Chapter 15 of 38 · 3758 words · ~19 min read

Part 15

Het zelfde beginsel is van toepassing op vele vogels, tot onderscheidene groepen behoorende, bij welke de jongen zeer sterk op elkander gelijken, en veel van hun respectieve volwassen stamouders verschillen. De jongen van bijna al de Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae), en van sommige in de verte met hen verwante vogels, zoo als de struisvogels, vertoonen, zoolang zij met dons zijn bekleed, overlangsche strepen; maar dit kenmerk wijst op een zoo ver verwijderden stand van zaken terug, dat het ons nauwelijks aangaat. (1) Jonge kruisbekken (Loxia) hebben eerst rechte bekken gelijk die van andere vinken, en in hun onvolwassen gestreept gevederte gelijken zij op het volwassen kneutje en het vrouwelijk sijsje, benevens op de jongen van den distelvink, groenling en eenige andere verwante soorten. De jongen van vele soorten van Gorzen (Emberiza) gelijken op elkander en eveneens op de volwassen grauwe gors (E. miliaria). In bijna de geheele groote groep der Lijsters hebben de jongen gevlekte borsten,—een kenmerk dat door vele soorten levenslang behouden, maar door andere, zooals door de treklijster (Tardus migratorius) volkomen wordt verloren. Zoo zijn ook bij vele lijsters de vederen op den rug gestippeld, voordat zij voor de eerste maal hebben geruid, en dit kenmerk wordt door sommige oostersche soorten levenslang behouden. De jongen van vele soorten van Klauwieren (Lanius), van sommige Spechten, en van een Indische duif (Chalcophaps Indicus), zijn op de ondervlakte overdwars gestreept; en sommige verwante soorten of geslachten zijn op volwassen leeftijd op overeenkomstige wijze geteekend. Bij sommige nauw verwante en prachtige Indische Koekoeken (Chrysococcyx) verschillen de soorten, als zij volwassen zijn, aanmerkelijk van elkander in kleur; maar de jongen kunnen niet van elkander worden onderscheiden. De jongen van een Indische gans (Sarkidiornis melanotus) gelijken in gevederte uiterst veel op de volwassen individu’s van een verwant geslacht, Dendrocygna. [251] Soortgelijke feiten zullen later worden medegedeeld omtrent sommige reigers. Jonge korhoenders (Tetrao tetrix) gelijken op de jongen en tevens op de ouden van sommige andere soorten, bij voorbeeld van het roode Schotsche boschhoen (Tetrao scoticus). Eindelijk worden, gelijk de heer Blyth die dit onderwerp met nauwkeurigheid heeft nagegaan, terecht opmerkt, de natuurlijke verwantschappen van vele soorten het best aangewezen door hun onvolwassen gevederte, en daar de ware verwantschappen van alle organische wezens afhangen van hun afstamming van een gemeenschappelijken stamvader, bevestigt deze opmerking ten sterkste het geloof, dat het onvolwassen gevederte ons bij benadering den vroegeren of voorouderlijken toestand van de soort vertoont.

Hoewel vele jonge vogels, tot onderscheidene Orden behoorende, ons een blik doen werpen op het gevederte van hun verwijderde voorouders, zoo zijn er toch vele andere vogels, zoowel dof gekleurde als levendig gekleurde, bij welke de jongen zeer veel op hun ouders gelijken. In dergelijke gevallen kunnen de jongen van de verschillende soorten niet meer op elkander gelijken dan de ouders, en kunnen ook geen treffende overeenkomsten vertoonen met verwante vormen op volwassen leeftijd. Zij geven ons slechts weinig inzicht in het gevederte hunner stamouders, behalve in zooverre, dat, als de jongen en de ouden door een geheele groep van soorten heên op de zelfde algemeene wijze zijn gekleurd, het waarschijnlijk is, dat hun stamouders op gelijksoortige wijze waren gekleurd.

Laten wij nu de klassen van gevallen of regels beschouwen, waaronder men de verschillen en overeenkomsten tusschen het gevederte van de jongen en de ouden, van beide seksen of van alleen ééne sekse zou kunnen groepeeren. Regels van deze soort werden het eerst door Cuvier uitgesproken; maar ten gevolge van den vooruitgang onzer kennis vereischen zij eenige wijziging en uitbreiding. Dit heb ik beproefd te doen, voor zoover de uiterste ingewikkeldheid van het onderwerp het veroorlooft, volgens uit onderscheidene bronnen geputte mededeelingen; doch aan een grondige verhandeling over dit onderwerp door den eenen of anderen bevoegden vogelkenner bestaat groote behoefte. Om zekerheid te verkrijgen, in hoeverre elke regel geldt, heb ik tabellen gemaakt van de feiten die in vier groote werken worden medegedeeld, namelijk door Macgillivray omtrent de vogels van Groot-Brittannië, door Audubon omtrent die van Noord-Amerika, door Jerdon omtrent die van Indië en door Gould omtrent die van Australië. Ik moet hier echter vooraf nog opmerken, ten eerste, dat de onderscheidene gevallen of regels trapsgewijze in elkander overgaan; en ten tweede, dat wanneer wordt gezegd, dat de jongen op hun ouders gelijken, de bedoeling niet is, dat zij volkomen identisch gelijk aan hen zijn; want hun kleuren zijn bijna altijd iets minder levendig, en de vederen zijn zachter en dikwijls van een verschillenden vorm.

REGELS OF KLASSEN VAN GEVALLEN.

I. Als het volwassen mannetje schooner of opzichtiger is dan het volwassen wijfje, gelijken de jongen van beide seksen in hun eerste gevederte zeer veel op het volwassen wijfje, gelijk bij het gewone hoen en den pauw; of, gelijk nu en dan voorkomt, zij gelijken veel meer op haar, dan op het volwassen mannetje.

II. Als het volwassen wijfje opzichtiger is dan het volwassen mannetje, gelijk somtijds, hoewel zelden voorkomt, gelijken de jongen van beide seksen in hun eerste gevederte op het volwassen mannetje.

III. Als het volwassen mannetje op het volwassen wijfje gelijkt, hebben de jongen van beide seksen een hun bijzonder toekomend, eigenaardig eerst gevederte, gelijk bij het roodborstje.

IV. Als het volwassen mannetje op het volwassen wijfje gelijkt, gelijken de jongen van beide seksen in hun eerste gevederte op de volwassenen, gelijk bij den ijsvogel, vele papegaaien, kraaien en grasmusschen.

V. Als de volwassenen van beide seksen een verschillend winter- en zomerkleed hebben, hetzij het mannetje van het wijfje verschilt of niet, gelijken de jongen op de volwassenen van beide seksen in hun winterkleed, of veel zeldzamer in hun zomerkleed, of zij gelijken alleen op de wijfjes; of de jongen kunnen een tusschenbeide liggend uiterlijk hebben; of eindelijk zij kunnen zeer verschillen van de volwassenen, zoowel in hun zomer- als in hun winterkleed.

VI. In eenige weinige gevallen verschillen de jongen in hun eerste gevederte van elkander volgens hun sekse; de jonge mannetjes gelijken dan in meerdere of mindere mate op de volwassen mannetjes, en de jonge wijfjes in meerdere of mindere mate op de volwassen wijfjes.

Klasse I.—In deze klasse gelijken de jongen van beide seksen, meer of minder nauwkeurig, op het volwassen wijfje, terwijl het volwassen mannetje dikwijls op de meest in het oog loopende wijze van het volwassen wijfje verschilt. Tallooze voorbeelden in alle Orden zouden kunnen worden gegeven; het zal voldoende zijn de aandacht te vestigen op den gewonen fazant, de eend en de huismusch. De tot deze klasse behoorende gevallen gaan trapsgewijze in andere over. Zoo kunnen de beide seksen op volwassen leeftijd zoo weinig van elkander en de jongen zoo weinig van de volwassenen verschillen, dat het twijfelachtig is, of dergelijke gevallen tot deze, dan wel tot de derde of vierde klasse behooren te worden gebracht. Zoo kunnen ook de jongen van beide seksen, in plaats van geheel gelijk te zijn, in geringe mate van elkander verschillen, gelijk in onze zesde klasse. Deze overgangsvormen zijn echter weinige in getal, of zijn ten minste niet sterk uitgedrukt, in vergelijking met die welke streng tot de thans behandeld wordende klassen behooren.

De kracht van de thans behandeld wordende wet wordt goed aangetoond bij die groepen bij welke, als algemeene regel, de beide seksen en de jongen allen gelijk zijn; want als het mannetje in deze groepen van het wijfje verschilt, zooals bij sommige ijsvogels, papegaaien, duiven enz., gelijken de jongen van beiderlei sekse op het volwassen wijfje. [252] Wij zien het zelfde feit nog duidelijker uitgesproken in sommige afwijkende gevallen: zoo verschilt het mannetje van Heliothrix auriculata (een der kolibri’s) in het oog loopend van het wijfje door het bezit van een prachtig gekleurde keel en fraaie vederbossen aan de ooren; het wijfje is echter merkwaardig, doordat zij een veel langer staart dan het mannetje heeft; nu gelijken de jongen van beide seksen (met uitzondering van de borst die bronskleurige vlekken vertoont) in alle opzichten en ook in de lengte van den staart op het volwassen wijfje, zoodat de staart van het mannetje werkelijk korter wordt, wanneer hij tot volwassen leeftijd komt, hetgeen een hoogst buitengewone zaak is. [253] Verder is het gevederte van het mannetje van den grooten zaagbek (Mergus merganser) meer opzichtig gekleurd en zijn de schoudervederen en secundaire vleugelslagpennen veel langer dan bij het wijfje; maar verschillend van hetgeen, voor zoover mij bekend is, bij andere vogels voorkomt, is de kuif van het volwassen mannetje, hoewel breeder dan die van het wijfje, toch aanmerkelijk korter, daar zij slechts weinig meer dan 2,5 centimeter lengte heeft, terwijl die van het wijfje 6,25 centimeter lang is. Nu gelijken de jongen van beide seksen in alle opzichten op het volwassen wijfje, zoodat hun kuiven werkelijk langer, hoewel smaller zijn dan bij het volwassen mannetje. [254]

Als de jongen en de wijfjes zeer veel op elkander gelijken en beide van het mannetje verschillen, is het meest voor de hand liggend besluit, dat alleen het mannetje is gewijzigd. Zelfs in de afwijkende gevallen van de Heliotrix en Mergus is het waarschijnlijk, dat oorspronkelijk beide seksen op volwassen leeftijd waren voorzien, bij de eene soort van een zeer verlengden staart, bij de andere van een zeer verlengde kuif, en dat deze kenmerken sedert door de volwassen mannetjes wegens de eene of andere onverklaarde oorzaak zijn verloren en in hun verminderden staat alleen op hun mannelijke nakomelingen overgeplant, als deze den overeenkomstigen volwassen leeftijd bereikten. Het geloof, dat in de thans behandeld wordende klasse alleen het mannetje is gewijzigd, wat de verschillen tusschen het mannetje en het wijfje te zamen met haar jongen betreft, wordt sterk gesteund door eenige merkwaardige feiten die door den heer Blyth [255] zijn opgeteekend, ten opzichte van nauw verwante soorten die elkander in verschillende landen vertegenwoordigen: want bij verscheidene dezer elkander vertegenwoordigende soorten hebben de volwassen mannetjes een zekere mate van verandering ondergaan en kunnen van elkander worden onderscheiden, terwijl de wijfjes en de jongen niet zijn te onderscheiden, en daarom volstrekt onveranderd blijven. Dit is het geval met sommige Indische Tapuiten (Thamnobia), met sommige Honigvogels (Nectarinia), Klauwieren (Tephrodornis), sommige IJsvogels (Tanysiptera), Kallij-fazanten (Gallophasis) en Boom-patrijzen (Arboricola).

In sommige overeenkomstige gevallen, namelijk bij vogels die een verschillend zomer- en winterkleed hebben, doch bij welke de seksen bijna geheel gelijk zijn, kunnen zekere nauw verwante soorten gemakkelijk worden onderscheiden in hun zomer- en bruiloftskleed, en zijn toch niet van elkander te onderscheiden in hun winterkleed zoowel als in hun onvolwassen gevederte. Dit is het geval met sommige van de nauw verwante Indische Kwikstaarten (Motacillae). De heer Swinhoe [256] meldt mij, dat drie soorten van Ardeola, een geslacht van Reigers die elkander op verschillende vastelanden vervangen, „op de meest in het oog loopende wijze van elkander verschillen”, als zij met hun zomersiervederen zijn versierd, doch dat zij gedurende den winter nauwelijks, of in het geheel niet, zijn te onderscheiden. Ook de jongen dezer drie soorten gelijken in hun onvolwassen gevederte zeer op volwassenen in hun winterkleed. Dit geval is des te belangwekkender, daar bij twee andere soorten van Ardeola beide seksen gedurende den winter en den zomer bijna het zelfde gevederte behouden, dat de drie eerste soorten gedurende den winter en op onvolwassen leeftijd bezitten; en dit gevederte dat aan onderscheidene verschillende soorten op verschillende leeftijden en in verschillende jaargetijden gemeen is, toont ons waarschijnlijk, hoe de stamvader van het geslacht was gekleurd. In al deze gevallen is het bruiloftskleed gewijzigd, dat, naar wij mogen aannemen, oorspronkelijk door de volwassen mannetjes gedurende den paartijd werd verkregen, en op de volwassenen van beide seksen in het overeenkomstige jaargetijde overgeplant, terwijl het winterkleed en het onvolwassen gevederte onveranderd zijn gelaten.

De vraag doet zich natuurlijk voor, hoe het komt, dat in deze laatste gevallen het winterkleed van beide seksen, en in de vroeger vermelde gevallen het gevederte van de wijfjes, en ook dat van de onvolwassen jongen, in het geheel niet zijn aangedaan? De soorten die elkander in verschillende landen vertegenwoordigen, zullen bijna altijd aan eenigszins verschillende voorwaarden onderworpen zijn geweest; maar wij kunnen moeilijk de wijziging van het gevederte alleen bij de mannetjes aan deze werking toeschrijven, als wij zien, dat het wijfje en de jongen, hoewel op gelijksoortige wijze blootgesteld, daardoor niet zijn aangedaan. Nauwelijks eenig feit in de natuur toont ons duidelijker, hoe ondergeschikt in belangrijkheid de directe werking der levensvoorwaarden is, in vergelijking van de opeenhooping door teeltkeus van onbepaalde afwijkingen, dan het verwonderlijk verschil tusschen de seksen van vele vogels; want beide seksen moeten het zelfde voedsel hebben gebruikt en aan het zelfde klimaat zijn blootgesteld geweest. Desniettemin staat het ons vrij aan te nemen, dat in den loop der tijden nieuwe levensvoorwaarden eenige rechtstreeksche uitwerking kunnen voortbrengen; wij zien alleen, dat dit in belangrijkheid onderdoet voor de opeengehoopte uitwerkselen der teeltkeus. Wanneer echter een soort naar een nieuw land verhuist, en dit moet voorafgaan aan de vorming van een vertegenwoordigende soort, zullen de veranderde voorwaarden waaraan zij bijna altijd blootgesteld zullen zijn geweest, te oordeelen naar een ver verspreide analogie, veroorzaken, dat zij een zekere fluctueerende mate van verandering ondergaan. In dit geval zal de seksueele teeltkeus die afhankelijk is van een in hooge mate aan verandering onderhevig element—namelijk van den smaak en de bewondering van het wijfje—op nieuwe kleurschakeeringen en andere verschillen hebben kunnen werken en die hebben kunnen opeenhoopen; en daar de seksueele teeltkeus voortdurend werkzaam blijft, zou het (te oordeelen naar hetgeen wij weten omtrent de uitwerkselen van ’s menschen onbewuste teeltkeus bij tamme dieren) zeer te verwonderen zijn geweest, indien dieren die verschillende streken bewoonden, die zich derhalve nimmer met elkander kunnen kruisen en dus hun nieuw verworven kenmerken nimmer kunnen vermengen, niet, na een voldoend tijdsverloop, op verschillende wijze waren gewijzigd. Deze opmerkingen zijn ook van toepassing op het bruilofts- of zomerkleed, hetzij tot het mannetje beperkt of aan beide seksen gemeen.

Hoewel de wijfjes van bovengemelde nauwverwante soorten, evenals haar jongen, bijna in het geheel niet van elkander verschillen, zoodat alleen de mannetjes van elkander kunnen worden onderscheiden, verschillen echter in de meeste gevallen de wijfjes van de soorten in één en het zelfde geslacht duidelijk van elkander. De verschillen zijn echter zelden zoo groot als die tusschen de mannetjes. Wij zien dit duidelijk in de geheele Familie (2) der Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae); de wijfjes, bij voorbeeld, van den gewonen en Japanschen fazant, en in het bijzonder die van den goudlakenschen en den Amherst-fazant—van den zilverlakenschen fazant en het wilde hoen—gelijken in kleur zeer veel op elkander, terwijl de mannetjes in buitengewone mate verschillen. Evenzoo is het met de meeste Snatervogels (Cotingidae), Vinken (Fringillidae) en vele andere families. Er kan inderdaad geen twijfel bestaan, dat, als algemeene regel, de wijfjes in mindere mate zijn gewijzigd dan de mannetjes. Eenige weinige vogels vormen echter een zonderlinge en onverklaarbare uitzondering; zoo verschillen de wijfjes van Paradisea apoda en P. papuana meer van elkander dan haar respectieve mannetjes [257]; want bij het wijfje van de laatste soort is de ondervlakte van het lichaam zuiver wit, terwijl het wijfje van P. apoda van onderen diep bruin is. Evenzoo verschillen, naar ik van Professor Newton hoor, de mannetjes van twee soorten van Oxynotus (Klauwieren) die elkander op de eilanden Mauritius en Bourbon [258] vertegenwoordigen, slechts weinig in kleur, terwijl de wijfjes veel verschillen. Bij de Bourbonsche soort schijnt het wijfje gedeeltelijk een onvolwassen toestand van gevederte te hebben behouden; want op het eerste gezicht „zou zij voor een jongen vogel van de soort van Mauritius kunnen worden gehouden.” Deze verschillen zouden kunnen worden vergeleken bij die welke, onafhankelijk van teeltkeus door den mensch en zonder dat wij ze kunnen verklaren, bij sommige onderrassen van het vechthoen voorkomen, waarbij de hennen zeer verschillend zijn, hoewel de hanen nauwelijks van elkander kunnen worden onderscheiden. [259]

Daar ik voor de verklaring van de verschillen tusschen de mannetjes van verwante soorten zoo ruimschoots de seksueele teeltkeus te baat neem, kan men vragen, hoe dan in alle gewone gevallen de verschillen tusschen de wijfjes zijn te verklaren. Wij behoeven hier geen soorten te beschouwen, die tot verschillende geslachten behooren; want bij deze zullen het zich voegen naar een verschillende levenswijze (adaptatie) en andere invloeden in het spel zijn gekomen. Ten opzichte van de verschillen tusschen de wijfjes in één en het zelfde geslacht, schijnt het mij, na onderscheidene groote groepen te hebben doorgezien, bijna zeker, dat de hoofdoorzaak is geweest het in meerdere of mindere mate op het wijfje overgeplant worden van de door het mannetje door seksueele teeltkeus verkregen kenmerken. Bij de verschillende Britsche soorten van Vinken verschillen de beide seksen hetzij zeer weinig of aanmerkelijk, en als wij de wijfjes van den groenling, vink, distelvink, goudvink, kruisbek, musch enz. vergelijken, zullen wij zien, dat zij van elkander hoofdzakelijk verschillen in de punten in welke zij gedeeltelijk op haar respectieve mannetjes gelijken; en de kleuren van de mannetjes mogen veilig aan seksueele teeltkeus worden toegeschreven. Bij vele soorten van Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) verschillen de seksen in buitengewone mate, gelijk bij den pauw, den fazant en het hoen, terwijl er bij andere soorten een gedeeltelijke of zelfs volkomen overplanting van kenmerken van het mannetje op het wijfje heeft plaats gehad. De wijfjes van de verschillende soorten van Polyplectron vertoonen in een onduidelijken toestand, en voornamelijk op den staart, de prachtige oogvlekken (ocelli) van haar mannetjes. De vrouwelijke patrijs verschilt van het mannetje alleen, doordat de roode vlek op haar borst kleiner is; en de kalkoensche hen van den haan alleen doordat haar kleuren veel doffer zijn. Bij het parelhoen kunnen de beide seksen niet van elkander worden onderscheiden. Het is geenszins onwaarschijnlijk, dat het éénkleurige, hoewel op eigenaardige wijze gevlekte gevederte van dezen laatsten vogel door seksueele teeltkeus door de mannetjes is verkregen, en daarna op beide seksen overgeplant; want het is niet wezenlijk onderscheiden van het veel schooner gevlekte gevederte dat alleen voor de mannetjes van den Tragopan-fazant kenmerkend is.

Men houde in het oog, dat, in sommige gevallen, de overplanting van kenmerken van het mannetje op het wijfje in een lang geleden tijd schijnt te hebben plaats gehad en de mannetjes sedert groote verandering hebben ondergaan zonder op de wijfjes een enkel dezer later verkregen kenmerken te hebben overgeplant. Zoo gelijken bij voorbeeld het wijfje en de jongen van het korhoen (Tetrao tetrix) tamelijk veel op beide seksen en de jongen van het roode Schotsche boschhoen (T. Scoticus); en wij mogen daaruit afleiden, dat het korhoen afstamt van de eene of andere oude soort bij welke beide seksen op omtrent de zelfde wijze als het roode Schotsche boschhoen waren gekleurd. Daar beide seksen van deze laatste soort duidelijker zijn gestreept gedurende den paartijd dan op eenigen anderen tijd, en daar het mannetje eenigszins van het wijfje verschilt door zijn duidelijker uitgesproken roode en bruine tinten [260], mogen wij besluiten, dat de seksueele teeltkeus, ten minste tot op zekere hoogte, invloed op zijn gevederte heeft gehad. Indien dit zoo is, mogen wij daaruit verder afleiden, dat het bijna gelijksoortige gevederte van de korhen in een of ander vroeger tijdperk op gelijksoortige wijze was voortgebracht. Doch sedert dat tijdperk heeft de korhaan zijn fraai zwart gevederte met zijn gevorkte en naar buiten omgekrulde staartvederen verkregen; van deze kenmerken is echter nauwelijks iets op de hen overgeplant, behalve dat zij in haar staart een spoor van de gekromde vork vertoont.

Wij mogen derhalve besluiten, dat bij de wijfjes van verschillende, ofschoon verwante soorten, het gevederte dikwijls min of meer verschillend is gemaakt, doordat kenmerken, zoowel gedurende vroegere als latere tijden door de mannetjes door seksueele teeltkeus verkregen, in verschillende mate op haar zijn overgeplant. Het verdient echter opmerking, dat schitterende kleuren veel zeldzamer zijn overgeplant dan andere tinten. Zoo heeft bij voorbeeld het mannetje van het roodkelige blauwborstje (Cyanecula Suecica) een rijke blauwe borst waarop zich een eenigszins driehoekige roode vlek bevindt; nu zijn vlekken van bijna den zelfden vorm op het wijfje overgeplant; maar de centrale vlek is roodachtig bruin in plaats van rood, en is omringd door gespikkelde in plaats van door blauwe vederen. De Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) leveren vele overeenkomstige gevallen op; want geen van de soorten, gelijk patrijzen, kwartels, parelhoenders enz., bij welke de kleuren van het gevederte in hooge mate van het mannetje op het wijfje zijn overgeplant, zijn schitterend gekleurd. Een goed voorbeeld hiervan leveren de fazanten bij welke het mannetje over het algemeen zooveel schitterender is dan het wijfje; doch bij den geoorden fazant en Wallich’s fazant (Crossoptilon auritum en Phasianus Wallichii) gelijken de beide seksen zeer veel op elkander, en haar kleuren zijn dof. Wij mogen zoover gaan van te gelooven, dat, indien eenig deel van het gevederte bij de mannetjes van deze beide fazanten schitterend was gekleurd, dit niet op de wijfjes zou zijn overgeplant. Deze feiten steunen in hooge mate de meening van den heer Wallace, dat bij vogels die bij den nestbouw aan veel gevaren zijn blootgesteld, het overbrengen van levendige kleuren van het mannetje op het wijfje door de natuurlijke teeltkeus is verhinderd. Wij moeten echter niet uit het oog verliezen, dat een andere, vroeger gegeven verklaring mogelijk is, namelijk dat de mannetjes die het eerst afweken en levendig werden gekleurd, terwijl zij jong en zonder ondervinding waren, aan veel gevaar blootgesteld zouden zijn geweest en over het algemeen vernield, doch dat de oudere en meer voorzichtige mannetjes daarentegen, als zij op gelijksoortige wijze afweken, niet slechts in staat zouden zijn geweest om te blijven leven, maar in hun medeminnarij met andere mannetjes bevoorrecht zouden zijn geweest. Nu hebben afwijkingen die zich laat in het leven voordoen, een neiging om uitsluitend op de zelfde sekse te worden overgeplant, zoodat in dit geval uiterst levendige tinten niet op de wijfjes zouden zijn overgeplant. Daarentegen zouden versierselen, gelijk die welke de geoorde fazant en Wallich’s fazant bezitten, niet gevaarlijk zijn geweest, en, indien zij gedurende de prille jeugd ontstonden, over het algemeen op beide seksen zijn overgeplant.

Behalve aan de uitwerkselen van gedeeltelijke overplanting van kenmerken van de mannetjes op de wijfjes, mogen sommige van de verschillen tusschen de wijfjes van nauwverwante soorten worden toegeschreven aan de directe of bepaalde werking der levensvoorwaarden. [261] Bij de mannetjes zou elke dergelijke werking door de door seksueele teeltkeus verkregen schitterende kleuren zijn gemaskeerd; doch niet zoo bij de wijfjes. Ieder van de eindelooze verscheidenheden in het gevederte, die wij bij onze tamme vogels zien, is natuurlijk het gevolg van de eene of andere bepaalde oorzaak; en onder natuurlijke en meer eenvormige voorwaarden zou de eene of andere bepaalde tint, aangenomen dat die op geen wijze nadeelig was, bijna zeker vroeger of later de overhand behouden. De vrije kruising van de vele tot de zelfde soort behoorende individu’s zou een neiging doen geboren worden om ten laatste elke op die wijze veroorzaakte kleurverandering een eenvormig karakter te geven.