Chapter 5 of 38 · 3793 words · ~19 min read

Part 5

Het is zeker, dat er tusschen de mannetjes ten opzichte van het zingen eene hooge mate van naijver bestaat. Liefhebbers van vogels gaan weddenschappen aan, wiens vogel het langst zal zingen, en de heer Yarrell deelde mij mede, dat een zangvogel van den eersten rang somtijds zal zingen, tot hij nagenoeg dood of, volgens Bechstein [97], geheel en al dood nedervalt, wegens het breken van een vat in de longen. Wat er ook de oorzaak van moge zijn, mannelijke vogels sterven, gelijk ik van den heer Weir hoor, dikwijls plotseling gedurende het jaargetijde van den zang. Dat de gewoonte van te zingen somtijds geheel onafhankelijk van de liefde is, is duidelijk; want men heeft opgeteekend [98], dat een onvruchtbare bastaard (hybride) van een kanarievogel zong, toen hij zich zelf in een spiegel zag, en daarop op zijn eigen beeld toeschoot; hij viel eveneens met woede aan op een vrouwelijke kanarie, toen deze in de zelfde kooi werd gezet. Van de ijverzucht, door het zingen opgewekt, maken de vogelvangers voortdurend gebruik; een mannetje dat goed zingt, wordt verborgen en beschermd, terwijl een opgezette vogel, omringd van met lijm besmeerde twijgen, aan het gezicht wordt blootgesteld. Op deze wijze heeft een man, gelijk de heer Weir mij mededeelt, in den loop van een enkelen dag vijftig, en eens zeventig mannelijke vinken gevangen. Het vermogen en de neiging om te zingen verschillen bij de vogels zoozeer, dat, hoewel de prijs van een gewonen mannelijken vink slechts zes stuivers is, de heer Weir éénen vogel zag, voor welken de vogelvanger zes-en-dertig gulden vroeg; terwijl de proef, of een vogel werkelijk een goed zanger is, daarin bestaat, dat hij moet doorgaan met zingen, wanneer de kooi rondom het hoofd van den eigenaar wordt gezwaaid.

Dat vogels evengoed uit naijver zouden zingen als om het wijfje te bekoren, is niet geheel onvereenigbaar; en men kon inderdaad verwachten, dat dit te zamen zou gaan, evenals versiering en strijdlustigheid. Sommige schrijvers echter beweren, dat de zang van het mannetje niet kan dienen om het wijfje te bekoren, daar de wijfjes van eenige weinige soorten, zooals de kanarievogel, het roodborstje, de leeuwerik en de goudvink, vooral, gelijk Bechstein opmerkt, wanneer zij in den weduwenstaat verkeeren, zeer welluidende tonen voortbrengen. In sommige van deze gevallen kan de gewoonte om te zingen gedeeltelijk daaraan worden toegeschreven, dat de wijfjes sterk zijn gevoed en opgesloten [99]; want hierdoor komt er storing in al de gewone, met de voortplanting der soort in verband staande functies. Reeds vele voorbeelden zijn gegeven van de gedeeltelijke overbrenging van secundaire mannelijke kenmerken op het wijfje, zoodat het volstrekt niet is te verwonderen, als de wijfjes van sommige soorten het vermogen bezitten om te zingen. Men heeft ook beweerd, dat het gezang van het mannetje niet als een bekoring kan dienen, omdat de mannetjes van sommige soorten, van het roodborstje bij voorbeeld, gedurende den herfst zingen. [100] Niets is echter meer gewoon, dan dat dieren behagen scheppen om aan het instinkt gehoor te geven, dat zij op een anderen tijd met eenig wezenlijk nuttig doel volgen. Hoe dikwijls zien wij vogels die gemakkelijk vliegen, klaarblijkelijk voor hun genoegen door de lucht glijden en zeilen. De kat speelt met de gevangen muis en de waterraaf (cormorant) met den gevangen visch. De wevervogel (Ploceus) vermaakt zich, als hij in een kooi is opgesloten, met netjes bladeren van gras tusschen de traliën van zijn kooi te weven. Vogels die gewoon zijn gedurende den paartijd te vechten, zijn over het algemeen op alle tijden bereid om te vechten; en de groote auerhanen houden soms hun balzen of leks op de gewone vergaderplaats gedurende den herfst. [101] Het is dus volstrekt niet te verwonderen, als mannelijke vogels voortgaan met voor hun eigen genoegen te zingen, als het jaargetijde der liefde voorbij is.

Zingen is tot op zekere hoogte, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, een kunst, en wordt door oefening veel verbeterd. Men kan vogels onderscheidene deuntjes leeren en zelfs de onwelluidende huismusch heeft men geleerd om als een kneutje te zingen. Zij verkrijgen den zang van hun pleegvaders [102] en somtijds dien van hun naburen. [103] Alle gewone zangvogels behooren tot de Orde der Roestvogels (Insessores), en hun stemorganen zijn veel samengestelder dan die van de meeste andere vogels; toch is het een vreemd feit, dat sommige Roestvogels (Insessores), zooals raven, kraaien en eksters, de tot zingen dienende inrichting bezitten [104], hoewel zij nimmer zingen, en in den natuurstaat hun stemmen niet in eenigszins groote mate wijzigen. (2) Hunter verzekert [105], dat bij de ware zangvogels de spieren van het strottenhoofd (larynx) (3) bij de mannetjes sterker zijn dan bij de wijfjes; maar op deze geringe uitzondering na is er geen verschil tusschen de stemorganen der beide seksen, hoewel de mannetjes der meeste soorten zooveel beter en aanhoudender zingen dan de wijfjes.

Het is opmerkelijk, dat alleen kleine vogels eigenlijk zingen. Het Australische geslacht Menura moet hiervan echter worden uitgezonderd; want de Menura Alberti die omtrent de grootte van een half volwassen kalkoen heeft, bootst niet slechts andere vogels na, maar zijn eigen gefluit is ook uiterst fraai en afwisselend. De mannetjes komen samen en vormen „verlustigingsplaatsen”, waar zij zingen, hun staarten omhoog stekende en uitspreidende gelijk pauwen. [106] Het is ook merkwaardig, dat de vogels die zingen, zelden met schitterende kleuren of andere sieraden zijn versierd. Van onze Britsche vogels zijn, met uitzondering van den goudvink en den distelvink, de beste zangers effen gekleurd. De ijsvogel, bijenvreter (4), hop, spechten, enz., brengen krijschende geluiden voort; en de schitterende vogels der keerkringslanden zijn bijna nooit zangers. [107] Schitterende kleuren en vermogen om te zingen schijnen elkander dus te vervangen. Wij kunnen begrijpen, dat, als er bij het gevederte geen afwijkingen in levendigheid van kleur voorkwamen, of als levendige kleuren gevaarlijk waren voor de soort, andere middelen moesten worden gebruikt om de wijfjes te bekoren; en het welluidend worden van de stem zou een dergelijk middel aanbieden.

Bij sommige vogels verschillen de stemorganen zeer bij de twee seksen. Bij het prairiehoen (Tetrao cupido, Fig. 25) heeft het mannetje twee naakte, oranjekleurige zakken, aan elke zijde van den hals één; en deze worden sterk opgeblazen, als het mannetje gedurende den paartijd een vreemdsoortig hol geluid voortbrengt, dat op grooten afstand hoorbaar is. Audubon bewees, dat het geluid in nauw verband staat met dezen toestel die ons herinnert aan de luchtzakken aan beide zijden van den bek van de mannetjes van sommige kikvorschen; want hij bevond, dat het geluid veel verminderde, als men in een der zakken van een tammen vogel een prik gaf, en dat het bijna geheel ophield, als men in beide een prik gaf. Het wijfje heeft „een omtrent gelijksoortige, hoewel kleinere, met een naakte huid bedekte plek aan den hals, doch deze is niet voor opblazing vatbaar.” [108] Bij het mannetje van een andere soort van Boschhoen (Tetrao urophasianus) is, als hij het wijfje het hof maakt, zijn naakte gele slokdarm (oesophagus) opgeblazen tot een verbazende grootte, daar hij ten volle half zoo groot is als het lichaam; en hij brengt dan onderscheidene knarsende, lage, holle tonen voort. Met recht opstaande nekvederen, de vleugels naar beneden houdende en over den grond schurende, en zijn langen puntigen staart als een waaier uitspreidende, pronkt hij in alle potsierlijke houdingen. De slokdarm van het wijfje vertoont volstrekt niets opmerkelijks. [109]

Het schijnt thans met zekerheid te zijn uitgemaakt, dat de groote keelzak van het mannetje van de Europeesche groote trapgans (Otis tarda) en van ten minste vier andere soorten niet dient om water op te nemen, zooals men vroeger veronderstelde; maar dat hij in verband staat met een bijzonder geluid dat gedurende den paartijd wordt voortgebracht en op de lettergreep „ok” gelijkt. Als de vogel dit geluid voortbrengt, neemt hij de meest buitengewone houdingen aan. Het is een vreemd feit, dat bij de mannetjes van de zelfde soort de zak niet bij alle individu’s is ontwikkeld. [110] Een op een kraai gelijkende vogel die Zuid-Amerika bewoont (Cephalopterus ornatus, Fig. 26), wordt de Regenschermvogel genoemd wegens zijn verbazend groote kuif, bestaande uit naakte witte schachten die van boven in donkerblauwe vederen eindigen, die hij overeind kan zetten tot een groot koepeldak van niet minder dan 12½ centimeter middellijn, dat den geheelen kop bedekt. Deze vogel heeft aan den hals een lang, dun, cylindervormig, vleeschachtig aanhangsel dat dicht met op schubben gelijkende, blauwe vederen is bedekt. Het dient waarschijnlijk gedeeltelijk tot versiering, maar gedeeltelijk ook tot een resoneerenden toestel; want de heer Bates bevond, dat het in verband staat „met een ongewone ontwikkeling van de luchtpijp (trachea) en de stemorganen.” Het zet zich uit, wanneer de vogel zijn verwonderlijk lagen, luiden en lang aanhoudenden fluitenden toon voortbrengt. De kuif en het halsaanhangsel zijn bij het wijfje rudimentair. [111]

De stemorganen van onderscheidene Zwemvogels en Moerasvogels zijn buitengewoon samengesteld en verschillen tot op zekere hoogte bij beide seksen. In sommige gevallen is de luchtpijp (trachea) gewonden als een jachthoren en diep in het borstbeen (sternum) ingesloten. Bij de wilde zwaan (Cygnus ferus) is zij bij het volwassen mannetje dieper ingesloten dan bij het wijfje of het jonge mannetje. Bij het mannetje van den grooten zaagbek (Merganser) is het verbreede gedeelte van de luchtpijp van een bijkomend (additioneel) paar spieren voorzien. [112] De beteekenis van deze verschillen tusschen de seksen van vele Eendachtige Vogels (Anatidae) is echter geheel onbekend; want het mannetje bezit niet altijd de luidste stem; zoo sist het mannetje bij de gewone eend, terwijl het wijfje luide kwaakt. [113] Bij beide seksen van een van de Kraanvogels (Grus virgo) dringt de luchtpijp in het borstbeen door, maar vertoont „zekere seksueele wijzigingen.” Bij het mannetje van den zwarten ooievaar bestaat er ook een goed uitgedrukt seksueel verschil in de lengte en buiging van de longpijpen (bronchi). [114] Zoodat in deze gevallen hoogst belangrijke organen volgens de sekse zijn gewijzigd.

Het is dikwijls moeilijk te gissen, of de vele vreemde geluiden en tonen, door de mannelijke vogels gedurende den paartijd voortgebracht, dienen om de wijfjes te bekoren of alleen om haar te roepen. Het zacht gekir van de tortelduif en van vele duiven mag men vermoeden, dat aan de wijfjes behaagt. Als het wijfje van den wilden kalkoen in den morgen haar roepstem doet hooren, antwoordt het mannetje met een geluid dat verschilt van dat hetwelk hij maakt, wanneer hij met opgezette vederen, ruischende vleugels en opgezwollen vleeschlappen voor haar blaast en pronkt. [115] Het „spel” van den korhaan dient ontwijfelbaar om het wijfje te roepen; want het is bekend, dat daardoor vier of vijf hennen van een afstand zijn gelokt naar een gevangen haan; maar daar de korhaan zijn „spel” uren lang gedurende een reeks van dagen voortzet, en in het geval van den grooten auerhaan „met een uitersten hartstocht” („with an agony of despair”), worden wij er toe gebracht om te veronderstellen, dat de hennen die reeds tegenwoordig zijn, daardoor worden bekoord. [116] Het is bekend, dat de stem van den gewonen roek gedurende den paartijd verandert en daarom op de eene of andere wijze met de sekse samenhangt. [117] Wat zullen wij echter zeggen van het krijschende geschreeuw van, bij voorbeeld, sommige soorten van papegaaien; hebben deze vogels een even slechten smaak voor muzikale tonen, als zij blijkbaar voor kleuren hebben, te oordeelen naar het onharmonische contrast van hun geel en blauw gevederte? Het is inderdaad mogelijk, dat de luide stemmen van vele mannelijke vogels het gevolg zijn, zonder dat daardoor eenig voordeel werd verkregen, van de overgeërfde gevolgen van het voortdurend gebruik van hun stemorganen, als zij worden opgewekt door de sterke hartstochten van liefde, ijverzucht en toorn; op dit punt zullen wij echter moeten terugkomen, als wij de viervoetige dieren behandelen.

Wij hebben tot dusverre slechts van de stem gesproken, maar de mannetjes van onderscheidene vogels voeren gedurende hun vrijage iets uit, dat instrumentale muziek kan worden genoemd. Pauwen en Paradijsvogels rammelen met de schachten der vederen tegen elkander en de trillende beweging dient blijkbaar slechts om geluid voort te brengen; want zij kan moeilijk de schoonheid van hun gevederte verhoogen. Kalkoensche hanen schuren hun vleugels tegen den grond, en sommige soorten van Boschhoenders brengen op die wijze een gonzend geluid voort. Een ander Noord-Amerikaansch Boschhoen, de Tetrao umbellus, klopt, wanneer hij, met opgezetten staart en met zijn halskraag pronkende, „zijn opschik laat bewonderen door de wijfjes die in de nabuurschap verborgen liggen”, snel met zijn „naar beneden gehouden vleugels tegen den stam van een omgevallen boom”, of volgens Audubon, tegen zijn eigen lichaam; het aldus voortgebrachte geluid wordt door sommigen met een verwijderden donder en door anderen met een snellen roffel op een trommel vergeleken. Het wijfje trommelt nooit, „maar vliegt dadelijk naar de plaats, waar het mannetje daarmede bezig is.” In het Himalaya-gebergte „maakt” het mannetje van de Kalij-fazant „dikwijls met zijn vleugels een eigenaardig trommelend geluid, niet ongelijk aan dat hetwelk wordt voortgebracht door een stijf stuk doek heên en weder te schudden.” Op de westkust van Afrika verzamelen zich de kleine wevervogels (Ploceus?) in een klein troepje in het kreupelhout rondom een kleine open plaats, en zingen en glijden door de lucht met trillende vleugels „die een snel ratelend geluid maken, gelijk een kindertafel.” De eene vogel voor, de andere na, gaan hiermede gezamenlijk uren lang door, maar alleen gedurende den paartijd. In dat zelfde jaargetijde maken de mannetjes van sommige Nachtzwaluwen (Caprimulgus) een zeer vreemd geluid met hun vleugels. De onderscheidene soorten van Spechten pikken met hun snavels tegen een schelklinkenden tak, en maken daarbij een zoo snelle trillende beweging, „dat de kop op twee plaatsen tegelijk schijnt te zijn.” Het aldus voortgebrachte geluid is op aanmerkelijken afstand hoorbaar, maar kan niet worden beschreven; en ik houd mij overtuigd, dat de oorzaak daarvan nooit zou worden vermoed door iemand die het voor de eerste maal hoorde. Daar dit trillende geluid voornamelijk gedurende den paartijd wordt gemaakt, heeft men het voor een liefde-zang gehouden; maar het is wellicht eigenlijk meer een liefde-roepstem. Men heeft waargenomen, dat het wijfje, als zij uit haar nest werd gejaagd, op die wijze haar mannetje riep, die op de zelfde wijze antwoordde en weldra voor den dag kwam. De hop (Upupa epops) eindelijk vereenigt vocale en instrumentale muziek; want gedurende den paartijd ademt deze vogel, gelijk de heer Swinhoe zag, eerst lucht in, klopt daarna met den bek loodrecht omlaag tegen een steen of boomstam, „en dan brengt de uitgeademde, door den kogelvormigen snavel geperste lucht den juisten toon voort.” Als het mannetje geluid maakt zonder met zijn bek te kloppen, is de toon geheel verschillend. [118]

In de voorgaande gevallen worden geluiden voortgebracht met behulp van deelen die toch bestaan en voor andere doeleinden noodzakelijk zijn; maar in de volgende gevallen zijn zekere vederen bijzonder gewijzigd met het uitdrukkelijke doel om de geluiden voort te brengen. Het trommelende, of blatende, of hinnikende, of donderende geluid, zooals het door verschillende waarnemers wordt uitgedrukt, dat door de gewone watersnip (Scolopax gallinago) wordt gemaakt, moet iedereen hebben verwonderd, die het ooit heeft gehoord. De vogel vliegt, gedurende den paartijd, tot „een hoogte van wellicht duizend voet”, en na een tijd lang in zigzag heên en weder te hebben gevlogen, daalt hij volgens een gebogen lijn, met uitgespreiden staart en trillende vleugels, met verwonderlijke snelheid naar de aarde neder. Het geluid wordt alleen gedurende deze snelle nederdaling voortgebracht. Niemand was in staat de oorzaak te verklaren, totdat de heer Meves opmerkte, dat de buitenste vederen aan elke zijde van den staart een bijzonderen vorm hebben (Fig. 27), daar zij een stijve sabelvormige schacht bezitten, met schuinsche baarden van ongewone lengte, terwijl de vlaggen sterk met elkander zijn verbonden. Hij bevond, dat hij door op deze vederen te blazen of door ze aan een langen dunnen stok vast te maken en ze snel door de lucht te zwaaien, het trommelend geluid, door den levenden vogel gemaakt, volkomen kon nabootsen. Beide seksen zijn van deze vederen voorzien; maar zij zijn over het algemeen grooter bij het mannetje dan bij het wijfje, en geven bij het eerste een lager toon. Bij sommige soorten, zooals bij S. frenata (Fig. 28), zijn vier vederen, en bij S. javensis (Fig. 29) niet minder dan acht vederen aan elken kant van den staart sterk gewijzigd. De vederen van verschillende soorten geven, als zij door de lucht worden gezwaaid, verschillende tonen; de Scolopax Wilsonii van de Vereenigde Staten maakt een zwiepend geluid, als hij met snelheid naar de aarde nederdaalt. [119]

Bij het mannetje van Chamaepetes unicolor (een groote Hoenderachtige Vogel van Amerika) is de eerste primaire slagpen van den vleugel naar het einde toe gebogen en veel dunner dan bij het wijfje. Bij een verwanten vogel, de Penelope nigra, nam de heer Salvin een mannetje waar, dat, terwijl hij naar beneden vloog met uitgestrekte vleugels, een soort van krakend, ruischend geluid maakte, gelijk dat van een boom die omvalt. [120] Alleen bij het mannetje van de Indische trapganzen (Sypheotides auritus) loopen de primaire slagpennen van de vleugels zeer puntig toe; en het is bekend, dat het mannetje van een verwanten vogel een gonzend geluid voortbrengt, terwijl hij aan het wijfje het hof maakt. [121] Bij een zeer verschillende groep van vogels, namelijk de Kolibri’s, zijn alleen bij de mannetjes van sommige soorten de schachten van hun primaire vleugelslagpennen sterk verbreed of de vlaggen plotseling naar het uiteinde toe uitgesneden. Bij het mannetje van Selasphorus platycercus is, bij voorbeeld, als hij volwassen is, de eerste primaire vleugelslagpen (Fig. 30) op die wijze uitgesneden. Terwijl hij van bloem tot bloem vliegt, maakt hij „een schril bijna fluitend geluid” [122]; maar het scheen den heer Salvin toe, dat dit geluid niet met opzet werd gemaakt.

Bij onderscheidene soorten van een ondergeslacht van Pipra of Manakin eindelijk zijn de secundaire vleugel-slagpennen bij de mannetjes op nog opmerkelijker wijze gewijzigd, zooals door den heer Sclater is beschreven. Bij de schitterend gekleurde P. deliciosa hebben de drie eerste secundaire vleugel-slagpennen dikke schachten en zijn naar het lichaam toe gekromd; bij de vierde en vijfde (Fig. 32) is de verandering grooter en bij de zesde (Fig. 33) en zevende (Fig. 34) „is de schacht in buitengewone mate verdikt, zoodat zij een stevigen, hoornachtigen klomp vormt.” Ook de vlag is geheel van gedaante veranderd, in vergelijking met de overeenkomstige slagpennen (Fig. 35, 36, 37) van het wijfje. Zelfs de beenderen van den vleugel, die deze vreemde slagpennen bij het mannetje ondersteunen, zijn, volgens den heer Fraser, zeer verdikt. Deze kleine vogels maken een buitengewoon geluid, waarvan de eerste „hooge noot niet ongelijk is aan een zweepslag.” [123]

De verscheidenheid van de geluiden, zoowel vocale als instrumentale, door de mannetjes van vele soorten gedurende den paartijd voortgebracht, en de verscheidenheid van de middelen om die geluiden voort te brengen, zijn hoogst opmerkelijk. Wij krijgen daardoor een hoog denkbeeld van haar belangrijkheid voor seksueele doeleinden, en worden herinnerd aan het zelfde besluit ten opzichte van Insekten. Het is niet moeilijk zich de trappen voor te stellen, door welke de noten van een vogel, oorspronkelijk eenvoudig gebruikt als een roepstem of voor eenig ander doel, zouden kunnen zijn verbeterd tot een welluidenden liefdezang. Dit is iets moeilijker in het geval van de gewijzigde vederen, waardoor de trommelende, fluitende of bulderende geluiden worden voortgebracht. Wij hebben echter gezien, dat sommige vogels gedurende hun vrijage hun ongewijzigde vederen doen fladderen, schudden of tegen elkander doen ratelen; en indien de wijfjes er toe kwamen hen die dit het best deden, voor de paring uit te kiezen, zouden de mannetjes die op een of ander deel van het lichaam de sterkste of dikste, of het spitst toeloopende vederen bezaten, het best slagen; en zoo zouden door langzame overgangstrappen de vederen in bijna elken graad kunnen zijn gewijzigd. De wijfjes zouden natuurlijk niet elke geringe opeenvolgende verandering van vorm, maar alleen de daardoor voortgebrachte geluiden opmerken. Het is een merkwaardig feit, dat, in de zelfde Klasse van dieren, geluiden zoo verschillend als het getrommel van den staart van de snip, het getik van den snavel van den specht, het krijschende, op het geluid van een trompet gelijkende geschreeuw van sommige watervogels, het gekir van de tortelduif en het gezang van den nachtegaal alleen aan de wijfjes van de onderscheidene soorten zou behagen. Wij moeten echter den smaak van verschillende soorten niet naar den zelfden maatstaf afmeten, en ook niet afmeten naar den maatstaf van den mensch. Zelfs bij den mensch moeten wij bedenken, welke wanluidende tonen, het slaan op tamtams en de schrille noten van rietfluitjes, aan de ooren van wilden behagen. Sir S. Baker merkt op [124], dat „evenals de maag van een Arabier de voorkeur geeft aan het rauwe vleesch en de dampende lever, van het nog warme dier afgesneden, zijn oor ook aan zijn even ruwe wanluidende muziek boven elke andere de voorkeur geeft.”

Liefde-Vertooningen en Dansen.—Van de merkwaardige liefdegebaren van sommige vogels, vooral van de Hoenderachtigen (Gallinaceae) is reeds hier en daar gesproken, zoodat er slechts weinig behoeft te worden bijgevoegd. In Noordelijk Amerika verzamelen zich zekere Bosch-hoenders (Tetrao phasianellus) gedurende den paartijd elken morgen in groote menigte op een daartoe gekozen vlakke plaats, en loopen daar voortdurend in de rondte in een cirkel van ongeveer 15 of 20 voet middellijn, zoodat de grond geheel kaal is gesleten, gelijk een heksenkring. Bij deze „Patrijzendansen”, zooals zij door de jagers worden genoemd, nemen de vogels de vreemdsoortigste houdingen aan, en loopen rond, sommige van rechts naar links, andere in de tegenovergestelde richting. Audubon beschrijft de mannetjes van zekere reigersoort (Ardea herodias), die op hun lange pooten met groote waardigheid voor de wijfjes heên en weder loopen, en zoo hun mededingers uitdagen. Van een van de walgelijke Aasgieren (Cathartes jota) getuigt de zelfde natuuronderzoeker, dat „de gebaren en de parade van het mannetje in ’t begin van het jaargetijde der liefde uiterst grappig zijn.” Sommige vogels voeren hun liefdevertooningen uit in de lucht, in plaats van op den grond, zooals wij bij den zwarten Afrikaanschen wevervogel hebben gezien. Gedurende de lente verheft zich onze kleine inlandsche grasmusch (Sylvia cinerea) dikwijls eenige weinige voeten of ellen boven het kreupelhout in de lucht en „fladdert met een afwisselende en fantastische beweging, gedurig zingende, rond, en daalt daarna weder neêr op den tak waarop zij zat.” De groote Engelsche trapgans neemt onbeschrijfelijk koddige houdingen aan, terwijl hij het wijfje het hof maakt, gelijk hij door Wolf is afgebeeld. Een verwante Indische trapgans (Otis bengalensis) verheft zich daarbij loodrecht in de lucht, snel met zijn vleugels klepperende, zijn kuif overeind doende rijzen en de vederen van zijn nek en borst opzettende, en daalt daarna weder op den grond neder; hij herhaalt die beweging achtereenvolgens verscheidene malen, tegelijkertijd een bijzonder geluid makende. De wijfjes die toevallig in de nabijheid zijn, „gehoorzamen aan deze springlustige oproeping”, en als zij naderen, laat hij zijn vleugels zakken, en spreidt zijn staart uit gelijk een kalkoensche haan. [125]