Chapter 33 of 38 · 3865 words · ~19 min read

Part 33

De ontwikkeling der zedelijke vermogens is een belangwekkender en moeilijker vraagstuk. Hun grond ligt in de sociale instinkten, wanneer men in deze uitdrukking de familiebanden insluit. Deze instinkten zijn van een hoogst ingewikkelden aard, en geven in het geval van de lagere dieren bijzondere neigingen tot zekere bepaalde handelingen; maar voor ons zijn de belangrijkste elementen liefde en de daarvan te onderscheiden aandoening van medegevoel. Dieren die met sociale instinkten zijn begaafd, scheppen behagen in elkanders gezelschap, waarschuwen elkander voor gevaar, verdedigen en helpen elkander op vele wijzen. Deze instinkten worden niet tot alle individu’s van de soort, maar alleen tot die van de zelfde vereeniging uitgestrekt. Daar zij in hooge mate voordeelig voor de soort zijn, zijn zij waarschijnlijk door natuurlijke teeltkeus verkregen.

Een zedelijk wezen is een wezen dat in staat is om zijn verleden handelingen en beweegredenen met zijn toekomstige te vergelijken,—om sommige goed en andere af te keuren; en het feit, dat de mensch het eenige wezen is, dat met zekerheid aldus kan worden genoemd, vormt het grootste van alle verschillen tusschen hem en de lagere dieren. In ons vierde hoofdstuk heb ik echter trachten aan te toonen, dat het zedelijk gevoel volgt, ten eerste, uit den duurzamen en altijd tegenwoordigen aard der sociale instinkten, in welk opzicht de mensch met de lagere dieren overeenkomt; en ten tweede, uit de groote werkzaamheid van zijn geestvermogens en de uiterste levendigheid van zijn indrukken van vroegere gebeurtenissen, in welke opzichten hij van de lagere dieren verschilt. Ten gevolge van dezen toestand van zijn geest, kan de mensch zich niet onttrekken aan het in het verleden terugzien en het vergelijken van de indrukken van vroegere gebeurtenissen en handelingen. Hij ziet ook voortdurend voorwaarts. Daarom zal hij, wanneer de eene of andere tijdelijke begeerte of hartstocht zijn sociale instinkten heeft overmeesterd, nadenken en de op dat oogenblik verzwakte indrukken van dergelijke vroegere opwellingen met het altijd tegenwoordige sociale instinkt vergelijken; en hij zal dan dat gevoel van onvoldaanheid gevoelen, dat alle niet bevredigde instinkten achter zich laten. Bij gevolg neemt hij het besluit om in de toekomst anders te handelen,—en dit is geweten. Elk instinkt dat aanhoudend sterker en duurzamer is, dan een ander, doet een gevoel ontstaan, dat wij uitdrukken door te zeggen, dat het onze plicht is daaraan te gehoorzamen. Een staande hond zou, indien hij in staat was over zijn vroeger gedrag na te denken, tot zich zelf zeggen: het was mijn plicht geweest (zooals wij inderdaad van hem zeggen) voor dien haas te staan en niet toe te geven aan de voorbijgaande verzoeking om hem na te zitten.

Sociale dieren worden gedeeltelijk aangedreven door den wensch om de leden van de zelfde vereeniging op algemeene wijze te helpen, maar veelvuldiger om zekere bepaalde handelingen te verrichten. De mensch wordt aangedreven door den zelfden algemeenen wensch om zijn medemenschen te helpen, maar heeft weinig of geen bijzondere instinkten. Hij verschilt ook van de lagere dieren, doordat hij in staat is zijn begeerten uit te drukken met woorden die zoo naar de gevraagde en verleende hulp heênvoeren. De beweegreden om hulp te verleenen is ook eenigszins gewijzigd bij den mensch; zij bestaat niet langer alleen uit een blinde instinktmatige aandrift, maar de lof of afkeuring zijner medemenschen heeft daarop grooten invloed. Zoowel het waarde hechten aan lof of afkeuring als het betuigen daarvan berust op medegevoel, en deze aandoening is, gelijk wij hebben gezien, een der belangrijkste elementen van de sociale instinkten. Hoewel het medegevoel als een instinkt wordt verkregen, wordt het toch door oefening veel versterkt. Daar alle menschen hun eigen geluk verlangen, wordt lof of afkeuring over daden en beweegredenen betuigd, al naar zij tot dit doel leiden of niet; en daar geluk een wezenlijk deel uitmaakt van het algemeen welzijn, dient het beginsel van het grootste geluk indirect als een omtrent juiste maatstaf van recht en onrecht. Naarmate de redeneerende vermogens vooruitgaan en ondervinding wordt verkregen, worden de meer verwijderde uitwerkselen van zekere gedragslijnen op het karakter van het individu en op het algemeen welzijn begrepen; en dan worden de op het individu zelf betrekking hebbende deugden, omdat zij nu binnen het bereik der publieke opinie komen, geprezen en de tegenovergestelde eigenschappen afgekeurd. Doch bij de minder beschaafde volken geraakt de rede dikwijls op een dwaalspoor, en worden vele slechte gewoonten en lage bijgeloovigheden op de zelfde wijze beschouwd en derhalve als hooge deugden vereerd en de overtreding er van voor een zware misdaad gehouden.

De zedelijke vermogens worden algemeen, en terecht, als van hooger waarde dan de verstandelijke vermogens beschouwd. Wij behooren echter steeds te bedenken, dat de werkzaamheid van den geest in het levendig terugroepen van vroegere indrukken een der fundamenteele, hoewel secundaire grondslagen van het geweten is. Dit feit levert den sterksten bewijsgrond, dat men de verstandelijke vermogens van elk menschelijk wezen op alle mogelijke wijzen behoort aan te kweeken en op te wekken. Ongetwijfeld zal een mensch met een tragen geest, indien zijn sociale neigingen en medegevoel goed zijn ontwikkeld, tot goede handelingen worden geleid, en kan hij een tamelijk gevoelig geweten hebben. Al wat echter de verbeeldingskracht van den mensch levendiger maakt en de gewoonte om vroegere indrukken terug te roepen en te vergelijken, versterkt, zal het geweten gevoeliger maken, en kan zelfs tot op zekere hoogte zwakke sociale neigingen en medegevoel vergoeden.

De zedelijke natuur van den mensch is opgeklommen tot den hoogsten tot dusverre bereikten graad, gedeeltelijk door den vooruitgang der redeneerende vermogens en bij gevolg van een rechtvaardige publieke opinie, maar vooral doordat het medegevoel teederder en in wijderen kring werd verspreid door de uitwerkselen van gewoonte, voorbeeld, onderwijs en nadenken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat deugdzame neigingen door lange uitoefening erfelijk kunnen worden. Bij de meer beschaafde rassen heeft de overtuiging van het bestaan van een alziende Godheid een machtigen invloed op den vooruitgang der zedelijkheid gehad. Ten laatste neemt de mensch niet langer den lof of de afkeuring zijner medemenschen als zijn voornaamsten gids aan, hoewel weinigen aan den invloed daarvan ontsnappen, maar bieden hem zijn gewone overtuigingen, onder toezicht van de rede, zijn veiligsten regel aan. Zijn geweten wordt dan zijn opperste rechter en vermaner. Desniettemin ligt de eerste grond of oorsprong van het zedelijk gevoel in de sociale instinkten, met insluiting van het medegevoel, en deze instinkten werden ongetwijfeld oorspronkelijk, evenals in het geval der lagere dieren, verkregen door natuurlijke teeltkeus.

Het geloof in God is dikwijls niet alleen als het grootste, maar als het volkomenste van alle verschillen tusschen den mensch en de lagere dieren voorgesteld. Het is echter onmogelijk, gelijk wij hebben gezien, om vol te houden, dat dit geloof bij den mensch aangeboren of instinktmatig is. Daarentegen schijnt het geloof aan in alles verspreide geestelijke invloeden algemeen te zijn, en schijnt het gevolg te zijn van een aanmerkelijken vooruitgang in de redeneerende vermogens van den mensch en van een nog grooter vooruitgang in zijn vermogens van verbeelding, nieuwsgierigheid en verwondering. Ik weet zeer goed, dat het vermeende instinktmatige geloof aan God door vele personen is gebruikt als een bewijsgrond voor Zijn bestaan. Dit is echter een overijlde bewijsgrond, daar wij dan ook gedwongen zouden zijn in het bestaan te gelooven van vele wreede en kwaadwillige geesten die slechts een weinig meer macht dan de mensch bezitten; want het geloof in hen is veel algemeener dan dat in een weldoende Godheid. Het denkbeeld van een algemeen en weldoend Schepper van het Heelal schijnt niet in den geest van den mensch op te komen, totdat hij door een lang voortgezette beschaving is opgeheven.

Hij die gelooft, dat de mensch zich uit den eenen of anderen laag georganiseerden vorm heeft ontwikkeld, zal natuurlijk vragen welken invloed dit heeft op het geloof aan de onsterfelijkheid van de ziel. De barbaarsche menschenrassen bezitten, gelijk Sir J. Lubbock heeft aangetoond, geen duidelijk geloof van deze soort; maar bewijsgronden, aan de oorspronkelijke godsdienstige meeningen van wilden ontleend, zijn, gelijk wij juist hebben gezien, van weinig of geen nut. Weinige menschen gevoelen eenige bezorgdheid wegens de onmogelijkheid om nauwkeurig te bepalen, op welk tijdstip in de ontwikkeling van het individu, van het eerste spoor van het kleine kiemblaasje af tot het kind, hetzij voor of na de geboorte toe, de mensch een onsterfelijk wezen wordt; en er is geen grooter reden tot bezorgdheid, omdat het juiste tijdstip in de trapsgewijze opklimmende reeks der organismen bij geen mogelijkheid kan worden bepaald. [525] (3)

Ik weet wel, dat de besluiten waartoe wij in dit werk zijn gekomen, door sommigen van groote ongodsdienstigheid zullen worden beschuldigd; maar hij, die hen daarvan beschuldigt, is verplicht aan te toonen, waarom het ongodsdienstiger is om den oorsprong van den mensch als een afzonderlijke soort door afstamming uit den eenen of anderen lageren vorm te verklaren door de wetten van afwijking (variatie) en natuurlijke teeltkeus, dan om de geboorte van het individu door de wetten van de gewone voortplanting te verklaren. De geboorte zoowel van de soort als van het individu zijn gelijkelijk deelen van die groote aaneenschakeling van gebeurtenissen die onze geest weigert als gevolgen van een blind toeval aan te nemen. Het verstand verzet zich tegen een dergelijk besluit, hetzij wij in staat zijn om te gelooven, dat elke geringe afwijking (variatie) in maaksel,—de vereeniging van elk paar in het huwelijk,—de verspreiding van elken zaadkorrel,—en andere dergelijke gebeurtenissen alleen met het eene of andere bijzondere doel zijn verordend, of niet.

De seksueele teeltkeus is in dit werk zeer uitvoerig behandeld; want zij heeft, gelijk ik heb trachten aan te toonen, een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis der organische wereld. Daar aan het slot van elk hoofdstuk overzichten zijn gegeven, zou het overbodig zijn hier een uitvoerig overzicht te geven. Ik weet zeer goed, dat veel twijfelachtig blijft; maar ik heb een helder inzicht in de geheele zaak trachten te geven. In de lagere afdeelingen van het Dierenrijk schijnt de seksueele teeltkeus niets te hebben gedaan, dergelijke dieren zijn dikwijls levenslang op de zelfde plaats bevestigd, of hebben de beide seksen in het zelfde individu vereenigd, of, wat nog belangrijker is, hun waarnemende en verstandelijke vermogens zijn niet hoog genoeg ontwikkeld om de gevoelens van liefde of ijverzucht, of het uitoefenen van een keus toe te laten. Als wij echter tot de Gelede Dieren (Arthropoda) en Gewervelde Dieren (Vertebrata) komen, heeft de seksueele teeltkeus, zelfs op de laagste Klassen in deze twee groote Onder Rijken, grooten invloed uitgeoefend; en het verdient opmerking, dat wij hier de verstandelijke vermogens, hoewel in twee zeer uiteenloopende richtingen, tot den hoogsten standaard ontwikkeld vinden, namelijk bij de Vliesvleugelige Insekten (mieren, bijen, enz) onder de Gelede Dieren en bij de Zoogdieren waartoe de mensch behoort, onder de Gewervelde Dieren.

Bij de meest verschillende Klassen van het dierenrijk, bij Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Visschen, Insekten en zelfs Schaaldieren, volgen de verschillen tusschen de seksen bijna volkomen de zelfde regels. De mannetjes zijn bijna altijd de hofmakers, en zij alleen zijn gewapend met bijzondere wapenen om met hun medeminnaars te vechten. Zij zijn over het algemeen sterker en grooter dan de wijfjes, en zijn begaafd met de vereischte hoedanigheden van moed en strijdlustigheid. Zij zijn, hetzij uitsluitend of in veel hooger mate dan de wijfjes van organen om vocale of instrumentale muziek voort te brengen en van riekende stoffen afscheidende klieren voorzien. Zij zijn met oneindig verscheiden aanhangsels en met de schitterendste of opzichtigste, dikwijls volgens bevallige patronen gerangschikte kleuren versierd, terwijl de wijfjes onversierd zijn gelaten. Als de seksen in meer belangrijke organen verschillen, is het het mannetje, dat met bijzondere zintuigen om het wijfje te ontdekken, met bewegingsorganen om haar te bereiken, met grijporganen om haar vast te houden, is voorzien. Deze onderscheidene deelen om het wijfje te vermeesteren of te bekoren, zijn dikwijls bij het mannetje alleen gedurende een deel van het jaar, namelijk gedurende den paartijd, ontwikkeld. Zij zijn in vele gevallen in meerdere of mindere mate op de wijfjes overgeplant; en in het laatste geval vertoonen zij zich bij haar als eenvoudige rudimenten. Zij worden door de mannetjes na ontmanning verloren. Over het algemeen komen zij bij het mannetje niet gedurende de vroege jeugd tot ontwikkeling, maar ontwikkelen zich slechts korten tijd vóór den leeftijd waarop hij in staat wordt zich voort te planten. Vandaar gelijken de jongen van beide seksen in de meeste gevallen op elkander, en de wijfjes gelijken levenslang op haar kroost. In bijna elke groote Klasse komen eenige weinige afwijkende gevallen voor, waarin er een bijna volkomen omkeering der aan de beide seksen eigen kenmerken plaats heeft gehad, daar de wijfjes kenmerken hebben aangenomen, die eigenlijk aan de mannetjes toekomen. Deze verwonderlijke eenvormigheid in de wetten die de verschillen tusschen de seksen in zoovele en zoozeer verschillende Klassen regelen, wordt verklaarbaar, indien wij aannemen, dat door al de hoogere afdeelingen van het Dierenrijk ééne gemeenschappelijke oorzaak heeft gewerkt, namelijk seksueele teeltkeus.

De seksueele teeltkeus hangt af van het beter slagen van zekere individu’s dan van andere van de zelfde sekse met betrekking tot de voortplanting van de soort, terwijl de natuurlijke teeltkeus afhangt van het slagen van beide seksen op alle leeftijden, met betrekking tot de algemeene levensvoorwaarden. De seksueele strijd is van tweeërlei soort; de eene is een strijd tusschen de individu’s van de zelfde, en wel over het algemeen de mannelijke sekse om hun medeminnaars weg te jagen of te dooden, waarbij de wijfjes passief blijven; terwijl de andere ook een strijd is tusschen de individu’s van de zelfde sekse, maar ten doel heeft om die van de tegenovergestelde, gewoonlijk de vrouwelijke sekse op te wekken en te bekoren; deze laatste blijven dan niet langer passief, maar kiezen de aangenaamste gezellen voor de voortteling uit. Deze laatste soort van teeltkeus heeft een zeer groote overeenkomst met die welke de mensch onbewust, maar toch op werkdadige wijze op zijn tamme dieren toepast, als hij gedurende een langen tijd de hem het meest behagende of nuttigste individu’s voor de voortteling uitkiest, zonder eenigen wensch om het ras te wijzigen.

De wetten der erfelijkheid bepalen, of kenmerken, door ééne van beide seksen door seksueele teeltkeus verworven, alleen op die zelfde sekse, dan wel op beide seksen zullen worden overgeplant, en ook den leeftijd waarop zij tot ontwikkeling zullen komen. Het schijnt, dat afwijkingen die laat in het leven ontstaan, over het algemeen op één en de zelfde sekse worden overgeplant. Veranderlijkheid is de noodzakelijke grondslag voor de werking der teeltkeus en daarvan volkomen onafhankelijk. Het volgt hieruit, dat afwijkingen van den zelfden algemeenen aard dikwerf met voordeel zijn gebruikt en opeengehoopt door de seksueele teeltkeus met betrekking tot de voortplanting van de soort en door de natuurlijke teeltkeus met betrekking tot de algemeene doeleinden van het leven. Vandaar kunnen secundaire seksueele kenmerken, wanneer zij op beide seksen gelijkelijk zijn overgeplant, alleen door het licht der analogie van gewone soortskenmerken worden onderscheiden. De door seksueele teeltkeus verkregen wijzigingen zijn dikwijls zoo sterk uitgedrukt, dat de beide seksen dikwijls als verschillende soorten, ja zelfs als verschillende geslachten zijn gerangschikt. Dergelijke sterk uitgedrukte verschillen moeten op de eene of andere wijze hoogst belangrijk zijn; en wij weten, dat zij in sommige gevallen zijn verkregen ten koste niet alleen van ongemak maar zelfs van blootstelling aan werkelijk gevaar.

Het geloof in het vermogen der seksueele teeltkeus steunt hoofdzakelijk op de volgende overwegingen. De kenmerken van welke wij de meeste reden hebben om te veronderstellen, dat zij op die wijze zijn verkregen, zijn tot ééne sekse beperkt; en dit maakt het op zich zelf reeds waarschijnlijk, dat zij op de eene of andere wijze met de voortplantingshandeling in verband staan. Deze kenmerken komen in tallooze gevallen eerst op volwassen leeftijd tot volkomen ontwikkeling, en dikwijls alleen gedurende een deel van het jaar, dat altijd de paartijd is. De mannetjes gedragen zich (op eenige weinige exceptioneele gevallen na) het meest actief bij de vrijage; zij zijn het best gewapend en op alle wijzen het aantrekkelijkst gemaakt. Bijzondere opmerking verdient, dat de mannetjes met de uiterste zorgvuldigheid hun aantrekkelijkheden in tegenwoordigheid der wijfjes ten toon spreiden, en dat zij er zelden of nooit mede pronken, behalve in het jaargetijde der liefde. Het is niet te gelooven, dat al dit pronken doelloos zou zijn. Eindelijk hebben wij bij sommige viervoetige dieren en vogels afzonderlijke bewijzen, dat individu’s van de eene sekse vatbaar zijn om een sterken tegenzin of voorkeur jegens zekere individu’s van de andere sekse te gevoelen.

Wanneer ik deze feiten bedenk en de sterke uitwerkselen van ’s menschen onbewuste teeltkeus niet vergeet, schijnt het mij bijna zeker, dat, indien de individu’s van de eene sekse er gedurende een lange reeks van generatiën de voorkeur aan gaven om met zekere individu’s van de andere sekse, die op de eene of andere bijzondere wijze waren gekenmerkt, te paren, hun nakomelingschap langzaam maar zeker op die zelfde wijze zou worden gewijzigd. Ik heb niet trachten te verbergen, dat het, uitgezonderd wanneer de mannetjes talrijker zijn dan de wijfjes, of wanneer de veelwijverij (polygamie) heerscht, twijfelachtig is, hoe de aantrekkelijkste mannetjes er in slaagden om een grooter aantal nakomelingen na te laten, die hun meerdere voortreffelijkheid in versiering of andere bekoorlijkheden erfden dan de minder aantrekkelijke mannetjes; doch ik heb aangetoond, dat dit waarschijnlijk het gevolg zou zijn, wanneer de wijfjes—vooral de krachtigste wijfjes die het eerst tot de paring zouden komen, de voorkeur gaven niet alleen aan de aantrekkelijkste, maar tegelijkertijd aan de krachtigste en zegepralende mannetjes.

Hoewel wij eenige stellige bewijzen hebben, dat vogels levendig gekleurde en schoone voorwerpen op prijs stellen, gelijk bij voorbeeld de Priëelvogels van Australië, en hoewel zij zeker het zangvermogen waardeeren, geef ik toch volkomen toe, dat het een verbazingwekkend feit is, dat de wijfjes van vele Vogels en sommige Zoogdieren met genoegzamen smaak zouden zijn begiftigd voor hetgeen door de seksueele teeltkeus schijnt te zijn bewerkstelligd; en dit is zelfs nog verbazingwekkender in het geval van Reptielen, Visschen en Insekten. Wij weten echter wezenlijk weinig omtrent de geestvermogens der lagere dieren. Men kan niet veronderstellen, dat mannelijke Paradijsvogels of Pauwen, bij voorbeeld, zich zonder doel zooveel moeite zouden geven om hun fraaie siervederen in tegenwoordigheid der wijfjes op te zetten, uit te spreiden en te doen trillen. Wij moeten denken aan het in een vorig hoofdstuk op autoriteit van een uitnemend betrouwbaar persoon medegedeelde feit, dat namelijk verscheidene pauwinnen, van een door haar bewonderden pauw gescheiden zijnde, liever gedurende een geheel jaargetijde weduwe bleven dan met een anderen pauw te paren.

Desniettemin ken ik in de natuurlijke geschiedenis geen verwonderlijker feit dan dat de vrouwelijke Argus-fazant in staat zou zijn de uitgezochte schakeering der bal-en-holte versiersels en de bevallige patronen van de vleugelslagpennen van het mannetje te waardeeren. Hij die denkt, dat het mannetje werd geschapen zooals het nu bestaat, moet toegeven, dat de groote siervederen die de vleugels beletten om tot vliegen te worden gebruikt, en die, evenals de primaire slagpennen, gedurende de vrijage en op geen anderen tijd op een uitsluitend aan deze ééne soort eigen wijze worden tentoongesteld, hem tot versiering werden gegeven. Zoo ja, dan moet hij ook aannemen, dat het wijfje werd geschapen en begaafd met het vermogen om dergelijke versierselen te waardeeren. Ik verschil alleen in de overtuiging, dat de mannelijke Argus-fazant zijn schoonheid trapsgewijze verkreeg, doordat de wijfjes gedurende vele generaties aan de sierlijkst uitgedoste mannetjes de voorkeur hebben gegeven, en dat het aesthetisch gevoel der wijfjes door oefening of gewoonte is toegenomen op de zelfde wijze als onze eigen smaak allengs is verbeterd. Bij het mannetje kunnen wij, door het gelukkige toeval, dat eenige weinige vederen niet zijn gewijzigd, duidelijk zien, hoe eenvoudige vlekken met een weinig vaalbruine schaduw aan de eene zijde zich door kleine en trapsgewijze stappen tot de wondervolle bal-en-holte versierselen zouden kunnen hebben ontwikkeld; en het is waarschijnlijk, dat zij zich werkelijk op die wijze hebben ontwikkeld.

Ieder die het beginsel van ontwikkeling (evolutie) aanneemt, en wien het toch zeer moeilijk valt om aan te nemen, dat vrouwelijke Zoogdieren, Vogels, Reptielen en Visschen den hoogsten standaard van smaak zouden kunnen bereiken, die in de schoonheid der mannetjes ligt opgesloten en die met onzen eigen standaard overeenstemt, moge bedenken, dat bij elk lid van de reeks der Gewervelde Dieren de zenuwcellen der hersenen de rechtstreeksche afstammelingen zijn van die welke door den gemeenschappelijken stamvader van de geheele groep werden bezeten. Op die wijze wordt het begrijpelijk, dat de hersenen en geestvermogens onder gelijksoortige omstandigheden voor bijna den zelfden loop van ontwikkeling, en derhalve ook tot het verrichten van bijna de zelfde functies vatbaar zouden zijn.

De lezer die de moeite heeft genomen om de onderscheidene aan de seksueele teeltkeus gewijde hoofdstukken te doorloopen, zal in staat zijn te beoordeelen, in hoever de besluiten waartoe ik ben gekomen, door voldoende bewijzen worden gestaafd. Indien hij deze besluiten toegeeft, mag bij hen, dunkt mij, veilig tot den mensch uitstrekken; maar het zou overtollig zijn hier te herhalen, wat ik zoo kort geleden heb gezegd over de wijze waarop de seksueele teeltkeus zoowel op den man als op de vrouw schijnt te hebben ingewerkt, veroorzakende, dat de beide seksen van den mensch van elkander naar lichaam en geest verschillen, en dat onderscheidene rassen in allerlei kenmerken van elkander en tevens ook van hun oude en laag georganiseerde voorouders afwijken.

Hij die het beginsel van seksueele teeltkeus aanneemt, zal worden gebracht tot het opmerkelijke besluit, dat het hersenstelsel niet alleen de meeste bestaande lichamelijke functies regelt, maar ook indirect invloed heeft gehad op de trapsgewijze ontwikkeling van allerlei organen van het lichaam en van sommige geestelijke hoedanigheden. Moed, strijdlust, volharding, lichaamskracht, lichaamsgrootte, wapenen van allerlei soort, muziekorganen, zoowel vocale als instrumentale, levendige kleuren, strepen en teekeningen, en tot versiering dienende aanhangsels zijn allen indirect verworven door de eene sekse of door de andere door den invloed van liefde en ijverzucht, door de waardeering van het schoone in geluid, kleur of vorm, en door de uitoefening van een keus; en deze vermogens van den geest hangen blijkbaar af van de ontwikkeling van het hersenstelsel.

De mensch onderzoekt met angstvallige zorg de kenmerken en den stamboom van zijn paarden, hoornvee en honden, voor hij ze met elkander laat paren; maar als hij tot zijn eigen huwelijk komt, neemt hij die moeite zelden of nooit. Hij wordt aangedreven door bijna de zelfde beweeggronden als de lagere dieren, wanneer zij aan hun eigen vrije keus zijn overgelaten, hoewel hij in zoover boven hen staat, dat hij geestelijke bekoorlijkheden en deugden hoog waardeert. Van den anderen kant wordt hij sterk aangetrokken door blooten rijkdom en rang. Toch zou hij door teeltkeus iets kunnen doen, niet alleen voor het lichaamsgestel en het uiterlijk zijner nakomelingen, maar ook voor hun verstandelijke en zedelijke hoedanigheden. Beide seksen behooren zich van het huwelijk te onthouden, indien zij op eenigszins aanmerkelijke wijze naar lichaam of geest minder goed zijn bedeeld; maar dergelijke verwachtingen zijn utopieën en zullen nooit, zelfs ook maar gedeeltelijk, worden verwezenlijkt, zoolang de wetten der erfelijkheid niet grondig bekend zijn. Allen maken zich verdienstelijk, welke dit doel helpen bevorderen. Als de beginselen van de teelt en van de erfelijkheid beter worden begrepen, zullen wij geen onwetende leden van onze wetgevende macht meer met verachting een plan hooren verwerpen om door een gemakkelijke methode met zekerheid uit te maken, of huwelijken tusschen bloedverwanten al dan niet nadeelig voor den mensch zijn.