Chapter 24 of 38 · 3970 words · ~20 min read

Part 24

Bij de Herkauwende Dieren (Ruminantia) komen seksueele kleurverschillen veelvuldiger voor, dan in eenige andere Orde. Een verschil van deze soort is algemeen bij de antilopen van de Strepsiceros-groep; zoo is de mannelijke nilgau (Portax picta) blauwachtig grijs en veel donkerder dan het wijfje; ook zijn de vierkante witte vlekken op de keel, de witte teekeningen op de vetlokken en de zwarte vlekken op de ooren allen veel duidelijker. Wij hebben gezien, dat bij deze soort ook de kammen en haarvlokken bij het mannetje meer zijn ontwikkeld dan bij het horenlooze wijfje. Het mannetje wordt, gelijk de heer Blyth mij mededeelt, zonder te ruien, periodiek donkerder gedurende den paartijd. Jonge mannetjes kunnen niet van jonge wijfjes worden onderscheiden, voor zij meer dan twaalf maanden oud zijn, en indien het mannetje voor dien tijd wordt gesneden (gecastreerd), verandert hij, volgens de zelfde autoriteit, nooit van kleur. De belangrijkheid van dit laatste feit, als onderscheidend voor seksueele kleuring, springt in het oog, wanneer wij hooren [390], dat noch het roode zomerkleed, noch het blauwe winterkleed van het Virginische hert in het minst door ontmanning worden aangedaan. Bij de meeste of al de in hooge mate versierde soorten van Tragelaphus zijn de mannetjes donkerder dan de horenlooze wijfjes, en hun haarkammen zijn volkomener ontwikkeld. Bij het mannetje van Derby’s Eland, die prachtige antilope, is het lichaam rooder, de geheele nek veel zwarter, en de witte band die deze kleuren scheidt, breeder dan bij het wijfje. Bij den Kaapschen Eland is het mannetje ook iets donkerder dan het wijfje. [391]

Bij den Indischen zwartbok (Antilope bezoarctica), die tot een andere afdeeling van antilopen behoort, is het mannetje zeer donker, bijna zwart, terwijl het horenlooze wijfje vaalbruin is gekleurd. Wij hebben bij deze soort, gelijk de heer Blyth mij meldt, een rij van feiten, volkomen evenwijdig aan die bij de Portax picta, namelijk in de periodieke kleurverandering van het mannetje gedurende den paartijd, in de uitwerkselen van de ontmanning op deze verandering en in het niet te onderscheiden zijn van de jongen van beiderlei sekse. Bij de Antilope nigra is het mannetje zwart, terwijl het wijfje, en evenzoo de jongen, bruin zijn; bij A. sing-sing is het mannetje veel lichter gekleurd dan het horenlooze wijfje, en zijn borst en buik zijn zwarter; bij den mannelijken A. caama zijn de teekeningen en lijnen die op verschillende deelen van het lichaam voorkomen, zwart in plaats van bruin, gelijk bij het wijfje; bij den gestreepten gnoe (A. gorgon) „zijn de kleuren van het mannetje omtrent de zelfde als die van het wijfje, alleen dieper en helderder van tint.” [392] Andere soortgelijke gevallen zouden nog nier kunnen worden bijgevoegd.

De Banteng-stier (Bos sondaicus) van Insulinde is bijna zwart met witte pooten en dijen; de koe is helder bruin, evenals de jonge mannetjes, totdat zij omtrent drie jaren oud zijn, op welken leeftijd zij snel van kleur veranderen. De ontmande stier keert terug tot de kleur van het wijfje. De Kemasgeit is bleeker en de Bezoar-geit (Capra aegagrus), naar men zegt, eenvormiger gekleurd dan hun respectieve bokken. Herten vertoonen zelden eenig seksueel kleurverschil. Judge Caton meldt mij echter, dat bij de mannetjes van het Wapiti-hert (Cervus Canadensis) de nek, buik en pooten veel donkerder zijn dan de zelfde deelen bij het wijfje; maar gedurende den winter verbleeken en verdwijnen de donkerder tinten allengs. Ik kan hier vermelden, dat Judge Caton in zijn park drie rassen van het Virginische hert heeft, die eenigszins in kleur verschillen; maar de verschillen zijn bijna uitsluitend beperkt tot het blauwe winter- of paringskleed; zoodat dit geval kan worden vergeleken met die, welke in een vorig hoofdstuk zijn medegedeeld, van nauw-verwante of elkander vertegenwoordigende soorten die alleen in hun bruiloftskleed verschillen. [393] De wijfjes van Cervus paludosus van Zuid-Amerika bezitten evenmin als de jongen van beide seksen de zwarte strepen op den neus en de de zwartachtige bruine lijn op de borst, die de volwassen mannetjes kenmerken. [394] Eindelijk is het volwassen mannetje van het fraai gekleurde en gevlekte Axis-hert, naar mij de heer Blyth meldt, aanmerkelijk donkerder dan het wijfje, en deze tint verkrijgt het ontmande mannetje nooit.

De laatste Orde die wij hebben te beschouwen,—want het is mij niet bekend, dat seksueele kleurverschillen bij de andere groepen van zoogdieren voorkomen,—is die der Primaten. Het mannetje van den Lemur macaco is koolzwart, terwijl het wijfje roodachtig geel, maar zeer veranderlijk van kleur is. [395] Van de Vierhandigen (Quadrumana) van de Nieuwe Wereld zijn de wijfjes en jongen van den zwarten brulaap (Mycetes caraya) grijsachtig geel en gelijk, in het tweede jaar wordt het mannetje roodachtig bruin, in het derde jaar zwart, behalve de buik die echter in het vierde of vijfde jaar ook geheel zwart wordt. Er is ook een sterk uitgedrukt verschil in kleur tusschen de seksen bij den rooden brulaap (Mycetes seniculus) en den kapucijneraap (Cebus capucinus), terwijl de jongen van de eerste en, naar ik meen, ook van de tweede soort op de wijfjes gelijken. Bij den Saki (Pithecia leucocephala) gelijken de jongen ook op de wijfjes die van boven bruinachtig zwart en van onderen licht roestbruin zijn, terwijl de mannetjes zwart zijn. De kraag van haar rondom het gelaat van Ateles marginatus is bij het mannetje geel en bij het wijfje wit gekleurd. Laten wij ons tot de Oude Wereld wenden. De mannetjes van Hylobates hoolock zijn altijd zwart, met uitzondering van een witten band over de wenkbrauwen; de wijfjes verschillen (varieeren) van witachtig bruin tot een donkere met zwart vermengde tint, maar zijn nooit geheel en al zwart. [396] Bij den schoonen Diana-aap (Cercopithecus diana) is de kop van het volwassen mannetje diep zwart, terwijl die van het wijfje donkergrijs is; bij het eerste is de pels tusschen de dijen van een bevallig bruine kleur; bij het laatste is hij bleeker. Bij den even schoonen en merkwaardigen knevelaap (Cercopithecus cephus) is het eenige verschil tusschen de seksen, dat de staart van het mannetje kastanjebruin en die van het wijfje grijs is; doch de heer Bartlett deelt mij mede, dat al de tinten sterker worden uitgedrukt bij het mannetje wanneer het volwassen is, terwijl zij bij het wijfje blijven gelijk zij gedurende de jeugd waren. Volgens de door Salomon Müller gegeven gekleurde afbeeldingen is het mannetje van Semnopithecus chrysomelas omtrent zwart, terwijl het wijfje bleekbruin is. Bij Cercopithecus cynosurus en chryseo-viridis is één deel van het lichaam, dat alleen door de mannelijke sekse wordt bezeten, van het schitterendste blauw of groen, en steekt sterk af bij het naakte vel van het achterdeel van bet lichaam, dat levendig rood is.

In de Familie der Bavianen eindelijk, verschilt het volwassen mannetje van den mantelbaviaan (Cynocephalus hamadryas) van het wijfje niet alleen door zijn verbazende manen, maar ook eenigszins door de kleur van het haar en van de naakte eeltplekken. Bij den dril (Cynocephalis leucophaeus) zijn de wijfjes en jongen veel bleeker gekleurd, met minder groen dan de volwassen mannetjes. Geen ander lid van de geheele Klasse der Zoogdieren is zoo op buitengewone wijze gekleurd als de volwassen mannelijke mandril (Cynocephalus mormon). Het gelaat wordt op dezen leeftijd fraai blauw, en de rug en punt van den neus zeer schitterend rood. Volgens sommige schrijvers is het gelaat ook met witachtige strepen versierd en gedeeltelijk met zwart geschakeerd: doch de kleuren schijnen aan afwijking onderhevig (variabel) te zijn. Op het voorhoofd bevindt zich een haarkam en aan de kin een gele baard. „Toutes les parties supérieures de leurs cuisses et le grand espace nu de leurs fesses sont également colorés du rouge le plus vif, avec un mélange de bleu qui ne manque réellement pas d’élégance.” [397] Als het dier opgewekt wordt, worden al de naakte deelen veel levendiger gekleurd. Onderscheidene schrijvers hebben de sterkste uitdrukkingen gebruikt bij de beschrijving van deze glansrijke kleuren welke zij bij die der schitterendste vogels vergelijken. Een andere hoogst opmerkelijke bijzonderheid is, dat zich, wanneer de groote hoektanden volkomen zijn ontwikkeld, verbazend groote beenige uitsteeksels op elke wang vormen, die diep overlangs zijn gegroefd, en het naakte vel dat daarover groeit, is schitterend gekleurd, gelijk daareven is beschreven (Fig. 67). Bij de volwassen wijfjes en bij de jongen van beide seksen zijn deze uitsteeksels nauwelijks merkbaar; en de naakte deelen zijn veel minder levendig gekleurd, daar het gelaat bijna zwart is, met een weinig blauw vermengd. Bij het volwassen wijfje wordt echter de neus op zekere regelmatig terugkomende tijden rood geverfd.

In alle tot dusverre medegedeelde gevallen is het mannetje sterker of levendiger gekleurd dan het wijfje en verschilt in een grootere mate van de jongen van beide seksen. Evenals echter een omgekeerde kleurverhouding van beide seksen kenmerkend is voor eenige weinige vogels, zoo heeft bij den Rhesus-aap (Macacus Rhesus) het wijfje een groote oppervlakte naakte huid rondom den staart van een schitterend karmozijnrood dat, naar mij door de oppassers in den Londenschen dierentuin werd verzekerd, periodiek zelfs nog levendiger wordt, en haar gelaat is ook bleek rood. Bij het volwassen mannetje en bij de jongen van beide seksen vertoonen daarentegen, gelijk ik in den dierentuin zag, noch de naakte huid aan het achterste einde van het lichaam, noch het gelaat een spoor van rood. Het schijnt echter volgens eenige openbaar gemaakte berichten, dat het mannetje nu en dan of gedurende zekere jaargetijden eenige sporen van rood vertoont. Hoewel hij dus minder is versierd dan het wijfje, volgt hij toch door zijn meerdere lichaamsgrootte, grootere hoektanden, meer ontwikkelde bakkebaarden en meer vooruitstekende wenkbrauwbogen den algemeenen regel, dat het mannetje boven het wijfje uitmunt.

Ik heb nu alle mij bekende gevallen van een kleurverschil tusschen de seksen van zoogdieren medegedeeld. De kleuren van het wijfje verschillen òf niet in voldoende mate van die van het mannetje, òf zijn van zoodanigen aard, dat zij geschikt zijn haar bescherming te geven, en kunnen daarom niet volgens dit beginsel worden verklaard. In sommige, wellicht in vele gevallen kunnen deze verschillen het gevolg zijn van afwijkingen die tot ééne sekse waren beperkt en op de zelfde sekse werden overgeplant, zonder dat daardoor eenig voordeel werd verkregen en derhalve zonder de hulp van teeltkeus. Wij hebben voorbeelden van deze soort bij onze tamme dieren, zooals in de roestbruine kleur van de mannetjes van sommige katten, terwijl de wijfjes driekleurig zijn. Soortgelijke gevallen komen ook in de natuur voor; de heer Bartlett heeft vele zwarte verscheidenheden van den jaguar, luipaard, vosachtigen phalanger (4) en wombat (5) gezien; en hij is zeker, dat allen of bijna allen mannetjes waren. Daarentegen worden beide seksen van wolven, vossen en, naar het schijnt, van Amerikaansche eekhoorns (6) nu en dan zwart geboren. Het is daarom zeer mogelijk, dat bij sommige zoogdieren de zwartheid van de mannetjes, vooral wanneer die kleur is aangeboren, eenvoudig een gevolg daarvan is, dat zich, zonder de hulp van teeltkeus, ééne of meer afwijkingen voordeden, die van den beginne af in haar overplanting seksueel waren beperkt. Desniettemin kan men moeilijk aannemen, dat de zooveel verscheidenheid vertoonende, levendige en tegen elkander afstekende kleuren van sommige viervoetige dieren, bij voorbeeld van de bovenvermelde apen en antilopen, op die wijze moeten worden verklaard. Wij behooren te bedenken, dat deze kleuren zich bij het mannetje niet bij de geboorte vertoonen, gelijk in het geval van de meeste gewone afwijkingen, maar alleen op volwassen of bijna volwassen leeftijd; en dat zij, hetgeen met gewone afwijkingen niet het geval is, indien het mannetje wordt ontmand, nooit verschijnen of na de ontmanning verdwijnen. Het is over het geheel genomen een veel waarschijnlijker besluit, dat de sterk uitgedrukte kleuren en andere tot versiering dienende kenmerken van mannelijke viervoetige dieren hun voordeelig zijn in hun medeminnarij met andere mannetjes en derhalve door seksueele teeltkeus zijn verkregen. De waarschijnlijkheid van deze meening wordt versterkt, doordat de verschillen in kleur tusschen de seksen, gelijk men kan opmerken, als men de vroeger vermelde bijzonderheden doorloopt, bijna uitsluitend voorkomen bij die groepen en ondergroepen van zoogdieren, die andere en duidelijke secundaire seksueele kenmerken vertoonen, terwijl deze laatste evenzeer het gevolg van de werking der seksueele teeltkeus zijn.

Viervoetige dieren letten blijkbaar op kleur. Sir S. Baker nam herhaaldelijk waar, dat de Afrikaansche olifant en neushoren witte of grijze paarden met bijzondere woede aanvielen. Ik heb elders [398] aangetoond, dat half wilde paarden het liefst schijnen te paren met andere van de zelfde kleur en dat kudden van damherten van een verschillende kleur, hoewel te zamen levende, zich toch afzonderlijk hielden. Het is een meer beteekenisvol feit, dat een zebramerrie de liefkozingen van een ezelhengst niet wilde toelaten, voordat hij zoodanig was beschilderd, dat hij op een zebra geleek, en toen „ontving zij hem”; gelijk John Hunter opmerkt, „zeer gaarne. In dit opmerkelijk feit, hebben wij instinkt, eenvoudig door de kleur opgewekt, die zulk een sterke werking had, dat al het andere er voor moest wijken. De hengst had dit echter niet noodig; dat de merrie een dier was, dat eenigszins op hem geleek, was voldoende om zijn hartstocht te doen ontvlammen.” [399]

In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien, dat de geestvermogens der hoogere dieren niet in hoedanigheid, hoewel zoo verbazend in hoeveelheid, van de overeenkomstige vermogens van den mensch, vooral van de lagere en barbaarsche rassen verschillen, en het schijnt, dat zelfs hun smaak voor het schoone niet veel van dien der Vierhandigen (Quadrumana) afwijkt. Evenals de neger van Afrika het vleesch van zijn aangezicht in evenwijdige voren „of litteekens, hoog boven de natuurlijke oppervlakte” doet opzwellen, „welke afzichtelijke misvormingen voor groote persoonlijke aantrekkelijkheden worden gehouden” [400],—evenals negers, gelijk ook de wilden van vele andere deelen der wereld, hun gelaat met roode, blauwe, witte of zwarte strepen beschilderen,—schijnt ook de mandril van Afrika zijn met diepe voren doorploegd en opzichtig gekleurd gelaat te hebben verkregen, omdat hij daardoor aantrekkelijk voor het wijfje werd gemaakt. Het is voor ons ongetwijfeld een hoogst potsierlijk denkbeeld, dat het achtereinde van het lichaam ter wille van de versiering zelfs nog schitterender zou zijn gekleurd dan het gelaat; maar dit is eigenlijk niet vreemder, dan dat juist de staarten van vele vogels bijzonder zijn versierd.

Bij Zoogdieren bezitten wij tegenwoordig nog volstrekt geen bewijzen, dat de mannetjes zich moeite geven om met hun bekoorlijkheden voor het wijfje te pronken; en de zorgvuldige wijze, waarop dit door mannelijke Vogels wordt volbracht, is het feit, dat het sterkst pleit ten gunste der meening, dat de wijfjes de voor haar tentoongespreide versierselen en kleuren bewonderen of er door worden opgewekt. Er is echter een treffende overeenkomst (parallelisme) tusschen Zoogdieren en Vogels in al hun secundaire seksueele kenmerken, voornamelijk in hun wapenen om met medeminnaars te vechten, in hun tot versiering dienende aanhangsels en in hun kleuren. In beide Klassen gelijken de jongen van beide seksen, wanneer het mannetje van het wijfje verschilt, bijna altijd op elkander, en in groote meerderheid van gevallen op het volwassen wijfje. In beide Klassen verkrijgt het mannetje de aan zijn sekse eigen kenmerken kort voor den leeftijd waarop hij zich voortplant; indien hij wordt ontmand, verkrijgt hij die kenmerken òf nooit, òf verliest ze na de ontmanning. In beide Klassen is de kleurverandering somtijds tot één jaargetijde beperkt, en worden de kleuren van de naakte deelen somtijds levendiger gedurende de vrijage. In beide Klassen is het mannetje bijna altijd levendiger of sterker gekleurd dan het wijfje, en is met groote kammen hetzij van haar of van vederen, of met andere aanhangsels versierd. In eenige weinige exceptioneele gevallen is in beide Klassen het wijfje in hoogere mate versierd dan het mannetje. Bij vele Zoogdieren en op zijn minst in het geval van éénen Vogel verspreidt het mannetje een sterkeren geur dan het wijfje. In beide Klassen is de stem van het mannetje krachtiger dan die van het wijfje. Als men deze overeenkomst (parallelisme) in aanmerking neemt, kan er weinig twijfel zijn, dat de zelfde oorzaak, welke die dan ook moge zijn, op Zoogdieren en Vogels moet hebben gewerkt, en de uitslag, voor zoover het tot versiering dienende kenmerken betreft, mag, naar het mij toeschijnt, veilig worden toegeschreven aan de lang voortgezette voorkeur van de individu’s van de eene sekse voor zekere individu’s van de tegenovergestelde sekse, verbonden met hun voorspoed in het nalaten van een grooter aantal nakomelingen om hun grootere aantrekkelijkheden te erven.

Gelijke overplanting van tot versiering dienende kenmerken op beide seksen.—Bij vele Vogels zijn versierselen, die de analogie ons doet vermoeden, dat oorspronkelijk door de mannetjes werden verkregen, gelijkelijk of bijna gelijkelijk op beide seksen overgeplant; en wij moeten nu onderzoeken, in hoever deze meening tot de Zoogdieren mag worden uitgebreid. Bij een aanmerkelijk aantal, vooral kleinere soorten, zijn beide seksen, onafhankelijk van seksueele teeltkeus ter wille van de bescherming gekleurd; maar niet, zoover ik kan nagaan, in zoo vele gevallen, en ook lang niet op zulk een treffende wijze, als in de meeste van de lagere Klassen. Audubon merkt op, dat hij de muskusrat [401], als deze op de oevers van een modderigen stroom zat, dikwijls bij vergissing voor een kluit aarde heeft gehouden; zoo volkomen was de gelijkenis. De haas in zijn leger is een algemeen bekend voorbeeld van bescherming door de kleur en toch faalt dit beginsel gedeeltelijk bij een nauw verwante soort, namelijk bij het konijn; want als dit dier naar zijn hol loopt, wordt het voor den jager en ongetwijfeld voor alle roofdieren in het oog loopend gemaakt, door zijn naar boven gekeerden zuiver witten staart. Niemand heeft ooit betwijfeld, dat de viervoetige dieren die met sneeuw bedekte streken bewonen, wit zijn gemaakt om hen voor hun vijanden te beschermen of om hun het besluipen van hun prooi gemakkelijker te maken. In streken waar nooit lang sneeuw op den grond ligt, zou een wit kleed schadelijk zijn; bij gevolg zijn aldus gekleurde soorten uiterst zeldzaam in de heetere deelen der wereld. Het verdient opmerking, dat vele viervoetige dieren welke matig koude streken bewonen, hoewel zij geen wit winterkleed verkrijgen, toch gedurende dat jaargetijde bleeker worden; en dit schijnt het directe gevolg te zijn van de voorwaarden waaraan zij lang blootgesteld zijn geweest. Pallas [402] vermeldt, dat in Siberië een verandering van deze soort plaats grijpt bij den wolf, twee soorten van wezels (Mustela), het tamme paard, den dziggetai (Equus hemionus), het tamme rund, twee soorten van antilopen, het muskusdier, de ree, den eland en het rendier. De ree, bijvoorbeeld, heeft een rood zomer- en een grijsachtig winterkleed; en het laatste kan wellicht dienen als een bescherming voor het dier, terwijl het door de bladerlooze, met sneeuw en rijp bestrooide bosschen wandelt. Indien de bovengenoemde dieren langzamerhand het door hen bewoonde gebied uitbreidden tot streken die voortdurend met sneeuw waren bedekt, zou hun bleek winterkleed waarschijnlijk door natuurlijke teeltkeus hoe langer hoe witter worden, totdat zij zoo wit werden als sneeuw.

De heer Reeks heeft mij een merkwaardig voorbeeld gegeven van een dier dat voordeel trok van zijn bijzondere kleur. Hij fokte van vijftig tot zestig witte en bruinbonte konijnen in een grooten ommuurden boomgaard, en hij had tegelijkertijd eenige soortgelijk gekleurde katten in zijn huis. Dergelijke katten loopen, gelijk ik dikwijls heb gezien, over dag zeer in het oog; maar, daar zij gewoon waren bij schemeravond voor de openingen van de konijnenholen op den loer te liggen, schenen de konijnen ze niet van hun soortgelijk gekleurde medekonijnen te onderscheiden. Het gevolg hiervan was, dat binnen achttien maanden al deze bonte konijnen waren vermoord; en er waren bewijzen, dat dit door de katten was gedaan. Een ander dier, het stinkdier, schijnt voordeel van zijn kleur te hebben op een wijze waarvan wij vele voorbeelden in andere klassen hebben gezien. Geen dier zal vrijwillig een dezer schepsels aanvallen wegens den vreeselijken stank dien zij van zich geven, als men hen toornig maakt; maar gedurende de schemering zou het niet gemakkelijk kunnen worden herkend en door een roofdier aangevallen. Daarom is, naar de heer Belt gelooft [403], het stinkdier voorzien van een grooten, witten, ruigen staart die tot een in ’t oog loopende waarschuwing dient.

Hoewel wij moeten toegeven, dat vele viervoetige dieren hun tegenwoordige tinten als een bescherming hebben verkregen, zijn toch bij een menigte soorten de kleuren veel te opzichtig en te vreemdsoortig gerangschikt, om ons de veronderstelling toe te laten, dat zij voor dit doel dienen. Wij kunnen als een voorbeeld sommige antilopen nemen: als wij zien, dat de vierkante witte vlek aan de keel, de witte teekeningen op de vetlokken, en de ronde zwarte vlekken aan de ooren, allen bij het mannetje van Portax picta duidelijker zijn dan bij het wijfje;—als wij zien, dat de kleuren levendiger, dat de smalle witte lijnen op de zijden en de breede witte streep op den schouder duidelijker zijn bij den mannelijken Oreas Derbyanus dan bij den vrouwelijken; als wij een gelijksoortig verschil zien tusschen de seksen van den vreemdsoortig versierden Tragelaphus scriptus (Fig. 68),—mogen wij besluiten, dat deze kleuren en onderscheidene versierselen op zijn minst zijn versterkt door seksueele teeltkeus. Het is niet aan te nemen, dat dergelijke kleuren en teekeningen dezer dieren van eenigen rechtstreekschen of gewonen dienst kunnen zijn, en daar zij bijna zeker door seksueele teeltkeus zijn versterkt, is het waarschijnlijk, dat zij oorspronkelijk door dit zelfde proces zijn verkregen en daarna gedeeltelijk op de wijfjes overgeplant. Indien deze meening mag worden aangenomen, kan er weinig twijfel overblijven, dat de vreemdsoortige kleuren en teekeningen van vele andere antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, op de zelfde wijze zijn verkregen en overgebracht. Beide seksen, bij voorbeeld van de Koedoe-antilope (Strepsiceros Kudu, Fig. 69), hebben smalle witte loodrechte lijnen op het achterste gedeelte van hun zijden, en een bevallige hoekvormige witte teekening op hun voorhoofd. In het geslacht Damalis zijn beide seksen zeer vreemd gekleurd; bij Damalis pygarga zijn de rug en hals purperachtig rood, aan de zijden in zwart overgaande, en scherp gescheiden van den witten buik en de groote witte plek op het kruis; de kop is nog vreemder gekleurd; een langwerpig wit masker, met een smallen zwarten rand omzoomd, bedekt het gelaat tot op de hoogte der oogen (Fig. 70); er zijn drie witte strepen op het voorhoofd en de ooren vertoonen witte teekeningen. De jongen van deze soort zijn van een eenvormig bleeke geelbruine kleur. Bij Damalis albifrons verschilt de kleur van den kop van die bij de laatste soort, doordat ééne enkele witte streep de drie strepen vervangt en de ooren bijna geheel wit zijn. [404] Na, zoo goed mij mogelijk was, de seksueele verschillen van dieren, tot alle klassen behoorende, te hebben bestudeerd, kan ik het besluit niet vermijden, dat de opmerkelijk gerangschikte kleuren van vele antilopen, hoewel aan beide seksen gemeen, het gevolg zijn van oorspronkelijk op het mannetje toegepaste seksueele teeltkeus.

Het zelfde besluit mag wellicht worden uitgestrekt tot den tijger, een van de schoonste dieren der wereld, waarvan de seksen niet door haar kleur kunnen worden onderscheiden, zelfs niet door handelaars in wilde dieren. De heer Wallace [405] gelooft, dat het gestreepte kleed van den tijger „zoozeer gelijkt op de loodrechte halmen van het bamboesriet, dat zulks hem zeer helpt om hem voor zijn naderende prooi te verbergen.” Deze verklaring schijnt mij echter niet bevredigend. Wij kennen sommige feiten die er eenigszins voor pleiten, dat zijn schoonheid een gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn; want bij twee soorten van het kattengeslacht (Felis) zijn soortgelijke teekeningen en kleuren bij het mannetje iets levendiger dan bij het wijfje. De Zebra is opzichtig gestreept, en op de open vlakten van Zuid-Afrika kunnen strepen volstrekt geen bescherming opleveren. Burchell [406] zegt, een kudde beschrijvende, „hun glanzige ribben glinsterden in de zon en de levendigheid en regelmatigheid hunner gestreepte huiden vormde een schilderij van buitengewone schoonheid, waarin zij waarschijnlijk door geen enkel ander viervoetig dier worden overtroffen.” Hier hebben wij geen bewijs voor een seksueele teeltkeus, daar in de geheele groep der Paardachtige Dieren (Equidae) de seksen in kleur overeenstemmen. Desniettemin zal hij, die de witte en donkere loodrechte strepen op de zijden van verscheidene antilopen aan seksueele teeltkeus toeschrijft, waarschijnlijk de zelfde meening tot den Koningstijger en den schoonen Zebra uitstrekken.