Part 20
Bij al de wilde soorten van Geiten en Schapen zijn de horens bij het mannetje grooter dan bij het wijfje, en ontbreken somtijds bij dit laatste zelfs geheel. [322] Bij onderscheidene tamme rassen van schapen en geiten zijn alleen de mannetjes van horens voorzien; en het is een beteekenisvol feit, dat bij één dergelijk ras aan de kust van Guinea de horens, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, bij het gesneden (gecastreerde) mannetje niet tot ontwikkeling komen, zoodat zij in dit opzicht op de zelfde wijze worden aangedaan als de horens van herten. Bij sommige rassen, zooals bij dat van N.-Wales, bij hetwelk eigenlijk beide seksen gehorend zijn, zijn de ooien zeer dikwijls horenloos. Bij deze zelfde schapen zijn, naar mij door een te vertrouwen getuige is medegedeeld, die met opzet een kudde gedurende den lammertijd onderzocht, de horens bij de geboorte over het algemeen veel volkomener ontwikkeld bij het mannetje dan bij het wijfje. De heer J. Peel kruiste zijn Lonk-schapen van welke beide seksen altijd horens dragen, met horenlooze Leicesters en horenlooze Shropshire Downs; en de uitslag was, dat de mannelijke jongen veel kleiner horens bezaten, en deze bij de vrouwelijke geheel ontbraken. Deze verschillende feiten bewijzen, dat bij schapen de horens een veel minder vast geworden (gefixeerd) kenmerk zijn bij ooien dan bij rammen; en dit leidt er ons toe om de horens als een eigenlijk mannelijk kenmerk te beschouwen. Bij den volwassen muskusos (Ovibos moschatus) zijn de horens van het mannetje grooter dan die van het wijfje, en bij dit laatste raken de grondvlakken der horens elkander niet. [323] Omtrent het gewone hoornvee merkt de heer Blyth op: „Bij de meeste wilde runderen zijn de horens langer en dikker bij den stier dan bij de koe, en bij de Banteng-koe (Bos sondaicus) zijn de horens opmerkelijk klein, en hellen zeer naar achteren over. Bij de tamme runderrassen, zoowel bij de typen met een bult als bij die zonder bult, zijn de horens bij den stier kort en dik en bij de koe en den os langer en slanker, en bij den Indischen buffel zijn zij bij den stier korter en dikker, bij de koe langer en slanker. Bij den wilden gaoer (B. gaurus) zijn de horens bij den stier meestal zoowel langer als dikker dan bij de koe.” [324] Bij de meeste holhoornige Herkauwende Dieren zijn derhalve de horens van het mannetje hetzij langer of sterker dan die van het wijfje. Bij den stompneuzigen neushoren (Rhinoceros simus) zijn, gelijk ik er hier bij mag voegen, de horens van het wijfje over het algemeen langer maar minder krachtig dan bij het mannetje; en bij sommige andere soorten van neushorens zijn zij, naar men zegt, bij het wijfje korter. [325] Uit deze onderscheidene feiten mogen wij het besluit trekken, dat horens van alle soorten, zelfs wanneer zij bij beide seksen gelijkelijk zijn ontwikkeld, oorspronkelijk door de mannetjes werden verkregen om andere mannetjes mede te overwinnen en meer of minder volkomen op het wijfje zijn overgeplant, in verhouding tot de kracht van den gelijken vorm van erfelijkheid.
De uitwerkselen der ontmanning verdienen de aandacht, omdat zij licht werpen op dit zelfde punt. Herten vernieuwen na de operatie nimmer hun horens meer. Het mannelijke rendier maakt hierop echter een uitzondering, daar hij hen na de castratie wel hernieuwt. Dit feit, zoowel als het bezit van horens door beide seksen, schijnt op het eerste gezicht te bewijzen, dat de horens bij deze soort geen seksueel kenmerk vormen [326]; maar, daar de horens zich bij het rendier op zeer jongen leeftijd ontwikkelen, vóórdat de seksen in gestel verschillen, is het niet te verwonderen, dat de horens niet worden aangedaan door de ontmanning, zelfs wanneer zij oorspronkelijk door het mannetje werden verkregen. Bij schapen dragen eigenlijk beide seksen horens; en men heeft mij medegedeeld, dat bij Welshschapen de horens van de rammen door ontmanning aanmerkelijk kleiner worden gemaakt; maar de hoegrootheid dier afneming is zeer afhankelijk van den leeftijd waarop de operatie plaats heeft, gelijk eveneens het geval is met andere dieren. Merino-rammen hebben groote horens, terwijl de ooien „over het algemeen gesproken zonder horens zijn”; en bij dit ras schijnt castratie een eenigszins sterker uitwerking te hebben, zoodat, wanneer die op jeugdigen leeftijd wordt uitgevoerd, de horens „bijna onontwikkeld blijven.” [327] Op de kust van Guinea is er een ras waarbij de ooien nooit horens dragen, en, gelijk de heer Winwood Reade mij meldt, de rammen na de ontmanning daarvan geheel worden ontbloot. Bij runderen worden de horens der stieren door de castratie zeer veranderd; want, in plaats van kort en dik te zijn, worden zij langer dan die van de koe, maar gelijken overigens op deze. De Antilope bezoarctica levert een eenigszins soortgelijk geval op; de mannetjes hebben lange, rechte, schroefsgewijs gedraaide horens, ongeveer evenwijdig aan elkander loopende en naar achteren gericht; de wijfjes bezitten soms horens; maar, als deze aanwezig zijn, hebben zij een geheel andere gedaante, want dan zijn zij niet schroefvormig, maar spreiden zich ver uit elkander uit, zijn rondgebogen met de punten naar voren. Nu is het een opmerkelijk feit, dat bij het gesneden mannetje, gelijk de heer Blyth mij meldt, de horens van den zelfden bijzonderen vorm zijn als bij het wijfje, maar langer en dikker. Als wij naar de analogie mogen oordeelen, vertoont het wijfje ons, in deze beide gevallen van runderen en de antilope, den vroegeren toestand van de horens bij den eenen of anderen voormaligen stamvader van elk der beide soorten. Maar waarom de ontmanning ten gevolge heeft, dat een vroegere toestand van de horens opnieuw verschijnt, kan niet met eenige zekerheid worden verklaard. Desniettemin komt het mij waarschijnlijk voor, dat op ongeveer dezelfde wijze, als de storing in het gestel van de jongen, veroorzaakt door de kruising van twee verschillende soorten of rassen, dikwijls leidt tot het opnieuw verschijnen van lang verloren kenmerken [328], zoo ook hier de storing in het gestel van het individu, ten gevolge der ontmanning, de zelfde uitwerking voortbrengt.
De slagtanden van den olifant verschillen bij de onderscheidene soorten of rassen volgens de sekse op omtrent de zelfde wijze als de horens van Herkauwende Dieren. In Indië en Malakka zijn alleen de mannetjes van goed ontwikkelde slagtanden voorzien. De olifant van Ceylon wordt door de meeste natuuronderzoekers als een afzonderlijke soort beschouwd en hier „wordt er op een honderdtal niet één gevonden met slagtanden, terwijl de weinige die ze bezitten, uitsluitend mannetjes zijn.” [329] De Afrikaansche olifant is ongetwijfeld een afzonderlijke soort, en het wijfje heeft groote, goed ontwikkelde slagtanden, hoewel niet zoo groot als die van het mannetje. Deze verschillen in de slagtanden bij de verschillende rassen en soorten van olifanten,—de groote verscheidenheid bij de horens van herten en in ’t bijzonder van het wilde rendier,—het nu en dan aanwezig zijn van horens bij de vrouwelijke Antilope bezoartica,—de aanwezigheid van twee stoottanden bij eenige weinige mannelijke narwals,—het volkomen ontbreken van slagtanden bij sommige vrouwelijke walrussen,—zijn allen voorbeelden van de uiterst groote vatbaarheid voor variabiliteit van secundaire seksueele kenmerken en van hun zeer groote geneigdheid om bij nauw verwante vormen te verschillen.
Hoewel slagtanden en horens zich in alle gevallen oorspronkelijk als seksueele wapens hebben ontwikkeld, dienen zij dikwijls voor andere doeleinden. De olifant gebruikt zijn slagtanden om den tijger aan te vallen; volgens Bruce kerft hij de stammen der boomen daarmede in, tot zij gemakkelijk kunnen worden omvergeworpen, en haalt er ook het melige binnenste gedeelte van palmboomen mede uit. In Afrika gebruikt hij dikwijls een slagtand, en wel altijd den zelfden, om den grond te beproeven en zich daardoor te vergewissen, of deze zijn gewicht kan dragen. De gewone stier verdedigt de kudde met zijn horens; en volgens Lloyd heeft men in Zweden waargenomen, dat de eland een wolf met éénen enkelen slag van zijn groote horens doodsloeg. Vele soortgelijke feiten zouden kunnen worden opgesomd. Een van de merkwaardigste secundaire gebruiken waartoe de horens van eenig dier somtijds worden gebruikt, is dat hetwelk door kapitein Hutton [330] is waargenomen bij de wilde geit (Capra aegagrus) van het Himalayagebergte, en ook van den steenbok (5) wordt verhaald, dat namelijk het mannetje, wanneer hij toevallig van een hoogte afvalt, zijn kop naar binnen ombuigt en, door op zijn massieve horens te vallen, den schok breekt. Het wijfje kan haar horens die kleiner zijn, niet op die wijze gebruiken; maar, wegens haar rustiger aard, heeft zij die vreemde soort van schild ook niet noodig.
Elk mannelijk dier gebruikt zijn wapenen op zijn eigen bijzondere wijze. De gewone ram neemt een aanloop en stoot met zooveel kracht met de basis van zijn horens, dat ik een sterken man daardoor met evenveel gemak heb zien omverwerpen, alsof het een kind was. Geiten en sommige soorten van schapen, bij voorbeeld Ovis cycloceros van Afghanistan, gaan op hun achterpooten staan, en stooten dan niet alleen, maar „doen een benedenwaartschen houw en een naar boven gerichten stoot als met een sabel met den geribden voorkant van hun den vorm van den Turkschen sabel hebbenden horen. Toen een O. cycloceros eens een grooten tammen ram aanviel, die een bekende vechtersbaas was, overwon hij hem door de bloote nieuwheid van zijn wijze van vechten, daar hij zich altijd dadelijk op zijn tegenstander wierp en hem dwars over aangezicht en neus een scherpen benedenwaartschen houw met zijn kop gaf, en dan op zij sprong, eer de stoot kon worden teruggegeven.” [331] In Pembrokeshire heeft men een bok waargenomen, het opperhoofd van een sedert verscheidene geslachten verwilderde kudde, die onderscheidene andere mannetjes in tweegevechten had gedood; deze bok bezat verbazend groote horens die van punt tot punt in rechte lijn 99 centimeter maten. De gewone stier steekt, gelijk iedereen weet, zijn tegenstander en slingert hem heên en weêr; doch de Italiaansche buffel gebruikt, zegt men, nimmer zijn horens; hij geeft een vreeselijken stoot met zijn bol voorhoofd, en vertrapt dan den gevallen vijand met zijn knieën—een instinkt dat de gewone stier niet bezit. [332] Vandaar wordt een hond die een buffel bij den neus pakt, oogenblikkelijk verpletterd. Wij moeten echter bedenken, dat de Italiaansche buffel lang getemd is geweest, en het is in geenen deele zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens had. (6) De heer Bartlett deelt mij mede, dat een vrouwelijke Kaapsche buffel (Bubalus Caffer) met een stier van de zelfde soort binnen een omheining werd gebracht; zij viel hem aan, en hij drong haar daarentegen met groote hevigheid voort. Het bleek den heer Bartlett echter duidelijk, dat, als de stier niet een edele verdraagzaamheid had getoond, hij haar gemakkelijk door een enkelen zijdelingschen stoot met zijn verbazend groote horens kon hebben gedood. De giraffe gebruikt haar korte met haar bedekte horens die bij het mannetje iets korter dan bij het wijfje zijn, op een merkwaardige wijze; want met haar langen nek slingert zij haar kop naar beide zijden, bijna met de bovenzijde naar beneden, met zooveel kracht, dat ik een harde plank heb gezien, die door een enkelen slag diepe indrukken had verkregen.
Bij de Antilopen is het dikwijls moeilijk om zich voor te stellen hoe zij bij mogelijkheid haar merkwaardig gevormde horens kunnen gebruiken; zoo heeft de Springbok (7) (Ant. euchore) vrij korte rechtopstaande horens waarvan de scherpe punten bijna rechthoekig naar binnen zijn gebogen, zoodat zij tegenover elkander staan; de heer Bartlett weet niet, hoe zij worden gebruikt, maar merkt op, dat zij een vreeselijke wonde onder aan elke zijde van het gelaat van een tegenstander zouden maken. De zacht gebogen horens van de Oryx leucoryx (Fig. 60) zijn naar achteren gericht en zoo lang, dat hun punten tot over het midden van den rug reiken, over welken zij in daaraan bijna evenwijdige lijn staan. Zij schijnen dus al zeer slecht geschikt om mede te vechten; maar de heer Bartlett deelt mij mede, dat wanneer twee dezer dieren zich tot den strijd gereed maken, zij nederknielen, met hun koppen tusschen hun voorpooten, en in deze houding staan de horens omtrent evenwijdig aan en dicht bij den grond met de punten naar voren en een weinig naar boven gericht. De strijders naderen elkander dan allengs en trachten de naar boven gekeerde punten onder elkanders lichamen te brengen; indien een hunner hierin slaagt, springt hij plotseling op, tegelijkertijd zijn kop omhoog werpende, en kan aldus zijn tegenstander wonden of misschien zelfs doorboren. Beide dieren knielen altijd zoodanig neder, dat zij zich zooveel mogelijk tegen deze beweging beschutten. Er is een voorbeeld opgeteekend, dat een dezer dieren zijn horens met goed gevolg zelfs tegen een leeuw heeft gebruikt; maar toch moet hij, omdat hij genoodzaakt is zijn kop tusschen zijn voorpooten te nemen om de punten van zijn horens naar voren te brengen, over het algemeen zeer in het nadeel zijn, als hij door eenig ander dier wordt aangevallen. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de horens tot hun tegenwoordige groote lengte en bijzondere stelling zijn gewijzigd, als een bescherming tegen roofdieren. Wij kunnen echter begrijpen, dat, zoodra een of ander voormalig mannelijk voorouder van den Oryx matig lange horens verkreeg, die een weinig naar achteren waren gericht, hij in zijn gevechten met medeminnaars zou gedwongen zijn geweest om zijn kop iets naar binnen of naar beneden te buigen, gelijk het thans sommige herten doen, en het is niet onwaarschijnlijk, dat hij de gewoonte eerst om nu en dan, en later om geregeld neder te knielen, zou hebben verkregen. In dit geval is het bijna zeker, dat de mannetjes die de langste horens bezaten, een groot voordeel zouden hebben gehad boven andere met korter horens; en dan zouden de horens allengs hoe langer hoe langer zijn gemaakt door seksueele teeltkeus, totdat zij hun tegenwoordige buitengewone lengte en stelling verkregen.
Bij vele soorten van Herten levert de vertaktheid der horens een opmerkelijke moeilijkheid op; want ongetwijfeld zou een enkele rechte punt een veel ernstiger wond veroorzaken dan verscheidene divergeerende punten. In Sir Philip Egerton’s museum is er een horen van het edelhert (Cervus elaphus) van 75 centimeter lang, met „niet minder dan vijftien einden of takken”; en te Moritzburg wordt er nog een gewei van een edelhert bewaard, in 1699 door Frederik I geschoten, waarvan elke horen het verbazende aantal van drie-en-dertig takken draagt. Richardson beeldt een paar horens van het wilde rendier met negen-en-twintig punten af. [333] Uit de wijze waarop de horens zijn vertakt, en meer in het bijzonder uit het bekende feit, dat herten nu en dan vechten door elkander met hun voorpooten te trappen [334], trok de heer Bailly werkelijk het besluit, dat hun horens veel meer nadeelig dan nuttig voor hen waren! Deze schrijver ziet echter de geregelde gevechten tusschen mededingende mannetjes over het hoofd. Daar ik zeer in verlegenheid was over het gebruik of voordeel van de takken, wendde ik mij tot den heer McNeill van Colinsay, die lang en zorgvuldig zijn aandacht aan de levenswijze van het edelhert heeft gewijd, en deze meldt mij, dat hij nooit heeft gezien, dat een der takken een werkzame rol in het gevecht speelde, doch dat de oogtakken, daar zij naar beneden hellen, een groote bescherming aan het voorhoofd verleenen, en dat hun punten ook bij den aanval worden gebruikt. Sir Philip Egerton deelt mij ook zoowel ten opzichte van het edelhert als van het damhert mede, dat zij, wanneer zij vechten, plotseling tegen elkander stooten, en hun geweien tegen elkanders lichaam drukkende, een vertwijfelden kamp beginnen. Als het eene ten laatste is gedwongen te wijken en zich om te keeren, tracht de overwinnaar zijn oogtakken in het lichaam van zijn verslagen vijand te steken. Het schijnt dus, dat de bovenste takken hoofdzakelijk of uitsluitend worden gebruikt om voorwaarts te dringen en af te weren. Bij sommige soorten worden desniettemin de bovenste takken als aanvals- (offensieve) wapenen gebruikt; toen in het park van Judge Caton te Ottawa een man door een Wapiti-hert (Cervus Canadensis) werd aangevallen, en verscheidene mannen hem trachtten te helpen, „lichtte het hert zijn kop niet van den grond op; hij hield inderdaad zijn kop omtrent plat op den grond, met zijn neus bijna tusschen zijn voorpooten, behalve wanneer hij zijn kop naar de eene zijde draaide om een nieuwe waarneming als voorbereiding voor een uitval te doen.” In deze houding waren de eindpunten van de horens op zijn tegenstanders gericht. „Bij het draaien van zijn kop was hij genoodzaakt hem iets op te lichten, omdat zijn gewei zoo lang was, dat hij zijn kop niet om kon draaien zonder het aan de eene zijde op te lichten, terwijl het aan de andere zijde den bodem aanraakte.” Het hert dreef op die wijze de te hulp geschoten mannen langzamerhand terug tot op een afstand van 45 tot 60 meter; en de aangevallen man werd gedood. [335]
Hoewel de horens van herten werkzame wapenen zijn, kan het, geloof ik, niet worden betwijfeld, dat één enkele punt veel gevaarlijker zou zijn geweest dan een vertakt gewei, en Judge Caton die een groote ondervinding omtrent herten heeft, is het hierin geheel met mij eens. Ook schijnen de vertakte horens, hoewel hoogst belangrijk als verdedigingsmiddel tegen mededingende herten, voor dit doel niet volkomen geschikt te zijn, daar zij vatbaar zijn om in elkander verward te geraken. Het vermoeden is mij daarom in de gedachte gekomen, dat zij wellicht gedeeltelijk tot versiering dienden. Dat de vertakte horens van herten zoowel als de schoone liervormige horens van sommige antilopen, met hun bevallige dubbele bocht (Fig. 61) in onze oogen tot sieraad strekken, zal niemand betwisten. Indien dus de horens, gelijk de prachtige uitrusting der ridders van weleer, bijdragen tot het edel uiterlijk van herten en antilopen, kunnen zij gedeeltelijk voor dit doel, hoewel voornamelijk voor werkelijken dienst in den strijd, zijn gewijzigd; maar ik heb geen bewijzen voor deze meening.
Een belangwekkend geval is onlangs bekend gemaakt, waaruit schijnt te blijken, dat de horens van een hert in de Vereenigde Staten op dit oogenblik bezig zijn met door seksueele en natuurlijke teeltkeus een wijziging te ondergaan. Een schrijver in een uitstekend Amerikaansch tijdschrift [336] zegt, dat hij op zijn minst een-en-twintig jaar lang in de Adirondacks heeft gejaagd, waar het Virginische hert (Cervus Virginianus) overvloedig voorkomt. Omtrent veertien jaar geleden hoorde hij voor ’t eerst van spitshorenbokken („spikehorn bucks”) spreken. Deze werden van jaar tot jaar meer algemeen; omtrent vijf jaar geleden schoot hij er een, en later een tweeden, en tegenwoordig worden zij veelvuldig gedood. „De spitshoren verschilt zeer van het gewone gewei van C. Virginianus. Hij bestaat uit een enkele spits, slanker dan de gewone horens en nauwelijks half zoo lang, die van het voorhoofd naar voren uitsteekt en in een zeer scherpe punt eindigt. Hij geeft zijn bezitter een aanmerkelijk voordeel over den gewonen hertebok. Behalve dat hij dezen in staat stelt om vlugger door dichte wouden en het onderhout te loopen (iedere jager weet, dat hinden en eenjarige hertebokken veel sneller loopen dan de oude hertebokken, als deze met hun lastig gewei zijn gewapend), is de spitshoren een krachtiger wapen dan het gewone gewei. Met dit voordeel winnen de spitshorenbokken op de gewone hertebokken, en kunnen hen na verloop van tijd in de Adirondacks volkomen verdringen. Ongetwijfeld was de eerste spitshorenbok eenvoudig een toevallige speling der natuur. Zijn spitshorens gaven hem echter een voordeel en stelden hem in staat zijn eigenaardigheid voort te planten. Zijn nakomelingen hebben, daar zij het zelfde voordeel bezaten, de eigenaardigheid in een voortdurend klimmende reden voortgeplant, totdat zij langzaam de een gewoon gewei bezittende herten uit de streek die door hen wordt bewoond, verdrijven.”
Een criticus heeft tegen deze verklaring de scherpzinnige tegenwerping gemaakt, waarom, indien de eenvoudige horens nu zoo voordeelig zijn, het vertakte gewei van den stamvorm ooit tot ontwikkeling is gekomen? Hierop antwoord ik, dat een nieuwe wijze van aanval en nieuwe wapens een groot voordeel kunnen zijn, gelijk wordt aangetoond door het geval van de Ovis cycloceros die een gewonen ram die vermaard was om zijn kracht in het gevecht, aldus overwon. Hoewel het vertakte gewei van een hert goed geschikt is om met zijn medeminnaars te vechten, en ofschoon het wellicht voordeelig zou zijn voor de spitshoornige verscheidenheid (variëteit) om langzamerhand lange en vertakte horens te verkrijgen, indien zij alleen met anderen van de zelfde soort had te vechten, volgt hieruit toch in geenen deele, dat vertakte horens het beste middel zouden zijn om een anders gewapenden vijand te overwinnen. In het voorgaande geval van Oryx leucoryx is het bijna zeker, dat de overwinning zou worden behaald door een antilope die korte horens bezat en dus niet noodig had neêr te knielen, hoewel het voor een Oryx voordeelig zou kunnen zijn om nog langer horens te bezitten, als hij alleen met mededingers van zijn eigen soort vocht.
Mannelijke viervoetige dieren die van slagtanden zijn voorzien, gebruiken hen op onderscheidene wijzen, evenals met horens het geval is. Het mannelijke wilde zwijn stoot er zijdelings en naar boven mede, het muskusdier met ernstig gevolg naar beneden. [337] De walrus kan, hoewel hij zulk een korten hals en zulk een log lichaam heeft, „met evenveel behendigheid, hetzij naar boven, of naar beneden, of zijdelings stooten.” [338] De Indische olifant vecht, naar mij wijlen Dr. Falconer heeft medegedeeld, al naar de stelling en de kromming zijner slagtanden, op een verschillende wijze. Als zij naar voren en naar boven zijn gericht, is hij in staat een tijger op aanzienlijken afstand voort te slingeren—men zegt zelfs tot negen meter ver; als zij kort en naar beneden zijn gekeerd, tracht hij den tijger plotseling aan den grond te nagelen, en is derhalve gevaarlijk voor zijn berijder, die kans heeft uit zijn hoedah te worden geworpen. [339]
Zeer weinige mannelijke zoogdieren bezitten wapenen van twee verschillende soorten, bijzonder ingericht om met mededingende mannetjes te vechten. Het mannelijk muntjac-hert (Cervulus) maakt hierop echter een uitzondering, daar hij van horens en van uitstekende hoektanden is voorzien. Doch de eene vorm van wapen is dikwijls in den loop der eeuwen door een anderen vorm vervangen, zooals wij mogen afleiden uit hetgeen volgt. Bij Herkauwende Dieren staat de ontwikkeling van horens over het algemeen in omgekeerde reden met die van zelfs slechts matig ontwikkelde hoektanden. Zoo zijn de kameelen, wilde lama’s, dwergherten en muskusdieren hoornloos, en zij hebben werkzame hoektanden die „bij de wijfjes altijd kleiner zijn dan bij de mannetjes.” De Camelidae hebben in haar bovenkaken, behalve haar ware hoektanden, nog een paar hoektandvormige snijtanden. [340] Mannelijke herten en antilopen daarentegen bezitten horens, en zij hebben zelden hoektanden; en deze zijn, wanneer zij voorhanden zijn, altijd van geringe grootte, zoodat het twijfelachtig is, of zij bij hun gevechten van eenigen dienst zijn. Bij Antilope montana bestaan zij alleen als rudimenten bij het jonge mannetje en verdwijnen, als hij oud wordt; en zij ontbreken bij het wijfje op alle leeftijden; doch bij de wijfjes van sommige andere antilopen heeft men waargenomen, dat zij nu en dan rudimenten van deze tanden vertoonen. [341] Hengsten hebben kleine hoektanden die bij de merrie hetzij geheel ontbreken of rudimentair zijn; maar zij schijnen bij het vechten niet te worden gebruikt; want hengsten bijten met hun snijtanden en doen hun bekken niet wijd open gelijk kameelen en wilde lama’s. In alle gevallen waarin het mannetje hoektanden in een tegenwoordig niet werkzamen staat bezit, terwijl het wijfje er òf in het geheel geen òf eenvoudig rudimenten er van bezit, mogen wij besluiten, dat de vroegere mannelijke stamvader van de soort van werkzame hoektanden was voorzien, die gedeeltelijk op het wijfje waren overgebracht. Het kleiner worden van deze tanden bij de mannetjes schijnt het gevolg te zijn geweest van eenige verandering in hun wijze van vechten, dikwijls (maar niet in het geval van het paard) veroorzaakt door de ontwikkeling van nieuwe wapenen.