Chapter 26 of 38 · 3781 words · ~19 min read

Part 26

(6) Waarschijnlijk zijn hier het aschgrauwe eekhoorntje (Sciurus cinereus) en het zwarte eekhoorntje (Sciurus niger) van Noord-Amerika bedoeld. Dit zijn echter verschillende soorten, zoodat het zwarte eekhoorntje geenszins een nu en dan voorkomende verscheidenheid van het aschgrauwe is.

(7) Bij alle Herkauwende Dieren (Ruminantia), behalve bij Hyomoschus aquaticus (en bij de uitgestorven groep der Anoplotheroiden) zijn de beenderen van de middelhand en evenzoo ook die van den middelvoet, tot één been samengesmolten; bij Hyomoschus aquaticus (en bij de Anoplotheroiden) zijn zij gescheiden evenals bij de Dikhuidigen (Pachydermata). Gedurende het vruchtleven echter zijn zij bij alle Herkauwende Dieren gescheiden, hetgeen dus den regel bevestigt, dat het individu gedurende het vruchtleven toestanden doorloopt, die als het ware een verkorte herhaling zijn van de toestanden, in vroeger eeuwen door de soort gedurende haar ontwikkeling doorloopen. [417]

(8) Dr. G. H. T. Eimer te Tübingen en Weismann te Freiburg i/Br. hebben kleuren en teekeningen der dieren en de veranderingen welke deze in den loop der ontwikkeling ondergaan, onderzocht, en zijn tot het besluit gekomen dat deze veranderingen volstrekt niet altijd het gevolg van teeltkeus kunnen zijn. Eimer bevond, dat in het geheele dierenrijk de overlangsche streping de oorspronkelijke is, dat deze zich in den loop der ontwikkeling in vlekken verdeelt, en deze laatsten zich eindelijk tot dwarsstrepen verbinden. Zulk een regelmatige verandering moet haar oorzaken in de geaardheid des lichaams hebben; de op een gegeven oogenblik voorhanden eigenschappen moeten invloed bezitten op de veranderingen welke de soort zal doorloopen. De geaardheid (constitutie) des lichaams heeft dus invloed zoowel op het ontstaan der afwijkingen (variaties) als op de verdere ontwikkeling daarvan. [418]

Eimer vermoedt, dat de oorspronkelijk algemeen heerschende overlangsche streping der dieren in betrekking staat tot de oudtijds heerschende monocotyledone plantenwereld; ook thans kan men nog waarnemen, dat overlangs gestreepte hagedissen vooral op met gras begroeide plaatsen, overlangs gestreepte rupsen op grassen of naaldhout (een nog ouder type dan de monocotyledonen) zitten, waar hun overlangsche streping het minst in het oog valt. Hier is deze blijven bestaan, terwijl zij op plaatsen met gevlekte schaduw (zooals de dicotyledonen door den vorm hunner bladeren afwerpen) zich in een gevlekte teekening verandert.

Het springt, dunkt ons, in het oog, dat zoo de in de vorige alinea gemaakte onderstelling juist is, zoowel de overlangsche streping als de gevlekte teekening door natuurlijke teeltkeus kan worden verklaard.

SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING op HOOFDSTUK XVIII.

OVER SEKSUEELE TEELTKEUS BIJ APEN,

door C. DARWIN.

(Vertaald uit „Nature”, 2 November 1876, blz. 18).

Bij de bespreking der seksueele teeltkeus in mijn „Afstamming van den Mensch” vond ik geen geval belangwekkender en moeilijker verklaarbaar dan de levendig gekleurde achterdeelen en aangrenzende streken bij zekere apen. Daar deze gedeelten levendiger zijn gekleurd bij de eene sekse dan bij de andere, en daar zij gedurende het jaargetijde der liefde schitterender worden, besloot ik, dat de kleuren waren verkregen, omdat zij de andere sekse aantrokken. Ik wist wel, dat ik mij blootstelde om belachelijk te worden gevonden; hoewel het eigenlijk niet verwonderlijker zou zijn, dat een aap met zijn levendig gekleurd achterdeel dan dat een pauw met zijn prachtigen staart pronkte. Ik had echter te dien tijde geen bewijzen, dat apen met dit deel van hun lichaam pronkten gedurende hun vrijage; en het pronken van vogels met hun siervederen leverde mij dus het beste bewijs, dat de siervederen der mannetjes hun dienen om de wijfjes aan te trekken of op te wekken. Ik heb onlangs een artikel gelezen van Joh. von Fischer te Gotha, voorkomende in „Der Zoologische Garten”, April 1876, over de wijze waarop apen verschillende gemoedsaandoeningen uitdrukken, welk artikel wel waard is te worden bestudeerd door ieder die in het onderwerp belang stelt. De schrijver er van is blijkbaar een zorgvuldig en scherpzinnig waarnemer. In dit artikel vindt men een beschrijving van het gedrag van een jongen mannelijken mandril, toen hij zich zelf voor de eerste maal in een spiegel zag, en er wordt bijgevoegd, dat hij zich na eenigen tijd omkeerde en zijn roode billen naar den spiegel toedraaide. Ik schreef daarom aan den heer J. von Fischer, om te vragen, wat hij onderstelde, dat de beteekenis van deze vreemde handelwijs was, en hij heeft mij twee lange brieven geschreven, vol nieuwe en merkwaardige bijzonderheden welke naar ik hoop later publiek zullen worden gemaakt. Hij zegt, dat hij eerst zelf versteld stond over bovengenoemde handelwijze, en er daardoor toe kwam om waarnemingen te doen bij verschillende individu’s van onderscheidene andere soorten van apen, die hij lang in zijn huis hield. Hij bevond, dat niet slechts de mandril (Cynocephalus mormon), maar ook de dril (Cynocephalus leucophoeus) en drie andere soorten van bavianen (C. hamadryas, sphinx en babouin) alsmede Cynopithecus niger en Macacus rhesus en nemestrinus, dit deel van hun lichaam, dat bij al deze soorten min of meer levendig is gekleurd als zij goed gehumeurd zijn, naar hem en andere personen bij wijze van groet toekeeren. Hij gaf zich moeite om een Macacus rhesus dien hij vijf jaar had gehouden, deze onfatsoenlijke gewoonte af te leeren, en slaagde daarin ten laatste. Deze apen zijn vooral geneigd om aldus te handelen en daarbij tevens te grijnzen, als zij voor het eerst met een nieuwen aap in aanraking komen, maar doen het ook dikwijls tegen hun oude apenvrienden; en na deze wederzijdsche begroeting beginnen zij samen te spelen. De jonge mandril hield na eenigen tijd van zelf op om aldus tegen zijn meester, von Fischer, te doen, maar ging daarmede voort tegen personen die hem vreemd waren, en tegen nieuwe apen. Een jonge Cynocephalus niger deed het nooit, éénmaal uitgezonderd, tegen zijn meester, maar dikwijls tegen vreemdelingen, en gaat daarmede tot heden toe voort. Uit deze feiten trekt von Fischer het besluit, dat de apen welke zich op deze manier tegen een spiegel gedroegen (namelijk de mandril, dril, Cynopithecus niger, Macacus rhesus en nemestrinus) handelden alsof hun spiegelbeeld een nieuwe kennis was. De mandril en dril die bijzonder uitmunten door de levendige kleur van hun achterdeel, pronken daarmede, zelfs als zij zeer jong zijn, veelvuldiger en met meer vertooning dan andere aapsoorten. Daarop volgt Cynocephalus hamadryas, terwijl de andere soorten zeldzamer op deze wijs handelen. De individu’s van een en de zelfde soort verschillen echter in dit opzicht, en sommige die zeer schuw waren, pronkten nimmer met hun achterkwartier. Het verdient bijzondere aandacht, dat von Fischer nooit een soort wier achterdeel volstrekt niet was gekleurd, dat deel opzettelijk heeft zien vertoonen. Deze opmerking heeft betrekking op vele individu’s van Macacus cynomolgus en Cercocebus radiatus (die nauw met M. rhesus verwant is), op drie soorten van Cercopithecus en op verschillende Amerikaansche apen. De gewoonte om het achterdeel bij wijze van begroeting naar een ouden vriend of een nieuwe kennis toe te keeren, welke ons zoo zonderling schijnt, is zulks in werkelijkheid niet meer dan de gewoonten van vele wilden, b.v. die van zich den buik met hun handen of hun neuzen tegen elkander te wrijven. De gewoonte schijnt bij den mandril en dril erfelijk te zijn, daar zij door zeer jonge dieren werd gevolgd; maar zij wordt evenals zoovele andere instinkten door de ervaring gewijzigd of geleid; want von Fischer zegt, dat zij zich moeite geven om hun pronkerij zoo volkomen mogelijk te maken; en als zij in tegenwoordigheid van twee waarnemers zijn, draaien zij hun achterdeel naar hem toe, die het oplettendst schijnt te zijn.

Ten opzichte van den oorsprong dezer gewoonte merkt von Fischer op, dat zijn apen gaarne op hun naakte achterste worden gestreeld en geklopt, en dat zij dan grinniken van pleizier. Zij draaien dit deel van hun lichaam ook dikwijls naar andere apen toe, opdat deze er stukjes vuil af zouden halen, en evenzoo zouden zij zich waarschijnlijk met dorens gedragen. Bij volwassen dieren staat echter deze gewoonte tot op zekere hoogte met seksueele gevoelens in verband, want von Fischer bespiedde door een glazen deur een vrouwelijken Cynopithecus niger die zich gedurende verscheidene dagen, „umdrehte und dem Männchen mit gurgelnden Tönen die stark gerötheten Sitzflache zeigte, was ich früher nie an diesem Thier bemerkt hatte. Beim Anblick dieses Gegenstandes erregte sich das Männchen sichtlich, denn es polterte heftig an den Stäben, ebenfalls gurgelnde Läute ausstossend.” Daar alle apen die min of meer levendig gekleurde achterdeelen bezitten, volgens von Fischer op open, rotsachtige plaatsen leven, denkt hij, dat deze kleuren dienen om de eene sekse op een afstand voor de andere sekse duidelijk kenbaar te maken; maar daar de apen dieren zijn, die altijd in troepen leven, zou ik meenen, dat de seksen er geen behoefte aan hadden om elkander op een afstand te kunnen onderscheiden. Het komt mij waarschijnlijker voor, dat de levendige kleuren, hetzij op het gelaat of op het achterdeel, of, gelijk bij den mandril, op beide, tot een seksueel versiersel of lokmiddel dienen. Hoe dit ook zij, nu wij weten, dat apen de gewoonte hebben om hun achterdeel naar andere apen toe te keeren, is het volstrekt niet verwonderlijk meer, dat juist dit gedeelte van hun lichaam min of meer is versierd. Het feit, dat (voor zoover tot heden bekend is) alleen die apen welke zulke versierde achterdeelen bezitten, andere apen op deze wijze begroeten, maakt het twijfelachtig, of deze gewoonte oorspronkelijk werd verkregen ten gevolge van de eene of andere daarvan onafhankelijke oorzaak en eerst later die deelen als een seksueel sieraad werden gekleurd, dan wel of eerst de kleur en de gewoonte om zich om te draaien, werden verkregen door variatie en seksueele teeltkeus, en dat later die gewoonte behouden bleef als een teeken van genoegen of als een groet, door het beginsel van overgeërfde associatie van denkbeelden. Dit beginsel komt blijkbaar bij vele gelegenheden in het spel: zoo wordt algemeen aangenomen, dat het gezang der vogels gedurende het jaargetijde der liefde hoofdzakelijk dient om de andere sekse te lokken, en dat de leks of groote bijeenkomsten der korhoenders met hun vrijage in verband staan; maar vele vogels, zooals b.v. het gewone roodborstje, hebben de gewoonte behouden om te zingen, als zij zich gelukkig gevoelen, en de korhoenders hebben de gewoonte behouden om ook in andere tijden van het jaar bijeenkomsten te houden.

Ik vraag verlof om met betrekking tot de seksueele teeltkeus nog op een ander punt terug te komen. Men heeft tegen dezen vorm van teeltkeus, voor zoover de versierselen der mannetjes aangaat, ingebracht, dat al de wijfjes in de zelfde streek dan volkomen den zelfden smaak zouden moeten bezitten en in toepassing brengen. Men moet hierbij echter bedenken, dat al kan een soort binnen zeer ruime grenzen varieeren, dat vermogen om te varieeren echter in geenen deele onbeperkt is. Er is elders een goed voorbeeld van dit feit gegeven in de duif van welke minstens een honderdtal verscheidenheden bestaan, die in haar kleuren wijd uiteenloopen, en evenzoo bestaan er van het hoen een twintigtal verscheidenheden die op de zelfde wijze van elkander afwijken, maar de kleurenreeksen zijn bij deze beide soorten uiterst verschillend. De wijfjes der wilde soorten kunnen dus hun smaak niet geheel onbeperkt den teugel vieren. In de tweede plaats veronderstel ik, dat geen voorstander van het beginsel van seksueele teeltkeus zal aannemen, dat de wijfjes bijzondere punten van schoonheid bij de mannetjes zullen uitkiezen; zij worden alleen door het eene mannetje meer opgewekt of aangetrokken dan door het andere, en dit schijnt dikwijls, vooral bij vogels van zijn meer of minder schitterende kleuren af te hangen. Zelfs de mensch, behalve misschien een kunstenaar, analyseert de geringe verschillen in trekken niet, waardoor de vrouw die hij bewondert, zich van andere onderscheidt en van welke haar schoonheid afhangt. De mannelijke mandril heeft niet alleen een schitterend gekleurd achterdeel, maar ook een schitterend gekleurd gelaat met schuine strepen, een gelen baard en andere versierselen. Wij mogen afleiden, uit hetgeen wij zien van de variatie der tamme dieren, dat de onderscheidene bovengenoemde versierselen van den mandril allengs werden verkregen, doordat het eene individu een weinig in de eene richting, het andere een weinig in de andere richting afweek. De mannetjes welke door de wijfjes om de eene of andere reden het fraaist of het aantrekkelijkst werden gevonden, paarden het veelvuldigst en lieten iets meer nakomelingen na dan andere mannetjes. De nakomelingen van de eersten, hoewel zij op allerlei wijzen met andere kruisten, erfden de bijzondere kenmerken van hun vaders, òf brachten ten minste een vermeerderde neiging om op de zelfde wijze af te wijken, op hun nakomelingen over. Bij gevolg kregen over het algemeen al de mannetjes die het zelfde land bewoonden, ten gevolge van voortdurende kruising een neiging om op bijna gelijke wijze te varieeren, schoon soms een weinig meer in het eene en soms in het andere kenmerk, hoewel zulks uiterst langzaam ging, en werden daardoor allen aantrekkelijker voor de wijfjes. Het proces is het zelfde dat ik onbewuste teeltkeus door den mensch heb genoemd en waarvan ik onderscheidene voorbeelden heb gegeven. In het eene land houden de bewoners een vluggen of lichten hond of paard en in het andere een zwaarder en krachtiger; in geen van beide landen kiest men met voordacht voor de voortteling dieren met lichter of sterker lichamen en leden uit; desniettemin bevindt men na een aanmerkelijk tijdsverloop, dat de individu’s bijna allen op de gewenschte manier zijn afgeweken, ofschoon in beide landen verschillend. In twee volstrekt verschillende landen die door de zelfde soort worden bewoond, terwijl de individu’s van die soort in elk dier beide landen gedurende een reeks van eeuwen nooit naar het andere hebben kunnen verhuizen, noch zich met individu’s uit het andere hebben kunnen vermengen en de afwijkingen in de beide landen waarschijnlijk niet volkomen de zelfden zijn geweest, zou de seksueele teeltkeus de mannetjes van het eene land verschillend kunnen maken van die uit het andere.

Ook schijnt het mij niet geheel onmogelijk, dat twee stellen wijfjes die in een zeer verschillende omgeving leefden, een eenigszins verschillenden smaak zouden kunnen verkrijgen omtrent vorm, geluid of kleur. Hoe dit ook moge zijn, in mijn „Afstamming van den Mensch” heb ik voorbeelden van nauwgezette vogels gegeven, die verschillende landen bewoonden, van welke de jongen en de wijfjes niet van elkander kunnen worden onderscheiden, terwijl de volwassen mannetjes aanmerkelijk van elkander verschillen, en dit mag met veel waarschijnlijkheid aan de werking der seksueele teeltkeus worden toegeschreven.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DEN MENSCH.

Verschillen tusschen man en vrouw.—Oorzaken van die verschillen en van sommige kenmerken die aan beide seksen gemeen zijn.—Gevechten.—Verschillen in geestvermogens—en stem.—Over den invloed der schoonheid op het bepalen der huwelijken bij den mensch.—Opmerkzaamheid, door wilden aan versierselen gewijd.—Hun begrippen van schoonheid bij de vrouw.—De neiging om elke natuurlijke bijzonderheid te overdrijven.

Bij den mensch zijn de verschillen tusschen de seksen grooter dan bij de meeste soorten van apen (Quadrumana), maar niet zoo groot als bij sommige, bij voorbeeld den mandril. De man is gemiddeld aanmerkelijk grooter, zwaarder en sterker dan de vrouw, met meer vierkante schouders en sterker uitgedrukte spieren. Ten gevolge van de betrekking die bestaat tusschen de ontwikkeling van het spierstelsel en het vooruitsteken der wenkbrauwen [419], zijn de wenkbrauwbogen gewoonlijk bij den man sterker uitgedrukt dan bij de vrouw. Zijn lichaam, en in het bijzonder zijn aangezicht, is hariger, en zijn stem heeft een verschillenden en krachtiger toon. Bij sommige rassen zegt men, dat de vrouwen eenigszins in kleur van de mannen verschillen. Zoo zegt b.v. Schweinfurth, sprekende van een negerin die tot de Monbuttoe’s behoorde, die het binnenland van Afrika eenige weinige graden benoorden den evenaar bewonen: „Gelijk bij haar geheele ras was haar huid verscheidene tinten lichter gekleurd dan dat van haar echtgenoot, en had zoo ongeveer de kleur van half-gebrande koffie.” [420] Daar de vrouwen in het veld werken en geheel naakt gaan, is het niet aan te nemen, dat zij in kleur van de mannen verschillen, omdat zij minder aan weêr en wind zijn blootgesteld.

De man is moediger, strijdlustiger en krachtiger dan de vrouw en heeft een vindingrijker geest. Zijn hersenen zijn absoluut grooter; maar of zij het ook relatief naar verhouding van de meerdere grootte van het lichaam, in vergelijking van dat der vrouw, zijn, is, geloof ik, niet volkomen bewezen. Bij de vrouw is het gelaat ronder; de kaken en het grondvlak van den schedel zijn kleiner; de omtrekken van haar lichaam zijn ronder, gedeeltelijk meer uitstekend, en haar bekken is breeder dan bij den man [421]; doch dit laatste kenmerk kan wellicht eerder als een primair dan als een secundair seksueel kenmerk worden beschouwd. Zij is op vroeger leeftijd volwassen dan de man. (1)

Evenals bij dieren van alle Klassen, zoo komen ook bij den mensch de onderscheidene kenmerken van de mannelijke sekse niet tot volkomen ontwikkeling, voordat hij bijna volwassen is; en als hij wordt ontmand, verschijnen zij nimmer. De baard is, bij voorbeeld, een secundair seksueel kenmerk, en mannelijke kinderen zijn baardeloos, hoewel zij op vroeger leeftijd overvloedig haar op hun hoofd hebben. Dat is waarschijnlijk het gevolg daarvan, dat de opeenvolgende afwijkingen waardoor de mensch zijn mannelijke kenmerken verkreeg, en die alleen op de mannelijke sekse werden overgeplant, zich vrij laat in het leven vertoonden. Mannelijke en vrouwelijke kinderen gelijken uiterst veel op elkander, gelijk de jongen van zoovele andere dieren bij welke de volwassen seksen verschillen; zij gelijken ook veel meer op de volwassen vrouw dan op den volwassen man. De vrouw neemt echter ten laatste zekere onderscheidende kenmerken aan, en in den vorm van haar schedel wordt zij gezegd tusschen het kind en den man in te staan. [422] Evenals verder de jongen van nauwverwante, hoewel verschillende soorten lang zoo veel niet van elkander verschillen als de volwassenen, is het eveneens gelegen met de kinderen van de verschillende menschenrassen. Sommigen hebben zelfs volgehouden, dat rasverschillen op den kinderschedel niet kunnen worden opgemerkt. [423] Wat de kleur aangaat, is het pasgeboren negerkind roodachtig nootbruin, dat spoedig in leigrijs overgaat, terwijl de zwarte kleur in Soedan binnen een jaar, doch in Egypte niet voor den driejarigen leeftijd tot volkomen ontwikkeling komt. De oogen van den neger zijn eerst blauw, en het haar eerder kastanjebruin dan zwart, en slechts aan de einden gekroesd. De kinderen van de Australiërs zijn onmiddellijk na de geboorte geelachtig bruin en worden op lateren leeftijd donker. Die van de Guarani’s van Paraguay zijn witachtig geel; doch zij verkrijgen in den loop van weinige weken de geelachtig bruine tint van hun ouders. Soortgelijke opmerkingen zijn in andere deelen van Amerika gemaakt. [424] (2)

Ik heb de voorgaande bekende verschillen tusschen de mannelijke en de vrouwelijke sekse bij den mensch bijzonder vermeld, omdat zij op merkwaardige wijze overeenstemmen met die bij de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana). Bij deze dieren is het wijfje op vroegeren leeftijd volwassen dan het mannetje; dit is ten minste zeker het geval bij den Cebus Azarae. [425] Bij de meeste soorten zijn de mannetjes grooter en veel sterker dan de wijfjes, van welk feit de gorilla een welbekend voorbeeld oplevert. Zelfs in een zoo onbeduidend kenmerk als het meer vooruitsteken der wenkbrauwbogen verschillen de mannetjes van sommige apen van de wijfjes [426], en komen in dit opzicht met den mensch overeen. Bij den gorilla en sommige andere apen vertoont de schedel van het mannetje een sterk uitgedrukten beenkam op de plaats van den pijlnaad, en deze ontbreekt bij het wijfje; en Ecker vond een spoor van een soortgelijk verschil tusschen de beide seksen bij de Australiërs. [427] Als er bij apen eenig verschil in de stem bestaat, is die van het mannetje de krachtigste. Wij hebben gezien, dat sommige mannelijke apen een goed ontwikkelden baard bezitten, die bij het wijfje geheel ontbreekt of veel minder is ontwikkeld. Er is geen voorbeeld bekend, dat de kinbaard, bakkebaarden of knevels bij den vrouwelijken aap grooter zijn dan bij haar mannetje. Zelfs in de kleur van den baard is er een merkwaardige overeenkomst tusschen den mensch en de Vierhandige Zoogdieren (Quadrumana); want wanneer bij den man de baard in kleur van het hoofdhaar verschilt, gelijk dikwijls het geval is, is hij, geloof ik, onveranderlijk van een lichter tint, terwijl hij dikwijls roodachtig is. Ik heb dit feit in Engeland waargenomen, en Dr. Hooker die in Rusland voor mij op dit kleine punt lette, vond geen uitzondering op den regel. In Calcutta was de heer J. Scott, van den Botanischen tuin zoo vriendelijk zorgvuldig op de vele menschenrassen acht te geven, die men daar evenals in andere deelen van Indië ziet, namelijk, twee rassen van Sikhim, de Bhotea’s, de Hindoes, de inboorlingen van Birma en de Chineezen. Hoewel de meeste van deze rassen zeer weinig haar op het aangezicht hebben, vond hij toch altijd, dat, als er eenig verschil in kleur was tusschen het hoofdhaar en den baard, deze laatste zonder uitzondering een lichter tint bezat. Nu verschilt bij apen, gelijk reeds is gezegd, de baard dikwijls treffend in kleur van het haar op den kop, en in dergelijke gevallen is hij onveranderlijk van een lichter tint, dikwijls zuiver wit, somtijds geel en roodachtig zijnde. [428]

Wat de algemeene behaardheid van het lichaam betreft, zoo zijn de vrouwen bij alle rassen minder harig dan de mannen, en bij eenige weinige Vierhandigen (Quadrumana) is de onderzijde van het lichaam van het wijfje minder harig dan die van het mannetje. [429] Eindelijk zijn mannelijke apen, evenals mannen, moediger en woester dan de wijfjes. Zij voeren den troep aan en stellen zich, als er gevaar is, aan de spits. Wij zien dus, hoe groot de overeenkomst tusschen de seksueele verschillen van den mensch en van de Vierhandigen (Quadrumana) is. Bij eenige weinige soorten echter, zooals bij sommige bavianen, den gorilla en den orang, is er een aanmerkelijk grooter verschil tusschen de seksen, in de grootte der hoektanden, in de ontwikkeling en kleur van het haar, en vooral in de kleuren van de naakte deelen der huid, dan in het geval van den mensch.

De secundaire seksueele kenmerken van den mensch zijn allen in hooge mate aan afwijkingen onderhevig, zelfs binnen de grenzen van één en het zelfde ras of onder-soort; en bij de onderscheidene rassen verschillen zij veel. Deze beide regelen houden door het geheele dierenrijk heên steek. Bij de uitnemende waarnemingen, aan boord van de „Novara” gedaan [430], vond men, dat de mannelijke Australiërs de vrouwelijke slechts 65 millimeters in lengte overtroffen, terwijl bij de Javanen de gemiddelde overmaat 218 millimeters was, zoodat bij dit laatste ras het verschil in lengte tusschen de seksen meer dan driemaal zoo groot is als bij de Australiërs. De talrijke metingen van onderscheidene andere rassen met betrekking tot de lengte van het lichaam, den omtrek van den hals en de lengte van den ruggegraat en de armen, toonden bijna allen, dat de mannen veel meer van elkander verschilden dan de vrouwen. Dit feit toont aan, dat het, wat deze kenmerken betreft, de man is, die hoofdzakelijk is gewijzigd, sinds de rassen uit hun gemeenschappelijken en oorspronkelijken stamvorm ontsproten.