Part 22
De heer Cupples meldt mij, dat hij persoonlijk kan instaan voor de nauwkeurigheid van het volgende, nog merkwaardiger geval waarin een kostbare en verwonderlijk verstandige vrouwelijke „terrier” een water-jachthond („retriever”) die aan een buurman toebehoorde, zoozeer beminde, dat zij dikwijls van hem moest worden weggesleept. Nadat zij voor goed waren gescheiden, wilde zij, ofschoon zich herhaaldelijk melk in haar tepels vertoonde, nooit meer iets weten van de vrijage van andere honden, en bracht tot spijt van haar eigenaar nooit jongen ter wereld. De heer Cupples getuigt ook, dat een vrouwelijke hertenhond die zich op dit oogenblik (1868) in zijn bezit bevindt, driemaal jongen ter wereld heeft gebracht, en bij elke gelegenheid een merkbare voorkeur aan den dag legde voor een van de grootste en schoonste, maar niet den vurigsten, van vier mannelijke hertenhonden, allen in de kracht van het leven, die met haar leefden. De heer Cupples heeft opgemerkt, dat een teef over het algemeen een reu begunstigt, waarmede zij in gezelschap is geweest en dien zij kent; haar schuwheid en beschroomdheid nemen haar eerst tegen een vreemden reu in. De reu daarentegen schijnt eerder genegenheid te gevoelen voor vreemde teven. Het schijnt zelden te gebeuren, dat de reu eene of andere bijzondere teef afwijst; doch de heer Wright van Yeldersley House, een groot hondenfokker, meldt mij, dat eenige voorbeelden daarvan te zijner kennis zijn gekomen; hij haalt het geval aan van een van zijn eigen hertenhonden, die volstrekt geen acht wilde geven op een bepaalden vrouwelijken dog („mastiff”), zoodat een andere hertenhond moest worden gebruikt. Het zou overtollig zijn nog meer voorbeelden te geven, en ik wil alleen hierbij voegen, dat de heer Barr die met zorg vele bloedhonden heeft aangefokt, getuigt, dat zij bijna altijd een bijzondere voorkeur geven aan bepaalde individu’s van de andere sekse. Eindelijk schreef mij onlangs de heer Cupples, na nogmaals een jaar lang zijn opmerkzaamheid aan de zaak te hebben gewijd: „Ik heb mijn vorig bericht volkomen bevestigd gezien, dat honden bij de paring een besliste voorkeur voor elkander toonen, en daarbij dikwijls de grootte, de levendige kleur en het individueele karakter en ook de mate van hun vroegere vertrouwelijkheid invloed op hen hebben.”
Wat paarden aangaat, deelt de heer Blenkiron, de grootste fokker van renpaarden op de wereld, mij mede, dat de hengsten zoo dikwijls grillig in hun keus zijn, en de eene merrie afwijzende, zonder eenige blijkbare oorzaak aan een andere de voorkeur geven, dat voortdurend de meest verschillende kunstgrepen in het werk moeten worden gesteld. De vermaarde Monarque wilde, bij voorbeeld, nooit met bewustheid de moeder van Gladiateur met een blik verwaardigen, en men moest list te baat nemen. Wij kunnen gedeeltelijk de reden inzien, waarom kostbare renpaard-hengsten waarnaar zooveel vraag is, zoo eigenzinnig in hun keus zijn. De heer Blenkiron heeft nimmer waargenomen, dat een merrie een hengst afwees; doch dit is geschied in den stal van den heer Wright, zoodat de merrie moest worden misleid. Prosper Lucas [357] haalt onderscheidene getuigenissen van Fransche autoriteiten aan en merkt op: „On voit des étalons, qui s’éprennent d’une jument, et négligent toutes les autres.” Hij deelt, op gezag van Baëlen, soortgelijke feiten ten opzichte van stieren mede. Hoffberg zegt, het tamme rendier van Lapland beschrijvende: „Foeminae majores et fortiores mares prae caeteris admittunt, ad eos confugiunt, a junioribus agitatae, qui hos in fugam conjiciunt.” Een geestelijke die vele zwijnen heeft gefokt, verzekert mij, dat zeugen dikwijls den eenen beer afwijzen en dadelijk daarop een anderen aannemen.
Wegens deze feiten kan er geen twijfel bestaan, dat bij de meeste onzer tamme viervoetige dieren dikwijls sterke individueele antipathieën en voorliefden worden getoond, en dat wel veel algemeener door het wijfje dan door het mannetje. Daar dit het geval is, is het onwaarschijnlijk, dat de paringen van viervoetige dieren in den natuurstaat aan het bloote toeval zouden zijn overgelaten. Het is veel waarschijnlijker, dat de wijfjes door bijzondere mannetjes worden aangelokt of opgewekt, die zekere kenmerken in hoogere mate bezitten dan andere mannetjes; maar welke deze kenmerken zijn, kunnen wij zelden of nooit met zekerheid ontdekken.
AANTEEKENINGEN.
(1) Auchenia huanaco.
(2) Gedurende de oudheid en Middeleeuwen leefden in Midden-Europa twee soorten van wilde runderen, de Wisent of Europeesche Bison (Bos bonasus) en de Urus (Bos Urus), de eerste waarschijnlijk een rechtstreeksche afstammeling van den diluvialen Bos priscus, de tweede van het rund der voorwereld (Bos primigenius). Beide worden bij Caesar, Seneca en Plinius, bij vele middeleeuwsche schrijvers, in oude Duitsche wetten en jachtberichten vermeld en scherp van elkander onderscheiden. Beide waren zeer groote, sterke en woeste dieren; van den Urus zegt Caesar, dat hij in grootte weinig voor den olifant onderdeed en dat zijn jacht bij de Germanen voor de roemrijkste gold. In het Niebelungenlied worden beide als jachtdieren vermeld; bij de beschrijving toch van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:
„Darnach schlug er wieder einen Wiesent und einen Elk [358], Starker Ure viere und einen grimmen Schelk.” [359]
Het tweede dezer runderen (Bos Urus) was het dier dat de Duitschers „Auerochs” noemden; sedert het op het vasteland van Europa is uitgestorven wordt de naam door zeer vele schrijvers voor Bos bonasus gebruikt; hiertegen bestaat m.i. niet veel bezwaar (verba valent usu) wanneer slechts altijd, ’t zij uit den zin, ’t zij door de bijvoeging van den Latijnschen naam, blijkt, van welk der twee runderen sprake is, nog liever, wanneer men dan den naam „Auerochs” niet voor Bos Urus gebruikt. Dat oorspronkelijk Bos Urus Auerochs werd genoemd, doch tevens, dat de naamsverwarring reeds uit oude tijden dagteekent, blijkt o.a. uit twee afbeeldingen van wilde runderen, die in een oud boekje over Rusland en Polen van den Oostenrijkschen gezant von Herberstain voorkomen. Onder de eerste die een op ons tam rund gelijkend dier voorstelt, staat: „Ich bin der Urus, welchen die Polen Tur nennen, die Deutschen Auerox, die Nichtkenner Bison”, en onder de tweede: „Ich bin der Bison, welchen die Polen Subr nennen, die Deutschen Wysent, die Nichtkenner Urochs.”
Van de Wisent leeft nog ééne enkele kudde in het woud van Bialowicza in Lithauen, dank zij de bescherming, haar aldaar achtereenvolgens door de koningen van Polen en de keizers van Rusland verleend. In 1853 was deze kudde 1543 stuks sterk, doch in 1866 nog slechts 500 stuks. Daarenboven heeft men in de laatste jaren ook in den Kaukasus Wisents aangetroffen, en ook in Midden-Azië moeten er nog in den omtrek van het meer Koko-Nor voorkomen.
Deze Wisents, gewoonlijk minder juist Auerossen genoemd, zijn runderen met sterke manen op schoft en hals, met zeer breed gewelfd voorhoofd, op den bekenden Amerikaanschen Bison gelijkende; in den loop der eeuwen schijnen zij in grootte te zijn afgenomen; een in 1555 in Pruisen gedoode Wisentstier toch was 2,1 meter hoog en 3,9 meter lang; tegenwoordig zijn de grootste stieren zelden meer dan 1,5 meter hoog en 2,25 meter lang.
De Urus of eigenlijke Aueros geleek, volgens oude beschrijvingen, volkomen op het tamme rund, en onderscheidde zich slechts daarvan door zijn meerdere grootte, zijn sterker ontwikkelde horens en zijn kleur die zwart was met een witachtige streep op den rug. Volgens sommigen (o.a. Fitzinger) zouden onze inlandsche tamme runderen van dit dier afstammen. [360]
Zooals wij reeds zeiden, is de Urus op het vaste land van Europa uitgestorven. Ook in Groot-Brittannië kwamen echter in de Middeleeuwen wilde runderen voor, die o.a. de bosschen in den omtrek van Londen zeer onveilig maakten en door wier bestrijding sommige ridders zich veel roem verwierven. Waarschijnlijk behoorden deze runderen tot de zelfde soort als de Urus, of waren ten minste van nauwverwante soort.
In de dertiende eeuw waren deze wilde runderen in den omtrek van Londen reeds geheel uitgestorven; ook elders worden zij hoe langer hoe zeldzamer. In 1260 werd door toedoen van Williams van Farrarus het park van Chartly in Staffordshire met een omheining omgeven, opdat de wilde runderen daar rustig in volle vrijheid zouden kunnen blijven voortleven. Op verscheidene andere plaatsen vond dit voorbeeld navolging. In het begin der zestiende eeuw werd het nergens dan in deze parken aangetroffen, wier aantal tegenwoordig tot vier of vijf is geslonken, waarvan het bekendste dat van Chillinghamcastle bij Berwick aan de Tweed in Northumberlandshire is. Eén dier parken (dat in het Cadzowwoud bij Hamilton in Lanarcshire) ligt in Schotland. Men vergelijke over deze parkrunderen, Darwin, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 100.
(3) De spoor van het mannetje is doorboord en de holte staat in verband met een aan de binnenzijde der dij gelegen klier. Volgens Harting („Leerboek van de grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 314) bezit het door de klier afgescheiden vocht echter geen vergiftige eigenschappen, en bezit het wijfje op de plaats waar zich bij het mannetje de spoor bevindt, een holte, vermoedelijk dienende tot opneming van de spoor tijdens de paring. Om deze redenen vermoed ik, dat Darwin de spoor van het vogelbekdier ten onrechte voor een aanvals- (offensief) wapen houdt, en zij integendeel een paringsorgaan is.
(4) Van der Hoeven („Handboek der Dierkunde”, 2de uitgave, Deel II, blz. 633) merkt, na te hebben vermeld, dat zich bij gesneden herten geen horens ontwikkelen, of zoo zij reeds, voor de castratie plaats had, waren ontwikkeld, niet meer afvallen, in een noot op: „Van het rendier nochtans zegt Linnaeus, „castratus quotannis cornua deponit”, Syst. nat. I, ed. 12, p. 93. Het zelfde wordt ook door Sundevall tegen latere tegenspraak verdedigd.” Dit feit is in volkomen overeenstemming met de vroege ontwikkeling der horens bij beide seksen van het rendier, waardoor zij als het ware ophouden een seksueel kenmerk te zijn. [361] Bij de overige soorten van herten bij welke de horens en hun geregeld jaarlijks afvallen tot de mannelijke sekse zijn beperkt, is het duidelijk, dat wanneer de speciaal seksueele ontwikkeling door de castratie is gestuit, de horens zich niet meer ontwikkelen, of, als zij vóór de castratie waren ontwikkeld, niet meer afvallen.
(5) Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 571) houdt dit, wat den steenbok aangaat, voor een sprookje. Hij zegt: „Die alten kindlichen Berichtstatter ersannen wunderliche Märchen um diese auffallenden Fähigkeiten der Steinböcke zu erklären, und manche dieser Märchen haben sich Jahrhunderte fortgesponnen und werden heute noch von Unbewanderten auf Treue und Glauben hingenommen. So meint Geszner, dasz das Thier seine gewaltigen Hörner hauptsachlich benutze, um sich aus bedeutenden Höhen auf sie zu stürzen” enz. Daar Capra aegagrus veel minder stevige en groote horens heeft dan de steenbok, geloof ik, dat, als zulks bij den steenbok een sprookje is, het ook bij Capra aegagrus waarschijnlijk als zoodanig moet worden beschouwd.
(6) Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 630) zegt van den Italiaanschen buffel, dat het volstrekt niet valt te betwijfelen, dat hij uit Indië komt, daar hij met den aldaar nog in het wild levende volkomen overeenstemt. Derhalve is het wel degelijk zeker, dat de wilde stamvorm eveneens gevormde horens bezat als de tamme. Vergelijk mijn aant. op hoofdst. III van Darwin’s „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 121.
(7) Springbok is de naam dien de Nederlandsche kolonisten aan de Kaap de Goede Hoop aan Antilope euchore hebben gegeven. Het is merkwaardig, hoevele Zuid-Afrikaansche dieren op die wijze Nederlandsche namen hebben ontvangen, die later, hoewel soms min of meer misvormd, ook in andere talen, in het Duitsch, Engelsch, ja zelfs soms in het Fransch het burgerrecht hebben verkregen. Wij noemen als zoodanig, behalve den Springbok, onder de Antilopen: den Rietbok (Eleotragus arundinaceus), den Duiker (Cephalophus mergens), den Bleekbok (Antilope scoparia), den Klipspringer (Oreotragus saltatrix), den Blauwbok (Aegocerus leucophaeus), den Waterbok (Kobus ellipsiprymnus), den Spietsbok (Oryx gazella), het Hartebeest (Acronotus Caama), het Wildebeest (Catoblepas Gnu), enz. Ook onder andere groepen van Zuid-Afrikaansche dieren vindt men er met Nederlandsche namen, bij voorbeeld de Muishond (zoo noemen de Afrikaanders de civetkat), het tot de Tandelooze dieren (Edentata) behoorende Aardvarken (Orycteropus capensis), enz. (vergelijk ook aanteekening 12, en Deel I, blz. 574, aanteekening 9).
(8) Elephas primigenius.
(9) Megaceros hibernicus.
(10) Volgens Brehm („Thierleben”, Bd. II, blz. 783) wordt het mannetje 1,8 tot 2,7, het wijfje 0,9 tot 1,2 meter lang.
(11) Poreus babyrussa.
(12) Onder dezen naam wordt Pacochoerus aethiopicus beschreven in een Nederlandsch boekje uit de vorige eeuw (Vosmaer, „Beschrijving van het Afrikaansch Breedsnuitig Varken”, Amsterdam, 1766, 4o, met gekleurde afbeeldingen). De Nederlandsche kolonisten aan de Kaap noemen dit dier den Hardlooper of Snellooper.
SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING op HOOFDSTUK XVII.
over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van seksueele teeltkeus,
door Dr. VAN DIJCK.
Met een inleiding door CHARLES DARWIN.
(Vertaald uit „Proceedings of the scient. meetings of the Zool. Soc.”, 1882, blz. 367.)
De meeste natuuronderzoekers welke aannemen, dat natuurlijke teeltkeus een werkzame rol heeft gespeeld bij de vorming der soorten, nemen ook aan, dat de wapenen van mannelijke dieren het resultaat zijn van seksueele teeltkeus—dat is daarvan, dat de best gewapende mannetjes er in slaagden de meeste wijfjes te verkrijgen en hun voortreffelijkheid boven andere mannetjes op hun mannelijk kroost overplantten. Doch vele natuuronderzoekers betwijfelen, of ontkennen, dat vrouwelijke dieren ooit eenige keus uitoefenen, zoodanig, dat zij zekere mannetjes bij voorkeur boven andere uitkiezen. Het zou echter juister zijn te zeggen, dat de wijfjes in bijzondere mate worden opgewekt of aangetrokken door het uiterlijk, de stem enz. van zekere mannetjes, dan dat zij ze met overleg uitkozen. Het zal mij wellicht veroorloofd zijn, te zeggen, dat ik, na zorgvuldig, zoo goed ik kon, de verschillende bewijsgronden te hebben overwogen die tegen het beginsel der seksueele teeltkeus zijn ingebracht, vast overtuigd blijf van de waarheid daarvan. Het is echter waarschijnlijk, dat ik het te ver heb uitgestrekt, gelijk bij voorbeeld in het geval der vreemd gevormde horens en bovenkaken (mandibulae) van mannelijke bladsprietige kevers (Lamellicornia), welke onlangs met veel kennis zijn besproken door W. von Reichenau [362], en omtrent welke ik altijd eenigen twijfel heb gevoeld. Van den anderen kant schijnt mij de verklaring van de ontwikkeling dier horens, welke door genoemden entomoloog wordt gegeven, verre van voldoende.
Om mij te vergewissen of vrouwelijke dieren ooit of dikwijls een besliste voorkeur voor bepaalde mannetjes vertoonen, deed ik vroeger onderzoek bij sommige der grootste fokkers in Engeland, die geen theoretische inzichten hadden te verdedigen en groote ervaring bezaten; en ik heb hun antwoorden, zoowel als sommige publiek gemaakte getuigenissen in mijn „Afstamming van den Mensch” medegedeeld. [363] De daar medegedeelde feiten bewijzen duidelijk, dat bij honden en andere dieren de wijfjes somtijds op de meest besliste wijze de voorkeur geven aan bepaalde mannetjes, maar dat het zeer zeldzaam is, dat een mannetje niet elk wijfje aanneemt, ofschoon zulke gevallen ook voorkomen. De volgende mededeeling, ontleend aan het reisverhaal van de „Vega” [364] steunde bovenvermeld besluit indirect op treffende wijze. Nordenskiöld zegt: „Wij hadden twee Schotsche herdershonden (collies) bij ons op de „Vega.” Zij verschrikten in den beginne de inboorlingen zeer door hun geblaf. Tegenover de honden der Tchuktchen namen zij weldra het zelfde hoogere standpunt in, waarop de Europeaan voor zich zelf in betrekking tot den wilde aanspraak maakt. Aan den reu werd duidelijk de voorkeur boven den inlandsche gegeven door de Tchuktchische vrouwelijke hondenwereld, en dat zelfs zonder de gevechten waartoe zulk een gunst van de zijde der schoone sekse gewoonlijk aanleiding geeft. Een talrijk hondenkroost van gemengd Schotsch-Tchuktchisch bloed is te Pitlekay ontstaan. De jonge honden geleken volkomen op hun vader en de inboorlingen waren zeer met hen ingenomen.”
Wat aantrekkelijkheden zijn, die een voordeel in de vrijage aan sommige mannetjes geven in bovenstaande verschillende gevallen, hetzij kracht en sterkte, of bewegingen, stem of geur, kan zelden zelfs ook worden gegist; maar wat zij ook mogen zijn, zouden zij in den loop van vele generaties worden bewaard en vermeerderd, indien de wijfjes van de zelfde soort of het zelfde ras, die de zelfde streek bewonen, gedurende achtereenvolgende generaties ongeveer de zelfde algemeene neiging en smaak behielden; en dit komt mij niet onwaarschijnlijk voor. Ook is het niet volstrekt noodzakelijk, dat alle wijfjes volkomen den zelfden smaak hebben: het eene wijfje zou meer kunnen worden aangetrokken door een bepaalde eigenschap van het mannetje, en een ander door een andere; en beide zouden, indien zij niet onvereenigbaar waren, langzamerhand door alle mannetjes worden verkregen. Hoe weinig wij ook kunnen beoordeelen welke kenmerken het wijfje aantrekken, scheen het toch in sommige der door mij opgeteekende gevallen, duidelijk de kleur te zijn; in andere gevallen vroegere bekendheid met een bijzonder mannetje; in wederom andere juist het omgekeerde, of nieuwheid. Wat het eerste optreden aangaat der bijzonderheden die later door seksueele teeltkeus worden vermeerderd, dit hangt natuurlijk af van de sterke neiging van alle deelen van alle organismen om kleine individueele verschillen te vertoonen, en van sommige organismen om op duidelijke wijze te varieeren. In mijn boek over het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten zijn ook bewijzen gegeven, dat mannelijke dieren meer vatbaar zijn om te varieeren dan vrouwelijke, en dit zou aan de seksueele teeltkeus in hooge mate bevorderlijk zijn. Blijkbaar hangt elk gering individueel verschil en elke meer in het oog loopende afwijking af van bepaalde, ofschoon onbekende oorzaken; en deze wijzigingen van maaksel enz. verschillen bij verschillende soorten onder oogenschijnlijk de zelfde omstandigheden. Getuigenissen van dezen aard zijn dikwijls verkeerd opgevat, alsof men veronderstelde, dat afwijkingen onbepaald of fluctueerende waren, en dat de zelfde afwijkingen bij alle soorten voorkwamen.
Met betrekking tot de seksueele teeltkeus zal ik hier alleen bijvoegen, dat de volkomen manier, waarop de geïmporteerde honden en andere huisdieren in Zuid-Amerika en andere landen zich hebben vermengd, zoodat alle sporen van hun oorspronkelijke rassen zijn verdwenen, mij dikwijls een verwonderlijk feit scheen. Dit houdt, volgens Rengger [365], zelfs steek ten opzichte van de honden in zulk een geïsoleerd land als Paraguay. Ik schreef vroeger de vermenging alleen daaraan toe, dat de rassen niet afzonderlijk waren gehouden en aan de grootere levenskracht van gekruist kroost; maar indien de wijfjes dikwijls aan vreemdelingen de voorkeur geven boven hun oude gezellen, gelijk het geval schijnt te zijn, volgens Nordenskiöld in Siberië en in Syrië, gelijk in het volgend opstel wordt aangetoond, dan kunnen wij gemakkelijk begrijpen hoe snel en volkomen de voortgang der rasvermenging zou zijn. Ik zal nu zonder verder commentaar de verhandeling mededeelen welke Dr. W. van Dijck, leeraar in de dierkunde aan het Protestantsche college te Beyrut, welke uitstekende gelegenheid tot waarneming heeft gehad gedurende een twintigjarig verblijf aldaar, zoo vriendelijk is geweest mij te zenden.
Over de wijziging van een ras van Syrische straathonden door middel van Seksueele Teeltkeus. Door W. van Dijck, M. D.
Beyrut is een der voornaamste havens van de Syrische kust en heeft een bevolking van tachtig- tot honderdduizend zielen. Gelijk in de meeste Oostersche steden is het stelsel van straatreiniging er zeer onvolkomen en wordt het schoonmaken van de straat er grootendeels overgelaten aan de straathonden van welke vele honderden door de stad en de voorsteden rondzwerven en hun voedsel zoeken, waar zij het maar kunnen vinden. Twintig jaar geleden, en vóór dien tijd, vormden deze honden een geheel homogeen ras waarvan de typische kenmerken, in het ruwe beschreven, de volgende waren:—schouderhoogte 50–55 centimeters, lengte van den snoet tot den wortel van den staart 80–85 centimeters, lengte van den staart 30–37½ centimeters, kleur zandachtig grijs, in eenige verschillende schakeeringen (zelden zoo licht, dat zij voor vuil wit konden doorgaan), in de meeste gevallen donkerder van boven dan van onderen, en niet zelden gespikkeld of gestreept; kop van gemiddelde grootte, met vrij puntigen snoet en kleine, puntige, half-hangende ooren; staart ruig behaard, gewoonlijk opgericht over den rug gedragen, soms sterk gekruld; algemeen uiterlijk beslist jakhalsachtig of half-wolfachtig; karakter laf, zelden kwaadaardig. De eenige vermeldenswaardige afwijkingen van boven beschreven type, ten tijde waarvan ik schreef, waren nu en dan enkele zwarte honden, meestal met korter haar dan de grijze, zelden bonte, zwart en wit gevlekte exemplaren. Tegenwoordig is het geheel anders. De zandachtige grijze kleur heeft wel is waar nog de overhand, maar er is nauwelijks een denkbare kleur of combinatie van kleuren, welke niet wordt gevonden; en in vorm, grootte en verhoudingen van romp en ledematen, gedaante van den kop, vorm en grootte der ooren, lengte en dichtheid van het haar, lengte, ruigheid en wijze van gedragen worden van den staart, is er bijna evenveel verschil.
Twintig jaar geleden waren slechts weinige inwoners dezer stad eigenaars van honden van eenig uitheemsch ras; maar sedert zijn Engelsche staande honden (pointers), poedels, terriërs, eenige weinige windhonden en patrijshonden (setters), en nu en dan Newfoundlanders, water-jachthonden (retrievers) en bullebijters (mastifs) geïmporteerd en hebben zich er in meerdere of mindere mate vermenigvuldigd. Verreweg de meeste honden van uitheemsch ras, die men te Beyrut te eeniger tijd vond, waren kleiner en stellig zwakker dan de oorspronkelijke inlandsche; en maar zeer weinige van hen kunnen zich, als hun meester er niet bij is, op straat wagen, zonder groot gevaar te loopen van meer of min ernstig te worden gehavend door de straathonden. Niettegenstaande hun merkelijke mindere spierkracht zijn echter de uitheemsche honden er in geslaagd het geheele ras der straathonden zoo door en door te verbasteren, dat het tegenwoordig niet gemakkelijk is een exemplaar van deze te vinden, dat geen onmiskenbare bewijzen van uitheemsch bloed vertoont.
Om dit te verklaren, kan ik met overtuiging de volgende feiten mededeelen, op grond van mijn eigen waarneming en ondervinding:—1o. Inlandsche teven vertoonen zeer dikwijls een besliste voorkeur voor sommige uitheemsche honden, en ik heb herhaaldelijk zulk een teef een reeks van inlandsche vrijers, den een voor, den ander na zien afwijzen, om zonder aarzeling een volbloed Engelschen staanden hond (pointer) aan te nemen. Mijn vader bezat eens een Franschen staanden hond (pointer), Jack genaamd, zeer klein, maar schoon geëvenredigd en van een fraaie goudachtig bruine kleur. Deze reu was zoo groot een gunsteling van de inlandsche honden van de andere sekse, dat hij een uiterst „losbandig” leven leidde. Pointer teven weigerden hem daarentegen niet zelden, ter wille van een straatreu. 2o. Pointer- en andere teven van goed ras zijn dikwijls zoo beslist en volhardend in haar voorkeur voor straatreuen (gewoonlijk voor één bijzonder individu, dat zij soms niet gezien, maar wiens stem zij hebben gehoord), dat zij liever geheele jaargetijden ongepaard zullen blijven dan de minnaars aannemen, die door haar meester voor haar zijn gekozen. In zulke gevallen is een oogenblik van zorgeloosheid of onoplettendheid genoeg om een nest van bastaardjongen te doen ontstaan, welke als zij niet in hun vroege kindsheid worden gedood, zeer veel kans hebben bij de eene of andere gelegenheid op straat te geraken en daar de kans van besmetting voor het geheele ras te vermeerderen. 3o. Bastaard voortplanting heeft het sterkst plaats in de voorsteden, waar straathonden iets minder talrijk zijn dan in het hart van de stad, en waar heimelijke paringen met weggeloopen honden worden begunstigd door heggen, struikgewas enz. enz. In de stad zelve daarentegen, waar de kans tien tegen een is, dat de aanspraken zullen worden beslist door de wet van den strijd, valt het uitheemsche bloed niet zoo duidelijk in het oog, en zou een toevallige waarnemer het zelfs in vele gevallen niet opmerken; en indien er nog eenige volbloed vertegenwoordigers van den ouden stam bestaan, moet het zijn in het dichtst bevolkte kwartier, waar de slachterswinkels velen zijn en dicht bij elkander liggen en de straathonden, in evenredigheid daarmede, talrijk zijn.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE ZOOGDIEREN.—VERVOLG
Stem.—Opmerkelijke seksueele bijzonderheden bij Robben.—Geur.—Ontwikkeling van het haar.—Kleur van het haar en de huid.—Abnormaal geval waarin het wijfje meer opgesierd is dan het mannetje.—Kleur en versierselen, door seksueele teeltkeus veroorzaakt.—Kleur, verkregen ter wille van de bescherming.—De kleur is, al is zij aan beide seksen gemeen, toch dikwijls het gevolg van seksueele teeltkeus.—Over het verdwijnen van vlekken en strepen bij volwassen viervoetige dieren.—Over de kleuren en versierselen der Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana).—Overzicht.