men overvloedige getuigenissen vinden omtrent de verwantschap uitsluitend door de vrouwelijke linie of alleen met den stam.

[501] De heer C. Staniland Wake redeneert sterk („Anthropologia”, Maart 1874, blz. 197) tegen de meeningen van drie schrijvers omtrent het vroeger heerschen van bijna algemeene seksueele vermenging (promiscuïteit); en hij meent, dat het klassificatorische stelsel van bloedverwantschap op andere wijze kan worden verklaard.

[502] Brehm („Illustr. Thierleben”, Bd. I, blz. 77) zegt, dat Cynocephalus hamadryas in groote troepen leeft, die tweemaal zooveel volwassen wijfjes als volwassen mannetjes bevatten. Zie Rengger over Amerikaansche veelwijvige (polygame) soorten, en Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 746) over Amerikaansche eenwijvige (monogame) soorten. Nog andere aanhalingen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.

[503] Dr. Savage, in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1845–47, blz. 423.

[504] „Prehistoric Times”, 1869, blz. 424.

[505] Dr. Gerland („Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868) heeft vele mededeelingen over kindermoord verzameld, zie voornamelijk blz. 27, 52, 54. Azara („Voyages” enz., tome II, blz. 94, 116) behandelt uitvoerig de beweegredenen. Zie ook M’Lennan (ibid., blz. 139) omtrent gevallen in Indië.

[506] „Primitive Marriage”, blz. 208; Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, blz. 100. Zie ook den heer Morgan, loc. cit., omtrent het vroeger heerschen van veelmannerij (polyandrie).

[507] „Voyages” enz., tome II, blz. 92–95.

[508] Burchell zegt („Travels in South Africa”, vol. II, 1824, blz. 38), dat onder de wilde volken van Zuid-Afrika, noch mannen noch vrouwen ooit hun leven in den ongehuwden staat doorbrengen. Azara („Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome II, 1806, blz. 21) maakt de zelfde opmerking omtrent de wilde Indianen van Zuid-Amerika.

[509] „Anthropological Review”, Jan. 1870, blz. XVI.

[510] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, blz. 224–231.

[511] Een vernuftig schrijver beweert, op grond van een vergelijking van de schilderijen van Raphael, Rubens en moderne Fransche kunstenaars, dat het denkbeeld van schoonheid zelfs niet door Europa heên het zelfde is; zie de „Lives of Haydn and Mozart” door M. Bombet, Eng. vert., blz. 278.

[512] „Proc. R. Geogr. Soc.”, vol. XV, blz. 47.

[513] McKennan, aangehaald door den heer Wake in „Anthropologia”, Oct. 1873, blz. 75.

[514] D. Lesley, „Kafir Character and Customs”, 1871, blz. 4.

[515] Azara, „Voyages” enz, tome II, blz. 23. Dobrizhoffer, „An Account of the Abipones”, vol. II, 1822, blz. 207. Williams over de Fidsji-eilanders, aangehaald door Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 79. Omtrent de Vuurlanders, King en Fitzroy, „Voyages of the Adventure and Beagle”, vol. II, 1839, blz. 121. Omtrent de Kalmukken, de aanhaling van M’Lennan, „Primitive Marriage”, 1865, blz. 32. Omtrent de Maleiers, Lubbock, ibid., blz. 77. De weleerw. heer J. Shooter, „On the Kafirs of Natal”, 1857, blz. 52–60. Omtrent de Bosjesmannen, Burchell, „Travels in S. Africa”, vol. II, 1824, blz. 50.

[516] „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 346. De heer Wallace gelooft (blz. 350), „dat de eene of andere intelligente kracht de ontwikkeling van den mensch heeft geleid of bepaald”; en hij beschouwt den haarloozen toestand der huid als een deze meening steunend feit. De weleerw. heer T. R. Stebbing merkt, commentariën op deze meening makende („Transactions of Devonshire Assoc. for Science”, 1870), op, dat, wanneer de heer Wallace „zijn gewone scherpzinnigheid in het vraagstuk van de onbehaardheid van ’s menschen huid had gebruikt, hij wellicht de mogelijkheid zou hebben ingezien, dat zij wegens haar meerdere schoonheid of wegens de gezondheid die het gevolg van meerdere zindelijkheid is, kon zijn gekozen. In elk geval is het bevreemdend, dat hij zich zelfs een hoogere intelligentie kan voorstellen, bezig met haar uit de ruggen te plukken (voor welke het volgens zijn eigen schildering nuttig en noodig zou zijn geweest), opdat de afstammelingen van die arme geschoren drommels na vele sterfgevallen ten gevolge van koude en vochtigheid in den loop van vele generaties”, zouden zijn gedwongen hooger te stijgen op de ladder der beschaving door de uitoefening van onderscheidene kunsten op de door den heer Wallace aangegeven wijze.

[517] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., Deel II, blz. 380.

[518] „Investigations into Military and Anthropological Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1869, blz. 568.—Er werden zorgvuldige waarnemingen gedaan omtrent de behaardheid van 2129 zwarte en gekleurde soldaten, terwijl zij zich baadden: en als men de uitgegeven tabel inziet, „is het bij den eersten blik reeds duidelijk, dat er in dit opzicht slechts weinig, indien eenig, verschil tusschen en de blanke en zwarte rassen is.” Het is echter zeker, dat de negers in hun oorspronkelijk en veel warmer vaderland Afrika opmerkelijk gladde lichamen hebben. Men moet er bijzonder acht op geven, dat onder bovengenoemde optelling zoowel zuivere zwarten als mulatten waren begrepen; en dit is een ongelukkige omstandigheid, daar volgens het beginsel waarvan ik elders de waarheid heb bewezen, gekruiste rassen uiterst vatbaar zullen zijn om door atavisme tot den oorspronkelijken harigen toestand van hun vroegen, op een aap gelijkenden voorvader terug te keeren.

[519] „Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper” in Müller’s „Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 40.

[520] De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert ten opzichte van baardelooze inboorlingen van Vancouver’s Eiland het vermoeden, dat de gewoonte om de haren op het gelaat uit te trekken, „van generatie tot generatie voortgezet, wellicht ten laatste een ras zou voortbrengen, dat zich door een dunnen en verstrooiden baardgroei zou onderscheiden.” De gewoonte zou echter niet zijn ontstaan, tenzij de baard reeds ten gevolge van een of andere daarvan onafhankelijke oorzaak zeer was afgenomen. Wij hebben ook geen enkel direct bewijs, dat het bestendig uittrekken van het haar tot eenig erfelijk gevolg zou leiden. Ten gevolge van deze oorzaak van twijfel, heb ik tot dusverre nog geen gewag gemaakt van de door vele uitstekende ethnologen, bij voorbeeld den heer Gosse van Genève, verdedigde meening, dat kunstmatige wijzigingen van den schedel een neiging tot erfelijkheid hebben. Ik wensch dit besluit niet te bestrijden; en wij weten tegenwoordig door Dr. Brown-Séquard’s merkwaardige waarnemingen, vooral die welke onlangs (1870) aan de British Association zijn medegedeeld, dat bij Guineesche biggetjes de gevolgen van operaties erfelijk zijn (5).

[521] „Ueber die Richtung”, ibid., blz. 40.

[522] „On the tail-feathers of Motmots”, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 429.

[523] De heer Sproat („Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25) oppert deze zelfde meening. Eenige voorname ethnologen, onder anderen de heer Gosse van Genève, meenen, dat kunstmatige wijzigingen van den schedelvorm een neiging hebben om erfelijk te worden.

[524] „On the Limits of Natural Selection”, in de „North American review”, Oct. 1870, blz. 295.

[525] De weleerwaarde heer J. A. Picton bespreekt dit onderwerp in zijn „New Theories and Old Faith”, 1870.