Chapter 34 of 38 · 3965 words · ~20 min read

Part 34

De bevordering van het welzijn van de menschheid is een hoogst ingewikkeld vraagstuk: allen behooren zich van het huwelijk te onthouden, die voor hun kinderen niet aan rampzalige armoede kunnen ontkomen; want armoede is niet slechts een groot kwaad, maar heeft een neiging om tot haar eigen vermeerdering bij te dragen, daar zij tot onbezonnenheid in het huwelijk leidt. Van den anderen kant zullen, gelijk de heer Galton heeft opgemerkt, indien de voorzichtigen het huwelijk vermijden, terwijl de onbezonnenen huwen, de minder voortreffelijke leden der maatschappij er naar streven om betere te verdringen. De mensch is ongetwijfeld, gelijk elk ander dier, tot zijn tegenwoordigen hoogen toestand opgeklommen door een strijd om het bestaan ten gevolge van zijn snelle vermeerdering; en indien hij nog hooger zal klimmen, moet hij aan een hevigen strijd onderworpen blijven. Anders zou hij spoedig in traagheid verzinken, en de meer begaafde menschen zouden in den strijd om het leven niet beter slagen dan de minder begaafde. Daarom moet onze natuurlijke mate van vermeerdering, hoewel tot vele en in het oog springende rampen aanleiding gevende, door geen enkel middel sterk worden verminderd.

Er moet vrije mededinging tusschen alle menschen bestaan; en de meest bekwame moet niet door wetten of gebruiken worden verhinderd om het best te slagen en het aanzienlijkste getal nakomelingen groot te brengen. Hoe belangrijk de strijd om het bestaan ook is geweest en zelfs nog is, toch zijn er, voor zoover het hoogste deel der menschelijke natuur aangaat, nog andere meer belangrijke invloeden. Want de zedelijke vermogens worden, hetzij direct of indirect, veel meer vooruitgebracht door de uitwerkselen van gewoonte, de redeneerende vermogens, onderwijs, godsdienst enz., dan door natuurlijke teeltkeus, hoewel aan de werking van deze laatste kracht de sociale instinkten die den grondslag opleverden voor de ontwikkeling van het zedelijk gevoel, veilig mogen worden toegeschreven.

Het hoofdbesluit waartoe ik in dit werk ben gekomen, namelijk dat de mensch van den eenen of anderen laag georganiseerden vorm afstamt, zal, het doet mij leed dit te moeten denken, aan vele personen ergernis geven. Er kan echter nauwelijks eenige twijfel bestaan, dat wij van barbaren afstammen. De verbazing die ik gevoelde, toen ik voor het eerst een troep Vuurlanders op een wild vaneengescheurd strand zag, zal nooit door mij worden vergeten; want de gedachte rees op eens in mijn geest op,—zoo waren onze voorouders. Deze menschen waren volkomen naakt en met verf besmeerd; hun lang haar was verward; hun mond was van opgewondenheid met schuim bedekt en hun uitdrukking was wild, verschrikt en wantrouwig. Zij bezaten nauwelijks eenige kunsten en leefden gelijk wilde dieren van hetgeen zij konden vangen; zij hadden geen bestuur en waren zonder genade voor elk die niet tot hun eigen kleinen stam behoorde. Hij die een wilde in zijn geboorteland heeft gezien, zal niet veel schaamte gevoelen, indien hij wordt gedwongen te erkennen, dat het bloed van het eene of andere nog nederiger wezen door zijn aderen vloeit. Ik voor mij zou even gaarne afstammen van dat heldhaftige aapje dat zijn gevreesden vijand trotseerde om het leven van zijn oppasser te redden; of van dien ouden baviaan die, van de bergen afdalende, zijn jongen makker in zegepraal wegdroeg uit het midden van een menigte verbaasde honden,—als van een wilde die er behagen in schept zijn vijanden te martelen, bloedige offeranden doet, zonder wroeging zijn kinderen vermoordt, zijn vrouwen als slavinnen behandelt, geen eerbaarheid kent en door het grofste bijgeloof wordt beheerscht.

Het mag den mensch worden vergeven, als hij er eenigen trots over gevoelt, dat hij, hoewel niet door eigen inspanning (4), tot het toppunt van de geheele reeks der organismen is geklommen; en het feit, dat hij daartoe is opgeklommen in plaats van oorspronkelijk daar te zijn geplaatst, mag hem hoop geven op een nog hooger bestemming in een verwijderde toekomst. Wij hebben hier echter niet te maken met hoop of vrees, doch slechts met de waarheid, voor zoover onze rede ons toestaat die te ontdekken. Ik heb de bewijzen daarvoor gegeven, zoo goed ik maar eenigszins kon; en wij moeten, naar het mij toeschijnt, erkennen, dat de mensch met al zijn edele hoedanigheden, met het medegevoel dat hij zelfs voor de diepst gevallenen gevoelt, met de welwillendheid die zich niet slechts tot andere menschen, maar tot het nederigste levende schepsel uitstrekt, met zijn goddelijk verstand dat is doorgedrongen in de bewegingen en de inrichting van het zonnestelsel, dat de mensch, niettegenstaande al die verheven vermogens, toch in het maaksel van zijn lichaam nog den onuitwischbaren stempel van zijn lagen oorsprong draagt.

AANTEEKENINGEN.

(1) „De mensch heeft een neiging om zich in sterker verhouding te vermenigvuldigen, dan zijn middelen van bestaan; bij gevolg is hij nu en dan onderworpen aan een hevigen strijd om het bestaan.” Deze waarheid, het eerst door den grooten staathuishoudkundige Malthus aan het licht gebracht, resumeert de geheele zoogenaamde sociale quaestie: of liever zij levert het wiskundig zekere bewijs, dat die sociale quaestie onoplosbaar is. Richt de maatschappij in, gelijk gij wilt, steeds zal er een talrijke klasse van menschen in de maatschappij zijn, die te weinig heeft om te leven en te veel om te sterven; want de mensch vermenigvuldigt zich zoo lang, tot eindelijk die grens is bereikt, en de schaarste der voedingsmiddelen, of met andere woorden de groote duurte der voedingsmiddelen in verhouding tot het loon, de verdere vermenigvuldiging onmogelijk maakt.—Een maatschappij zonder bijzonderen eigendom, waarin allen gelijk recht hadden op alles (gesteld, dat zulk een maatschappij denkbaar ware), zou de menschheid niet gelukkiger maken; niemand zou daardoor in beteren toestand geraken; maar allen zouden integendeel afdalen tot die laagste grens; allen zouden even ongelukkig zijn, als thans de ongelukkigsten.—Harde, maar onbetwijfelbare waarheid! Alleen landen waar overvloed is van vruchtbaren grond en tevens een dun gezaaide bevolking, gelijk Noord-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland, kunnen nog voor eenige eeuwen aan die vreeselijke wet ontgaan; doch juist daarom vermenigvuldigt er de bevolking zoo veel sneller dan elders, en eindelijk zal ook daar de noodlottige grens worden bereikt. Zoolang die echter daar niet is bereikt, zijn emigratie van de overtollige monden uit Europa derwaarts (waardoor in Europa de strijd om het bestaan minder heftig wordt) en verplicht en kosteloos onderwijs (waardoor de individu’s in staat worden gesteld den strijd om het bestaan met beter gevolg te strijden) de krachtigste palliatieven tot leniging der sociale ellende, ofschoon geenszins wezenlijke middelen tot genezing. De laatste zal men steeds te vergeefs zoeken, daar de kwaal waaraan de maatschappij lijdt, ongeneeslijk is, tenzij de vermeerdering van het menschdom werd tegengegaan door „zedelijk zelfbedwang”, dat wil zeggen, tenzij niemand huwde, wanneer hij niet eerst voldoende zekerheid had zich en de zijnen te zullen kunnen onderhouden: maar dit zal wel steeds een utopie blijven,—of .... tenzij meer algemeen gebruik werd gemaakt van de bestaande voorbehoedmiddelen tot voorkoming van de zwangerschap (men vergelijke Nieuw Malthusiaansche Bond, Schetsen No. 3., J. M. Smit, „Het ontstaan en de ontwikkeling van het zedelijk gevoel”. Uitgegeven voor rekening van de N. Malthusiaansche Bond, Amsterdam. Jan D. Brouwer’s Boekhandel, ƒ 0,30, waarin die middelen zijn beschreven en afgebeeld).

(2) Deze geleerde heeft welgelukte proeven genomen tot kunstmatige vorming van anomalieën en monstruositeiten bij hoenders door eieren onder abnormale omstandigheden uit te broeien, door bij voorbeeld het punt van waar de verwarming uitgaat, en dat bij de natuurlijke uitbroeiing steeds aan de bovenzijde is gelegen, te verplaatsen of de eieren gedeeltelijk met een voor de lucht ondoordringbaar vernis te bedekken. Het spreekt van zelf, dat de bij dergelijke proeven waargenomen afwijkingen licht kunnen werpen op de oorzaken der (zoogenaamd spontane) afwijkingen die men bij de dieren in den natuurstaat waarneemt.

(3) Zeker is ’t eene geen grooter reden tot bezorgdheid dan het andere, maar wel even groote reden! Mij dunkt, dat beide evenzeer pleiten tegen de onsterfelijkheid van den mensch als individu!

(4) Wij gelooven, dat, zoo de theorie van Darwin juist is, de mensch wel degelijk door zijn eigen arbeid, door zijn eigen krachtsinspanning is opgeklommen tot de plaats die hij thans bekleedt. Wat toch is de natuurlijke teeltkeus? Het in leven blijven van hen die door het bezit van zekere eigenschappen den strijd om het leven met het beste gevolg konden strijden. Is strijd dan geen arbeid, geen krachtsinspanning?—Wat is seksueele teeltkeus anders dan het door de eene sekse voor de voortteling uitkiezen van bepaalde individu’s van de tegenovergestelde sekse? Die bewuste keuze zal toch wel wederom eigen arbeid mogen worden genoemd!—Het blijft echter waar, dat de individu’s die den strijd om het leven met het beste gevolg streden en bepaalde individu’s van de andere sekse voor de voortteling uitkozen, daarbij geenszins het doel hadden de soort te wijzigen en te verbeteren, en zich dus ook volstrekt niet bewust waren van de hoogst belangrijke gevolgen die hun inspanning, hun arbeid, hun keus na vele generaties zouden hebben. De mensch is opgeklommen tot de spits van het Dierenrijk door zijn eigen arbeid; maar die arbeid had geenszins ten doel om hem tot die spits te verheffen, hoewel zulks er feitelijk het gevolg van was. Die arbeid had ten doel het individu staande te houden in den strijd om het bestaan en het te verbinden met het voor hetzelve aantrekkelijkste en bekoorlijkste individu der andere sekse; het resultaat er van was echter vooruitgang van het geheel der levende individu’s of, met andere woorden, van de soort!

AANTEEKENINGEN

[1] Yarrell’s „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 417, 425, 436. Dr. Günther deelde mij mede, dat de stekels bij Raja Clavata alleen aan het wijfje eigen zijn.

[2] „The American Naturalist”, April 1871, blz. 119.

[3] Zie de belangwekkende artikelen van den heer R. Warington in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Oct. 1852 en Nov. 1855.

[4] Noel Humphrey’s „River Gardens”, 1857.

[5] Loudon’s „Mag. of Nat. History”, vol. III, 1830, blz. 331.

[6] „The Field”, 29 Juni, 1867; voor de mededeeling van den heer Shaw, zie „Edinburgh Review”, 1843. Een ander geoefend waarnemer (Scrope’s „Days of Salmon Fishing”, blz. 60) merkt op, dat het mannetje, als hij maar kon, evenals het hert, alle andere mannetjes verwijderd zou willen houden.

[7] Yarrell, „History of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10.

[8] „The Naturalist in Vancouver’s Island”, vol. I, 1866 blz. 54.

[9] „Scandinavian Adventures”, vol. I, 1854, blz. 100, 104.

[10] Zie Yarrell’s verhandeling over de Roggen in zijn „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 416, met een uitmuntende afbeelding, en blz. 422, 432.

[11] Aangehaald in „The Farmer”, 1868, blz. 369.

[12] Ik heb deze beschrijving ontleend aan Yarrell’s „British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 261 en 266.

[13] „Catalogue of Acanth. Fishes in the British Museum”, door Dr. Günther, 1861, blz. 138–151.

[14] „Game Birds in Sweden”, enz., 1867, blz. 466.

[15] Ten opzichte van deze en de volgende soorten ben ik aan Dr. Günther mededeelingen verschuldigd: zie ook zijn verhandeling over de visschen van Centraal-Amerika, in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. IV, 1868, blz. 485.

[16] Dr. Günther maakt deze opmerking: „Catalogue of Fishes in the British Museum”, vol. III, 1861, blz. 141.

[17] Zie over dit geslacht Dr. Günther in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 232.

[18] F. Buckland, in „Land and Water”, Juli 1868, blz. 377, met een afbeelding.

[19] Dr. Günther, „Catalogue of Fishes”, vol. III, blz. 221 en 240.

[20] Zie ook „A Journey in Brazil”, door Prof. en Mevr. Agassiz, 1868, blz. 220.

[21] Yarrell, „British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10, 12, 35.

[22] W. Thompson, in „Annals and Mag. of Nat. History”, vol. VI, 1841, blz. 440.

[23] „The American Agriculturist”, 1868, blz. 100.

[24] „Annals and Mag. of Nat. Hist”, Oct. 1852.

[25] „Nature”, Mei 1873, blz. 25.

[26] „Bull. de la Soc. d’Acclimat.”, Parijs, Juli 1869 en Jan. 1870.

[27] Bory de St. Vincent, in „Dict. Class. et Hist. Nat.”, tome IX, 1826, blz. 151.

[28] Ten gevolge van eenige opmerkingen over dit onderwerp in mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” gemaakt, heeft de heer F. W. Mayers („Chinese Notes and Queries”, Aug. 1868, blz. 123) de oude Chineesche Encyclopedieën doorzocht. Hij vindt, dat de goudvisschen het eerst in gevangen staat werden aangefokt onder de Sung-dynastie die in het jaar 960 voor Chr. aan de regeering kwam. In het jaar 1129 was er een overvloed van deze visschen. Op een andere plaats wordt gezegd, dat er sinds het jaar 1548 „te Hangchow een verscheidenheid is voortgebracht, de vuurvisch genaamd, wegens zijn levendig roode kleur. Hij wordt algemeen bewonderd, en er is geen huishouding waar hij niet wordt aangefokt, in wedijver ten opzichte van zijn kleur, en als een bron van geldelijk voordeel.”

[29] „Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 7.

[30] „Indian Cyprinidae”, door den heer J. M’Clelland, „Asiatic Researches”, vol. XIX, part. III, 1839, blz. 230.

[31] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 357, pl. XIV en XV.

[32] Yarrell, „British Fishes”, vol. II, blz. 11.

[33] Volgens de waarnemingen van den heer Gerbe; zie Günther’s „Record of Zoolog. Literature”, 1865, blz. 194.

[34] Cuvier, „Règne Animal”, vol. II, blz. 242.

[35] Zie de hoogst belangwekkende beschrijving van de gewoonten van den Gasterosteus leiurus door den heer Warrington, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, November 1855.

[36] Prof. Wyman, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857. Ook W. Turner in „Journal of Anatomy and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Ook Dr. Günther heeft nog andere gevallen beschreven.

[37] Yarrell, „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 329, 338.

[38] Dr. Günther heeft, nadat hij een beschrijving van deze soort heeft gegeven in „The Fishes of Zanzibar”, door Col. Playfair, 1826, blz. 137, de voorwerpen opnieuw onderzocht en nu de bovenstaande mededeeling gedaan.

[39] De weleerw. heer C. Kingsley, in „Nature”, Mei 1870, blz. 40.

[40] „Comptes rendus”, tome XLVI, 1858, blz. 353. Tome XLVII, 1858, blz. 916. Tome LIV, 1862, blz. 393. Het geluid, door de Ombervisschen (Sciaena aquila) gemaakt, gelijkt volgens sommige schrijvers meer op dat van een fluit of orgel dan op trommelen. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen deelt in de Nederlandsche vertaling van dit werk (3de uitgaaf, deel II, blz. 33) eenige meerdere bijzonderheden mede omtrent de door visschen voortgebrachte geluiden.

[41] Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 156–159.

[42] Bell, ibid., blz. 146, 151.

[43] „Zoology of the Voyage of the „Beagle””, 1843. „Reptiles”, door den heer Bell. blz. 49.

[44] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 321.

[45] Alleen het mannetje van Bufo sikimmensis (Dr. Anderson, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 204) heeft twee plaatvormige eeltachtigheden op de borst en zekere ruwe plekken op de vingers, die wellicht voor het zelfde doel dienen als de bovenvermelde verhevenheden.

[46] „The Reptiles of India”, door Dr. A. Günther, Roy. Soc. 1864, blz. 413.

[47] Bell, „History of British Reptiles”, 1849, blz. 93.

[48] J. Bishop, in „Todd’s Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1503.

[49] Bell, ibid., blz. 112–114.

[50] Zie mijn „Journal of Researches during the Voyage of the „Beagle””, 1845, blz. 384.

[51] „Travels through Carolina”, enz., 1791, blz. 128.

[52] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.

[53] Sir Andrew Smith, „Zoolog. of S. Africa: Reptilia”, 1849, pl. X.

[54] Dr. A. Günther, „Reptiles of British India”, Roy. Soc. 1864, blz. 304, 808.

[55] Dr. Stolicza, „Journal of Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XXXIX, 1870, blz. 205, 211.

[56] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615.

[57] De beroemde plantkundige Schleiden merkt ter loops op („Ueber den Darwinismus”, „Unsere Zeit”, 1869, blz. 269), dat de ratelslangen haar ratels gebruiken als een seksueele lokstem, waardoor de beide seksen elkander vinden. Ik weet niet, of deze bewering op eenige directe waarneming berust. Deze slangen paren in den Londenschen dierentuin; maar de oppassers hebben nooit waargenomen, dat zij haar ratels in dien tijd meer gebruiken dan anders.

[58] „Rambles in Ceylon”, „Annals and Mag. of Nat. Hist.” 2nd. series, vol. IX, 1852, blz. 333.

[59] Dr. Günther, „Reptiles of British India”, 1864, blz. 340.

[60] „Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 32.

[61] Dr. Anderson, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 196.

[62] „The American Naturalist”, 1873, blz. 85.

[63] De heer N. L. Austen hield deze dieren geruimen tijd levend; zie „Land and Water”, Juli 1867, blz. 9.

[64] Al deze mededeelingen en aanhalingen ten opzichte van Cophotis, Sitana en Draco, zoowel als de volgende feiten ten opzichte van Ceratophora zijn ontleend aan Dr. Günther’s prachtig werk over de „Reptiles of British India”, Roy. Soc., 1864, blz. 122, 130, 135.

[65] Dr. Bucholz, „Monatsbericht der K. Preus. Akad.”, Jan. 1874, blz. 78.

[66] Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 40.

[67] Omtrent Proctotretus zie „Zoology of the Voyage of the „Beagle””: „Reptiles”, door den heer Bell, blz. 8. Omtrent de hagedissen van Zuid-Afrika, zie „Zoology of S. Africa, Reptiles” door Sir Andrew Smith, pl. 25 en 39. Omtrent den Indischen Calotes, zie „Reptiles of British India” door Dr. Günther, blz. 143.

[68] „Iris”, vol. III (new series), 1867, blz. 414.

[69] Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, 1865, vol. II, blz. 383.

[70] Aangehaald door den heer Gould, „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 29.

[71] Gould, ibid., blz. 52.

[72] W. Tompson, „Nat. Hist. of Ireland: Birds”, vol. II, 1850, blz. 327.

[73] Jerdon, „Birds of India”, 1863, vol II, blz. 96.

[74] Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol IV, 1852, blz. 177–181.

[75] Sir R. Schomburgk, in „Journal of R. Geograph. Soc.”, vol. XIII, 1843, blz. 31.

[76] „Ornithological Biography”, vol I, blz. 191; omtrent pelikanen en snippen, zie vol. III, blz. 381, 477.

[77] Gould, „Handbook of Birds of Australia”, vol. I, blz. 395; vol. II, blz. 383.

[78] De heer Hewitt in het „Poultry Book” van Tegetmeier, 1866, blz. 137.

[79] Layard, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XIV, 1854, blz. 93.

[80] Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 574.

[81] Brehm, „Illustr. Thierleben”, 1867, Bd. IV, blz. 351. Eenige der voorgaande mededeelingen zijn ontleend aan L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 79.

[82] Jerdon, „Birds of India”, omtrent Ithaginis, vol. III, blz. 523; omtrent Galloperdix, blz. 541.

[83] Omtrent de Egyptische gans, zie Macgillivray, „British Birds”, vol. IV, blz. 639. Omtrent Plectropterus, „Livingstone’s Travels”, blz. 254. Omtrent Palamedea, Brehm’s „Thierleben”, Bd. IV, blz. 740. Zie ook omtrent dezen vogel Azara, „Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome IV, 1809, blz. 179, 253.

[84] Zie omtrent onzen kievit den heer R. Garr in „Land and Water”, 8 Aug. 1868, blz. 46. Ten opzichte van Lobivanellus, zie Jerdon’s „Birds of India”, vol. III, blz. 647, en Gould’s „Handbook of Birds of Australia”, vol. II. blz. 220. Omtrent den Hoplopterus, zie den heer Allen in de „Ibis”, vol. V, 1863, blz. 156.

[85] Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 492: vol. I, blz. 4–13.

[86] De heer Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 212.

[87] Richardson, over Tetrao umbellus, „Fauna Bor. Amer.: Birds”, 1831, blz. 843. L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 22, 79, over den grooten auerhaan en korhaan. Brehm verzekert echter („Thierleben” enz, Bd. IV, blz. 352), dat in Duitschland de korhennen gewoonlijk het balzen der korhanen niet bijwonen, maar dit is een uitzondering op den algemeenen regel; mogelijk liggen de hennen in het omliggende kreupelhout verborgen, zooals men weet, dat het geval is met de korhennen in Skandinavië en met andere soorten in N.-Amerika.

[88] „Ornithological Biography”, vol. II, blz. 275.

[89] Brehm, „Thierleben” enz., Bd. IV. 1867, blz. 990. Audubon, „Ornith. Biography” vol. II, blz. 492.

[90] „Land and Water”, 25 Juli, 1868, blz. 14.

[91] Audubon’s „Ornitholog. Biography”; omtrent Tetrao cupido, vol. II blz. 492; omtrent den spreeuw, vol. II, blz. 219.

[92] „Ornithological Biograph.”, vol. V, blz. 601.

[93] The Hon. Daines Barrington, „Philosoph. Transact.”, 1773, blz. 252.

[94] „Ornithological Dictionary”, 1883, blz. 472.

[95] „Naturgeschichte der Stubenvögel”, 1840, blz. 4. De heer Harrison Weir schrijft mij eveneens: ——„Men heeft mij medegedeeld, dat de mannetjes die het best zingen, over het algemeen het eerst een gezellin krijgen, als zij op de zelfde plaats worden opgekweekt.”

[96] „Philosophical Transactions”, 1773, blz. 263. White’s „Natural History of Selborne”, vol. I, 1825, blz. 246.

[97] „Naturges. der Stubenvögel”, 1840, blz. 252.

[98] De heer Bold, „Zoologist”, 1843–44, blz. 559.

[99] D. Barrington, „Phil. Transact.”, 1773, blz. 262. Bechstein, „Stubenvögel”, 1840, blz. 4.

[100] Dit is ook het geval met den waterspreeuw, zie den heer Hepburn in de „Zoologist”, 1845–1846, blz. 1028.

[101] L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 25.

[102] Barrington, ibid., blz. 264; Bechstein, ibid., blz. 5.

[103] Dureau de la Malle geeft een merkwaardig voorbeeld („Annales des Sc. Nat.”, 3ième série, Zoolog., tome X, blz. 118) van eenige wilde merels of zwarte lijsters in zijn tuin te Parijs, die zich zelven van een in een kooi opgesloten vogel een republikeinsch deuntje leerden.

[104] Bishop in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1496.

[105] Aangehaald in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 362.

[106] Gould, „Handbook to the Birds of Australia”, vol. I, 1865, blz. 308–310. Zie ook den heer T. W. Wood in de „Student”, April, 1870, blz. 125.

[107] Zie opmerkingen hieromtrent in Gould’s „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 22.

[108] „The Sportsman and Naturalist in Canada”, door Majoor W. Ross King; 1886, blz. 144–146. De heer T. W. Wood geeft in de „Student” (April 1870, blz. 116) een uitnemend verhaal van de houding en de gewoonten van dezen vogel, gedurende den tijd, dat hij zijn hof maakt aan het wijfje. Hij getuigt, dat de vederbossen aan de ooren of nekvederen rechtop worden gezet, zoodat zij elkander over de kruin van den kop heên raken.

[109] Richardson, „Fauna Bor. Americana: Birds”, 1831, blz. 359. Audubon, ibid, vol. IV, blz. 507.

[110] De volgende verhandelingen zijn in de laatste jaren over dit onderwerp geschreven:—Prof. A. Newton in de „Ibis”, 1862, blz. 107; Dr. Cullen, ibid., 1865, blz. 145; de heer Flower in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 747; en Dr. Murrie in „Proc. Zool. Soc.”, 1868, blz. 471. In deze laatste verhandeling is een uitnemende afbeelding gegeven van het mannetje van de Australische trapgans, in volle pracht pronkende met uitgezetten zak.

[111] Bates, „The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 284; Wallace, in „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 206. Een nieuwe soort, met nog een grooter halsaanhangsel (C. penduliger) is voor korten tijd ontdekt, zie „Ibis”, vol. I, blz. 447.

[112] Bishop, in Todd’s „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1499.

[113] De lepelaar (Platalea) heeft een in den vorm van een 8 omgebogen luchtpijp, en toch is deze vogel (Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 763) stom; doch de heer Blyth meldt mij, dat de buigingen niet standvastig (constant) aanwezig zijn, zoodat zij tegenwoordig wellicht bezig zijn met te verdwijnen.

[114] „Elements of Comp. Anat.” door R. Wagner, Eng. vertaling, 1845, blz. 111. Omtrent het boven van de zwaan medegedeelde, Yarrell’s „Hist. of British Birds”, 2nd. edit., 1845, vol. III, blz. 193.

[115] C. L. Bonaparte, aangehaald in de „Naturalist Library: Birds”, vol. XIV, blz. 126.

[116] L. Lloyd, „The Game Birds of Sweden”, enz., 1867, blz. 22, 81.

[117] Jenner, „Philosoph. Transactions”, 1824, blz. 20.

[118] Zie omtrent de voorgaande onderscheidene feiten: over Paradijsvogels, Brehm, „Thierleben”, Bd. III, blz. 325. Over Boschhoenders, Richardson, „Fauna Bor. Americ.: Birds”, blz. 343 en 359; Majoor W. Ross King, „The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 156; Audubon, „American Ornitholog. Biograph.”, vol. I, blz. 216. Over den Kalij-fazant, Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 533. Over de Wevervogels, „Livingstone’s Expedition to the Zambesi”, 1865, blz. 425. Over Spechten, Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. III, 1840, blz. 84, 88, 89 en 95. Over den Hop, den heer Swinhoe, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 23 Juni, 1863. Over de Nachtzwaluw, Audubon, ibid., vol. II, blz. 155. De Engelsche Nachtzwaluw maakt in de lente gedurende haar snelle vlucht ook een merkwaardig geluid.