Chapter 28 of 38 · 3913 words · ~20 min read

Part 28

De muzikale vermogens die bij geen enkel ras volkomen ontbreken, zijn vatbaar voor snelle en hooge ontwikkeling, gelijk wij bij Hottentotten en Negers zien, die gemakkelijk uitnemende muziekbeoefenaars zijn geworden, hoewel zij in hun oorspronkelijk vaderland nauwelijks iets beoefenen, dat wij den naam van muziek waardig zouden keuren. Er is echter niets vreemds in deze omstandigheid; aan sommige soorten van vogels die van nature nooit zingen, kan men dit zonder veel moeite leeren; zoo heeft de huismusch den zang van het kneutje geleerd. Daar deze beide soorten nauw verwant zijn, en tot de Orde der Roestvogels (Insessores) behooren, die bijna al de zangvogels van de wereld omvat, is het zeer mogelijk of waarschijnlijk, dat een voorvader van de musch een zanger is geweest. Het is een veel opmerkelijker feit, dat papegaaien die tot een geheel van de Roestvogels (Insessores) verschillende groep behooren, en anders gebouwde stemorganen bezitten, niet alleen kunnen leeren spreken, maar ook door den mensch uitgevonden deuntjes kunnen leeren fluiten of zingen, zoodat zij eenigen muzikalen aanleg moeten bezitten (6). Desniettemin zou het uiterst overijld zijn te veronderstellen, dat de papegaaien afstammelingen zijn van den eenen of anderen ouden voorvader die een zanger was. Vele soortgelijke gevallen zouden kunnen worden bijgebracht van organen en instinkten die oorspronkelijk waren ingericht (geadapteerd) voor het eene doel, doch later voor het eene of andere geheel verschillende doel zijn benuttigd. [451] Daarom kan de aanleg tot hooge muzikale ontwikkeling, welken de wilde menschenrassen bezitten, òf het gevolg daarvan zijn, dat onze half-menschelijke voorouders den eenen of anderen ruwen vorm van muziek hebben beoefend, òf daarvan, dat zij voor eenig ander bepaald doel de daartoe geschikte stemorganen hebben verkregen. In dit laatste geval moeten wij echter aannemen, dat zij reeds, evenals in het bovenvermelde voorbeeld van de papegaaien, en zooals bij vele dieren het geval schijnt te zijn, eenig gevoel voor melodie bezaten.

De muziek werkt op elke gemoedsaandoening, maar wekt uit zich zelve bij ons de meer vreeselijke gemoedsaandoeningen van afschuw, woede, enz. niet op. Zij doet de zachtere gevoelens van teederheid en liefde ontwaken, die gemakkelijk in stichting overgaan. Zij wekt eveneens in ons het gevoel van zegepraal en den roemvollen ijver voor den oorlog op. Deze krachtige en gemengde gevoelens kunnen zeer goed het gevoel van verhevenheid doen ontstaan. Wij kunnen, gelijk Dr. Seemann opmerkt, een grootere intensiteit van gevoel in ééne enkele muzieknoot dan in bladzijden schrift concentreeren. Bijna dezelfde gemoedsaandoeningen, maar veel zwakker en minder samengesteld, worden waarschijnlijk door vogels gevoeld, wanneer het mannetje, om het wijfje voor zich in te nemen, den vollen omvang van zijn stem in mededinging met andere mannetjes doet hooren. Liefde is nog steeds het meest gewone onderwerp van onze eigen zangen. Gelijk Herbert Spencer opmerkt, „wekt de muziek sluimerende gevoelens bij ons op, waarvan wij de mogelijkheid niet hadden begrepen, en de beteekenis niet kennen; of, gelijk Richter zegt, zij verhaalt ons van dingen die wij niet hebben gezien en niet zullen zien.” [452] Omgekeerd worden, wanneer levendige gemoedsaandoeningen worden gevoeld of uitgedrukt door den redenaar of zelfs in het gewone gesprek, instinktmatig muzikale maten en rhythmus gebruikt. Ook de apen drukken sterke gevoelens door verschillende tonen, toorn en ongeduld door lage,—vrees en smart door hooge noten uit. [453] De gevoelens en denkbeelden, in ons door de muziek en door de maten van een hartstochtelijke rede opgewekt, schijnen, wegens hun onbestemdheid en toch diepte, om zoo te zeggen geestelijke teruggangen tot de gemoedsaandoening en gedachten van een lang vervlogen tijd.

Al deze feiten betrekkelijk de muziek worden tot op zekere hoogte begrijpelijk, indien wij mogen aannemen, dat de muzikale tonen en rhythmus door de half-menschelijke voorouders van den mensch werden gebruikt gedurende het jaargetijde der liefde, wanneer dieren van alle soorten door de sterkste hartstochten worden geprikkeld. In dit geval zouden, wegens het diep ingeplante beginsel van overgeërfde verbindingen van denkbeelden („associations”), muzikale tonen geschikt zijn om op onbestemde en onbepaalde wijze de sterkste gemoedsaandoeningen van een lang vervlogen verleden in ons op te wekken.

Daar wij alle reden hebben om te gelooven, dat de gearticuleerde spraak een van de laatste kunsten is, gelijk het voorzeker de hoogste is, die door den mensch werden verkregen, en daar het instinktmatige vermogen om muzikale tonen voort te brengen en maat te houden, reeds bij dieren die laag op de ladder staan, is ontwikkeld, zou het geheel en al in tegenspraak zijn met de beginselen der ontwikkelingstheorie, indien wij moesten aannemen, dat ’s menschen muzikale aanleg zich heeft ontwikkeld uit de klanken die bij een hartstochtelijke redevoering werden gebruikt. Wij moeten veronderstellen, dat de maten en klanken der welsprekendheid afkomstig zijn van reeds vroeger ontwikkelde muzikale vermogens. Wij kunnen zoodoende begrijpen, hoe het komt, dat muziek, dans, zang en dichtkunde zulke oude kunsten zijn. Wij kunnen zelfs verder gaan dan dit, en, gelijk in een vorig hoofdstuk is opgemerkt, gelooven, dat muzikale geluiden een van de grondslagen van de ontwikkeling der spraak waren. [454] Wanneer men bedenkt, dat de mannetjes van sommige Vierhandige Zoogdieren veel meer ontwikkelde stemorganen bezitten, dan hun wijfjes, en dat ééne anthropomorphe soort een geheel octaaf muzieknoten uitgalmt en gezegd mag worden te zingen, komt het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat de voorouders van den mensch, hetzij de mannetjes of de wijfjes, hetzij beide seksen, voordat zij het vermogen hadden verkregen om hun wederkeerige liefde door gearticuleerde spraak uit te drukken, elkander door muzikale tonen en rhythmus trachtten te bekoren. Zoo weinig is bekend omtrent het gebruik der stem door de Vierhandigen (Quadrumana) gedurende het jaargetijde der liefde, dat wij nauwelijks eenig middel bezitten om te beoordeelen, of de gewoonte om te zingen eerst door de mannelijke of door de vrouwelijke voorouders van den mensch werd verkregen. Vrouwen bezitten, naar men over het algemeen aanneemt, liefelijker stemmen dan mannen, en voor zoover dit ons eenigen leiddraad kan geven, mogen wij er uit afleiden, dat zij het eerst muzikale vermogens verkregen om daardoor de andere sekse aan te trekken. [455] Indien dit echter zoo is, moet het lang geleden zijn geschied, voor de voorouders van den mensch menschelijk genoeg waren geworden om hun vrouwen eenvoudig als bruikbare slavinnen te behandelen en te waardeeren. De hartstochtelijke redenaar, bard of muzikant vermoedt weinig, als hij met zijn afwisselende tonen en maten bij zijn hoorders de sterkste gemoedsaandoeningen opwekt, dat hij het zelfde middel gebruikt, waardoor, in een uiterst verwijderd tijdvak, zijn half-menschelijke voorouders elkanders gloeiende hartstochten opwekten, gedurende hun wederzijdsche vrijage en medeminnarij.

Over den Invloed der Schoonheid op het bepalen der Huwelijken bij den Mensch.—In het beschaafde leven oefent uiterlijke schoonheid in hooge mate, maar in geenen deele uitsluitend, invloed uit op den man bij de keus zijner vrouw; wij hebben hier echter hoofdzakelijk met oorspronkelijke tijden te maken, en ons eenig middel om ons een oordeel hierover te vormen, is de gewoonten van thans levende halfbeschaafde en wilde volken te bestudeeren. Indien kan worden aangetoond, dat mannen van verschillende rassen de voorkeur geven aan vrouwen die zekere eigenaardige kenmerken bezitten, of omgekeerd, dat de vrouwen aan zekere mannen de voorkeur geven, dan blijft ons te onderzoeken over, of een dergelijke keus, gedurende vele generatiën voortgezet, eenige merkbare uitwerking op het ras zou voortbrengen, hetzij dan op ééne sekse of op beide seksen, welke laatste omstandigheid zou afhangen van den vorm van erfelijkheid die de overhand behield.

Het zal goed zijn eerst eenigermate uitvoerig aan te toonen, dat wilden de grootste aandacht wijden aan hun uiterlijk aanzien. [456] Dat zij een hartstocht voor versiering bezitten, is algemeen bekend; en een Engelsch wijsgeer gaat zoo ver van vol te houden, dat kleederen het eerst voor versiering en niet voor de warmte werden gemaakt. Gelijk Professor Waitz opmerkt: „hoe arm en ellendig een mensch ook is, toch schept hij er behagen in zich op te schikken.” De buitensporigheid der naakte Indianen van Zuid-Amerika in het versieren van hun lichaam blijkt hieruit, „dat een man van groote gestalte door den arbeid van veertien dagen met moeite genoeg verdient om zich in ruil de chica te verschaffen, die hij noodig heeft om zich rood te schilderen.” [457] De oude barbaren van Europa gedurende de Rendierperiode (7) brachten alle schitterende of vreemde voorwerpen die zij toevallig vonden, naar hun holen. Op den huidigen dag tooien de wilden zich allerwegen met vederen, halssnoeren, armbanden, oorringen enz. Zij beschilderen zich op de meest verschillende wijzen. „Indien de beschilderde volken”, gelijk Humboldt opmerkt, „met de zelfde opmerkzaamheid als de gekleede volken waren onderzocht, zou men hebben opgemerkt, dat de vruchtbaarste verbeeldingskracht en de veranderlijkste grilligheid evenzoo goed de modes van het beschilderen, als die der kleeding hebben uitgevonden.”

In een deel van Afrika worden de oogleden zwart, in een ander de nagels geel of purper gekleurd. Op vele plaatsen wordt het haar met onderscheidene kleuren geverfd. In verschillende landen worden de tanden zwart, rood, blauw, enz. geschilderd, en in Insulinde houdt men het voor schandelijk witte tanden te hebben evenals die van een hond. Niet één groot land kan worden genoemd, van de Poolstreken in het Noorden tot Nieuw-Zeeland in het Zuiden, waar de inboorlingen zich niet tatoeëeren. Dit gebruik was ook in zwang bij de oude Joden en bij de oude Britten (8). In Afrika tatoeëeren zich sommige inboorlingen; maar het is veel algemeener om opgezwollen naden te doen ontstaan door zout te wrijven in op onderscheidene plaatsen van het lichaam gemaakte insnijdingen; en deze worden door de bewoners van Kordofan en Darfoer „voor groote persoonlijke aantrekkelijkheden gehouden.” In de Arabische landen kan geen schoonheid volkomen zijn, voordat de wangen „of slapen met insnijdingen zijn versierd.” [458] In Zuid-Amerika zou, gelijk Humboldt opmerkt, „een moeder van laakbare onverschilligheid jegens haar kinderen worden beschuldigd, wanneer zij geen kunstmiddelen gebruikte om de kuit van het been volgens de mode van het land te fatsoeneeren.” In de Oude en de Nieuwe Wereld werd de vorm van den schedel vroeger gedurende de kindsheid op de meest buitengewone wijze gewijzigd, gelijk nog op vele plaatsen het geval is, en dergelijke misvormingen worden voor versieringen gehouden. De wilden van Columbia [459] houden bij voorbeeld een zeer afgeplat hoofd voor „een wezenlijk punt van schoonheid.”

Het haar wordt in onderscheidene landen met bijzondere zorg behandeld; men laat het in zijn volle lengte groeien, zoodat het tot den grond reikt, of het wordt samengekamd tot „een dichte opeengepakte kroesige massa die de trots en roem van den Papoea is.” [460] In Noord-Afrika „heeft een man een tijd van acht tot tien jaar noodig om zijn kapsel volkomen te maken.” Bij andere volken wordt het hoofd geschoren, en in deelen van Zuid-Amerika en Afrika worden zelfs de wenkbrauwen uitgetrokken. De inboorlingen aan den Boven-Nijl slaan zich de vier voorste tanden uit, zeggende, dat zij niet op redelooze dieren wenschen te gelijken. Verder zuidwaarts slaan de Batoka’s zich de twee bovenste snijtanden uit, hetgeen, gelijk Livingstone [461] opmerkt, het gelaat een afzichtelijk voorkomen geeft, ten gevolge van den groei van de onderkaak; doch dit volk houdt de aanwezigheid van snijtanden voor hoogst afzichtelijk, en riep bij het zien van eenige Europeanen uit: „Kijk eens wat groote tanden!” Het groote opperhoofd Sebituani beproefde te vergeefs deze mode te veranderen. In onderscheidene deelen van Afrika en van Insulinde vijlen de inboorlingen hun snijtanden puntig toe, evenals de tanden van een zaag, of boren er gaten in, waarin zij pennetjes steken.

Evenals bij ons hoofdzakelijk het gelaat wegens zijn schoonheid wordt bewonderd, is het bij de wilden de hoofdzetel der verminking. In alle deelen der wereld worden het neusschot en zeldzamer de neusvleugels doorboord en in de gaten ringen, stukken hout, vederen en andere sieraden gestoken. De ooren worden overal doorboord en op soortgelijke wijze versierd, en bij de Botocudo’s en Lengua’s van Zuid-Amerika wordt het gat langzamerhand zooveel grooter gemaakt, dat de onderste rand van de oorlel den schouder aanraakt. In Noord- en Zuid-Amerika en in Afrika wordt hetzij de boven-, hetzij de onderlip doorboord, en bij de Botocudo’s is het gat in de onderlip zoo groot, dat een houten schijf van een decimeter middellijn er in wordt geplaatst. Mantegazza geeft merkwaardige mededeelingen omtrent de schaamte die een inboorling van Zuid-Amerika gevoelde, en van de bespotting waaraan hij zich blootstelde, toen hij zijn tembeta verkocht,—het groote gekleurde stuk hout, dat door het gat wordt gestoken. In Centraal-Afrika doorboren de vrouwen de onderlip en dragen een kristal daarin, dat ten gevolge van de beweging van de tong „gedurende het gesprek een onbeschrijfelijke belachelijke trillende beweging” aanneemt. De vrouw van het opperhoofd van Latoeka zeide aan Sir S. Baker [462], dat „diens vrouw er veel beter uit zou zien, als zij de vier voorste tanden uit haar onderkaak wilde trekken en het lange puntige gepolijste kristal in haar onderlip wilde dragen.” Verder zuidwaarts bij de Makololo wordt de bovenlip doorboord en een groote ring van metaal en bamboes, pelelé genaamd, in het gat gedragen. Dit maakte in één geval, dat de lip vijf centimeter voor de punt van den neus uitstak, en als de dame lachte, hief de samentrekking der spieren de lip tot over de oogen op. „Waarom dragen de vrouwen deze dingen?” werd aan het eerwaardige opperhoofd Chinsurdi gevraagd. Blijkbaar verwonderd over zulk een domme vraag, antwoordde deze: „Voor het mooi! Het zijn de eenige mooie dingen die de vrouwen hebben; de mannen hebben baarden, de vrouwen niet. Wat voor een soort van persoon zou zij zijn zonder de pelelé? Zij zou in het geheel geen vrouw zijn met een mond evenals een man, doch zonder baard.” [463]

Nauwelijks eenig deel van het lichaam, dat voor onnatuurlijke wijziging vatbaar is, is daaraan ontkomen. De som van het daardoor veroorzaakte lijden moet verwonderlijk groot zijn geweest, want vele der kunstbewerkingen vereischen voor haar voltooiing verscheidene jaren, zoodat het denkbeeld van haar noodzakelijkheid gebiedend moet zijn. De beweegredenen zijn van verschillenden aard; de mannen beschilderen hun lichamen om er bij het gevecht verschrikkelijk uit te zien; sommige verminkingen staan in verband met godsdienstige plechtigheden, of zij geven den manbaren leeftijd te kennen, of den rang van den man, of zij dienen om de stammen te onderscheiden. Daar bij wilden dezelfde modes gedurende lange tijdperken heerschen [464], worden verminkingen, om welke oorzaak zij ook eerst waren gemaakt, ten laatste onderscheidende kenteekenen. Doch versiering van zich zelf, ijdelheid, en de bewondering van anderen schijnen de meest gewone beweegredenen te zijn. Wat het tatoeëeren aangaat, zeiden mij de zendelingen in Nieuw-Zeeland, dat, toen zij eenige meisjes trachtten te overreden om die gewoonte te laten varen, deze antwoordden: „Wij moeten toch een paar strepen op onze lippen hebben; anders zullen wij, als wij oud worden, zoo ijselijk leelijk zijn.” Omtrent de mannen van Nieuw-Zeeland zegt een hoogst bevoegd beoordeelaar [465], „dat het voor de jonge mannen een groot punt van eerzucht is om fraai getatoeëerde aangezichten te hebben, zoowel om zich voor de dames aantrekkelijk als om zich in den oorlog in het oog vallend te maken.” Een op het voorhoofd getatoeëerde ster en een vlek op de kin worden door de vrouwen in één deel van Afrika voor onwederstaanbare aantrekkelijkheden gehouden. [466] In de meeste, maar niet in alle deelen van de wereld zijn de mannen in hooger mate versierd dan de vrouwen, en dikwijls op een verschillende wijze: somtijds, ofschoon zelden, zijn de vrouwen bijna in het geheel niet versierd. Evenals de wilden de vrouwen het grootste gedeelte van den arbeid laten verrichten en haar niet toestaan de beste soorten van voedsel te eten, zoo stemt het ook met de eigenaardige zelfzucht van den man overeen, dat zij geen verlof mogen hebben om de fraaiste versierselen te verkrijgen of te gebruiken. Eindelijk is het een opmerkelijk feit, dat, gelijk door de voorgaande aanhalingen wordt bewezen, de zelfde wijzen om den vorm van het hoofd te wijzigen, om het haar op te maken, om zich te beschilderen, om zich te tatoeëeren, om den neus, de lippen of de ooren te doorboren, om de tanden uit te trekken of af te vijlen, enz., op dit oogenblik heerschen en hebben geheerscht in de verst van elkander verwijderde streken der wereld. Het is uiterst onwaarschijnlijk, dat deze gebruiken welke bij zoovele verschillende volken in zwang zijn, op een uit de eene of andere gemeenschappelijke bron ontsproten overlevering wijzen. Zij wijzen veel meer op de groote gelijkvormigheid van den geest bij den mensch, tot welk ras hij ook moge behooren, op de zelfde wijze als de bijna algemeene gewoonten om te dansen, zich te vermommen en ruwe afbeeldingen te maken.

Na deze voorloopige opmerkingen te hebben gemaakt omtrent de bewondering die door wilden wordt gevoeld voor onderscheidene versierselen en voor in onze oogen hoogst afzichtelijke misvormingen, willen wij zien, in hoever de mannen worden aangetrokken door het uiterlijk aanzien hunner vrouwen, en welke hun denkbeelden over schoonheid zijn. Daar ik heb hooren volhouden, dat wilden volkomen onverschillig zijn omtrent de schoonheid hunner vrouwen en haar alleen als slavinnen waardeeren, zal het goed zijn op te merken, dat dit besluit volstrekt niet overeenstemt met de zorg welke de vrouwen besteden om zich te versieren, of met haar ijdelheid. Burchell [467] doet een vermakelijk verhaal van een vrouwelijke Bosjesman die zooveel vet, roode oker en blinkend poeder gebruikte, „dat zij ieder ander dan een zeer rijk echtgenoot zou hebben geruïneerd.” Zij spreidde ook „veel ijdelheid en een te klaarblijkelijke bewustheid van haar meerdere voortreffelijkheid ten toon.” De heer Winwood Reade deelt mij mede, dat de Negers van de Westkust dikwijls de schoonheid hunner vrouwen bespreken. Sommige bevoegde waarnemers hebben de vreeselijk verspreide gewoonte van kindermoord gedeeltelijk toegeschreven aan de door de vrouwen gevoelde begeerte om haar goed uiterlijk te bewaren. [468] In onderscheidene streken dragen de vrouwen amuletten of gebruiken minnedranken om de toegenegenheid der mannen te verkrijgen; en de heer Brown noemt vier planten op, die door vrouwen van Noordwest-Amerika tot dit doel worden gebruikt. [469]

Hearne [470] die vele jaren onder de Amerikaansche Indianen doorbracht, en die een uitnemend waarnemer was, zegt, van de vrouwen sprekende: „Vraag een Noordelijken Indiaan, wat schoonheid is, en hij zal antwoorden: een breed plat aangezicht, kleine oogen, hooge jukbeenderen, drie of vier breede zwarte lijnen dwars over elke wang, een laag voorhoofd, een groote breede kin, een ineengedrongen haakneus, een tanige huid, en borsten die tot den gordel nederhangen.” Pallas die de Noordelijke gedeelten van het Chineesche rijk bezocht, zegt: „aan die vrouwen wordt de voorkeur gegeven, welke den Mandschoe-vorm bezitten; dat wil zeggen, een breed gelaat, hooge jukbeenderen, zeer breede neuzen en verbazend groote oogen” [471]; en Vogt merkt op, dat de schuinheid van het oog, die aan de Chineezen en Japanneezen eigen is, in hun schilderijen wordt overdreven, naar het schijnt, met het doel „om er de schoonheid van te doen uitkomen, in tegenstelling met het oog der roodharige barbaren.” Het is welbekend, gelijk Huc herhaaldelijk opmerkt, dat de Chineezen van het binnenland de Europeanen met hun blanke huid en vooruitstekende neuzen voor afgrijselijk leelijk houden. De neus is ver van te vooruitstekend te zijn, volgens onze denkbeelden, bij de inboorlingen van Ceylon; toch „stonden de Chineezen in de zevende eeuw, gewend als zij waren aan de platte gelaatstrekken der Mongoolsche rassen, verbaasd over de vooruitstekende neuzen der Singaleezen”; en Thsang beschrijft hen als hebbende „den snavel van een vogel met het lichaam van een mensch.”

Finlayson zegt, na het volk van Cochin-China zeer nauwkeurig te hebben beschreven, dat hun ronde hoofden en aangezichten hun voornaamste kenmerken zijn; en hij voegt er bij, „de rondheid van het geheele voorkomen is nog sterker uitgedrukt bij de vrouwen wier schoonheid voor des te grooter wordt gehouden, naarmate zij dezen gelaatsvorm meer vertoonen.” De Siameezen hebben kleine neuzen met uit elkander staande neusgaten, een grooten mond, vrij dikke lippen, een opmerkelijk breed gelaat met zeer hooge en breede jukbeenderen. Het is daarom niet te verwonderen, dat „schoonheid volgens onze begrippen voor hen een vreemdelinge is. Toch beschouwen zij hun eigen vrouwen als veel schooner dan die uit Europa.” [472]

Het is welbekend, dat bij vele Hottentotsche vrouwen het achterdeel van het lichaam op verwonderlijke wijze achteruitsteekt; zij zijn steatopygisch (9), en Sir Andrew Smith is overtuigd, dat deze bijzonderheid door de mannen in hooge mate werd bewonderd. [473] Hij zag eens een vrouw die voor een schoonheid werd gehouden, en zij was van achteren zoo verbazend ontwikkeld, dat zij, als zij op den vlakken grond zat, niet op kon staan en zich zoo lang moest inspannen om vooruit te komen, tot zij aan een helling kwam. Bij verschillende negerstammen bezitten sommige vrouwen het zelfde kenmerk; en, volgens Burton, „zegt men, dat de Somali-mannen hun vrouwen kiezen door haar op een rij te zetten en diegene uit te zoeken, die a tergo (10) het meest vooruitsteekt. Niets kan voor een neger hatelijker zijn dan de tegenovergestelde vorm.” [474]

Wat de kleur aangaat, bespotten de negers Mungo Park wegens de blankheid zijner huid en het vooruitsteken van zijn neus, hetwelk zij beide als „afzichtelijke en onnatuurlijke mismaaktheden” beschouwden. Hij beantwoordde dit door de glanzende zwartheid hunner huid en de bekoorlijke platheid hunner neuzen te prijzen; dit, zeiden zij, was vleierij („honigmond”); maar toch gaven zij hem voedsel. Ook de Afrikaansche Mooren „fronsten hun wenkbrauwen en schenen te rillen” van de blankheid zijner huid. Op de Oostkust riepen de negerjongens, toen zij Burton zagen, uit: „Kijk dien blanken man eens; ziet hij er niet uit als een witte aap?” Op de Westkust bewonderen de Negers, gelijk de heer Windwood Reade mij mededeelt, een zeer zwarte huid meer dan een van lichtere tint. Hun afschuw van blankheid moet echter, volgens dezen zelfden reiziger, worden toegeschreven aan het geloof, dat bij de meeste negers heerscht, dat duivels en geesten blank zijn.

De Banyai van het meer zuidelijke gedeelte van het vasteland zijn negers; „maar een groot aantal van hen zijn van een lichte op koffie met melk gelijkende kleur, en die kleur wordt inderdaad door het geheele land heên voor schoon gehouden”; zoodat wij hier een verschillenden maatstaf van smaak hebben. Bij de Kaffers die veel van de Negers verschillen, is „de huid, behalve onder de stammen in de nabijheid van de Delagoa-baai, over het algemeen niet zwart, daar de heerschende kleur een mengsel van zwart en rood en de meest gewone schakeering chocoladebruin is. Een donkere huidskleur wordt, daar zij het meest algemeen is, natuurlijk het hoogst geschat. Te hooren, dat hij licht van kleur is, of op een blanke gelijkt, zou bij een Kaffer voor een zeer schraal compliment worden gehouden. Ik heb van éénen rampzaligen man gehoord, die zoo bijzonder blank was, dat geen enkel meisje hem wilde huwen.” Een der titels van den koning der Zoeloe-Kaffers is: „Gij die zwart zijt.” [475] De heer Galton merkte, met mij over de inboorlingen van Zuid-Afrika sprekende, op, dat hun denkbeelden van schoonheid zeer verschillend van de onze schijnen te zijn; want in éénen stam werden twee slanke, tengere en mooie meisjes door de inboorlingen niet bewonderd.

Laten wij ons nu tot andere deelen der wereld wenden. Op Java wordt een geel, niet een blank meisje volgens mevrouw Pfeiffer voor een schoonheid gehouden. Een man uit Cochin-China „zeide met verachting van de vrouw van den Engelschen gezant, dat zij witte tanden had, evenals een hond, en een rosé kleur, evenals die van aardappelbloesems.” Wij hebben gezien, dat de Chineezen onze blanke huid leelijk vinden en dat de Noord-Amerikanen „een tanige huid” bewonderen. In Zuid-Amerika zijn de Yura-Cara’s die de met bosschen begroeide vochtige hellingen van de oostelijke Cordilleras bewonen, opmerkelijk bleek gekleurd, gelijk hun naam in hun eigen taal uitdrukt; desniettemin beschouwen zij de Europeesche vrouwen als veel leelijker, dan de hunne. [476]