Chapter 31 of 38 · 3855 words · ~19 min read

Part 31

Over de Wijze waarop de Seksueele Teeltkeus op den Mensch heeft gewerkt.—Bij den oorspronkelijken mensch onder de gunstige zooeven geschilderde voorwaarden, en bij die wilden van den tegenwoordigen tijd, welke den eenen of anderen huwelijksband sluiten, zal de seksueele teeltkeus (hoewel in meerdere of mindere mate belemmerd, al naar de gewoonten van het dooden der vrouwelijke kinderen, vroege verlovingen enz., meer of minder in zwang waren) waarschijnlijk op de volgende wijze hebben gewerkt. De sterkste en moedigste mannen,—die welke hun gezinnen het best konden verdedigen en door de jacht onderhouden, en gedurende latere tijden de aanvoerders of opperhoofden werden,—die welke van de beste wapenen waren voorzien en de meeste eigendommen, zooals een grooter aantal honden of andere dieren bezaten, zullen er in zijn geslaagd om gemiddeld een grooter aantal nakomelingen groot te brengen, dan de zwakkere, arme en lagere leden van de zelfde groep. Er kan ook geen twijfel bestaan, dat dergelijke mannen over het algemeen in staat zijn geweest om de aantrekkelijkste vrouwen uit te kiezen. Tegenwoordig slagen de opperhoofden van bijna elken stam door de geheele wereld heên er in om meer dan ééne vrouw te verkrijgen. Tot voor korten tijd toe was, naar ik van den heer Mantell hoor, bijna ieder meisje in Nieuw-Zeeland, dat mooi was, of mooi beloofde te worden, taboe (3) voor het eene of andere opperhoofd. Bij de Kaffers hebben, gelijk de heer C. Hamilton getuigt [509], „de opperhoofden over het algemeen de keus uit de vrouwen van vele mijlen in den omtrek, en geven zich veel moeite om hun voorrecht te bevestigen en te bestendigen.” Wij hebben gezien, dat elk ras zijn eigen maatstaf van schoonheid heeft, en wij weten, dat het den mensch van nature eigen is elk kenmerkend punt in zijn tamme dieren, kleeding, versierselen en persoonlijk uiterlijk te bewonderen, als het een weinig boven den gewonen standaard is opgevoerd. Indien derhalve de voorgaande stellingen als juist werden aangenomen, en ik kan niet zien, dat zij twijfelachtig zijn, zou het een onverklaarbare omstandigheid zijn, indien het voor het huwelijk uitkiezen van de aantrekkelijkste vrouwen door de krachtigste mannen die gemiddeld een grooter aantal kinderen zouden aankweeken, niet na verloop van vele generatiën tot op zekere hoogte de kenmerken van den stam wijzigde.

Als bij onze tamme dieren een vreemd ras in een nieuw land wordt ingevoerd of als aan een inlandsch ras langen tijd wegens zijn nuttigheid of sierlijkheid bijzondere zorg wordt gewijd, bevindt men na vele generatiën, overal waar de middelen tot vergelijking bestaan, dat het een grootere of geringere verandering heeft ondergaan. Dat is een gevolg van onbewuste teeltkeus gedurende een lange reeks van geslachten,—dat is het bewaard blijven van de best gekeurde individu’s—zonder eenigen wensch of verwachting van een dergelijken uitslag van de zijde van den fokker. Indien twee zorgvuldige fokkers gedurende vele jaren dieren van de zelfde familie aanfokken, en hen niet met elkander of met een gemeenschappelijken standaard vergelijken, vindt men na eenigen tijd, dat de dieren tot verwondering van hun eigenaars eenigszins verschillend zijn geworden. [510] Elke fokker heeft, gelijk von Nathusius het juist uitdrukt, den stempel van zijn eigen geest—zijn eigen smaak en oordeel—op zijn dieren gedrukt. Welke reden kan dan worden opgegeven, waarom soortgelijke uitwerkselen niet zouden volgen op het lang voortgezette voor het huwelijk uitkiezen van de meest bewonderde vrouwen door die mannen van elken stam, die in staat waren om het grootste aantal kinderen tot op volwassen ouderdom groot te brengen? Dit zou een onbewuste teeltkeus zijn; want een uitwerking zou worden voortgebracht, onafhankelijk van elken wensch of verwachting van den kant der mannen die aan zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven.

Laten wij veronderstellen, dat de leden van een stam bij welken de een of andere vorm van huwelijk in gebruik was, zich over een onbewoond vastland verspreidden; zij zouden zich spoedig in afzonderlijke horden splitsen, die van elkander zouden worden gescheiden door allerlei slagboomen, en nog werkdadiger door de onophoudelijke oorlogen die tusschen alle barbaarsche volken plaats grijpen. De horden zouden dus aan eenigszins verschillende levensvoorwaarden en levenswijze zijn onderworpen, en er vroeger of later toe komen om in geringe mate van elkander te verschillen. Zoodra dit plaats greep, zou elke afzonderlijke stam voor zich zelf een eenigszins verschillenden maatstaf van schoonheid aannemen [511]; en dan zou onbewuste teeltkeus in werking treden, doordat de machtigste en aanvoerende wilden aan zekere vrouwen boven andere de voorkeur gaven. Zoo zouden de verschillen tusschen de stammen, in het eerst zeer gering, allengs en onvermijdelijk in hoe langer hoe aanzienlijker mate worden vermeerderd.

Bij dieren in den natuurstaat zijn vele aan de mannetjes eigen kenmerken, zooals grootte, kracht, bijzondere wapenen, moed en strijdlust door de wet van den strijd ontstaan. De half-menschelijke voorouders van den mensch zullen, gelijk hun verwanten, de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), bijna zeker daardoor zijn gewijzigd; en, evenals wilden nog heden om het bezit hunner vrouwen strijden, is een soortgelijk proces van teeltkeus waarschijnlijk in meerdere of mindere mate tot op den huidigen dag toe werkzaam geweest. Andere kenmerken, aan de mannetjes der lagere dieren eigen, zooals levendige kleuren en onderscheidene versierselen, zijn verkregen, doordat door de wijfjes aan de meer aantrekkelijke mannetjes de voorkeur werd gegeven. Er zijn echter exceptioneele gevallen waarin de mannetjes in plaats van de gekozenen de kiezers zijn geweest. Wij herkennen dergelijke gevallen, doordat de wijfjes in hoogere mate zijn versierd dan de mannetjes,—terwijl haar tot versiering dienende kenmerken uitsluitend of hoofdzakelijk op haar vrouwelijke nakomelingschap zijn overgeplant. Één dergelijk geval is beschreven uit de Orde waartoe de mensch behoort, namelijk dat van den Rhesus-aap.

De man is krachtiger naar lichaam en geest dan de vrouw, en in den wilden staat houdt hij haar in een veel ellendiger staat van dienstbaarheid dan het mannetje van eenig ander dier doet; het is daarom niet te verwonderen, dat het de man is, die het vermogen om te kiezen heeft verkregen. Vrouwen zijn zich overal bewust van de waarde van haar schoonheid; en als zij de middelen daartoe hebben, scheppen zij er meer behagen in om zich met allerlei soort van versierselen op te schikken, dan de mannen. Zij ontleenen aan mannelijke vogels de siervederen waarmede de natuur deze sekse tooide, om daarmede hun wijfjes te bekoren. Daar de vrouwen lang wegens haar schoonheid zijn gekozen, is het niet te verwonderen, dat sommige van de opeenvolgende afwijkingen op beperkte wijze zijn overgeplant, en dat bijgevolg de vrouwen haar schoonheid in eenigszins hoogere mate op haar vrouwelijke dan op haar mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Daardoor zijn de vrouwen schooner geworden, gelijk de meeste menschen zullen toegeven, dan de andere sekse. Vrouwen planten echter ongetwijfeld de meeste harer kenmerken met insluiting der schoonheid, op haar nakomelingschap van beiderlei sekse over; zoodat de voortdurende voorkeur door mannen van elk ras gegeven aan die vrouwen welke volgens hun maatstaf van smaak de schoonste waren, een neiging zal doen ontstaan om alle individu’s van beiderlei sekse, tot het ras behoorende, op de zelfde manier te wijzigen.

Wat den anderen vorm van seksueele teeltkeus aangaat (welke bij de lagere dieren verreweg de meest algemeene is), die namelijk, waarbij de wijfjes de kiezers zijn en alleen die mannetjes aannemen, welke haar het meest bekoren of opwekken, hebben wij alle reden om te gelooven, dat hij vroeger op de voorouders van den mensch werkte. De man is naar alle waarschijnlijkheid zijn baard en wellicht eenige andere kenmerken verschuldigd aan overerving van een ouden voorvader die op deze wijze zijn versierselen verkreeg. Deze vorm van teeltkeus kan echter nu en dan ook in latere tijden hebben gewerkt; want bij uiterst barbaarsche stammen hebben de vrouwen meer macht om haar minnaars te kiezen, te verwerpen en aan te lokken, of om later van echtgenoot te veranderen, dan men wellicht zou hebben verwacht. Daar dit een punt van eenig belang is, zal ik de bewijzen daarvoor, die het mij mocht gelukken te verzamelen, uitvoerig mededeelen.

Hearne beschrijft, hoe een vrouw in een der stammen van Arctisch Amerika herhaaldelijk van haar echtgenoot wegliep en zich naar een geliefden man begaf; en bij de Charrua’s van Zuid-Amerika is, gelijk Azara getuigt, het recht van echtscheiding volkomen vrij. Als bij de Abiponen een man een vrouw kiest, komt hij met de ouders aangaande den prijs overeen. „Het gebeurt echter dikwijls, dat het meisje niets wil weten van al wat tusschen de ouders en den bruidegom is overeengekomen, en halsstarrig over het huwelijk zelfs niet wil hooren spreken.” Zij loopt dikwijls weg, verbergt zich en ontsnapt zoo den bruidegom. Op de Fidsji-eilanden vermeestert de man de vrouw die hij tot echtgenoot begeert, door middel van wezenlijk of voorgewend geweld; maar, „indien zij, na het huis van haar schaker te hebben bereikt, de verbinding niet goedkeurt, zoekt zij een schuilplaats bij den een of ander die haar kan beschermen; indien zij echter tevreden is, dan is de zaak dadelijk klaar.” Kapitein Musters die onder de Patagoniërs leefde, zegt [512], dat hun huwelijken altijd uit genegenheid worden gesloten; indien de ouders een echtgenoot kiezen, waarin hun dochter geen zin heeft, weigert zij hem en wordt nooit gedwongen om toe te geven. Op Vuurland verkrijgt een jong man eerst de toestemming der ouders door hun den eenen of anderen dienst te bewijzen, en beproeft daarna het meisje weg te voeren; „als zij echter onwillig is, verbergt zij zich in de bosschen, totdat haar bewonderaar van harte moede is naar haar te zoeken en de vervolging opgeeft; doch dit gebeurt zelden.” Bij de Kalmukken heeft een geregelde wedloop tusschen de bruid en den bruidegom plaats, waarbij de eerste een behoorlijk eind voor heeft; en aan Clarke werd verzekerd, „dat er geen voorbeeld was, dat een meisje werd ingehaald, tenzij zij zwak voor haar vervolger had.” Evenzoo heeft bij de wilde stammen van Insulinde een soortgelijke wedloop plaats; en uit het verhaal van den heer Bouriens blijkt, gelijk Sir J. Lubbock opmerkt, „dat de prijs voor den wedloop niet wordt behaald door den vlugste, noch die van het gevecht door den sterkste, maar door den jongen man die het geluk heeft aan de bruid waarom men wedijvert, te behagen.” Een soortgelijke gewoonte met het zelfde gevolg heerscht bij de Korakken [513] van Noordoostelijk Azië.

Laten wij ons nu tot Afrika wenden; de Kaffers koopen hun vrouwen, en de meisjes worden dikwijls door hun vaders hevig geslagen, als zij den gekozen echtgenoot niet willen aannemen; toch blijkt zeer duidelijk uit vele door den weleerw. heer Shooter medegedeelde feiten, dat zij een aanmerkelijke vrijheid in haar keus hebben. Zoo zijn er voorbeelden bekend van zeer leelijke, hoewel rijke mannen, die er niet in slagen konden om vrouwen te krijgen. De meisjes noodzaken, voor zij in de verloving toestemmen, de mannen om zich te laten bekijken, eerst van voren en dan van achteren, en „hun wijze van loopen te laten zien.” Er zijn voorbeelden van, dat zij een man huwelijksvoorstellen deden, en niet zelden loopen zij met een begunstigden minnaar weg. Evenzoo zegt ook de heer Lesley [514] die grondig met de Kaffers bekend was: „Men zou zich vergissen, als men meende, dat een meisje door haar vader op de zelfde wijze en met het zelfde gezag werd verkocht, waarmede hij over een koe zou beschikken.” Als bij de ellendige Bosjesmannen van Zuid-Afrika „een meisje tot huwbaren leeftijd is gekomen zonder verloofd te zijn, hetgeen echter niet dikwijls gebeurt, moet haar minnaar evengoed haar toestemming als die van haar ouders verkrijgen.” [515] De heer Winwood Reade stelde een onderzoek voor mij in omtrent de Negers van Westelijk Afrika, en hij meldt mij, dat „het aan de vrouwen, ten minste bij de verstandigste Heidensche stammen, niet moeilijk valt de echtgenooten te verkrijgen die zij wenschen, hoewel het voor onvrouwelijk wordt gehouden een man te vragen om haar te huwen. Zij zijn volkomen in staat om verliefd te worden en om zich teeder, hartstochtelijk en trouw aan iemand te hechten.” Nog meer voorbeelden zouden kunnen worden gegeven.

Wij zien dus, dat bij wilden de vrouwen ten opzichte van het huwelijk niet geheel en al in zulk een rampzaligen toestand verkeeren als men dikwijls heeft verondersteld. Zij kunnen de mannen aan welke zij de voorkeur geven, aanlokken, en kunnen somtijds die welke zij niet mogen lijden, hetzij voor of na het huwelijk verwerpen. Voorkeur van de zijde van de vrouw, bestendig in de zelfde richting werkende, zal ten laatste op de kenmerken van den stam invloed uitoefenen; want de vrouwen zullen over het algemeen niet slechts de schoonste mannen volgens haar maatstaf van smaak kiezen, maar die welke tevens het best in staat zijn om haar te verdedigen en te onderhouden. Dergelijke goed begaafde paren zullen gewoonlijk een aanzienlijker aantal nakomelingen grootbrengen dan de minder goed begaafde. De zelfde uitwerking zal blijkbaar op nog sterker uitgesproken wijze worden voortgebracht, indien er van beide zijden teeltkeus was, dat is, indien de aantrekkelijkste en tegelijkertijd krachtigste mannen aan de aantrekkelijkste vrouwen, en ook deze laatsten aan de eersten de voorkeur gaven. En deze twee vormen van teeltkeus schijnen werkelijk beide, hetzij al dan niet gelijktijdig, bij het menschelijk geslacht plaats te hebben gegrepen, vooral gedurende de vroege tijdvakken van onze lange geschiedenis.

Wij zullen nu een weinig uitvoeriger, in verband met de seksueele teeltkeus, eenige van de kenmerken beschouwen, die de verschillende menschenrassen van elkander en van de lagere dieren onderscheiden, namelijk het meer of min volkomen ontbreken van haar op het lichaam en de kleur der huid. Wij behoeven niets te zeggen over de groote verscheidenheid in den vorm der gelaatstrekken en van den schedel bij de verschillende rassen, daar wij in het laatste hoofdstuk hebben gezien, hoe verschillend de maatstaf der schoonheid in deze opzichten is. Op deze kenmerken zal daarom waarschijnlijk de seksueele teeltkeus hebben ingewerkt; maar, zoover ik kan nagaan, hebben wij geen middel om te beoordeelen, of er voornamelijk van de mannelijke dan wel van de vrouwelijke zijde is ingewerkt. De muzikale vermogens van den mensch zijn eveneens besproken.

Het Ontbreken van Haar op het Lichaam en de Ontwikkeling daarvan op het Aangezicht en het Hoofd.—Uit de aanwezigheid van het wolachtige haar of lanugo op den menschelijken foetus en van op volwassen leeftijd hier en daar over het lichaam verspreide rudimentaire haren, mogen wij afleiden, dat de mensch van het eene of andere dier afstamt, dat behaard werd geboren en zulks levenslang bleef. Het verlies van het haar is hinderlijk en waarschijnlijk nadeelig voor den mensch zelfs in een warm klimaat; want hij wordt daar blootgesteld aan plotselinge afkoelingen, vooral gedurende vochtig weder. Gelijk de heer Wallace opmerkt, zijn in alle landen de inboorlingen blijde hun naakte ruggen en schouders door de eene of andere dunne bekleeding te kunnen beschermen. Niemand veronderstelt, dat de naaktheid der huid den mensch eenig direct voordeel aanbrengt, zoodat hij zijn haarkleed niet kan hebben verloren door natuurlijke teeltkeus. [516] Wij hebben ook volstrekt geen gronden om aan te nemen, gelijk in een vorig hoofdstuk is aangetoond, dat dit verlies het gevolg kan zijn van de directe werking der levensvoorwaarden waaraan de mensch lang is blootgesteld geweest, of dat het het gevolg van correlatieve ontwikkeling is.

Het ontbreken van haar op het lichaam is tot op zekere hoogte een secundair seksueel kenmerk; want in alle deelen der wereld zijn de vrouwen minder harig dan de mannen. Wij mogen derhalve op redelijke gronden vermoeden, dat het een kenmerk is, hetwelk door seksueele teeltkeus werd verkregen. Wij weten, dat de aangezichten van onderscheidene soorten van apen, en groote plekken aan het achtereinde van het lichaam bij andere soorten, van haar zijn ontbloot; en wij mogen dit veilig toeschrijven aan seksueele teeltkeus; want deze plekken zijn niet alleen levendig gekleurd, maar somtijds, gelijk bij den mannelijken Mandril en den vrouwelijken Rhesus-aap, veel levendiger bij de eene sekse dan bij de andere. (4) Naarmate deze dieren allengs tot vollen wasdom komen, nemen de naakte plekken, naar de heer Bartlett mij heeft medegedeeld, in omvang toe naar verhouding tot de geheele grootte hunner lichamen. Het haar schijnt echter in deze gevallen niet te zijn verwijderd ter wille van de naaktheid, maar opdat de kleur der huid meer volkomen zou kunnen worden ten toon gesteld. Evenzoo zijn ook bij vele vogels de kop en de hals door seksueele teeltkeus van vederen ontbloot, opdat de levendig gekleurde huid zou kunnen worden ten toon gesteld.

Daar de vrouw een minder harig lichaam heeft dan de man, en daar dit kenmerk aan alle rassen gemeen is, mogen wij besluiten, dat waarschijnlijk eerst onze vrouwelijke half-menschelijke voorouders hun haar gedeeltelijk verloren, en dat dit plaats greep in een uiterst verwijderd tijdvak, vóór de onderscheidene menschenrassen zich uit een gemeenschappelijken stam in verschillende richtingen hadden ontwikkeld. Toen onze vrouwelijke voorouders dit nieuwe kenmerk van naaktheid allengs verkregen, moeten zij het in bijna gelijke mate op hun jong kroost van beiderlei sekse hebben overgeplant, zoodat de overplanting daarvan, gelijk met vele versierselen bij zoogdieren en vogels het geval is, niet is beperkt noch door den leeftijd noch door de sekse. Er is niets verwonderlijks in, dat een gedeeltelijk verlies van het haar door de op apen gelijkende voorouders van den mensch als een sieraad is beschouwd; want wij hebben gezien, dat bij dieren van allerlei soort tallooze vreemde kenmerken als zoodanig zijn beschouwd en bijgevolg door seksueele teeltkeus gewijzigd. Het is ook niet te verwonderen, dat daardoor een eenigermate nadeelig kenmerk zou zijn verkregen; want wij weten, dat dit het geval is met de siervederen van sommige vogels en met de horens van sommige herten.

De wijfjes van sommige anthropoïde apen zijn, gelijk in een vorig hoofdstuk werd vermeld, een weinig minder harig op de ondervlakte van het lichaam dan de mannetjes, en hier hebben wij een punt dat tot uitgang voor het proces der ontharing kan hebben gediend. Ten opzichte van de voleindiging van dit proces door seksueele teeltkeus is het goed ons het Nieuw-Zeelandsch spreekwoord te herinneren: „Er is geen vrouw voor een harig man.” Allen die photographieën van de Siameesche harige familie hebben gezien, zullen toegeven, dat het tegenovergestelde uiterste van buitengewoon sterke behaardheid, belachelijk en afgrijselijk leelijk is. De koning van Siam moest zelfs een man door het geven van geld er toe brengen om de eerste harige vrouw in de familie te huwen, die dit kenmerk op haar jong kroost van beiderlei sekse overplantte. [517]

Sommige rassen zijn veel hariger dan andere, vooral aan den mannelijken kant; maar men mag niet aannemen, dat de harigste rassen, bij voorbeeld Europeanen, volkomener een oorspronkelijken toestand hebben behouden dan de naakte rassen, zooals de Kalmukken of de Amerikanen. Het is een waarschijnlijker meening, dat de harigheid der eersten het gevolg is van een gedeeltelijk atavisme; want kenmerken die lang zijn overgeërfd, zijn altijd geneigd om terug te keeren. Een merkwaardig geval is door Pinel opgeteekend van een idioot, gezonken tot het peil van een redeloos dier, wiens rug, lendenen en schouders waren bedekt met haar, van 2,5 tot 5 centimeter lang. Nog eenige dergelijke gevallen zijn bekend. Het schijnt niet, dat een koud klimaat van invloed is geweest op en heeft geleid tot deze soort van atavisme; behalve wellicht bij de negers die gedurende verscheidene generatiën in de Vereenigde Staten zijn opgegroeid [518], en wellicht bij de Aino’s die de noordelijke eilanden van den Japanschen archipel bewonen. De wetten der erfelijkheid zijn echter zoo ingewikkeld, dat wij zelden haar werking begrijpen. Indien de grootere harigheid van sommige rassen het gevolg van atavisme was, zonder dat daarop eenige vorm van teeltkeus een belemmerenden invloed uitoefende, dan zou de uitermate groote veranderlijkheid (variabiliteit) van dit kenmerk, zelfs binnen de grenzen van het zelfde ras, ophouden opmerkelijk te zijn.

Wat den baard aangaat, zoo vinden wij, als wij ons tot onze beste gidsen, namelijk de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana), wenden, baarden bij vele soorten bij beide seksen even goed ontwikkeld, maar bij andere, hetzij tot de mannetjes beperkt of bij deze meer ontwikkeld dan bij de wijfjes. Wegens dit feit en wegens de merkwaardige rangschikking en ook levendige kleuren van het haar op de koppen van vele apen, is het hoogst waarschijnlijk, gelijk vroeger is uitgelegd, dat de mannetjes eerst hun baarden als een versiering door seksueele teeltkeus verkregen, en ze in de meeste gevallen in gelijke of bijna gelijke mate op hun nakomelingen van beiderlei seksen overplantten. Wij weten door Eschricht [519], dat bij den mensch de vrouwelijke foetus even goed als de mannelijke veel haar op het aangezicht, vooral rondom den mond bezit; en dit toont aan, dat wij afstammen van voorouders bij welke beide seksen gebaard waren. Het schijnt daarom op het eerste gezicht waarschijnlijk, dat de man zijn baard uit een zeer vroeg tijdperk heeft behouden, terwijl de vrouw haar baard verloor op den zelfden tijd, toen haar lichaam bijna volkomen van haren werd ontbloot. Zelfs de kleur van den baard bij den mensch schijnt te zijn overgeërfd van een op een aap gelijkenden voorvader; want, als er eenig verschil in tint is tusschen het hoofdhaar en het baardhaar, dan is dit laatste bij alle apen en bij den mensch lichter gekleurd. Er is minder onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de mannen van de gebaarde rassen hun baarden uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan in het geval van het haar op het lichaam; want bij de Vierhandigen (Quadrumana) bij welke het mannetje een grooteren baard dan het wijfje heeft, komt deze slechts op volwassen leeftijd tot volkomen ontwikkeling, en de latere ontwikkelingstrappen kunnen wellicht uitsluitend op den mensch zijn overgeplant. Wij kunnen dan begrijpen, waarom onze mannelijke kinderen, gelijk werkelijk het geval is, voordat zij den volwassen leeftijd bereiken, even ontbloot van baarden zijn als onze vrouwelijke kinderen. Daarentegen bewijst de groote veranderlijkheid (variabiliteit) van den baard binnen de grenzen van het zelfde ras en bij verschillende rassen, dat er atavisme in het spel moet zijn gekomen. Hoe dit ook moge zijn, wij moeten de rol die de seksueele teeltkeus zelfs gedurende latere tijden kan hebben gespeeld, niet voorbijzien; want wij weten, dat bij wilden de mannen van de baardelooze rassen zich oneindig veel moeite geven om elk haartje op hun gelaat uit te trekken, als iets onaangenaams, terwijl de mannen van de gebaarde rassen den grootsten hoogmoed over hun baarden gevoelen. De vrouwen deelen ongetwijfeld in deze gevoelens, en indien dit zoo is, kan het moeilijk missen, of de seksueele teeltkeus heeft in den loop van latere tijden eenigen invloed uitgeoefend. [520] Het is ook mogelijk, dat de lang voortgezette gewoonte om het haar uit te trekken, erfelijke gevolgen heeft gehad. Dr. Brown-Séquard heeft aangetoond, dat, wanneer sommige dieren op een bijzondere wijze worden geopereerd, hun jongen daardoor worden aangedaan. Nog meer bewijzen zouden kunnen worden geleverd van de erfelijkheid van de gevolgen van verminkingen; maar een voor eenige jaren door den heer Salvin [521] ontdekt feit staat meer rechtstreeks in betrekking tot de onderhavige vraag; want hij heeft aangetoond, dat bij de motmots van welke men weet, dat zij gewoon zijn de vlag van de beide middelste staartvederen af te bijten, de vlag van deze vederen van nature eenigszins kleiner is. [522] Desniettemin zou bij den mensch de gewoonte van den baard en de haren op het lichaam uit te trekken, waarschijnlijk niet zijn ontstaan, wanneer die niet reeds om de eene of andere reden minder waren geworden.