Part 29
Bij onderscheidene Noord-Amerikaansche stammen groeit het hoofdhaar tot een verwonderlijke lengte; en Catlin geeft een merkwaardig bewijs, hoe hoog dit wordt geschat; want het opperhoofd der Kraai-Indianen werd tot zijn ambt verkozen, omdat hij het langste haar van alle mannen van den stam had; het was namelijk 3,22 meter lang. De Aymara’s en Quichua’s van Zuid-Amerika hebben eveneens zeer lang haar; en dit wordt, gelijk de heer D. Forbes mij mededeelt, wegens de schoonheid zoo hoog gewaardeerd, dat het afsnijden er van de strengste straf was, die hij hun op kon leggen. Op beide helften van het vasteland vermeerderen de inboorlingen somtijds de schijnbare lengte van hun haar door er vezelige stoffen doorheên te vlechten. Hoewel het haar op het hoofd dus bemind is, wordt dat op het gelaat door de Noord-Amerikaansche Indianen „voor zeer gemeen” gehouden en elk haartje zorgvuldig uitgetrokken. Dit gebruik heerscht door het geheele Amerikaansche vasteland heen van Vancouver’s Eiland in het noorden tot Vuurland in het zuiden. Toen York Minster, een Vuurlander aan boord van de „Beagle”, naar zijn land werd teruggebracht, zeiden hem de inboorlingen, dat hij de weinige korte haren op zijn aangezicht moest uittrekken. Zij dreigden ook een jongen zendeling die voor een tijd lang bij hen was gelaten, hem naakt uit te kleeden en de haren van zijn aangezicht en lichaam uit te trekken, en toch was hij lang geen harig man. Deze mode werd tot zulk een uiterste gedreven, dat de Indianen van Paraguay hun wenkbrauwen en oogharen uittrekken, zeggende, dat zij niet op paarden wenschen te gelijken. [477]
Het is opmerkelijk, dat door de geheele wereld heên de rassen die bijna volstrekt geen baard hebben, haren op het aangezicht en het lichaam leelijk vinden, en zich moeite geven om ze uit te trekken. De Kalmukken zijn baardeloos, en het is welbekend, dat zij, evenals de Amerikanen, de enkele haartjes die zich hier of daar nog vertoonen, uittrekken; en evenzoo gaat het bij de Polynesiërs, sommige Maleiers en de Siameezen. De heer Veitch zegt, dat de Japansche vrouwen „allerlei bedenkingen maakten tegen onze bakkebaarden, die voor zeer leelijk hielden, en ons raadden ze af te scheren en er als Japansche mannen uit te zien.” De Nieuw-Zeelanders zijn baardeloos; zij plukken zich zorgvuldig de haren uit het gelaat, en hebben een spreekwoord dat luidt: „Er is geen vrouw voor een harig man.” [478]
Gebaarde rassen daarentegen bewonderen hun baarden en waardeeren ze hoog; bij de Angelsaksers had ieder deel van het lichaam volgens hun wetten een erkende waarde; „het verlies van den baard werd op twintig shilling (ƒ 12) geschat, terwijl op het breken van het dijbeen slechts twaalf shilling (ƒ 7,20) stond.” [479] In het Oosten zweren de mannen plechtig bij hun baard. Wij hebben gezien, dat Chinsurdi, het opperhoofd van Makalolo in Afrika, blijkbaar dacht, dat baarden een groote versiering waren. Bij de Fidsji-eilanders in den Stillen Oceaan is de baard „welig en ruig en is hun grootste trots”; terwijl de bewoners van de naburige archipels van Tonga en Samoa „baardeloos zijn en een ruige kin verafschuwen.” Alleen op één eiland van de Ellice-groep „zijn de mannen sterk gebaard en niet weinig trotsch daarop.” [480]
Wij zien dus, hoezeer de verschillende menschenrassen in hun smaak voor het schoone verschillen. Bij iedere natie, ontwikkeld genoeg om afbeeldingen van haar goden of tot goden verheven wetgevers te maken, hebben de beeldhouwers hun best gedaan om hun hoogste ideaal van schoonheid en grootheid uit te drukken. [481] Uit dit oogpunt is het nuttig in onzen geest den Jupiter of Apollo der Grieken met de Egyptische of Assyrische beelden, en deze op hun beurt met de afzichtelijke bas-reliefs op de verwoeste gebouwen van Centraal-Amerika te vergelijken.
Ik heb zeer weinig opgaven ontmoet, die met het bovenvermelde besluit in strijd waren. De heer Winwood Reade die ruimschoots gelegenheid tot waarneming heeft gehad, niet alleen op de Negers van de Westkust van Afrika, maar ook op die uit de binnenlanden, is overtuigd, dat hun denkbeelden van schoonheid over het geheel de zelfde zijn als de onze. Hij heeft herhaaldelijk bevonden, dat hij met de Negers overeenkwam in hun waardeering van de schoonheid der inlandsche meisjes, en dat hun oordeel over de schoonheid van Europeesche vrouwen niet van het onze afweek. Zij bewonderen lang haar en gebruiken kunstmiddelen om het overvloedig te doen schijnen; zij bewonderen ook een baard, hoewel zij zelf zeer spaarzaam daarvan zijn voorzien. De heer Reade is in twijfel, welke soort van neus het hoogst wordt geschat; men heeft een meisje hooren zeggen: „ik heb geen zin met hem te trouwen, hij heeft geen neus”; en dit bewijst, dat een zeer platte neus geen voorwerp van bewondering is. Wij moeten echter bedenken, dat de zeer platte en breede neuzen en vooruitstekende kaken van de Negers van de Westkust exceptioneele typen bij de inwoners van Afrika zijn. Niettegenstaande de voorgaande opgaven, houdt de heer Reade het niet voor waarschijnlijk, dat negers ooit „aan de schoonste Europeesche vrouw bloot op grond van physieke bewondering boven een negerin die er goed uitzag, de voorkeur zouden geven” [482].
De waarheid van het beginsel waarop Humboldt reeds voor langen tijd met aandrang heeft gewezen [483], dat de mensch alle kenmerken, welke ook, die de natuur hem heeft gegeven, bewondert en tracht te overdrijven, wordt op vele wijzen aangetoond. De gewoonte van baardelooze rassen om elk spoor van een baard en over het algemeen ook alle haren op het lichaam uit te trekken, levert daarvan een voorbeeld op. De schedel is gedurende oude en nieuwe tijden door vele volken zeer gewijzigd; en er kan weinig twijfel bestaan, dat dit, vooral in Noord- en Zuid-Amerika, is gedaan om de eene of andere natuurlijke en bewonderde bijzonderheid te overdrijven. Het is bekend, dat vele Amerikaansche Indianen een hoofd bewonderen, hetwelk in zoo hooge mate is afgeplat, dat het ons op dat van een idioot schijnt te gelijken. De inboorlingen aan de Noord-Westkust drukken het hoofd in den vorm van een puntigen kegel samen, en het is hun standvastige gewoonte het haar in een knoop op de kruin van het hoofd bijeen te zamelen, om zoo, gelijk Dr. Wilson opmerkt, „de schijnbare hoogte van den geliefden kegelvorm te vergrooten.” De bewoners van Arakhan „bewonderen een breed, glad voorhoofd, en om dat voort te brengen, bevestigen zij een looden plaat op het voorhoofd hunner pasgeboren kinderen.” Bij de Fidsji-eilanders daarentegen „wordt een breed, goed afgerond voorhoofd als een groote schoonheid beschouwd.” [484]
Evenals met den schedel, is het ook met den neus; de oude Hunnen gedurende den tijd van Attila waren gewoon de neuzen van hun kinderen door middel van verbanden plat te maken, „om daardoor een hun van nature eigen kenmerk te overdrijven.” Bij de bewoners van Otaheite wordt de naam langneus als een beleediging beschouwd, en zij drukken de neuzen en voorhoofden hunner kinderen ter wille der schoonheid samen. Evenzoo is het bij de Maleiers van Sumatra, de Hottentotten, sommige Negers, en de inboorlingen van Brazilië. [485] De Chineezen hebben van nature buitengewoon kleine voeten [486]; en het is welbekend, dat de vrouwen van de hoogere klassen haar voeten misvormen om ze nog kleiner te maken (11). Eindelijk denkt Humboldt, dat de Amerikaansche Indianen hun lichamen daarom gaarne met roode verf besmeren om hun natuurlijke kleur te overdrijven; en tot voor korten tijd verhoogden Europeesche vrouwen haar natuurlijke levendige kleuren door middel van rood en wit blanketsel; maar ik betwijfel, of vele barbaarsche volken eenige dergelijke bedoeling hebben gehad, als zij zich beschilderden.
In de modes van onze eigen kleeding zien wij juist het zelfde beginsel en den zelfden wensch om elk punt tot een uiterste te drijven; ook wij geven blijken van den zelfden geest van wedijver. De modes der wilden zijn echter veel bestendiger dan de onze; en in alle gevallen waarin hun lichaam kunstmatig wordt gewijzigd, moet dit wel noodzakelijk zoo zijn. De Arabische vrouwen aan den Boven-Nijl hebben omtrent drie dagen noodig om zich het haar op te maken; zij volgen nooit andere stammen na, „maar wedijveren slechts met elkander in het tot de hoogste voortreffelijkheid brengen van haar eigen stijl.” Dr. Wilson, van de samengedrukte schedels van onderscheidene Amerikaansche rassen sprekende, voegt er bij: „dergelijke gebruiken behooren tot die welke het moeilijkst zijn uit te roeien, en lang den schok overleven van omwentelingen die dynastieën veranderen en meer belangrijke nationale bijzonderheden uitwisschen.” [487] Hetzelfde beginsel komt ook in hooge mate in het spel bij de kunst der teeltkeus; en wij kunnen op die wijze, gelijk ik elders heb verklaard, [488] de wondervolle ontwikkeling begrijpen van al de rassen van dieren en planten die bloot als sieraad worden gehouden. Dierenfokkers en plantenkweekers wenschen ieder kenmerk een weinig te vergrooten; zij bewonderen geen middelstandaard; zij wenschen wel is waar volstrekt geen groote en plotselinge verandering in de kenmerken van hun rassen; zij bewonderen alleen, hetgeen zij gewoon zijn te zien, maar zij begeeren vurig elken kenmerkenden trek een weinig meer ontwikkeld te zien.
Ongetwijfeld zijn de waarnemende vermogens van den mensch en de lagere dieren zoo ingericht, dat schitterende kleuren en zekere vormen, gelijk ook harmonische en rhythmische klanken hun genoegen doen en schoon worden genoemd; maar waarom dit zoo is, weten wij evenmin, als waarom sommige lichamelijke gevoelsgewaarwordingen aangenaam en andere onaangenaam zijn. Het is ongetwijfeld niet waar, dat er in ’s menschen geest de eene of andere algemeene en overal geldende maatstaf van schoonheid met betrekking tot het menschelijk lichaam bestaat. Het is echter mogelijk, dat zekere smaken in den loop des tijds erfelijk kunnen worden, hoewel ik geen feiten ken, die ten gunste van deze meening pleiten; en indien dit zoo ware, zou elk ras zijn eigen aangeboren idealen maatstaf van schoonheid bezitten. Men heeft beweerd [489], dat leelijkheid bestaat in een toenadering tot het maaksel der lagere dieren, en dit is ongetwijfeld waar bij de meer beschaafde volken bij welke het verstand hoog wordt gewaardeerd; maar een tweemaal zoover vooruitstekende neus, of tweemaal zoo groote oogen als gewoonlijk, zou geen toenadering in maaksel tot eenig lager dier en toch afgrijselijk leelijk zijn. De menschen van elk ras geven de voorkeur aan hetgeen zij gewoon zijn te zien; zij kunnen volstrekt geen groote verandering verdragen; maar zij houden van verscheidenheid en bewonderen elk kenmerkend punt dat tot een matig uiterste is gedreven. [490] Menschen welke aan een ongeveer ovaal aangezicht, aan rechte en regelmatige gelaatstrekken, en aan levendige kleuren gewoon zijn, bewonderen, gelijk wij, Europeanen, weten, deze punten, als zij sterk ontwikkeld zijn. Daarentegen bewonderen menschen die aan een breed gelaat met hooge jukbeenderen, een ingedrukten neus en een zwarte huid gewoon zijn, deze punten, wanneer die sterk ontwikkeld zijn. Ongetwijfeld kunnen kenmerken van allerlei soort gemakkelijk te veel ontwikkeld zijn om schoon te wezen. Daarom zal een volmaakte schoonheid die vele op een bijzondere wijze gewijzigde kenmerken vereischt, in elk ras een wonder zijn. Gelijk de groote ontleedkundige Bichat reeds voor langen tijd zeide, zou, indien iedereen in den zelfden vorm was gegoten, zulk een zaak als schoonheid niet bestaan. Indien al onze vrouwen zoo schoon als de Venus de Medici waren, zouden wij een tijd lang bekoord zijn; maar spoedig zouden wij naar verscheidenheid verlangen, en zoodra wij verscheidenheid hadden verkregen, zouden wij wenschen, dat sommige kenmerken bij onze vrouwen een weinig boven den bestaanden algemeenen standaard waren ontwikkeld.
AANTEEKENINGEN.
(1) In den beroemden „Dictionnaire de Médecine, de Chirurgie, de Pharmacie, des Sciences accessoires et de l’Art Vétérinaire”, d’après le plan suivi par Nysten, Douzième édition entièrement refondue par E. Littré et Ch. Robin, Paris, Londres, Madrid et New-York, 1865, vindt men (blz. 583) de verschillen tusschen man en vrouw als volgt opgegeven: „En dehors des différences tirées du système pileux, des appareils et des fonctions de reproduction et des différences corrélatives des fonctions cérébrales, on signale les suivantes entre l’homme et la femme. Le corps de celle-ci est circonscrit par un ovale qui a sa plus grande largeur au bassin, tandis que chez l’homme la plus grande largeur est aux épaules ou au moins ces dernières sont aussi larges que le bassin. La femme a les hypochondres [491] plus rentrés, plus serrés que ceux de l’homme, ce qu’on exprime en disant qu’elle a la taille plus mince. La ligne qui va du sternum à la symphyse est parallèle à l’axe du corps chez la femme, tandis qu’elle converge chez l’homme. La distance de l’ombilic au pubis est plus grande que chez l’homme et moindre de l’ombilic au sternum. La cavité abdominale a de 2 à 3 centimètres de plus en hauteur que chez l’homme, ce qui est dû surtout à une plus grande longueur de la colonne lombaire. Le bassin est plus ouvert en avant et en haut, plus incliné en avant, de sorte que la symphyse du pubis est à 8 centimètres plus bas que l’angle sacro-vertébral; cette disposition jointe a l’inclinaison du sacrum d’avant en arrière concourt à une plus grande saillie des fesses. Les côtes se portent en arrière à partir des vertèbres, puis brusquement en avant, d’où une plus grande profondeur de la gouttière dorsale. Le creux de l’estomac est plus élevé, car le sternum plus court descend au niveau de la 7ième vertèbre chez la femme, de la 11ième chez l’homme; chez celui-ci le cartilage de la 6ième côte s’articule avec le bas du bord du sternum et à l’extrémité inférieure de cet os chez la femme; les fausses côtes de celle-ci sont plus courtes, le diaphragme est plus petit et sa convexité remonte plus haut que chez l’homme. La cavité thoracique est moins haute, moins profonde d’avant en arrière sur la ligne médiane que chez l’homme, parce que la colonne thoracique s’y enfonce d’avantage. Les muscles du bassin sont plus courts et plus épais chez la femme que chez l’homme. Le milieu de la taille est entre la symphyse pubienne et l’ombilic chez la première, au dessous de celle-là chez ce dernier; le centre de gravité du corps de l’homme est au contraire un peu plus haut que chez elle. Les cavités cotyloïdes sont plus écartées et situées un peu plus en avant par rapport à la crète du sacrum; le col du fémur forme avec le corps un angle plus droit, ce qui amène plus de saillie des trochanters; les fémurs sont par suite plus obliques de dehors en dedans et les genoux plus rentrés vers le plan médian que chez l’homme. Ces particularités determinent plus de largeur des hanches, une oscillation particulière du basin pendant la marche, et font que celle-ci a lieu à plus petits pas que chez un homme de même taille; elle est moins sûre et la course plus difficile. Les cuisses et les jambes sont plus courtes, les muscles ont leur ventre charnu plus rapproché de leur extrémité supérieure, ce que rend les membres plus effilés en bas; le pied est aussi relativement plus petit que chez l’homme.” [492]
(2) In verband met den regel, dat de veranderingen die elk individu gedurende zijn ontwikkeling doorloopt, slechts een verkorte herhaling zijn van de ontwikkelingsphasen van den typus en na al wat Darwin in de vorige hoofdstukken heeft gezegd over de kleuren van het gevederte van jonge vogels en den pels van jonge zoogdieren, zou men hieruit wellicht als waarschijnlijke gevolgtrekking mogen afleiden, dat:
1o. de Negers afstammen van een bruin menschenras met blauwe oogen en dat bruin, niet kroezend haar bezat. In sommige kenmerken zouden dan de tegenwoordige Nubiërs tusschen dit menschenras en de Negers instaan.
2o. de Australiërs afstammen van een geelachtig bruin menschenras dat derhalve in kleur meer overeenkomst had met de tegenwoordige Maleiers.
3o. de inboorlingen van Amerika afstammen van een geel gekleurd menschenras; waarschijnlijk kwam dit ras overeen met de tegenwoordige Mongolen.
Zoo deze gevolgtrekkingen niet geheel ongegrond zijn, dan zou Haeckel’s Stamboom der twaalf menschensoorten (Deel I, blz. 381), wat de afstamming der Negers aangaat, belangrijke wijzigingen moeten ondergaan, daar zij, ofschoon Ulotrichen, van Lissotrichen zouden afstammen. Deze beschouwing is ook alleszins geschikt om het overdreven gewicht dat sommige anthropologen aan het verschil in aard van het haar hechten, een weinig te doen afnemen.
(3) Dit oordeel schijnt mij in de hoogste mate onbillijk. Het zou alleen op kunnen gaan, wanneer de vrouw in onze maatschappij de zelfde gelegenheid tot het aanleeren van kunsten en wetenschappen had als de man, als de wijze van opvoeding voor beide seksen de zelfde was. Daar dit geenszins het geval is, staan de kansen niet gelijk. Het is niet te verwonderen, dat de vrouwen betrekkelijk zoo weinig in kunsten en wetenschappen hebben uitgemunt, wanneer de geheele inrichting der maatschappij haar de gelegenheid om zich daarin te oefenen zooveel mogelijk afsluit en daarentegen alles wordt gedaan om de mannen zooveel mogelijk tot de beoefening er van aan te sporen!
Voor allen die de minderheid der vrouw tegenover den man volhouden, moet het onverklaarbaar zijn, dat in de Vereenigde Staten van 1790 tot 1888 aan vrouwen niet minder dan 2500 patenten voor verschillende uitvindingen zijn verleend. Hoe dit te rijmen met de vermeende minderheid der vrouw? In de Vereenigde Staten behooren tegenwoordig 14.465 der handelsreizigers tot het vrouwelijk geslacht.
Zie ook Dr. Büchner in zijn door mij bewerkt boekje „Feiten en Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.
(4) De Gewervelde Dieren (Vertebrata) zijn geen Klasse, maar een Typus of Onder-Rijk.
(5) Brehm („Thierleben”, Bd. I, blz. 39) zegt van den vrouwelijken H. agilis uit den Londenschen dierentuin, dat hij „somtijds zeer luid en wel op hoogst eigenaardige, van muzikaal gehoor getuigende wijze schreeuwde. Men kon het geschreeuw zeer goed in noten teruggeven. Het begon met den grondtoon E en steeg dan in halve tonen een vol octaaf naar boven, de chromatische toonladder doorloopende. De grondtoon bleef altijd hoorbaar en diende als voorslag voor elke volgende noot. Bij het opklimmen van de toonladder volgden de afzonderlijke tonen hoe langer hoe langzamer, bij het afdalen echter hoe langer hoe sneller en eindelijk buitengewoon snel op elkander. Het slot vormde telkens een gillenden schreeuw die met alle kracht werd uitgestooten. De regelmatigheid, snelheid en zekerheid waarmede het dier de toonladder uitschreeuwde, verwekte algemeene bewondering. Het scheen, alsof de gibbon zelve daardoor in de hoogste mate werd opgewekt; want elke spier spande zich en het lichaam geraakte in sidderende beweging.” Omtrent de luidheid van het geschreeuw der gibbons zegt Brehm (ibid.): „Het zijn de brulapen der oude wereld, de wekkers van de Maleische bergbewoners en tegelijkertijd de ergernis der stedelingen wien zij het verblijf op hun landhuizen verbitteren. Men moet hun geschreeuw een halve Engelsche mijl (804 meters) ver kunnen hooren.”
(6) „Het Rendiertijdperk”, vergelijk Deel I, aanteekening 23, blz. 44.
(7) Vandaar noemden de Romeinen zelfs een der Britsche stammen Picti. In vele streken van Europa vindt men nog heden bijna geen boer, of hij heeft een vlammend hart of iets dergelijks, en bijna geen matroos, of hij heeft een anker op zijn arm getatoeëerd. In een der Egyptische koningsgraven in de vallei Biban-el-Moloek nabij het oude Thebe (het graf van Seti-Menephtha I) zijn in gekleurde reliefbeelden 16 personen afgebeeld, waarvan elk viertal een der grondvormen van het menschelijk geslacht voorstelt. Eerst komen de Remen-Kemi (de Egyptenaars zelf, die rood gekleurd zijn), daarop de geelkleurige Namu (Semieten), daarna de zwarte Nahsu (Negers) en eindelijk een blanke type, volgens het opschrift bewoners van Ta-Mah. [493] Deze laatste schijnen voor de Egyptenaars uit den tijd van Seti-Menephtha I het barbaarsche en laag ontwikkelde ras bij uitnemendheid te zijn geweest, zij zijn in beestevellen gekleed, dragen vederen in het haar, en hun lichaam en armen vertoonen sporen van tatoeëering. Zij worden ook afgebeeld in Dr. W. Pleyte’s Ned. Oudheden, afdeeling: Drenthe, die ze Ta-Mehu noemt.
(8) „Steatopygisch”; eigenlijk beteekent dit vetbillig (van στέαο, vet, en πυγή, bil). Vergelijk Deel I, aanteekening 11, blz. 378.
(9) „a tergo” beteekent: aan de achterzijde.
(10) In het „Archiv für Anthropologie”, Bd. IV, 1870, blz. 221, komt een zeer belangwekkend artikel van H. Welcker, „Ueber die künstliche Verkrüppelung der Füsse der Chinesinnen” voor, waarin ook de uitvoerige anatomie van een dergelijken misvormden voet voorkomt. In dit artikel (blz. 327) wordt een geneesheer van het Fransche gezantschap in Peking, Dr. G. Morache aangehaald, die o.a. zegt: „Een overerving in den zin van Darwin heeft het achthonderd jarige samenpersen niet teweeggebracht; de voeten der jonge meisjes in China zijn volkomen normaal gebouwd.” Men zou echter eenigszins een erfelijk gevolg van de kunstmatige misvorming kunnen zien in de buitengewoon kleine voeten die de Chineezen, volgens Darwin, van nature hebben. Waarschijnlijk is echter de meening van Darwin zelf, dat namelijk de bewondering van dit natuurlijke kenmerk aanleiding tot de overdrijving daarvan door kunstmatige misvorming der voeten heeft gegeven.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.—SLOT.
Over de gevolgen van de voortdurende teeltkeus van vrouwen volgens een verschillenden maatstaf van schoonheid in elk ras.—Over de oorzaken die de werking der seksueele teeltkeus tegenwerken bij beschaafde en wilde volken.—Over de voor de seksueele teeltkeus gunstige omstandigheden in voorhistorische tijden.—Over de werkingswijze der seksueele teeltkeus bij den mensch.—Over het feit, dat de vrouwen bij wilde stammen eenigermate in de gelegenheid zijn haar echtgenooten te kiezen.—Afwezigheid van haar op het lichaam, en ontwikkeling van den baard.—Kleur der huid.—Overzicht.
Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien, dat bij alle onbeschaafde rassen versierselen, kleeding en uiterlijk aanzien op hoogen prijs worden gesteld, en dat de mannen de schoonheid hunner vrouwen volgens een zeer verschillenden maatstaf beoordeelen. Wij moeten nu onderzoeken, of deze voorkeur en de daarvan het gevolg zijnde teeltkeus gedurende vele geslachten van die vrouwen welke aan de mannen van elk ras de meest aantrekkelijke schijnen, de kenmerken van de vrouwen, alleen of van beide seksen had veranderd. Bij zoogdieren schijnt de algemeene regel te zijn, dat kenmerken van alle soorten gelijkelijk door de mannetjes en door de wijfjes worden overgeërfd; wij zouden daarom mogen verwachten, dat bij den mensch elk door seksueele teeltkeus door de vrouwen verkregen kenmerk gewoonlijk op de nakomelingschap van beiderlei sekse zou zijn overgeplant. Indien eenige verandering op die wijze is voortgebracht, is het bijna zeker, dat de verschillende rassen op verschillende wijze zullen zijn gewijzigd, daar elk zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft.
Bij den mensch, vooral bij wilden, storen vele oorzaken de werking der seksueele teeltkeus, voorzoover het lichamelijk maaksel aangaat. Beschaafde menschen worden in hooge mate aangetrokken door de geestelijke bekoorlijkheden der vrouwen, door haar rijkdom, en voornamelijk door haar maatschappelijken rang; want mannen huwen zelden ver beneden hun stand. Die mannen welke het best slagen in het verkrijgen der schoonere vrouwen, zullen geen beter kans hebben om een lange lijn van nakomelingen na te laten dan andere mannen met leelijker vrouwen, met uitzondering van de weinige die hun vermogen volgens de wet der eerstgeboorte vermaken. Wat den tegenovergestelden vorm van teeltkeus, namelijk van de meer aantrekkelijke mannen door de vrouwen aangaat, zoo heeft op de keus der vrouwen, hoewel zij bij beschaafde natiën een vrije of bijna vrije keus hebben, hetgeen bij barbaarsche rassen niet het geval is, de maatschappelijke rang en rijkdom der mannen een grooten invloed; en de voorspoed van deze laatsten in het leven hangt in groote mate af van hun verstandelijke vermogens en geestkracht (energie), of van de vruchten van die zelfde vermogens bij hun voorvaders. Wij behoeven geen vergiffenis te vragen, dat wij dit onderwerp eenigszins uitvoerig behandelen; want, gelijk de Duitsche wijsgeer Schopenhauer opmerkt: „is het einddoel van alle liefde-intriges, hetzij zij komisch of tragisch zijn, in werkelijkheid belangrijker dan alle andere zaken in het menschelijk leven. Want het komt geheel en al neêr op niets minder dan de samenstelling van het volgende geslacht (generatie). Niet het geluk of ongeluk van eenig bijzonder individu, maar dat van het geheele toekomstige menschdom staat hier op het spel.” [494]