Chapter 9 of 38 · 3854 words · ~19 min read

Part 9

Daar mannelijke vogels met zooveel zorg met hun schoon gevederte en andere versierselen in tegenwoordigheid van de wijfjes pronken, is het blijkbaar waarschijnlijk, dat deze de schoonheid harer minnaars waardeeren. Het is echter moeilijk om directe bewijzen te verkrijgen van hun vermogen om schoonheid te waardeeren. Wanneer vogels hun eigen beeld in een spiegel aanstaren (waarvan vele voorbeelden zijn opgeteekend), kunnen wij niet met zekerheid zeggen, dat dit niet uit ijverzucht op een onderstelden mededinger is, hoewel dit niet het besluit van sommige waarnemers is. In andere gevallen is het moeilijk te onderscheiden tusschen bloote nieuwsgierigheid en bewondering. Het is wellicht het eerste gevoel dat, gelijk Lord Lilford getuigt [173], den kemphaan tot elk helder gekleurd voorwerp trekt, zoodat hij op de Jonische eilanden „op een levendig gekleurden zakdoek zal neêrschieten, zonder op herhaalde schoten te letten.” De gewone leeuwerik wordt uit de lucht naar omlaag gelokt en in grooten getale gevangen, door een kleinen spiegel dien men in beweging brengt, zoodat hij in de zon glinstert. Is het bewondering of nieuwsgierigheid, die er den ekster, de raaf en sommige andere vogels toe brengt, om schitterende voorwerpen, zooals zilveren sieraden of juweelen, te stelen en te verbergen?

De heer Gould zegt, dat sommige kolibri’s de buitenzijde hunner nesten „uiterst smaakvol” versieren; „zij hechten daaraan instinktmatig fraaie platte stukken van korstmossen vast, de grootste in het midden en de kleinere op het deel dat aan den tak is vastgehecht. Nu en dan wordt een fraaie veder er aan de buitenzijde ingevlochten of op vastgemaakt terwijl de schacht daarbij steeds zoo wordt geplaatst, dat de vlag aan de buitenzijde uitsteekt.” Het beste bewijs van een smaak voor het schoone wordt echter opgeleverd door de drie reeds vermelde geslachten van Australische priëelvogels. Hun priëelen (Fig. 48), waarin de seksen samenkomen en vreemde vertooningen uitvoeren, worden op verschillende wijze gebouwd; maar, wat ons het meest aangaat, is, dat zij door de onderscheidene soorten op verschillende wijze worden versierd. De Priëelvogel verzamelt levendig gekleurde voorwerpen, zooals de blauwe staartvederen van parkieten, gebleekte beenderen en schelpen die hij tusschen de twijgen steekt, of aan den ingang schikt. De heer Gould vond in een priëel een net bewerkte steenen tomahawk en een reepje blauw katoen, blijkbaar uit een legerplaats der inboorlingen weggenomen. Deze voorwerpen worden door de vogels, wanneer zij aan het spel zijn, voortdurend opnieuw geschikt en rond gedragen. Het priëel van den gevlekten priëelvogel „is fraai bekleed met groote grashalmen, zoo gerangschikt, dat de toppen elkander bijna ontmoeten, en de versierselen zijn zeer overvloedig.” Ronde steentjes worden gebruikt om de grashalmen op hun plaats te houden en om uiteenloopende paadjes te maken, die naar het priëel leiden. De steentjes en schelpen worden dikwijls van een grooten afstand aangevoerd. De regentvogel versiert, volgens de beschrijving van den heer Ramsay, zijn kort priëel met gebleekte slakkenhuizen, tot vijf of zes soorten behoorende, en met „bessen van verschillende kleuren, blauw, rood en zwart, die het, wanneer zij versch zijn, een zeer fraai aanzien geven. Behalve deze waren er onderscheidene pas opgepikte bladeren en jonge scheuten van een bleekroode kleur, terwijl het geheel stellig smaak voor het schoone bewees.” Wel mag de heer Gould zeggen: „deze sterk versierde vergaderplaatsen moeten worden beschouwd als de meest wondervolle voorbeelden van de bouwkunst der vogels, die tot dusver zijn ontdekt”; en, gelijk wij zien, verschilt ongetwijfeld de smaak der onderscheidene soorten. [174]

Voorkeur door de Wijfjes jegens bijzondere Mannetjes getoond.—Na deze voorafgaande opmerkingen omtrent het onderscheidingsvermogen en den smaak van vogels, zal ik alle mij bekende feiten mededeelen, die betrekking hebben op de voorkeur, door het wijfje voor bijzondere mannetjes getoond. Het is zeker, dat verschillende soorten van vogels in den natuurstaat nu en dan met elkander paren en bastaarden voortbrengen. Vele voorbeelden zouden daarvan kunnen worden aangehaald: zoo verhaalt Macgillivray hoe een mannelijke merel en een vrouwelijke lijster, „op elkander verliefd werden”, en jongen voortbrachten. [175] Verscheidene jaren geleden zijn achttien gevallen opgeteekend van het voorkomen in Groot-Brittannië van bastaarden tusschen het korhoen en den fazant [176]; maar de meeste dezer gevallen kunnen wellicht worden verklaard, doordat enkele vogels geen van hun eigen soort vinden om mede te paren. Bij andere vogels zijn, gelijk de heer Jenner Weir reden heeft te gelooven, bastaarden soms het gevolg van den toevalligen omgang tusschen vogels die in elkanders onmiddellijke nabijheid hun nest bouwen. Deze opmerkingen zijn echter niet toepasselijk op de vele opgeteekende voorbeelden van tamme vogels, tot verschillende soorten behoorende, die volkomen betooverd door elkander waren, hoewel zij in gezelschap van individu’s hunner eigen soort leefden. Zoo verhaalt Waterton [177], dat een wijfje, tot een toom van drie-en-twintig Canada-ganzen behoorende, met een eenzaam levende mannelijke rotgans paarde, hoewel deze zoozeer in uiterlijk en grootte van haar verschilde, en dat zij bastaardkroost voortbrachten. Van een mannelijke smient (Mareca penelope), met een wijfje van de zelfde soort levende, is het bekend, dat hij met een pijlstaarteend (Querquedula acuta) paarde. Lloyd beschrijft de opmerkelijke wederkeerige gehechtheid van een mannelijke schildeend (Tadorna vulpanser) en een gewone eend. Nog vele voorbeelden zouden hieraan kunnen worden toegevoegd; en de weleerw. heer E. S. Dixon merkt op, dat „zij die vele verschillende soorten van ganzen tegelijkertijd hebben gehouden, wel weten, welke onverklaarbare genegenheden zij dikwijls voor elkander opvatten, en dat zij even gaarne paren en jongen voortbrengen met individu’s van een ras dat schijnbaar het meest verschillend van hen is, als met hun eigen ras.”

De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat hij tegelijkertijd een paar Chineesche ganzen (Anser cygnoides) en een gewonen ganzerik met drie ganzen heeft bezeten. De beide soorten leefden elk geheel op zich zelf, tot de Chineesche ganzerik een van de gewone ganzen verleidde om met hem te leven. Daarenboven waren van de jonge vogels, opgekweekt uit de eieren der gewone ganzen, slechts vier zuiver, terwijl de achttien anderen bastaarden bleken te zijn; zoodat de Chineesche ganzerik veel grooter bekoorlijkheden schijnt te hebben bezeten, dan de gewone ganzerik. Ik wil nog slechts één ander geval mededeelen: de heer Hewitt verhaalt, dat een in gevangen staat opgekweekte wilde eend, „na een paar jaren met haar eigen woerd te hebben geleefd, hem op eens verstootte, toen ik een mannelijke pijlstaarteend in het water plaatste. Het was blijkbaar een geval van liefde op het eerste gezicht; want zij zwom naar den nieuw aangekomene heên en overlaadde hem met liefkozingen, hoewel hij blijkbaar verontrust door en afkeerig van haar liefdesbetuigingen scheen. Van dat uur af vergat zij haar ouden minnaar. De winter ging voorbij en in de volgende lente scheen de pijlstaartwoerd te zijn overgehaald door haar liefkozingen; want zij nestelden te zamen en brachten zeven of acht jongen voort.”

Wat de bekoring in deze verschillende gevallen mag zijn geweest, behalve eenvoudig de nieuwheid, kunnen wij zelfs niet gissen. De kleur komt echter soms in het spel; want als men bastaarden wil verkrijgen van het sijsje (Fringilla spinus) en den kanarievogel, slaagt men, volgens Bechstein, verreweg het best, als men vogels van de zelfde kleur bij elkander zet. De heer Jenner Weir zette een vrouwelijken kanarievogel in zijn vogelhuis (volière), waarin zich mannelijke kneutjes, distelvinken, sijsjes, groenlingen, vinken en andere vogels bevonden om te zien, welken zij zou kiezen; maar er was nooit eenige twijfel en de groenling behaalde de zegepraal. Zij paarden en brachten bastaardkroost voort.

Bij de leden van de zelfde soort trekt het feit, dat het wijfje liever met het eene mannetje paart dan met het andere, niet zoo gemakkelijk de aandacht, als wanneer dit tusschen verschillende soorten plaats heeft. Dergelijke gevallen kunnen het best worden waargenomen bij tamme of opgesloten vogels; maar deze zijn dikwijls door overvloedig voedsel weelderig gemaakt en hun instinkten zijn dikwijls uitermate bedorven. Van dit laatste feit zou ik voldoende bewijzen kunnen geven ten opzichte van duiven, en vooral van hoenders, doch zij kunnen hier niet worden medegedeeld. Bedorven instinkten kunnen wellicht ook eenige van de bastaardvereenigingen verklaren, waarop boven is gezinspeeld; maar in vele van deze gevallen waren de vogels in de gelegenheid zich vrijelijk over groote vijvers te verspreiden, en is er geen reden om te veronderstellen, dat zij onnatuurlijk werden geprikkeld door overvloedig voedsel.

Ten opzichte van vogels in den natuurstaat is de eerste en meest voor de hand liggende veronderstelling die iedereen zal invallen, dat het wijfje zich in den paartijd aan het eerste mannetje het beste dat zij ontmoet, overgeeft; maar zij is ten minste in de gelegenheid om een keus te doen, daar zij bijna onveranderlijk door vele mannetjes wordt vervolgd. Audubon—en wij moeten bedenken, dat hij een lang leven doorbracht met in de bosschen der Vereenigde Staten rond te zwerven en daar waarnemingen omtrent de vogels te doen—betwijfelt niet, dat het wijfje met overleg haar gezel kiest; zoo zegt hij van een specht sprekende, dat het wijfje door een half dozijn vroolijke vrijers wordt gevolgd, die voortgaan met vreemdsoortige vertooningen uit te voeren, „totdat zij aan een van hen duidelijk de voorkeur geeft.” Het wijfje van den roodvleugeligen spreeuw (Agelaius phoeniceus) wordt ook door onderscheidene mannetjes vervolgd, „totdat zij, moede wordende, neêrstrijkt, hun liefdebetuigingen ontvangt, en weldra een keus doet.” Hij beschrijft ook hoe onderscheidene mannelijke nachtzwaluwen herhaaldelijk met verbazende snelheid door de lucht duiken, zich daarbij plotseling omkeeren, en op die wijze een vreemdsoortig geluid voortbrengen; „maar zoodra het wijfje een keus heeft gedaan, worden onmiddellijk de andere mannetjes weggejaagd.” Bij een van de gieren (Cathartes aura) van de Vereenigde Staten verzamelen zich troepen van acht of tien of meer mannetjes en wijfjes op omgevallen boomstammen, „de sterkste begeerte om wederkeerig te behagen aan den dag leggende”, en na vele liefkozingen vliegt elk mannetje met zijn gezellin weg. Audubon nam ook de wilde vluchten van Canada-ganzen (Anser Canadensis) zorgvuldig waar, en geeft een levendige beschrijving van hun liefdevertooningen; hij zegt, dat de vogels die te voren gepaard waren geweest, „hun vrijage in de maand Januari hernieuwden, terwijl de anderen alle dagen uren lang met elkander vochten en coquetteerden, totdat allen voldaan schenen met de keus die zij hadden gedaan, waarna, hoewel zij te zamen bleven, iedereen gemakkelijk kon opmerken, dat de paren zorgvuldig in stand werden gehouden. Ik heb ook opgemerkt, dat, hoe ouder de vogels waren, hoe korter het voorspel van hun vrijage duurde. De jongelieden en de oude vrijsters gingen, hetzij uit spijt, of omdat zij ongaarne door het gewoel werden gestoord, rustig zijwaarts en legden zich op eenigen afstand van de overige neder.” [178] Vele gelijksoortige getuigenissen ten opzichte van andere vogels zouden aan dezen zelfden waarnemer kunnen worden ontleend.

Nu tot tamme en opgesloten vogels overgaande, zal ik beginnen met het weinige mede te deelen, dat ik ten opzichte der vrijage van het pluimgedierte te weten ben gekomen. Ik heb over dit onderwerp lange brieven van de heeren Hewitt en Tegetmeier en bijna een geheele verhandeling van wijlen den heer Brent ontvangen. Iedereen zal toegeven, dat deze heeren, zoo algemeen bekend door de werken die zij hebben uitgegeven, zorgvuldige en ondervindingrijke waarnemers zijn. Zij gelooven niet, dat de wijfjes aan zekere mannetjes wegens de schoonheid van hun gevederte de voorkeur geven; maar men moet den kunstmatigen toestand waarin zij lang hebben verkeerd, eenigszins in rekening brengen. De heer Tegetmeier is overtuigd, dat een strijdhaan, hoewel misvormd, daar hij door het afsnijden zijner vleeschlappen tot ridder is geslagen („dubbed”), even gaarne zal worden aangenomen als een haan die al zijn natuurlijke versierselen nog bezit. De heer Brent echter veronderstelt, dat de schoonheid van het mannetje er toe bijdraagt om het wijfje te bekoren; en haar toestemming is noodzakelijk. De heer Hewitt is overtuigd, dat de vereeniging in geenen deele aan het bloote toeval wordt overgelaten; want het wijfje geeft bijna onveranderlijk de voorkeur aan het krachtigste, strijdlustigste en vurigste mannetje; het is daarom bijna nutteloos, gelijk hij opmerkt, „om te beproeven kuikens van een of ander zuiver ras te verkrijgen, als een strijdhaan in goede gezondheid en toestand op de plaats rondloopt; want bijna elke hen zal, als zij het rek verlaat, tot den strijdhaan haar toevlucht nemen, zelfs al doet deze volstrekt geen moeite om den haan van haar eigen ras weg te jagen.” Onder gewone omstandigheden schijnen de hennen en hanen tot een wederkeerige verstandhouding te komen door middel van zekere gebaren van welke de heer Brent mij een beschrijving heeft gegeven. De hennen zullen echter dikwijls de gedienstige oplettendheden van de jonge hanen versmaden. Oude hennen en hennen van een strijdlustigen aard hebben, gelijk de zelfde schrijver mij meldt, een afkeer van vreemde hanen, en zullen zich niet aan hen overgeven, voordat zij in het gevecht het onderspit hebben moeten delven. Ferguson beschrijft echter, hoe een twistzieke hen zwichtte voor de teedere liefkoozingen van een Shanghaihaan. [179]

Er is reden om aan te nemen, dat duiven van beiderlei sekse bij voorkeur met vogels van het zelfde ras paren; en duivenkot-duiven hebben een afkeer van alle door kunstmatige teeltkeus sterk gewijzigde rassen. [180] De heer Harrison Weir hoorde eenigen tijd geleden van een geloofwaardig waarnemer die blauwe duiven houdt, dat deze alle anders gekleurde verscheidenheden, zooals witte, roode en gele, wegjagen; en van een anderen waarnemer, dat men er ondanks herhaalde proefnemingen niet in kon slagen een donkerbruine postduif met een zwarten doffer te doen paren, maar dat zij zulks dadelijk deed met een donkerbruinen doffer.

Ook de heer Tegetmeier had een vrouwelijk blauw meeuwtje („turbit”), dat hardnekkig weigerde te paren met twee mannetjes van het zelfde duivenras, die achtereenvolgens weken lang met haar werden opgesloten; maar, naar buiten gelaten, paarde zij onmiddellijk met de eerste de beste blauwe Engelsche Pagadet-duif („dragon”). Daar zij een kostbare vogel was, werd zij toen vele weken lang opgesloten met een zilverkleurig (d.i. zeer bleek blauw) mannetje, en paarde daarmede ten laatste. Over het algemeen schijnt de kleur echter op het paren van duiven weinig invloed te hebben. De heer Tegetmeier heeft op mijn verzoek eenige zijner vogels met magenta (3) gevlekt, maar de andere sloegen daar weinig acht op.

Nu en dan gevoelen de vrouwelijke duiven een sterken tegenzin tegen bepaalde doffers, zonder dat zich daarvoor eenige oorzaak laat aanwijzen. Zoo getuigen de heeren Boitard en Corbié, wier ondervinding zich over een tijdperk van vijf-en-veertig jaren uitstrekte: „Quand une femelle éprouve de l’antipathie pour un mâle avec lequel on veut l’accoupler, malgré tous les feux de l’amour, malgré l’alpiste et le chenevis dont on la nourrit pour augmenter son ardeur, malgré un emprisonnement de six mois et même d’un an, elle refuse constamment ses caresses; les avances empressées, les agaceries, les tournoiements, les tendres roucoulements, rien ne peut lui plaire ni l’émouvoir; gonflée, boudeuse, blottie dans un coin de sa prison, elle n’en sort que pour boire et manger, ou pour repousser avec une espèce de rage des caresses devenues trop pressantes.” [181] Van den anderen kant heeft de heer Harrison Weir zelf waargenomen en van onderscheidene duivenfokkers gehoord, dat een vrouwelijke duif soms plotseling een sterken smaak voor een bijzonderen doffer aan den dag legt en haar eigen doffer voor hem verlaat. Sommige wijfjes zijn, volgens een ander ondervindingrijk waarnemer, Riedel [182], van een losbandig karakter, en geven aan bijna elken vreemdeling de voorkeur boven haar eigen doffer. Sommige verliefde doffers die door onze Engelsche liefhebbers „gay birds” worden genoemd, zijn zoo voorspoedig in hun liefdesavonturen, dat zij, gelijk de heer H. Weir mij meldt, afzonderlijk moeten worden opgesloten, uithoofde van het nadeel dat zij veroorzaken.

Volgens Audubon maken in de Vereenigde Staten wilde kalkoensche hanen „somtijds het hof aan de tamme kalkoensche hennen, en worden door deze over het algemeen met groot genoegen aangenomen.” Zoodat deze hennen blijkbaar aan de wilde hanen de voorkeur geven boven haar eigen hanen. [183]

Zie hier een nog merkwaardiger geval. Sir R. Heron teekende gedurende vele jaren de gewoonten van de pauwen op, die hij in grooten getale aanfokte. Hij betuigt, dat „de pauwinnen dikwijls een sterke voorliefde voor een bijzonderen pauw aan den dag leggen. Zij waren allen zoo verzot op een ouden gevlekten pauw, dat zij één jaar, toen hij afzonderlijk opgesloten, hoewel nog in het gezicht was, voortdurend waren vergaderd dicht bij de getraliede wanden van zijn gevangenis en een zwartvleugel-pauw niet wilden toelaten haar aan te raken. Toen hij in den herfst werd losgelaten, maakte de oudste der pauwinnen hem dadelijk het hof, en was voorspoedig in haar vrijage. Het volgende jaar werd hij in een stal opgesloten, en toen maakten al de pauwinnen het hof aan zijn medeminnaar.” [184] Deze medeminnaar was een verlakte of zwartvleugelige pauw, die in onze oogen een fraaier vogel is dan de gewone soort.

Lichtenstein die een goed waarnemer was en aan de Kaap de Goede Hoop uitnemend in de gelegenheid was om waarnemingen te doen, verzekerde Rudolphi, dat de vrouwelijke weduwvogel (Chera progne) het mannetje verloochent, wanneer hij van de lange staartvederen is beroofd, waarmede hij gedurende den paartijd is versierd. Ik vermoed, dat deze waarneming moet zijn gedaan op vogels in gevangen staat. [185] Ziehier nog een ander treffend geval. Dr. Jaeger [186], directeur van den dierentuin te Weenen, verhaalt, dat een mannelijke zilverlakensche fazant die de overwinning over de andere mannetjes had behaald en de erkende minnaar van de wijfjes was, van zijn tot sieraad strekkend gevederte werd beroofd. Hij werd daarop dadelijk door een medeminnaar vervangen, die de overhand verkreeg en daarna den troep aanvoerde.

Het is een opmerkelijk feit, omdat het bewijst, hoe belangrijk de kleur is bij de vrijage der vogels, dat de heer Boardman, gedurende vele jaren een welbekend liefhebber en waarnemer van vogels in de Noordelijke Vereenigde Staten, gedurende den langen tijd, dat hij waarnemingen deed, nooit een albino met een anderen vogel heeft zien paren; toch had hij menigmaal gelegenheid vele albino’s, tot verschillende soorten behoorende, waar te nemen. [187] Men kan moeilijk volhouden, dat albino’s niet in staat zijn zich in den natuurstaat voort te planten, daar zij zulks in gevangen staat met het grootste gemak kunnen. Het schijnt dus, dat wij het feit, dat zij niet paren, daaraan moeten toeschrijven, dat zij door hun normaal gekleurde kameraden worden afgewezen.

Niet alleen oefent het wijfje een keus uit, maar in sommige gevallen maakt zij het mannetje het hof, of vecht soms om zijn bezit. Sir R. Heron verhaalt, dat bij pauwen de eerste stappen altijd door het wijfje worden gedaan; iets van den zelfden aard heeft volgens Audubon met de oude wijfjes van den wilden kalkoen plaats. Bij den grooten auerhaan fladderen de wijfjes om het mannetje heên, terwijl hij op een der vergaderplaatsen bezig is met pronken, en zoeken zijn aandacht te trekken. [188] Wij hebben gezien, dat een getemde wilde eend een onwilligen pijlstaartwoerd verleidde, na hem lang het hof te hebben gemaakt. De heer Bartlett gelooft, dat de Lophophorus, evenals vele andere Hoenderachtige Vogels, van nature veelwijvig is; doch twee wijfjes kunnen niet met één mannetje in de zelfde kooi worden geplaatst, omdat zij zooveel met elkander vechten. Het volgende voorbeeld van medeminnarij wekt meer verwondering, daar het betrekking heeft op goudvinken die gewoonlijk voor hun geheele leven paren. De heer Jenner Weir bracht een dof gekleurd en leelijk wijfje in zijn volière, en zij viel dadelijk een ander gepaard wijfje zoo onbarmhartig aan, dat deze laatste moest worden weggenomen. Het nieuwe wijfje gaf zich nu alle moeite om de liefde van het mannetje te verwerven, en slaagde daarin ten laatste, want zij paarde met hem; maar na eenigen tijd ontving zij haar rechtvaardige straf, want toen zij ophield strijdlustig te zijn, plaatste de heer Weir het oude wijfje weder in de volière, en het mannetje verliet toen zijn nieuw liefje en keerde tot zijn oude terug.

In alle gewone gevallen is het mannetje zoo vurig, dat hij elk wijfje zal aannemen, en niet, voorzoover wij kunnen oordeelen, aan het eene boven het andere de voorkeur geeft; maar uitzonderingen op dezen regel schijnen, zooals wij later zullen zien, in eenige weinige groepen voor te komen. Bij tamme vogels heb ik slechts van één geval gehoord, waarin de mannetjes eenige voorliefde vertoonen voor bijzondere wijfjes, namelijk, dat van den huishaan die, volgens de hooge autoriteit van den heer Hewitt, aan de jonge hennen de voorkeur boven de oude geeft. Daarentegen is de heer Hewitt overtuigd, dat, wanneer men bastaardvereenigingen tot stand brengt tusschen den mannelijken fazant en gewone hennen, de fazant onveranderlijk aan de oudere vogels de voorkeur geeft. Haar kleur schijnt in het minst geen invloed op hem te hebben, maar hij is „hoogst grillig in zijn genegenheid.” [189] Wegens de eene of andere onverklaarbare oorzaak toont hij den meest volstrekten afkeer van sommige hennen, welken geen zorg van den kant van den fokker kan te boven komen. Sommige hennen zijn, gelijk de heer Hewitt mij meldt, volstrekt onaantrekkelijk, zelfs voor de mannetjes van haar eigen soort, zoodat zij met verscheidene hanen gedurende een geheel jaargetijde kunnen worden gehouden, en niet één ei van veertig of vijftig zal blijken te zijn bevrucht. Bij de ijseend (Harelda glacialis) „heeft men daarentegen opgemerkt”, zegt de heer Eckström, „dat aan sommige wijfjes veel meer het hof werd gemaakt dan aan de overige. Men ziet toch dikwijls een individu door zes of acht verliefde mannetjes omringd.” Of deze getuigenis geloofbaar is, weet ik niet, maar de inlandsche jagers schoten deze wijfjes om ze op te zetten en dan als lokvogels te gebruiken. [190]

Ten opzichte van vrouwelijke vogels die een voorliefde voor bijzondere mannetjes vertoonen, moeten wij bedenken, dat wij alleen kunnen beoordeelen, of er een keus wordt uitgeoefend, als wij ons in onze verbeelding in de zelfde positie verplaatsen. Als een bewoner van een andere planeet in de gelegenheid was om een aantal boerenknapen op een kermis te zien, bezig met een meisje het hof te maken en over haar te twisten, gelijk vogels op een hunner vergaderplaatsen, zou hij alleen in staat zijn af te leiden, dat zij het vermogen bezat om een keus te doen, door de moeite die de vrijers deden om haar te behagen en met hun opschik te pronken. Nu staat het bewijs bij vogels, als volgt: zij hebben scherpe waarnemingsvermogens, en schijnen eenigen smaak te hebben voor het schoone, zoowel wat kleur als wat geluid aangaat. Het is zeker, dat de wijfjes nu en dan, wegens onbekende oorzaken, den sterksten afkeer en voorliefde voor bepaalde mannetjes aan den dag leggen. Als de seksen in kleur of in andere versiersels verschillen, zijn de mannetjes op zeldzame uitzonderingen na het sterkst versierd, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk gedurende den paartijd. Zij geven zich alle moeite om hun onderscheidene versierselen ten toon te spreiden, oefenen hun stemmen en voeren vreemdsoortige vertooningen uit in tegenwoordigheid van de wijfjes. Zelfs goed gewapende mannetjes die men zou hebben kunnen denken, dat, wat hun voorspoed in de liefde aanging, alleen van het gevecht afhankelijk waren, zijn in de meeste gevallen sterk versierd; en hun versierselen zijn verkregen ten koste van eenig verlies in strijdkracht. In andere gevallen zijn versierselen verkregen ten koste van vermeerderd gevaar voor roofvogels en verscheurende dieren. Bij onderscheidene soorten komen individu’s van beide seksen op de zelfde plaats samen, en hun vrijage is een langdurige zaak. Er is zelfs reden om te vermoeden, dat de mannetjes en wijfjes in de zelfde streek er niet altijd in slagen om elkander te behagen en te paren.