Chapter 32 of 38 · 3921 words · ~20 min read

Part 32

Het is vrij moeilijk zich er een oordeel over te vormen, hoe het lange haar op onze hoofden tot ontwikkeling kwam. Eschricht [523] getuigt, dat bij den menschelijken foetus het haar op het gelaat gedurende de vijfde maand langer is dan op het hoofd; en dit bewijst, dat onze half-menschelijke voorouders niet van lange lokken waren voorzien, die derhalve een laat verworven kenmerk moeten zijn geweest. Dit wordt eveneens aangetoond door het buitengewone verschil in de lengte van het haar bij de verschillende rassen; bij den Neger vormt het haar eenvoudig een gekroesde mat; bij ons is het zeer lang, en bij de inboorlingen van Amerika reikt het niet zelden tot op den grond. Bij sommige soorten van Slankapen (Semnopithecus) is de kop met matig lang haar bedekt, en dit dient waarschijnlijk tot versiering en werd door seksueele teeltkeus verkregen. De zelfde meening mag tot den mensch worden uitgebreid; want wij weten, dat lange lokken heden ten dage zeer worden bewonderd, en zulks ook vroeger werden; de apostel Paulus zegt: „Soo een vrouwe langh hair draeght, dat het haer een eere is” (6); en wij hebben gezien, dat in Noord-Amerika iemand alleen wegens de lengte van zijn haar tot opperhoofd werd gekozen.

Kleur der Huid.—De beste soort van bewijs, dat de kleur der huid door seksueele teeltkeus is gewijzigd, ontbreekt in het geval van den mensch; want de seksen verschillen in dit opzicht in het geheel niet, of slechts weinig en twijfelachtig. (7) Van den anderen kant weten wij uit vele reeds medegedeelde feiten, dat de kleur der huid door menschen van alle rassen als een hoogst belangrijk element van hun schoonheid wordt beschouwd, zoodat het een kenmerk is, dat geschikt zou zijn om door teeltkeus te worden gewijzigd, gelijk in tallooze voorbeelden bij de lagere dieren is geschied. Het schijnt op het eerste gezicht een monsterachtige veronderstelling, dat de gitzwartheid van den neger door seksueele teeltkeus is verkregen; doch deze meening wordt door onderscheidene analogieën ondersteund, en wij weten, dat de negers hun eigen zwartheid bewonderen. Als bij Zoogdieren de seksen in kleur verschillen, is het mannetje dikwijls zwart of veel donkerder dan het wijfje; en het hangt eenvoudig van den vorm van erfelijkheid af, of deze of eenige andere tint op beide seksen of alleen op ééne sekse zal worden overgeplant. De gelijkenis van den Joden- of Satans-aap (Pithecia satanas) met zijn gitzwarte huid, witte rollende oogappels en zijn op de kruin van het hoofd gescheiden haar op een neger in miniatuur is bijna belachelijk.

De kleur van het gelaat verschilt bij de onderscheidene soorten van apen veel meer dan bij de menschenrassen; en wij hebben goede reden om te gelooven, dat de roode, blauwe, oranje, bijna witte en zwarte kleuren van hun huid, zelfs wanneer zij aan beide seksen gemeen zijn, en de levendige kleuren van hun pels, zoowel als tot de versiering strekkende haarbossen aan den kop, allen door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Daar de pasgeboren kinderen van de meest verschillende rassen lang zooveel niet in kleur verschillen als de volwassenen, hebben wij eenige geringe aanwijzing, dat de tinten der verschillende rassen werden verkregen na de verwijdering van het haar, die, gelijk vroeger is medegedeeld, in een zeer vroeg tijdperk moet hebben plaats gehad (8).

Overzicht.—Wij mogen besluiten, dat de meerdere grootte, kracht, moed, strijdlustigheid en zelfs energie van den man, in vergelijking met de zelfde hoedanigheden van de vrouw, gedurende oorspronkelijke tijden werden verkregen en later zijn vermeerderd, hoofdzakelijk door de gevechten tusschen de mannen die wedijverden om het bezit der vrouwen. De grootere verstandelijke kracht en uitvindende vermogens van den man zijn waarschijnlijk ontstaan door natuurlijke teeltkeus, verbonden met de overgeërfde gevolgen van de gewoonte; want de verstandigste mannen zullen er het best in zijn geslaagd om zich zelven, hun vrouwen en kinderen te verdedigen en te onderhouden. Zoover de verbazend groote ingewikkeldheid van het onderwerp ons toelaat te oordeelen, schijnt het, dat onze mannelijke op apen gelijkende voorouders hun baarden verkregen als een sieraad om de tegenovergestelde sekse te bekoren en op te wekken, en hen overplantten op den man, gelijk hij nu bestaat. De wijfjes werden, naar het schijnt, het eerst op gelijksoortige wijze als seksueel sieraad van haar ontbloot; maar zij plantten dit kenmerk bijna gelijkelijk op beide seksen over. Het is niet onwaarschijnlijk dat de wijfjes ook in andere opzichten met het zelfde doel en door de zelfde middelen werden gewijzigd, zoodat vrouwen liefelijker stemmen hebben verkregen en schooner zijn geworden dan de mannen.

Het verdient bijzondere oplettendheid, dat bij den mensch al de voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger waren gedurende een zeer vroeg tijdvak, toen de mensch nog slechts even tot de menschelijke waardigheid was opgeklommen, dan gedurende latere tijden. Want hij zal toen, gelijk wij veilig mogen besluiten, meer door zijn instinktmatige hartstochten en minder door zorg voor de toekomst of rede zijn geleid. Hij zal toen niet zoo uiterst losbandig zijn geweest, als vele wilden nu zijn, en elke man zal zijn vrouw of vrouwen ijverzuchtig hebben bewaakt. Hij zal toen geen kindermoord hebben uitgeoefend, noch zijn vrouwen alleen als bruikbare slavinnen gewaardeerd, noch aan haar zijn verloofd, terwijl zij nog kinderen waren. Wij mogen daaruit afleiden dat de menschenrassen, voor zoover de seksueele teeltkeus aangaat, hoofdzakelijk gedurende een zeer verwijderd tijdvak werden gedifferentieerd; en dit besluit werpt licht op het merkwaardige feit, dat in het oudste tijdperk waarvan wij tot dusver eenig bericht hebben verkregen, de menschenrassen er reeds toe waren gekomen om bijna evenveel of volkomen evenveel van elkander te verschillen, als zij op den huidigen dag doen.

De meeningen, hier voorgedragen over de rol die de seksueele teeltkeus in de geschiedenis van den mensch heeft gespeeld, hebben gebrek aan wetenschappelijke nauwkeurigheid. Hij die de werking van dit beginsel niet aanneemt in het geval der lagere dieren, zal al wat ik in de laatste hoofdstukken over den mensch heb gezegd, waarschijnlijk gering schatten. Wij kunnen niet stellig zeggen, dat dit kenmerk daardoor is gewijzigd, maar dat niet; echter is aangetoond, dat de menschenrassen van elkander en van hun naaste verwanten onder de lagere dieren verschillen in zekere kenmerken die hun van geen dienst zijn voor de gewone doeleinden van het leven en van welke het uiterst waarschijnlijk is, dat zij door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd. Wij hebben gezien, dat bij de laagste wilden de menschen van elken stam hun eigen kenmerkende hoedanigheden,—de gedaante van hun hoofd en gelaat, den vierkanten vorm van hun jukbeenderen, het vooruitsteken of de platheid van hun neus, de kleur van hun huid, de lengte van hun hoofdhaar, het ontbreken van haar op het gelaat en het lichaam, of de aanwezigheid van een grooten baard en zoo voorts,—bewonderen. Het kon daarom moeilijk missen, of deze en andere dergelijke punten moesten langzamerhand en allengs worden overdreven, omdat de machtigste en bekwaamste mannen in elken stam, die er in moesten slagen het grootste aantal kinderen groot te brengen, gedurende vele generaties de in de hoogste mate aldus gekenmerkte en daarom aantrekkelijkste vrouwen voor het huwelijk hebben uitgezocht. Ik voor mij kom tot het besluit, dat van al de oorzaken die hebben geleid tot de verschillen in uiterlijk aanzien tusschen de menschenrassen, en tot op zekere hoogte tusschen den mensch en de lagere dieren, de seksueele teeltkeus verreweg de werkzaamste is geweest.

AANTEEKENINGEN.

(1) Evenals de „opeischer” in Drenthe. Men vergelijke het hoogst interessante stukje van M. M. Cohen Jr., „Een Drenthsche bruiloft ten platten lande” in den Nieuwen Drenthschen Volksalmanak voor 1884, blz. 241.

(2) Dit kunnen wij Darwin volstrekt niet toegeven; wij zien volstrekt niet in, waarom de mannen, als zij zich met geweld van hun vrouwen meester maakten, niet liever de schoonste vrouwen, of de vrouwen die hun in eenig ander opzicht het aantrekkelijkst toeschenen, zouden hebben geroofd dan de minder schoone en de minder aantrekkelijke. Wij houden het zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij een dergelijke voorkeur toonden.

(3) „Taboe”. Dit woord drukt een betrekking tot de goden of een uitsluiting van gewone doeleinden, en tevens een bijzondere bestemming van taboe verklaarde personen, plaatsen of zaken uit. Het hangt met den godsdienst der Polynesiërs samen en was zoowel op de Sandwich-eilanden, als op Otaheite, Noukahiva, Nieuw-Zeeland enz. in gebruik. Zoo waren bij voorbeeld het vleesch van verschillende dieren en bijna alle tot offeren bestemde zaken taboe ten gebruike van de goden en de mannen; de vrouwen waren derhalve van het genot er van uitgesloten. Soms werd een eiland of landstreek taboe verklaard, waarna geen vaartuig of persoon zich derwaarts mocht begeven. In de Israëlietische paradijslegende vindt men het zelfde begrip. De vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads was taboe ten gebruike van Jahve en daarom mochten Adam en Eva er niet van eten. Dat een meisje taboe werd verklaard voor een of ander opperhoofd, beteekent dus, dat zij uitsluitend voor zijn gebruik werd bestemd, en niemand haar kon huwen, zonder heiligschennis te begaan. Op het breken van de taboe stond de dood.

(4) Bovenal wordt dit bewezen, doordat die apen die plekken blijkbaar bewonderen, er mede pronken en bij wijze van groet aan den beschouwer toedraaien. Zie Darwin’s supplementaire aanteekening, blz. 306.

(5) Vergelijk aant. 2, Deel I, blz. 81.

(6) 1 Cor. XI, 15; hij voegt er echter bij: „omdat het lang hair voor een decksel haer is gegeven”, en zegt ook (ibid., vers 14): „dat soo een man langh hair draeght, het hem oneere is.”

(7) Of dit ook bij alle vroegere volken zoo is geweest, schijnt min of twijfelachtig. Op de oude Egyptische monumenten (en, naar men verzekert ook op de bouwvallen van Yucatan en Chiapas) zijn de mannen standvastig bruin of rood, de vrouwen geel gekleurd. Waarschijnlijk moet dit echter op een andere wijze worden verklaard, dan door een werkelijk verschil in kleur tusschen de beide seksen bij de oude Egyptenaren en Amerikanen.

(8) Emil Decker, een Duitscher, die langen tijd verblijf hield in Noord-Amerika, meent, dat het roode ras dat zich in de streken van het Alleghany-gebergte heeft gevormd, daar vooral door de kleur der omgeving de gele kleur zijner stamouders heeft verloren. Alles is daar rood; roodbruin is er het ijzerhoudend zand en de ijzerhoudende leem; roodbruin de stammen der pijnboomen, ceders en eiken; rood of roodbruin de herten, vossen en konijnen.

Voor een volk dat van de jacht moest leven, was het een voordeel de zelfde kleur te bezitten om meer ongemerkt het wild te kunnen naderen en veiliger te zijn voor roofdieren.

Volgens deze onderstelling zou de roode kleur der inboorlingen van Amerika dus een aanpassing zijn aan de kleur der omgeving.

Omtrent Afrika merkt Decker ter loops op, dat daar eveneens een zekere kleurenharmonie in de verschillende voorwerpen valt waar te nemen. Zoo zijn de gorilla, chimpanzee en groote dikhuidige dieren zwart, evenals de neger. Omtrent de Maleiers en den orang-oetan had hij een soortgelijke opmerking kunnen maken. De gele kleur der Chineezen is in treffende harmonie met den gelen löss-grond, de gele rivieren, gele planten en dieren. Omtrent de woestijnbewonende Arabieren (en hun Semitische stamverwanten) zou hij eveneens zulk een opmerking hebben kunnen maken.

Omtrent het Arische ras merkt R. E. de Haan („Alb. d. Natuur”, 1888, blz. 38, waar hij een referaat omtrent Decker’s hypothese geeft) op, dat de blanke kleur geen aanpassing kan zijn aan de witte poolgewesten, die naar de meest recente meeningen de bakermat van dat ras zouden zijn geweest.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ALGEMEEN OVERZICHT EN BESLUIT.

Hoofdbesluit: de mensch stamt af van den eenen of anderen lageren vorm.—Wijze van ontwikkeling.—Stamboom van den mensch.—Verstandelijke en zedelijke vermogens.—Seksueele teeltkeus.—Slotaanmerkingen.

Een kort overzicht zal hier voldoende zijn om den lezer de voornaamste punten van dit werk opnieuw voor den geest te brengen. Vele der beschouwingen die zijn gemaakt, zijn in hooge mate bespiegelend (speculatief), en sommige er van zullen ongetwijfeld blijken onjuist te zijn; maar ik heb in elk geval de redenen gegeven, die er mij toe hebben gebracht aan de eene beschouwingswijze de voorkeur te geven boven de andere. Het scheen mij de moeite waard te beproeven, in hoever het beginsel van ontwikkeling (evolutie) licht zou werpen op eenige der meer ingewikkelde vraagstukken in de natuurlijke geschiedenis van den mensch. Valsche feiten zijn in hooge mate nadeelig voor den vooruitgang der wetenschap, want men blijft ze soms gedurende langen tijd aannemen; maar valsche beschouwingen, als zij door eenige bewijzen worden gesteund, doen weinig schade, daar iedereen er een heilzaam vermaak in schept om haar valschheid te bewijzen; en als dit is gedaan, is één pad naar de dwaling gesloten en dikwijls tegelijkertijd de weg naar de waarheid geopend.

Het hoofdbesluit waartoe ik in dit werk ben gekomen en dat op dit oogenblik wordt gesteund door vele natuuronderzoekers die zeer bevoegd zijn om een gezond oordeel te vellen, is, dat de mensch afstamt van den eenen of anderen minder hoog georganiseerden vorm. De gronden waarop dit besluit rust, zullen nooit worden geschokt; want de groote overeenkomst tusschen den mensch en de lagere dieren in embryonale ontwikkeling, zoowel als in tallooze punten van maaksel en gestel, zoowel van hoog belang als van den onbeduidendsten aard,—de rudimenten welke hij heeft behouden, en de abnormale atavismen waaraan hij nu en dan onderhevig is,—zijn feiten die niet kunnen worden betwist. Zij zijn lang bekend geweest; maar tot voor korten tijd zeiden zij ons niets ten opzichte van den oorsprong van den mensch. Tegenwoordig echter, als men ze beschouwt in het licht van onze kennis van de geheele organische wereld, is hun beteekenis onmiskenbaar. Het groote beginsel van ontwikkeling (evolutie) staat helder en vast voor ons, als deze groepen van feiten worden beschouwd in verband met andere, zooals de wederkeerige verwantschap van de leden van ééne en de zelfde groep, hun geographische verspreiding in vroegeren en tegenwoordigen tijd en hun geologische opeenvolging. Het is ongeloofbaar, dat al deze feiten onwaarheid zouden spreken. Hij die niet gelijk een wilde tevreden is met de natuurverschijnselen te beschouwen als in geen verband met elkander staande, kan geen oogenblik langer gelooven, dat de mensch het voortbrengsel van een afzonderlijke scheppingshandeling is. Hij zal genoodzaakt zijn toe te geven, dat de groote gelijkenis tusschen het embryo van een mensch en dat, bij voorbeeld, van een hond;—het maaksel van zijn schedel, ledematen en geheele lichaam, onafhankelijk van de gebruiken waartoe de deelen kunnen worden aangewend, volgens het zelfde plan als die van andere zoogdieren,—het nu en dan opnieuw verschijnen van onderscheidene inrichtingen, bij voorbeeld van verscheidene verschillende spieren die de mensch normaal niet bezit, maar aan de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana) gemeen zijn,—en een menigte overeenkomstige feiten,—allen op de duidelijkste wijze op het besluit wijzen, dat de mensch met andere zoogdieren de medeafstammeling van een gemeenschappelijken stamvader is.

Wij hebben gezien, dat de mensch onophoudelijk individueele verschillen in alle deelen van zijn lichaam en in zijn geestvermogens vertoont. Deze verschillen of afwijkingen (variaties) schijnen het gevolg te zijn van de zelfde algemeene oorzaken, en te gehoorzamen aan de zelfde algemeene wetten als bij de lagere dieren. In beide gevallen heerschen gelijksoortige wetten van erfelijkheid. De mensch heeft een neiging om zich in sterker verhouding te vermenigvuldigen dan zijn middelen van bestaan; bij gevolg is hij nu en dan onderworpen aan een hevigen strijd om het bestaan (1), en zal de natuurlijke teeltkeus hebben uitgewerkt, hetgeen binnen de grenzen harer werkzaamheid ligt. Een opeenvolging van sterk uitgedrukte afwijkingen (variaties) van gelijksoortigen aard is in geenen deele noodzakelijk; geringe fluctueerende verschillen in het individu zijn voldoende voor het werk der natuurlijke teeltkeus. Wij mogen ons overtuigd houden, dat de overgeërfde gevolgen van het lang voortgezet gebruiken of niet-gebruiken van deelen veel zal hebben gedaan in de zelfde richting als de natuurlijke teeltkeus. Wijzigingen, vroeger van belang, hoewel niet langer van eenig bijzonder nut, zullen nog langen tijd worden overgeërfd. Als één deel is gewijzigd, zullen andere deelen zich wijzigen volgens het beginsel van correlatieve monstruositeiten. Ook mag iets worden toegeschreven aan de directe en bepaalde werking van de omringende levensvoorwaarden, zooals overvloedig voedsel, hitte of vochtigheid; en eindelijk zijn vele kenmerken van geringe physiologische belangrijkheid, doch ook sommige van aanmerkelijke belangrijkheid, door seksueele teeltkeus verkregen.

Ongetwijfeld vertoont de mensch, zoo goed als elk ander dier, inrichtingen die, voor zoover wij met onze geringe kennis kunnen oordeelen, hem tegenwoordig van volstrekt geen dienst zijn, en dat ook niet zijn geweest gedurende eenig vroeger tijdperk van zijn bestaan hetzij ten opzichte van zijn algemeene levensvoorwaarden of van de betrekking van de eene sekse tot de andere. Dergelijke inrichtingen kunnen niet worden verklaard door eenigen vorm van teeltkeus, noch door de overgeërfde gevolgen van het gebruiken en niet-gebruiken van deelen. Wij weten echter, dat vele vreemde en sterk uitgedrukte bijzonderheden van maaksel zich nu en dan bij onze huisdieren vertoonen, en indien de onbekende oorzaken die ze voortbrengen, er toe kwamen om meer eenvormig te werken, zouden zij waarschijnlijk gemeen worden aan al de individu’s van de soort. Wij mogen hopen, dat wij later iets zullen begrijpen van de oorzaken van dergelijke nu en dan voorkomende wijzigingen, voornamelijk door de studie van monstruositeiten; daarom is de arbeid van proefnemende natuuronderzoekers, zooals die van Camille Dareste (2), vol van belofte voor de toekomst. In het grootste aantal gevallen kunnen wij alleen zeggen, dat de oorzaak van elke geringe afwijking (variatie) en van elke monstruositeit veel meer ligt in den aard en het gestel van het organisme, dan in den aard der omringende levensvoorwaarden: hoewel nieuwe en veranderde levensvoorwaarden ongetwijfeld een belangrijk aandeel hebben in het opwekken van organische veranderingen van allerlei aard.

Door de juist opgenoemde middelen, wellicht geholpen door andere, die nog niet zijn ontdekt, is de mensch opgeklommen tot zijn tegenwoordigen toestand. Doch sedert hij den rang van mensch heeft bereikt, heeft hij zich in onderscheidene rassen, of, gelijk zij nog gepaster kunnen worden genoemd, onder-soorten (sub-species) gesplitst. Sommige daarvan, bij voorbeeld de Neger en de Europeeër, verschillen zoozeer van elkander, dat, indien voorwerpen er van zonder eenige nadere toelichting aan een natuuronderzoeker waren gebracht, zij ongetwijfeld door hem als goede en ware soorten zouden zijn beschouwd. Desniettemin komen alle rassen overeen in zoovele onbelangrijke kleine bijzonderheden van maaksel en in zoovele geestelijke eigenaardigheden, dat men deze alleen kan verklaren door overerving van een gemeenschappelijken stamvader, en een stamvader welke die kenmerken bezat, zou waarschijnlijk aanspraak hebben mogen maken op den rang van mensch.

Men mag niet veronderstellen, dat de afscheiding van elk ras van de andere rassen, en van al de rassen van een gemeenschappelijken stam kan worden vervolgd, tot men eindelijk op één enkel paar stamouders stuit. Integendeel zullen op elken trap van het proces van wijziging al de individu’s die op eenige wijze, hoewel in verschillende mate het best geschikt waren voor hun levensvoorwaarden, in grooter getal in leven zijn gebleven dan de minder goed geschikte. Het proces zal het zelfde zijn geweest als dat hetwelk de mensch volgt, als hij bij de voortplanting zijner huisdieren niet met voordacht bijzondere individu’s uitzoekt, maar toch al de uitnemende voor de fokkerij gebruikt en al de minder uitnemende veronachtzaamt. Hij wijzigt zoo langzaam, maar zeker, zijn vee en vormt onbewust een nieuw ras. Evenzoo zal, wat wijzigingen aangaat, onafhankelijk van teeltkeus verkregen, en die het gevolg zijn van afwijkingen, ontspruitende uit den aard van het organisme en de werking der omringende levensvoorwaarden of uit een veranderde levenswijze, één enkel paar niet in veel grooter mate zijn gewijzigd dan de andere paren die het zelfde land bewoonden; want allen zullen zich onophoudelijk door vrije kruising met elkander hebben vermengd.

Als wij het embryologische maaksel van den mensch, de homologieën met de lagere dieren, die hij vertoont,—de rudimenten die hij heeft behouden,—en de atavismen waaraan hij onderhevig is, beschouwen, kunnen wij ons in onze verbeelding den vroegeren toestand onzer voormalige stamouders gedeeltelijk voorstellen, en kunnen wij bij benadering de hun toekomende plaats in de reeks van het Dierenrijk aanwijzen. Wij leeren dan, dat de mensch afstamt van een behaard viervoetig dier, voorzien van een staart en puntige ooren, waarschijnlijk in de boomen levende en een bewoner van de Oude Wereld. Dit schepsel zou, indien zijn geheele maaksel door een natuuronderzoeker was onderzocht, door dezen tot de Apen of Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana) zijn gebracht, met evenveel zekerheid als de gemeenschappelijke en nog oudere stamvader van de Apen der Oude en Nieuwe Wereld. De Vierhandigen (Quadrumana) en al de hoogere Zoogdieren stammen waarschijnlijk af van een oud Buideldier, en dit, door een lange lijn van verschillende vormen, hetzij van een of ander Reptielachtig of een Amphibieachtig schepsel, en dit op zijn beurt van een of ander Vischachtig dier. In de dikke duisternis van het verleden kunnen wij zien, dat de voormalige stamvader van al de Gewervelde Dieren een waterbewonend dier moet zijn geweest, voorzien van kieuwen, bij hetwelk beide seksen in het zelfde individu vereenigden de belangrijkste deelen van het lichaam (zooals de hersenen en het hart) onvolkomen ontwikkeld moeten zijn geweest. Dit dier schijnt meer overeenkomst te hebben gehad met de larven der nog bestaande en in zee levende Zakpijpen (Ascidiae) dan met eenigen anderen bekenden vorm.

De grootste moeilijkheid die zich opdoet, wanneer wij tot bovengenoemd besluit omtrent den oorsprong van den mensch worden gedreven, is de hooge standaard van verstandelijke kracht en zedelijken aanleg, dien hij heeft bereikt. Iedereen die het algemeene beginsel van ontwikkeling (evolutie) aanneemt, moet echter inzien, dat de geestvermogens der hoogere dieren, die, wat de hoedanigheid aangaat, de zelfde zijn als die van den mensch, hoewel zij in hoeveelheid daarvan zooveel verschillen, voor vooruitgang vatbaar zijn. Zoo is de afstand tusschen de geestvermogens van een der hoogere apen en die van een visch, of tusschen die van een mier en die van een schildluis verbazend groot. De ontwikkeling dier vermogens bij dieren levert geen bijzondere moeilijkheid op; want bij onze tamme dieren zijn de geestvermogens ongetwijfeld aan afwijkingen onderhevig, en de afwijkingen worden overgeërfd. Niemand betwijfelt, dat deze vermogens van het hoogste belang zijn voor dieren in den natuurstaat. De omstandigheden zijn derhalve gunstig voor hun ontwikkeling door natuurlijke teeltkeus. Het zelfde besluit kan tot den mensch worden uitgestrekt; het verstand moet voor hem uiterst belangrijk zijn geweest, zelfs in een zeer verwijderd tijdperk, daar het hem in staat stelde de spraak te gebruiken, wapenen, werktuigen, vallen enz. uit te vinden en te vervaardigen; door welke middelen, in verbinding met zijn sociale levenswijze, hij lang geleden het meest heerschende van alle levende schepselen werd.

Een groote stap in de ontwikkeling van het verstand zal zijn gedaan, zoodra ten gevolge van een voorafgaanden aanmerkelijken vooruitgang de half als kunst, half als instinkt te beschouwen spraak in gebruik kwam; want het voortdurende gebruik van de spraak zal op de hersenen hebben teruggewerkt en een erfelijke uitwerking voortgebracht; en dit zal weder op den vooruitgang van de taal hebben teruggewerkt. De aanzienlijke grootte van de hersenen van den mensch, in vergelijking van die der hoogere dieren, naar verhouding van de grootte hunner lichamen, kan voornamelijk worden toegeschreven, gelijk de heer Chauncey Wright terecht heeft opgemerkt [524], aan het vroege gebruik van den eenen of anderen vorm van taal,—dat wondervolle werktuig dat aan alle voorwerpen en hoedanigheden teekens toekent, en aaneenschakelingen van gedachten opwekt, die nimmer zouden zijn ontstaan ten gevolge van den blooten indruk der zinnen, en, al waren zij ontstaan, nimmer ten einde toe zouden kunnen zijn vervolgd. De hoogere verstandelijke vermogens van den mensch, zooals dat van redeneering, dat om afgetrokken denkbeelden te vormen, de zelfbewustheid enz. zullen zijn gevolgd uit de voortdurende verbetering van andere geestvermogens; maar zonder aanmerkelijke veredeling van den geest, zoowel bij het ras als bij het individu, is het twijfelachtig, of deze hooge vermogens zouden zijn geoefend en daardoor in volkomenheid verkregen.