Part 30
Er is echter reden om te gelooven, dat de seksueele teeltkeus bij sommige beschaafde en half beschaafde volken eenigen invloed heeft gehad. Vele personen zijn overtuigd en naar het mij schijnt terecht, dat de leden van onze aristocratie, als men onder dit woord alle rijke families verstaat, bij welke het recht van eerstgeboorte lang heeft geheerscht, omdat zij gedurende vele geslachten de schoonste vrouwen van alle klassen tot hun echtgenooten hebben gekozen, volgens den Europeeschen maatstaf van schoonheid schooner zijn geworden, dan de middelklassen; en toch zijn de middelklassen geplaatst onder levensvoorwaarden die even gunstig zijn voor de volkomen ontwikkeling van het lichaam. Cook merkt op, dat de meerdere voortreffelijkheid in persoonlijke schoonheid, „die bij de areois of edelen op al de andere eilanden (van den Stillen Oceaan) kan worden opgemerkt, op de Sandwich-eilanden algemeen is”; doch dit kan hoofdzakelijk het gevolg zijn van hun betere voeding en levenswijze.
De oude reiziger Chardin zegt, de Perzen beschrijvende, dat hun „bloed tegenwoordig zeer is veredeld door veelvuldige kruisingen met de Georgiërs en Circassiërs, twee volken die alle andere in persoonlijke schoonheid overtreffen. Er is nauwelijks een man van rang in Perzië, die niet uit een Georgische of Circassische moeder is geboren.” Hij voegt er bij, dat zij hun schoonheid „niet erven van hun voorvaders; want zonder bovenvermelde vermenging zouden de mannen van rang in Perzië, die afstammelingen van de Tartaren zijn, uiterst leelijk wezen”. [495] Zie hier een nog merkwaardiger geval: de priesteressen die in den tempel van Venus Erycina te San-Giuliano in Sicilië den dienst verrichtten, werden uit de schoonste vrouwen van geheel Griekenland uitgezocht, zij waren geen Vestaalsche maagden, en Quatrefages [496] aan wien deze mededeeling is ontleend, zegt, dat de vrouwen van San-Giuliano nog tegenwoordig beroemd zijn als de schoonste van het eiland, en door kunstenaars als modellen worden gezocht. Het is echter klaarblijkelijk, dat de bewijzen in de bovengemelde gevallen twijfelachtig zijn.
Het volgende geval verdient, hoewel op wilden betrekking hebbende, wegens zijn merkwaardigheid wel hier te worden medegedeeld. De heer Winwood Reade meldt mij, dat de Jollofs, een negerstam aan de westkust van Afrika, „opmerkelijk zijn wegens hun algemeen fraai uiterlijk”. Een zijner vrienden vraagde eens een dezer menschen: „hoe komt het, dat iedereen dien ik ontmoet, er zoo fraai uitziet, niet slechts uw mannen, maar ook uw vrouwen?” De Jollof antwoordde: „Dat is zeer gemakkelijk te verklaren: het is altijd onze gewoonte geweest diegenen onzer slaven, die een leelijk uiterlijk hadden, uit te zoeken en te verkoopen.” Het behoeft hier nauwelijks te worden bijgevoegd, dat bij alle wilden de slavinnen als bijwijven worden gebruikt. Dat deze neger, hetzij terecht of ten onrechte, het fraaie uiterlijk van zijn stam zou hebben toegeschreven aan de lang voortgezette eliminatie van de leelijke vrouwen, is niet zoo verwonderlijk, als het wellicht op het eerste gezicht schijnt, want ik heb elders [497] aangetoond, dat negers de belangrijkheid van teeltkeus bij het fokken hunner huisdieren ten volle naar waarde schatten, en zou op gezag van den heer Reade nog meer bewijzen daarvoor kunnen mededeelen.
Over de Oorzaken die de Werking der Seksueele Teeltkeus bij Wilden voorkomen of belemmeren.—De hoofdoorzaken zijn, ten eerste, zoogenaamde communale huwelijken of algemeene vermenging (promiscuïteit); ten tweede, kindermoord, vooral van vrouwelijke kinderen; ten derde, vroege verlovingen; en eindelijk de geringschatting die men voor vrouwen, als bloote slavinnen, gevoelt. Deze vier punten moeten eenigszins uitvoerig worden beschouwd.
Het is duidelijk, dat, zoolang de paring van den mensch, of van eenig ander dier, aan het toeval wordt overgelaten, zonder dat een der beide seksen een keus uitoefent, er ook geen seksueele teeltkeus kan zijn, en er geen invloed op de nakomelingschap kan worden uitgeoefend, doordat zekere individu’s bij hun vrijage een voordeel over andere hebben. Nu beweert men, dat er nog op den huidigen dag stammen bestaan, die uitoefenen, hetgeen Sir J. Lubbock uit hoffelijkheid communale huwelijken noemt, dat is, dat alle mannen en vrouwen van den stam elkanders echtgenooten zijn. De losbandigheid van vele wilden is ongetwijfeld verbazend groot; maar het schijnt mij toe, dat er meer bewijzen noodig zijn, voordat wij volkomen kunnen aannemen, dat hun bestaande vermenging werkelijk volstrekt algemeen is. Desniettemin gelooven allen die het onderwerp zeer grondig hebben bestudeerd [498], en wier oordeel veel meer waard is dan het mijne, dat het communale huwelijk de oorspronkelijke en algemeene vorm over de geheele wereld was, met insluiting van het huwelijk tusschen broeders en zusters. Wijlen Sir A. Smith die groote reizen in Zuid-Afrika had gedaan, en veel wist van de zeden der wilden daar en elders, verzekerde mij ten sterkste, dat er naar zijn meening geen stam bestaat, waarin de vrouw als het eigendom van al de leden daarvan wordt beschouwd. Ik geloof dat dit oordeel in groote mate werd bepaald door den zin dien hij aan het woord huwelijk hechtte. In de hier volgende bespreking zal ik dit woord gebruiken in den zelfden zin als dierkundigen, wanneer zij van éénwijvige (monogame) dieren spreken, waarmede zij bedoelen, dat het mannetje wordt aangenomen door een enkel wijfje, of een enkel wijfje uitkiest en daarmede leeft, hetzij gedurende den paartijd of gedurende het geheele jaar, haar in bezit houdende door het recht van den sterkste; of als zij spreken van een veelwijvige (polygame) soort, bedoelende, dat het mannetje met meer dan één wijfje leeft. Deze soort van huwelijk is het eenige waarmede wij hier hebben te maken, daar zij voldoende is voor de werking der seksueele teeltkeus. Doch ik weet, dat verscheidene der boven aangehaalde schrijvers onder het woord huwelijk een erkend recht, beschermd door den stam, verstaan. De indirecte bewijzen ten gunste dezer meening zijn uiterst sterk en berusten voornamelijk op de namen der graden van bloedverwantschap, die tusschen de leden van den zelfden stam worden gebruikt, en alleen een verwantschap met den stam en niet met een der beide ouders te kennen geven. Het onderwerp is echter te uitgebreid en te ingewikkeld om hier te worden behandeld, en ik zal mij tot eenige weinige opmerkingen bepalen. Het is duidelijk, dat bij communale huwelijken, of daar waar de band des huwelijks zeer los is, de verwantschap tusschen het kind en zijn vader niet bekend kan zijn. Het schijnt echter bijna ongeloofelijk, dat de verwantschap tusschen het kind en zijn moeder ooit volkomen onbekend zou zijn geweest, vooral daar bij de meeste wilde stammen de moeders haar kinderen gedurende langen tijd zoogen. Overeenkomstig hiermede wordt in vele gevallen de afstamming alleen in de moederlijke lijn nagegaan, met uitsluiting van de vaderlijke. In vele andere gevallen echter drukken de gebruikt wordende namen alleen een verwantschap met den stam uit, met uitsluiting zelfs van de moeder. Het schijnt mogelijk, dat de band tusschen de verwante leden van den zelfden barbaarschen stam, aan allerlei soorten van gevaar blootgesteld, zooveel belangrijker zou kunnen zijn, ten gevolge van de behoefte aan wederzijdsche bescherming en hulp, dan die tusschen een moeder en haar kind, dat dit aanleiding gaf om alleen de woorden te gebruiken, die de eerste soort van verwantschappen uitdrukten; doch de heer Morgan is overtuigd, dat deze wijze om de zaak te beschouwen, in geenen deele voldoende is.
De woorden die in verschillende deelen der wereld worden gebruikt om de graden van bloedverwantschap aan te duiden, kunnen volgens den zooeven aangehaalden schrijver, in twee groote klassen worden verdeeld: de klassificatorische en de beschrijvende,—de laatste wordt door ons gebruikt. Het is het klassificatorische stelsel dat zoo nadrukkelijk tot de meening aanleiding geeft, dat communale en andere uiterst losse vormen van huwelijk oorspronkelijk algemeen waren. Zoover ik echter de zaak begrijp, is er geen noodzakelijkheid om op dezen grond in een volstrekt vrije vermenging te gelooven. Mannen en vrouwen zouden, gelijk vele van de lagere dieren, vroeger vaste hoewel tijdelijke vereenigingen voor elke geboorte kunnen hebben gesloten, en in dit geval zou omtrent evenveel verwarring in de woorden voor de graden van bloedverwantschap zijn ontstaan, als in het geval van een geheel vrije vermenging. Voorzoover er de seksueele teeltkeus in is betrokken, is al wat noodig is, dat er een keus werd uitgeoefend, voordat de ouders zich vereenigden, en beteekent het weinig, of de vereenigingen levenslang of voor één jaargetijde duurden.
Behalve de bewijzen die uit de woorden worden afgeleid, welke voor de graden van bloedverwantschap worden gebruikt, toonen ook andere aaneenschakelingen van redeneering het vroeger wijd en zijd heerschen van communale huwelijken aan. Sir J. Lubbock verklaart [499] op vernuftige wijze de vreemde en ver verspreide gewoonte van exogamie,—dat is, dat de mannen van éénen stam altijd vrouwen nemen uit een anderen stam, doordat het communisme de oorspronkelijke vorm van het huwelijk was, zoodat een man nimmer een vrouw voor zich alleen verkreeg, dan wanneer hij haar van een vreemden en vijandigen stam roofde, en dan zou zij natuurlijk zijn uitsluitend en kostbaar eigendom zijn geworden. Zoo zou de gewoonte om vrouwen te rooven ontstaan en wegens de daardoor behaalde eer ten laatste de algemeene gewoonte kunnen zijn geworden. Wij kunnen, volgens Sir J. Lubbock, op die wijze ook de noodzakelijkheid begrijpen „om voor het huwelijk boete te doen, daar het een verkrachting van de rechten van den stam was, omdat, volgens de oude denkbeelden, een man geen recht had om zich zelf iets toe te eigenen, dat aan den geheelen stam behoorde.” Sir J. Lubbock geeft verder een hoogst opmerkelijke verzameling van feiten die aantoonen, dat in oude tijden hooge eer werd bewezen aan vrouwen die uiterst losbandig waren; en dit is, gelijk hij verklaart, begrijpelijk, indien wij aannemen, dat vrije vermenging de oorspronkelijke en daarom lang geëerde gewoonte van den stam was. [500]
Hoewel de wijze waarop de huwelijksband zich heeft ontwikkeld, een duister onderwerp is, gelijk wij mogen afleiden uit de afwijkende meeningen omtrent verschillende punten van drie schrijvers die hem het grondigst hebben bestudeerd, namelijk, den heer Morgan, den heer M’Lennan en Sir J. Lubbock, schijnt het toch wegens de voorgaande en onderscheidene andere reeksen van bewijzen zeker [501], dat het gebruik van het huwelijk zich trapsgewijze heeft ontwikkeld, en dat bijna algemeene vermenging eens door de geheele wereld heên uiterst algemeen was. Desniettemin kan ik wegens de analogie van de lagere dieren, meer in het bijzonder van die welke in de reeks het naast bij den mensch staan, niet gelooven, dat deze gewoonte in een uiterst verwijderd tijdperk heerschte, toen de mensch nog nauwelijks zijn tegenwoordigen rang op de ladder van het Dierenrijk had bereikt. De mensch stamt, gelijk ik heb trachten aan te toonen, zonder eenigen twijfel van een of ander op een aap gelijkend schepsel af. Bij de tegenwoordige Vierhandigen (Quadrumana) zijn, voor zoover hun levenswijze bekend is, de mannetjes van sommige soorten eenwijvig (monogaam), maar leven alleen gedurende een deel van het jaar met de wijfjes, gelijk met den Orang het geval schijnt te zijn. Onderscheidene soorten, zooals sommige van de Indische en Amerikaansche apen, zijn streng eenwijvig (monogaam) en leven gedurende het geheele jaar in gezelschap van hun wijfjes. Andere zijn veelwijvig (polygaam), gelijk de Gorilla en onderscheidene Amerikaansche soorten, en elk gezin leeft afzonderlijk. Zelfs wanneer dit plaats grijpt, leven de gezinnen die de zelfde streek bewonen, waarschijnlijk gezellig; de Chimpanzee, bijvoorbeeld, wordt nu en dan in groote troepen aangetroffen. Wederom andere soorten zijn veelwijvig (polygaam); doch verscheidene mannetjes leven, elk met zijn eigen wijfje, in een troep vereenigd, gelijk bij onderscheidene soorten van Bavianen [502]. Wij mogen inderdaad uit hetgeen wij weten van de ijverzucht van alle mannelijke viervoetige dieren, gewapend, gelijk vele van hen zijn, met bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten, het besluit trekken, dat een algemeene vermenging in den natuurstaat uiterst onwaarschijnlijk is. De paren mogen niet levenslang, maar slechts voor elke geboorte bijeenblijven, toch zou dit, indien de mannetjes die het sterkst en het best in staat zijn om de wijfjes en de jongen te verdedigen of op andere wijze te helpen, de aantrekkelijkste wijfjes voor de voortteling konden uitkiezen, voldoende zijn voor de werking der seksueele teeltkeus.
Daarom is het, indien wij ver genoeg terugblikken in den stroom des tijds, uiterst onwaarschijnlijk, dat de oorspronkelijke mannen en vrouwen in vrije vermenging met elkander leefden. Te oordeelen naar de sociale gewoonten van den mensch, gelijk hij nu bestaat, en naar het feit, dat de meeste wilden in veelwijverij (polygamie) leven, is de waarschijnlijkste meening, dat de oorspronkelijke man in den beginne in kleine gezelschappen leefde, elk met zooveel vrouwen, als hij kon onderhouden en verkrijgen, die hij ijverzuchtig tegen alle andere mannen zal hebben verdedigd. Hij kan ook met onderscheidene vrouwen op zich zelf hebben geleefd, gelijk de Gorilla; want alle inboorlingen „zijn het hierover eens, dat in elken troep slechts één volwassen mannetje wordt gezien; wanneer het jonge mannetje opgroeit, heeft een strijd om de opperheerschappij plaats, en de sterkste vestigt zich, door de andere te dooden of te verjagen, als het hoofd der gemeenschap.” [503] De jonge mannetjes die daardoor zijn verdreven en nu ronddwalen, zullen, als zij er eindelijk in slagen een gezellin te vinden, een te nauwe vermenging („interbreeding”) binnen de grenzen van de zelfde familie verhoeden.
Hoewel de wilden tegenwoordig uiterst losbandig zijn, en hoewel communale huwelijken vroeger in hooge mate mogen hebben geheerscht, zoo bestaat toch bij vele stammen de eene of andere vorm van huwelijk, maar van een veel losser aard dan bij beschaafde volken. Veelwijverij (polygamie) is, zooals juist werd aangevoerd, bijna algemeen in zwang bij de opperhoofden in elken stam. Desniettemin zijn er stammen welke bijna aan den voet van de ladder staan, die streng eenwijvig (monogaam) zijn. Dit is het geval met de Veddah’s van Ceylon; zij hebben, volgens Sir J. Lubbock [504], een spreekwoord, „dat alleen de dood vrouw en man kan scheiden.” Een verstandelijk goed ontwikkeld opperhoofd uit Kandy, natuurlijk een polygamist, „ergerde zich in hooge mate over de uiterste barbaarschheid van slechts met ééne vrouw te leven en haar nooit te verlaten, voor men door den dood van haar wordt gescheiden.” Het was, zeide hij, „juist als bij de Wanderoe apen.” Of wilden die tegenwoordig den eenen of anderen vorm van huwelijk, hetzij veelwijvig (polygaam) of eenwijvig (monogaam), bezitten, die gewoonten van uit oorspronkelijke tijden hebben behouden, dan wel, of zij tot den eenen of anderen vorm van huwelijk zijn teruggekeerd, na een toestand van algemeene vrije vermenging te hebben doorloopen,—daarover waag ik het niet vermoedens uit te spreken.
Kindermoord.—Dit gebruik is nu in de geheele wereld zeer veelvuldig, en er is reden om te gelooven, dat het in vroegere tijden een nog grooter verspreiding had. Barbaren vinden het moeilijk zich zelven en hun kinderen te onderhouden, en het is een eenvoudig plan hun kinderen te dooden. In Zuid-Amerika vernielden sommige stammen, gelijk Azara getuigt, zoovele kinderen van beide seksen, dat zij op het punt waren van uit te sterven. Op de Polynesische eilanden heeft men vrouwen gekend, die vier of vijf tot zelfs tien van haar kinderen hadden gedood, en Ellis kon geen enkele vrouw vinden, die er niet ten minste één had gedood. Overal waar kindermoord heerscht, zal de strijd om het bestaan in zoover minder hevig zijn, en zullen al de leden van den stam een bijna even goede kans hebben om hun weinige overgebleven kinderen groot te brengen. In de meeste andere gevallen wordt een grooter aantal vrouwelijke dan mannelijke kinderen gedood; want het is duidelijk, dat deze laatsten van meer waarde voor den stam zijn, daar zij, wanneer zij volwassen zijn, hem zullen helpen verdedigen, en zich zelf kunnen onderhouden. Doch de moeite die de vrouwen ondervinden bij het grootbrengen van kinderen, het daardoor veroorzaakte verlies van schoonheid, de hoogere waarde die men aan haar hecht, en haar gelukkiger lot, als zij weinig in getal zijn, worden door de vrouwen zelven en door onderscheidene waarnemers opgegeven als bijkomende beweegredenen voor kindermoord. In Australië waar het dooden van vrouwelijke kinderen nog veelvuldig plaats heeft, schatte Sir G. Grey de verhouding van de vrouwelijke inboorlingen tot de mannelijke als één tot drie; maar anderen zeggen, dat zij als twee tot drie is. In een dorp op de oostelijke grens van Indië vond Kolonel MacCulloch geen enkel vrouwelijk kind. [505]
Als ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen de vrouwen van een stam weinig in getal zijn, zal natuurlijk de gewoonte ontstaan om de vrouwen van naburige stammen te rooven. Sir John Lubbock schrijft echter, gelijk wij hebben gezien, dat gebruik voornamelijk hieraan toe, dat vroeger het communale huwelijk bestond en dat ten gevolge daarvan de mannen vrouwen van andere stammen roofden om haar als hun uitsluitend eigendom te houden. Bijkomende oorzaken zouden kunnen worden aangegeven, b.v. dat de gemeenschappen zeer klein waren, in welk geval huwbare vrouwen dikwijls zouden ontbreken. Dat de gewoonte van vrouwenroof in vroegere tijden op groote schaal bestond, zelfs bij de voorouders van beschaafde natiën, wordt duidelijk aangetoond door het bewaard blijven van vele merkwaardige gebruiken en plechtigheden van welke de heer M’Lennan een hoogst belangwekkende beschrijving heeft gegeven. In onze eigen huwelijken schijnt de „beste man” oorspronkelijk de voornaamste helper van den bruidegom bij de handeling van het rooven te zijn geweest. (1) Zoolang nu de mannen zich gewoonlijk hun vrouwen door geweld en list verschaften, is het niet waarschijnlijk, dat zij de aantrekkelijkste vrouwen uitkozen (2); zij zullen blijde zijn geweest, als zij slechts de eene of andere vrouw konden vermeesteren. Zoodra echter aan de gewoonte om zich vrouwen van een anderen stam te verschaffen, door ruilhandel werd voldaan, gelijk nu op vele plaatsen geschiedt, zullen het algemeen de aantrekkelijkste vrouwen zijn gekocht. De onophoudelijke kruising tusschen den eenen stam en den anderen, die een noodzakelijk gevolg van elken vorm van deze gewoonte is, zal echter een neiging hebben doen ontstaan om al de in het zelfde land wonende menschen in hun kenmerken ongeveer gelijkvormig te houden; en dit zal het vermogen der seksueele teeltkeus om de stammen te differentieeren, aanmerkelijk hebben tegengewerkt.
De schaarschheid van de vrouwen, ten gevolge van het dooden der vrouwelijke kinderen, leidt ook tot een ander gebruik, namelijk tot veelmannerij (polyandrie) die in verscheidene deelen der wereld nog veelvuldig is, en die vroeger, volgens de meening van den heer M’Lennan, bijna algemeen heerschte: dit laatste besluit wordt echter door den heer Morgan en Sir J. Lubbock betwijfeld. [506] Zoodra twee of meer mannen zijn gedwongen ééne vrouw te huwen, is het zeker, dat al de vrouwen van den stam zullen huwen, en zal er door de mannen geen keus van de aantrekkelijkste vrouwen worden uitgeoefend. Onder deze omstandigheden zullen echter de vrouwen zonder twijfel het vermogen hebben om een keus te doen, en zullen aan de aantrekkelijkste mannen de voorkeur geven. Azara beschrijft, bij voorbeeld, hoe zorgvuldig een Guana-vrouw allerlei soorten van voorrechten bedingt, voor zij één of meer echtgenooten aanneemt, en ten gevolge daarvan dragen de mannen ongewone zorg voor hun uiterlijk aanzien. [507] De zeer leelijke mannen zullen er wellicht geen van allen in slagen om een vrouw te krijgen, of er slechts op later leeftijd een krijgen; maar de schoonste mannen zullen, ofschoon zij de voorspoedigste in het verkrijgen van een vrouw zouden zijn, voor zoover wij kunnen zien, niet meer nakomelingen nalaten om hun schoonheid te erven, dan de minder schoone echtgenooten van de zelfde vrouw.
Vroege Verlovingen en Slavernij der vrouwen.—Bij vele wilden is het de gewoonte de vrouwen te verloven, als zij nog bloot kinderen zijn; en dit zal op werkzame wijze verhinderen, dat van een van beide zijden eenige voorkeur met betrekking tot het uiterlijk aanzien kan worden gegeven. Het zal echter niet verhinderen, dat de aantrekkelijkste vrouwen later door de mannen die meer macht hebben, aan hun echtgenooten worden ontstolen of met geweld ontnomen; en dit geschiedt dikwijls in Australië, Amerika en andere deelen der wereld. De zelfde gevolgen ten opzichte van seksueele teeltkeus zullen tot op zekere hoogte plaats hebben, wanneer de vrouwen bijna uitsluitend als slavinnen of lastdieren worden gewaardeerd, gelijk bij de meeste wilden het geval is. De mannen zullen echter ten allen tijde de voorkeur geven aan de slavinnen die, volgens hun maatstaf van schoonheid, de schoonste zijn.
Wij zien dus dat bij wilden onderscheidene gebruiken heerschen, die de werking der seksueele teeltkeus sterk belemmeren of volkomen kunnen opheffen. Daarentegen zijn de levensvoorwaarden waaraan wilden zijn blootgesteld, en sommige van hun gebruiken gunstig voor de natuurlijke teeltkeus; en deze komt altijd te zamen met de seksueele teeltkeus in het spel. Het is bekend, dat wilden veel hebben te lijden van telkens terugkeerende hongersnooden; zij vermeerderen hun voedsel niet door kunstmatige middelen; zij onthouden zich zelden van het huwelijk [508] en huwen over het algemeen op jeugdigen leeftijd. Bij gevolg moeten zij nu en dan aan een heftigen strijd om het leven zijn blootgesteld en zullen alleen de begunstigde individu’s blijven leven.
Als wij de oorspronkelijke tijden beschouwen, toen de menschen nog slechts twijfelachtig den rang der menschelijkheid hadden bereikt, zullen zij waarschijnlijk, gelijk reeds is gezegd, hetzij in veelwijverij (polygamie) of tijdelijk in eenwijverij (monogamie) hebben geleefd. Hun vermenging zal, te oordeelen naar de analogie, niet volkomen algemeen zijn geweest. Zij zullen ongetwijfeld hun vrouwen, zoo goed als zij maar konden, tegen allerlei soort van vijanden hebben verdedigd en waarschijnlijk voor hun onderhoud en tevens voor dat van hun kroost op de jacht zijn gegaan. De sterkste en bekwaamste mannen zullen het best zijn geslaagd in den strijd om het leven en in het verkrijgen van aantrekkelijke vrouwen. In dit vroege tijdvak zullen de stamouders van den mensch, daar zij slechts zwakke verstandelijke vermogens bezaten, niet vooruit hebben gezien op zaken die mogelijk in de toekomst konden gebeuren. Zij zullen door hun instinkt meer en door hun rede minder dan zelfs de tegenwoordige wilden zijn bestuurd. Zij zullen in dat tijdvak niet een van de sterkste van alle instinkten, dat aan alle lagere dieren gemeen is, namelijk de liefde voor hun jong kroost, gedeeltelijk hebben verloren, en zullen bij gevolg geen kindermoord hebben uitgeoefend. Er zal geen kunstmatige schaarschte van vrouwen zijn geweest en derhalve geen veelmannerij (polyandrie) plaats hebben gehad; er zullen geen vroege verlovingen in zwang zijn geweest; de vrouwen zullen niet alleen als slavinnen zijn gewaardeerd; beide seksen zullen, indien aan de vrouwen even goed als aan de mannen werd veroorloofd eenige keus uit te oefenen, hun gezellen hebben gekozen, niet wegens geestelijke bekoorlijkheden, of rijkdom of plaats in de maatschappij (sociale positie), maar bijna alleen wegens uiterlijke schoonheid. Al de volwassenen zullen zijn gehuwd of hebben gepaard, en al de kinderen zullen, zoover dat mogelijk was, zijn grootgebracht, zoodat de strijd om het leven periodiek uitermate heftig was. Zoo zullen gedurende deze oorspronkelijke tijden al de voorwaarden voor seksueele teeltkeus veel gunstiger zijn geweest dan in eenig later tijdperk, toen de mensch in zijn verstandelijke vermogens vooruit-, maar in zijn instinkten achteruit was gegaan. Daarom zal, welken invloed de seksueele teeltkeus ook moge hebben gehad op het ontstaan van de verschillen tusschen de menschenrassen en tusschen den mensch en de hoogere apen, die invloed veel machtiger zijn geweest in een zeer verwijderd tijdperk, dan op den huidigen dag.