Part 4
Bij de vogels zijn de secundaire seksueele kenmerken meer verschillend en vallen meer in het oog, hoewel zij wellicht geen belangrijker veranderingen van maaksel veroorzaken, dan bij eenige andere Klasse van dieren. Ik zal daarom dit onderwerp zeer uitgebreid behandelen. Mannelijke vogels bezitten soms, hoewel niet dikwijls, bijzondere wapens om met elkander te vechten. Zij bekoren de wijfjes door vocale en instrumentale muziek van de meest verschillende soort. Zij zijn versierd met allerlei soort van kammen, vleeschlappen, uitwassen, horens, door lucht uitgezette zakken, kuiven, naakte schachten, pluimen en verlengde vederen die op bevallige wijze op allerlei plaatsen van het lichaam ontspringen. De snavel en het naakte vel aan den kop, en de vederen zijn dikwijls prachtig gekleurd. De mannetjes maken somtijds aan de wijfjes het hof door te dansen, of door fantastische vertooningen op den grond of in de lucht uit te voeren. Er bestaat op zijn minst één voorbeeld, dat het mannetje een muskusachtigen geur verspreidt, die, gelijk wij mogen veronderstellen, dient om het wijfje te bekoren of op te wekken; want de heer Ramsay [68], die uitmuntende waarnemer, zegt van de Australische muskuseend (Biziura lobata), dat „de geur dien het mannetje gedurende den zomer verspreidt, tot die sekse is beperkt, en bij sommige individu’s het geheele jaar voortduurt; ik heb nooit, zelfs niet in den paartijd, een wijfje geschoten, dat eenigszins naar muskus rook.” Zoo sterk is die geur gedurende den paartijd dat men hem kan ruiken, lang voor men den vogel kan zien. [69] Over het geheel schijnen de vogels de meest aesthetische van alle dieren te zijn, met uitzondering natuurlijk van den mensch, en zij hebben bijna den zelfden smaak voor het schoone als wij. Dit blijkt uit het behagen dat wij in het gezang der vogels scheppen, en doordat onze vrouwen, zoowel beschaafde als wilde, haar hoofden met geleende vederen bedekken en edelgesteenten gebruiken, die nauwelijks schitterender zijn gekleurd, dan de naakte huid en de vleeschlappen van zekere vogels.
Voor ik de kenmerken behandel, waarmede wij hier meer in het bijzonder hebben te maken, wil ik eerst wijzen op zekere verschillen tusschen de seksen, die blijkbaar afhangen van verschillen in haar levenswijze; want dergelijke gevallen, hoewel in de lagere klassen algemeen, zijn in de hoogere zeldzaam. Twee kolibri’s, tot het geslacht Eustephanus behoorende, die het eiland Juan Fernandez bewonen, werden lang voor verschillende soorten gehouden, doch men weet nu, gelijk de heer Gould mij meldt, dat het de seksen van de zelfde soort zijn, en zij verschillen eenigszins in den vorm van den snavel. In een ander geslacht van kolibri’s (Grypus) is de snavel van het mannetje langs den rand gezaagd en aan het uiteinde gebogen, en verschilt dus veel van dien van het wijfje. Bij de merkwaardige Neomorpha van Nieuw-Zeeland is er een nog grooter verschil in den vorm van den snavel; en men heeft den heer Gould medegedeeld, dat het mannetje met zijn „rechten en sterken snavel” den bast van de boomen afscheurt, opdat het wijfje zich met haar zwakkeren en meer gekromden snavel zou kunnen voeden met de blootkomende larven. Iets van den zelfden aard zou men wellicht kunnen waarnemen bij den distelvink (Carduelis elegans), want de heer Jenner Weir heeft mij verzekerd, dat de vogelvangers de mannetjes aan hun een weinig langere snavels kunnen onderscheiden. Men vindt de mannetjes gewoonlijk, volgens de getuigenissen van een ouden en geloofwaardigen vogelvanger, zich met zaden van den kaardebol (Dipsacus) voedende, die zij met hun verlengden snavel kunnen bereiken, terwijl de wijfjes zich meer algemeen voeden met de zaden van het helmkruid (Scrophularia). Met een gering verschil van dezen aard tot grondslag, kunnen wij begrijpen, hoe de snavels der beide seksen er door de natuurlijke teeltkeus toe kunnen zijn gekomen om zeer van elkander te verschillen. In al deze gevallen echter, vooral in dat van de twistzieke kolibri’s, is het mogelijk, dat de verschillen in snavels oorspronkelijk door de mannetjes zijn verkregen, in verband met hun gevechten, en later aanleiding gaven tot een eenigszins veranderde levenswijze.
Gevechten.—Bijna alle mannelijke vogels zijn uiterst strijdlustig en gebruiken hun snavels en pooten om met elkander te vechten. Wij zien dit elken zomer bij onze roodborstjes en huismusschen. De kleinste van alle vogels, namelijk de kolibri, is ook de meest twistzieke. De heer Gosse [70] beschrijft een gevecht waarbij een paar kolibri’s elkander met den snavel vastgrepen en in het rond draaiden tot zij bijna op den grond vielen, en de heer Montes de Oca zegt, van een ander geslacht sprekende, dat twee mannetjes elkander zelden ontmoeten, zonder dat er een woedend gevecht in de lucht plaats grijpt, en als men ze in kooien houdt, „eindigt hun gevecht meestal daarmede, dat de tong van een van beide wordt gespleten, die dan met zekerheid moet sterven, daar hij zich niet meer kan voeden.” [71] Onder de Moerasvogels „vechten de mannetjes van het waterhoentje (Gallinula chloropus) in den paartijd hevig om de wijfjes; zij staan bijna rechtop in het water en trappen met hun pooten.” Men heeft er twee op die wijze een half uur lang zien vechten, totdat de een den kop van den ander beet kreeg, die zou zijn gedood als de waarnemer niet tusschenbeide was gekomen; het wijfje stond er al dien tijd als een rustige toeschouwster naar te kijken. [72] De mannetjes van een verwanten vogel (Gallicrex cristatus) zijn, gelijk de heer Blyth mij meldt, een derde grooter dan de wijfjes, en zijn gedurende den paartijd zoo strijdlustig, dat de inboorlingen van oostelijk Bengalen hen houden om ze met elkander te laten vechten. Men houdt in Indië onderscheidene andere vogels met het zelfde doel, bij voorbeeld de Bulbuls (Pycnonotush aemorrhous), „die met grooten moed vechten.” [73]
De in veelwijverij levende kemphaan (Machetes Pugnax, Fig. 22) is bekend wegens zijn buitengewone strijdlustigheid; en in de lente komen de mannetjes die veel grooter zijn dan de wijfjes, alle dagen te zamen op een bijzondere plaats waar de wijfjes van plan zijn haar eieren te leggen. De vogelaars ontdekken die plaatsen, doordat het gras er een weinig kaal is getrapt. Hier vechten zij zeer hevig gelijk strijdhanen, en grijpen elkander met hun snavel en slaan elkander met hun vleugels. De groote halskraag van vederen staat dan recht overeind en „sleept”, volgens Kolonel Montagu, „over den grond als een schild om de meer teedere deelen te beschermen”, en dit is het eenige mij bekende voorbeeld bij vogels van het eene of andere deel dat als een schild dient. De halskraag van vederen dient echter wegens zijn menigvuldige en rijke kleuren waarschijnlijk voornamelijk tot versiering. Gelijk de meeste strijdlustige vogels schijnen zij bijna altijd bereid te zijn om te vechten; en als zij in enge gevangenschap met elkander leven, dooden zij elkander veelvuldig; maar Montagu nam waar, dat hun strijdlustigheid gedurende de lente, wanneer de lange vederen op den hals volkomen zijn ontwikkeld, grooter wordt; en in dien tijd doet de minste beweging van dezen of genen afzonderlijken vogel een algemeen gevecht ontstaan. [74] Van de strijdlustigheid van de zwemvogels zullen twee voorbeelden voldoende zijn: in Guiana „hebben gedurende den paartijd bloedige gevechten plaats tusschen de mannetjes van de wilde muskuseend (Cairina moschata) (1); en waar deze gevechten hebben plaats gehad, is de rivier over eenigen afstand met vederen bedekt.” [75] Vogels die slecht geschikt schijnen te zijn om te vechten, leveren elkander woedende gevechten; zoo jagen bij den pelikaan de sterkere mannetjes de zwakkere weg, met hun monsterachtige snavels bijtende en krachtige slagen met hun vleugels uitdeelende. De mannelijke snippen vechten te zamen „elkander met hun snavels plukkende en stootende op de vreemdsoortigste wijze die men zich kan voorstellen.” Van eenige weinige soorten gelooft men, dat zij nooit vechten; dit is, volgens Audubon, het geval met een van de spechten van de Vereenigde Staten (Picus auratus), hoewel „de wijfjes door zelfs een half dozijn van haar vroolijke minnaars worden gevolgd.” [76]
De mannetjes van vele vogels zijn grooter dan de wijfjes, en dit is ongetwijfeld een voordeel voor hen in hun gevechten met hun medeminnaars en is door seksueele teeltkeus verkregen. Het verschil in grootte tusschen de seksen is bij verscheidene Australische soorten tot een uiterste gedreven: zoo zijn toch volgens metingen de mannelijke muskuseend (Biziura) en de mannelijke Cincloramphus cruralis (met onze Piepers verwant) tweemaal zoo groot als hun respectieve wijfjes. [77] Bij vele andere vogels zijn de wijfjes grooter dan de mannetjes; en, zooals vroeger is opgemerkt, is de verklaring die men daarvan dikwijls geeft, namelijk, dat de wijfjes het meeste werk hebben met het voeden harer jongen, niet voldoende. In eenige weinige gevallen hebben de wijfjes, zooals wij later zullen zien, haar grootere gestalte en meerdere kracht blijkbaar verkregen met het doel om andere wijfjes te overwinnen en het bezit van de mannetjes te verkrijgen.
De mannetjes van vele Hoenderachtige Vogels, vooral van de in veelwijverij levende soorten, zijn voorzien van bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten, namelijk van sporen die met vreeselijk gevolg kunnen worden gebruikt. Een geloofwaardig schrijver [78] heeft opgeteekend, dat in Derbyshire een wouw neêrschoot op een strijdhen die van haar kuikens vergezeld was, waarop de haan haar te hulp snelde, en zijn spoor recht door het oog en den schedel van den aanvaller heêndreef. De spoor werd met moeite uit den schedel getrokken en daar de wouw, ofschoon dood, zijn tegenstander nog omkneld hield, waren de beide vogels stevig aaneengesloten; maar de haan bleek, nadat men hem had losgemaakt, slechts zeer weinig letsel te hebben bekomen. De onoverwinnelijke moed van den strijdhaan is bekend: een heer die langen tijd geleden ooggetuige was geweest van het volgende wreede tooneel, verhaalde mij, dat de beide pooten van zulk een haan door een of ander toeval gedurende het hanengevecht waren gebroken, en de eigenaar een weddenschap aanging, dat, indien de pooten zoo konden worden gespalkt, dat de vogel weder overeind kon staan, hij voort zou gaan met vechten. Dit werd dadelijk gedaan en de vogel vocht met onbezweken moed, totdat hij doodelijk werd getroffen. In Ceylon is een nauwverwante en wilde soort, de Gallus Stanleyi, bekend als een wanhopig vechter, „zoodat één der strijders dikwijls dood wordt gevonden.” [79] Een Indische patrijssoort (Ortygornis gularis), waarvan het mannetje van sterke en scherpe sporen is voorzien, is zoo twistziek, „dat de litteekens van vroegere gevechten de borst misvormen van bijna elken vogel dien men doodt.” [80]
De mannetjes van bijna alle Hoenderachtige Vogels, zelfs die welke niet van sporen zijn voorzien, leveren elkander gedurende den paartijd woedende gevechten. De groote auerhaan en korhaan (Tetrao urogallus en T. tetrix) die beide in veelwijverij leven, hebben geregeld vaste plaatsen waar zij gedurende vele weken in grooten getale samenkomen om met elkander te vechten en hun bekoorlijkheden voor de wijfjes ten toon te spreiden. De heer W. Kowalevsky meldt mij, dat hij in Rusland de sneeuw overal met bloed doortrokken heeft gezien op de plaatsen waar de auerhanen hadden gevochten; en de korhanen „doen de vederen in alle richtingen wegstuiven”, als verscheidene „elkander een koninklijk gevecht leveren.” De oudere Brehm geeft een merkwaardig verhaal van het „Balzen”, zooals de liefde-dans of liefde-zang van den korhaan in Duitschland wordt genoemd. De vogel maakt bijna zonder ophouden de vreemdsoortigste geluiden: hij houdt zijn staart in de hoogte en spreidt dien uit gelijk een waaier, hij licht zijn kop en hals op, waarvan al de vederen overeind staan, en steekt zijn vleugels van het lichaam af. Daarop maakt hij eenige weinige sprongen in verschillende richtingen, somtijds in een cirkel, en drukt het onderste gedeelte van zijn snavel zoo hard tegen den grond, dat de kinvederen worden afgeschaafd. Gedurende deze bewegingen slaat hij met zijn vleugels en draait voortdurend in de rondte. Hoe vuriger hij wordt, des te levendiger wordt hij, totdat ten laatste de vogel als razend schijnt te zijn. Op dergelijke tijden zijn de korhanen zoo in hun dans verdiept, dat zij bijna blind en doof worden, hoewel minder dan de auerhaan, zoodat de eene vogel voor en de andere na op de zelfde plaats kan worden doodgeschoten, of zelfs met de hand gevangen. Na deze vertooning te hebben volbracht, beginnen de mannetjes te vechten; en de zelfde korhaan zal, om zijn kracht tegen verscheidene tegenstanders te beproeven, in den loop van éénen morgen verscheiden Balz-plaatsen bezoeken, die gedurende alle jaren de zelfde blijven. [81]
De pauw met zijn langen staart schijnt meer een fat („dandy”) dan een krijgsman te zijn, maar somtijds levert hij woedende gevechten: de weleerw. heer W. Darwin Fox deelt mij mede, dat twee pauwen op een kleinen afstand van Chester zoo werden opgewekt door den strijd, dat zij steeds vechtende over de geheele stad vlogen, totdat zij zich op de spits van den St. Janstoren nederlieten.
De Hoenderachtige Vogels die daarvan zijn voorzien, hebben over het algemeen slechts één spoor, maar Polyplectron (Fig. 23) heeft er twee of meer aan elken poot; en bij een der Bloedfazanten (Ithaginis cruentus) heeft men vijf sporen opgemerkt. De sporen zijn meestal tot het mannetje beperkt, en worden bij het wijfje door eenvoudige knobbels of rudimenten vertegenwoordigd; maar de wijfjes van den Javaanschen pauw (Pavo muticus) en, naar de heer Blyth mij heeft medegedeeld, van den kleinen vuurruggigen fazant (Euplocamus erythrophthalmus) bezitten sporen. Bij Galloperdix hebben de mannetjes gewoonlijk twee sporen en de wijfjes slechts ééne spoor aan elken poot. [82] Men mag daarom de sporen gerust beschouwen als een mannelijk kenmerk, hoewel zij nu en dan in meerdere of mindere mate op de wijfjes worden overgeplant. Gelijk de meeste andere secundaire seksueele kenmerken vertoonen de sporen vele afwijkingen in aantal en ontwikkeling bij ééne en de zelfde soort.
Onderscheidene vogels hebben sporen aan de vleugels. De Egyptische gans (Chenalopex aegyptiacus) heeft echter slechts „naakte stompe knobbels”, en deze vertoonen ons waarschijnlijk de eerste stappen door welke zich bij andere verwante vogels ware sporen hebben ontwikkeld. Bij de spoorvleugelige gans, Plectropterus gambensis, hebben de mannetjes veel grooter sporen dan de wijfjes; en zij gebruiken ze, naar mij de heer Bartlett heeft medegedeeld, om met elkander te vechten, zoodat in dit geval de vleugelsporen tot seksueele wapens dienen; volgens Livingstone echter, worden zij voornamelijk tot verdediging der jongen gebruikt. De kamichi (Palamedea, Fig. 24) is aan elken vleugel met een paar sporen gewapend, en deze zijn zulke geduchte wapenen, dat een enkele steek daarmede een hond huilende op de vlucht heeft gejaagd. Het blijkt echter niet, dat de sporen in dit geval of in dat van sommige met vleugelsporen gewapende Ralachtige Vogels bij het mannetje grooter zijn dan bij het wijfje. [83] Bij sommige Plevierachtige Vogels moeten echter de vleugelsporen als een seksueel kenmerk worden beschouwd. Zoo wordt bij onzen gewonen kievit (Vanellus cristatus) de knobbel op den vleugelschouder gedurende den paartijd meer vooruitstekend, en het is bekend, dat de mannetjes met elkander vechten. Bij sommige soorten van Lobivanellus ontwikkelt zich een soortgelijke knobbel gedurende den paartijd „tot een korte horenachtige spoor.” Bij den Australischen L. lobatus hebben beide seksen sporen, maar deze zijn veel grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes. Bij een verwanten vogel, den Hoplopterus armatus, nemen de sporen gedurende den paartijd niet in grootte toe; maar men heeft die vogels in Egypte zien vechten, op de zelfde wijze als onze kieviten, door zich in de lucht plotseling om te draaien en zijdelings op elkander neêr te schieten, somtijds met noodlottig gevolg. Op de zelfde wijze jagen zij ook andere vijanden weg. [84]
Het jaargetijde der liefde is dat van den strijd; maar de mannetjes van sommige vogels, zooals de strijdhaan en de kemphaan, en zelfs de jonge mannetjes van den wilden kalkoen en de Boschhoenders [85] zijn, wanneer zij elkander ontmoeten, steeds bereid om te vechten. De tegenwoordigheid van het wijfje is de teterrima belli causa. De Bengaleesche knapen doen de aardige kleine mannetjes van den amadavat (Estrelda amandava) met elkander vechten door drie kleine kooien op een rij te zetten, met een wijfje in het midden; na korten tijd worden de mannetjes in vrijheid gelaten, waarvan onmiddellijk een wanhopend gevecht het gevolg is. [86] Wanneer vele mannetjes op de zelfde vaste plaats samenkomen en met elkander vechten, zooals in het geval van de Boschhoenders en onderscheidene andere vogels, worden zij gewoonlijk vergezeld van de wijfjes [87] die later met de overwinnaars paren. In sommige gevallen gaat de paring aan het gevecht vooraf, in plaats van er op te volgen; zoo „maken”, volgens Audubon [88], „verscheidene mannetjes van de Virginische nachtzwaluw (Caprimulgus Virginianus), op een in hooge mate onderhoudende wijze het wijfje het hof, en zoodra zij haar keus heeft gedaan, vervolgt haar beminde alle ongenoodigde gasten en jaagt ze uit zijn gebied weg.” Over het algemeen beproeven de mannetjes met alle macht hun medeminnaars weg te jagen of te dooden, voordat zij paren. Het schijnt echter, dat de wijfjes niet zonder uitzondering aan den overwinnaar de voorkeur geven. De heer W. Kowalevsky heeft mij ten minste verzekerd, dat de groote auerhen soms wegsluipt met een jong haantje dat niet met de oude hanen in het strijdperk durfde treden; op de zelfde wijze als nu en dan ook plaats vindt met de hinden van het edelhert in Schotland. Als twee mannetjes in tegenwoordigheid van een wijfje vechten, verkrijgt de overwinnaar ongetwijfeld gewoonlijk het voorwerp zijner begeerlijkheid; doch sommige van deze gevechten worden veroorzaakt door rondzwervende mannetjes die beproeven den vrede van een reeds vereenigd paar te verstoren. [89]
Zelfs bij de meest strijdlustige soorten is het waarschijnlijk, dat de paring niet uitsluitend van de enkele kracht en moed van het mannetje afhangt; want dergelijke mannetjes prijken gewoonlijk met verschillende versierselen die dikwijls gedurende den paartijd schitterender worden en met veel ijver voor de wijfjes worden tentoongespreid. De mannetjes trachten hun gezellinnen ook te bekoren door liefdetonen, zang en vertooningen; en de vrijage is in vele gevallen een langdurige zaak. Het is daarom niet waarschijnlijk, dat de wijfjes onverschillig zijn voor de bekoorlijkheden van de andere sekse, of dat zij altijd genoodzaakt zijn zich aan de overwinnende mannetjes te onderwerpen. Het is waarschijnlijker, dat de wijfjes door sommige mannetjes worden bekoord, hetzij voor of na het gevecht, en zoo onbewust aan hen de voorkeur geven. In het geval van Tetrao umbellus gaat een goed waarnemer [90] zoo ver van aan te nemen, dat de gevechten van de mannetjes „allen slechts schijnvertooningen zijn, die zij verrichten om zich op de voordeeligst mogelijke wijze te vertoonen aan de bewonderende wijfjes die zich daaromheên verzamelen; want het is mij nooit gelukt een verminkten held, en zelden om meer dan een gebroken veder te vinden.” Ik zal op dit onderwerp moeten terugkomen, maar kan er hier bijvoegen, dat bij het Prairiehoen (Tetrao cupido) van de Vereenigde Staten, omtrent een twintigtal mannetjes zich op een bijzondere plaats verzamelen, en rondstappende de geheele lucht doen weergalmen van hun vreemdsoortige geluiden. Op het eerste antwoord van een wijfje beginnen de mannetjes woedend te vechten en de zwakkere wijken; maar daarna zoeken, volgens Audubon, zoowel de overwonnenen als de overwinnaars naar een wijfje, zoodat òf de wijfjes een keus moeten doen, òf de strijd moet worden hernieuwd. Evenzoo leveren de mannetjes van een der Veldspreeuwen der Vereenigde Staten (Sturnella ludoviciana) elkander woedende gevechten; maar op het gezicht van een wijfje vliegen zij haar allen achterna, alsof zij dol waren. [91]
Vocale en instrumentale muziek.—Bij de vogels dient de stem om verschillende gemoedsaandoeningen uit te drukken, zooals smart, vrees, angst, zegepraal, of alleen geluk. Zij wordt blijkbaar somtijds gebruikt om schrik te verwekken, zooals bij het sissend geluid dat sommige nestvogeltjes maken. Audubon [92] verhaalt, dat hij een tammen nachtreiger (Ardea nycticorax) heeft bezeten, die gewoon was zich te verbergen als er een kat aankwam, en dan „plotseling opsprong en een der vreeselijkste geluiden maakte, blijkbaar behagen scheppende in den angst en de vlucht van de kat.” De gewone huishaan klokt tegen de hen, en de hen tegen haar kuikens, als zij een lekker hapje hebben gevonden. Als de hen een ei heeft gelegd, „herhaalt zij den zelfden toon zeer dikwijls, en besluit met den zesden hoogeren dien zij gedurende langeren tijd aanhoudt” [93]; en geeft op die wijze haar vreugde te kennen. Sommige sociale vogels roepen elkander blijkbaar te hulp, en daar zij van den eenen boom op den anderen vliegen, wordt de vlucht bij elkander gehouden, doordat het eene getjilp op het andere antwoordt. Gedurende de nachtelijke verhuizingen van ganzen en andere watervogels, kan men soms in de duisternis boven zijn hoofd schelklinkende geluiden van de voorhoede hooren, waarop geluiden van de achterhoede antwoorden. Sommige geluiden dienen tot waarschuwing voor gevaar, en worden, zooals de jager te zijnen koste gewaar wordt, door de zelfde soort en door andere verstaan. De huishaan kraait en de kolibri tjilpt om zijn zegepraal over een overwonnen mededinger te verkondigen. De ware zang echter van de meeste vogels en onderscheidene vreemde geluiden worden voornamelijk voortgebracht gedurende den paartijd, en dienen tot bekoring of eenvoudig als een loktoon voor de andere sekse.
Er heerscht bij de natuuronderzoekers veel verschil van gevoelen omtrent het doel van den zang der vogels. Slechts weinige waarnemers hebben er ooit geleefd, die zorgvuldiger waren dan Montagu, en deze hield vol, dat „de mannetjes der zangvogels en van vele andere over het algemeen niet naar het wijfje zoeken, maar daarentegen hun bezigheid in de lente is, om op de eene of andere in het oog vallende plaats te gaan zitten en daar hun volle en verliefde klanken te doen weêrklinken, welke het wijfje instinktmatig kent, en die haar zich naar die plaats doen begeven om haar gezel uit te kiezen.” [94] De heer Jenner Weir deelt mij mede, dat zulks bij den nachtegaal ongetwijfeld het geval is. Bechstein die gedurende zijn geheele leven vogels hield, verzekert, „dat de vrouwelijke kanarievogel altijd den besten zanger uitkiest, en dat in den natuurstaat de vrouwelijke vink uit een honderdtal mannetjes altijd dat uitzoekt, wiens tonen haar het meest behagen.” [95] Er kan geen twijfel bestaan, dat vogels nauwkeurig acht geven op elkanders zang. De heer Weir heeft mij een geval verhaald van een goudvink waaraan men een Duitsche wals had leeren fluiten en die zulk een goed zanger was, dat hij tien guinjes (ƒ 124,40) kostte; toen deze vogel voor het eerst werd gebracht in een kamer waarin andere vogels werden gehouden, en begon te zingen, plaatsten zich al de andere, bestaande uit ongeveer twintig kneutjes en kanarievogels, aan den kant hunner kooien, welke het dichtst bij hem was, en luisterden met de grootste belangstelling naar den nieuwen zanger. Vele natuuronderzoekers gelooven, dat de zang der vogels bijna geheel „het gevolg van ijverzucht en naijver” is en niet dient om hun gezellinnen te bekoren. Dit was de meening van Daines Barrington en White van Selborne, die beiden hun opmerkzaamheid bijzonder op dit punt vestigden. [96] Barrington neemt echter aan, dat een „uitstekende zang van de vogels een verbazend overwicht over andere geeft”, zooals de vogelvangers wel weten.