Part 11
Eenige vertrekken werden in der haast voor Lucie en het lijk haars vaders in orde gebracht. Mannering dacht nu, dat zijne verdere bemiddeling niet meer noodig was en zelfs verkeerd uitgelegd zou kunnen worden. Bovendien bemerkte hij, dat verscheidene met het geslacht Ellangowan vermaagschapte familiën, die inderdaad hunne voornaamste aanspraak op eenig aanzien op deze verwantschap grondden, nu geneigd waren aan hunne stamboomen eene schatting te betalen, waartoe het ongeluk van hunne bloedverwanten hen nooit had kunnen bewegen. Zeven aanzienlijke en rijke mannen betwistten elkander de eer, de begrafenis van Bertram te regelen, even als een zevental steden zich de eer betwistten om de geboorteplaats van Homerus te zijn, ofschoon geen hunner hem bij zijn leven eene schuilplaats had aangeboden. Daar Mannering nu begreep, dat zijne tegenwoordigheid verder nutteloos was, besloot hij een reisje van veertien dagen te doen, na verloop van welken tijd de uitgestelde veiling van het goed Ellangowan plaats zoude hebben.
Vóór zijn vertrek verzocht hij echter Sampson te spreken. Toen de arme man vernam, dat een vreemd heer naar hem vroeg, verscheen hij zonder dralen. Op zijn ingevallen gelaat, welks trekken door de zoo korteling geleden smart nog scherper geworden waren, was de verwondering over het onverwacht verzoek te lezen. Hij maakte een paar diepe buigingen voor Mannering, bleef vervolgens rechtop voor hem staan en wachtte geduldig op diens bevelen.
„Gij kunt waarschijnlijk niet gissen,” zeide Mannering, „wat een vreemdeling u te zeggen heeft?”
„Misschien wildet gij mij verzoeken, eenen jongeling in de fraaie letteren en andere humaniora te onderwijzen: maar ik kan niet – ik kan niet – ik heb nog iets van groot belang te verrichten.”
„Neen, Mijnheer Sampson, zoo ver gaan mijne wenschen niet. Ik heb geen zoon, en mijne eenige dochter zoudt gij vermoedelijk voor geen geschikte leerling houden.”
„Zeker niet,” hernam de argelooze man. „Intusschen heb ik juffrouw Lucie in alle nuttige kundigheden opgeleid, ofschoon de huishoudster haar in de nuttelooze kunst van knippen, zoomen en andere huishoudelijke zaken onderwezen heeft.”
„Nu, het is juist over juffrouw Lucie dat ik spreken wilde. Gij kunt u mijn gelaat denkelijk niet herinneren?”
Sampson, die gewoonlijk zeer afgetrokken was, herinnerde zich noch den sterrewichelaar van vroegere jaren, noch den vreemdeling, die de partij van zijn beschermer tegen Glossin gekozen had, zoo verward waren zijne gedachten door den plotselijken dood van zijn vriend.
„Nu, dat doet niets ter zake,” vervolgde Mannering. „Ik ben een oude bekende van uwen gestorven vriend, in staat en geneigd, om zijne dochter in hare tegenwoordige omstandigheden te helpen. Buitendien ben ik voornemens het goed te koopen, en wensch uit dien hoofde, dat het huis en alles goed in orde gehouden worde: wilt gij nu zoo goed zijn,” vervolgde hij, terwijl hij Sampson eene goudbeurs in de hand stak, „deze kleine som voor de gewone huiselijke uitgaven te gebruiken?”
„Ver–ba–zend!” riep de verraste dominé uit. „Maar wilt gij niet wachten –”
„Onmogelijk, Mijnheer Sampson! onmogelijk,” hernam Mannering, terwijl hij zich verwijderde.
„Ver–ba–zend!” herhaalde Sampson en volgde den kolonel, met de beurs in de hand, tot aan de trap. „Maar ten opzichte van dit geld –”
Mannering vloog zoo snel mogelijk de trappen af.
„Ver–ba–zend!” riep Sampson nu voor de derde maal en stond bij de huisdeur. „Maar, wat dit geld aangaat –”
Maar Mannering zat reeds te paard en hoorde hem niet meer. De dominé, die nooit voor zich zelven, noch voor een’ ander, het vierde gedeelte van deze som, welke toch niet meer dan twintig guinjes bedroeg, in bezit had gehad, overlegde bij zich zelven hoe hij met dit blinkende, aan hem toevertrouwde goud handelen zou. Gelukkig vond hij ook in Mac-Morlan eenen belangeloozen raadgever, die hem de beste middelen aan de hand gaf, om het ten voordeele van miss Bertram te gebruiken, daar er geen twijfel was, tot welk oogmerk de gever het bestemd had.
Verscheidene adellijke familiën noodigden Lucie Bertram nu dringend uit, om van hare welwillende gastvrijheid gebruik te maken. Zij gevoelde echter eenen natuurlijken tegenzin, eer als een voorwerp van medelijden dan van gastvrijheid bij eene of andere familie in te wonen, en besloot den raad en het gevoelen van haars vaders naaste bloedverwante, mejuffrouw Margareta Bertram van Singleside, eene oude ongehuwde dame, aan wie zij haren tegenwoordigen ongelukkigen toestand geschreven had, af te wachten.
Haar vader werd deftig, maar zonder veel praal begraven, en nu kon de ongelukkige wees zich slechts als de enkele bewoonster van het huis beschouwen, waarin zij geboren was en den zwakken grijsaard met zoo veel geduld en zorgvuldigheid opgepast had. Mac-Morlan gaf haar hoop, dat zij niet onverwachts of onvriendelijk van deze schuilplaats beroofd zou worden; maar het toeval wilde het anders.
Twee dagen vóor den bepaalden verkoopdag verwachtte Mac-Morlan ieder oogenblik Mannering’s terugkomst, of ten minste een brief met eene volmacht, om het landgoed voor hem te koopen. Maar te vergeefs; geen van beide kwam. Toen de bepaalde dag aanbrak, ging hij zelf naar het postkantoor; maar er waren nog geene brieven voor hem. Nu zocht hij zich te overreden, dat de kolonel tegen den tijd van het ontbijt zou komen, en verzocht zijne vrouw, haar best porselein voor den dag te halen en alles tot ontvangst van den gast gereed te maken. Maar ook deze hoop werd verijdeld. „Had ik dit kunnen vooruitzien,” zeide hij in zich zelven, „ik zou geheel Schotland doorgereisd hebben, om iemand te vinden, die tegen Glossin kon en wilde opbieden.”
Maar helaas! het was te laat. Het bepaalde uur sloeg en de gegadigden verzamelden zich reeds in de herberg te Kippletringan, waar de verkooping nu plaats zou hebben. Mac-Morlan verspilde met voorbereidingen zoo veel tijd, als hij welstaanshalve maar konde, en las de koopvoorwaarden zoo langzaam voor, alsof het zijn eigen doodvonnis geweest ware. Zoo dikwijls de deur van het vertrek geopend werd, keek hij op; maar zijne hoop werd hoe langer hoe flauwer. Hij luisterde naar ieder gedruisch op straat, of hij ook het rollen van een rijtuig of getrappel van paarden kon ontdekken; maar te vergeefs. Nu kwam de troostrijke gedachte bij hem op, dat Mannering een’ ander gevolmachtigd kon hebben, en gaarne zou hij het gebrek aan vertrouwen op hem, dat daarin zou doorstralen, over het hoofd gezien hebben. Maar ook deze hoop verdween. Glossin bood den hoogsten prijs voor de heerlijkheid Ellangowan met alle landerijen. Daar hier niets tegen in te brengen was en er geen hooger bieder optrad, zag Mac-Morlan zich gedwongen na het aftoopen van een’ zandlooper, het gewone tijdperk, dat den kooper toegestaan wordt om behoorlijke zekerheid te stellen, te verklaren, dat de verkoop wettig gesloten en genoemde Gilbert Glossin kooper van gezegde heerlijkheid en landerijen geworden was. De brave ambtenaar weigerde aan een prachtig gastmaal, waarop Gilbert Glossin, nu heer van Ellangowan, het overige gezelschap onthaalde, deel te nemen, en ging zeer ontstemd naar huis. Hij zocht zijn misnoegen lucht te geven door klachten over de onbestendigheid en luimen van de Indische rijkaards, die geen veertien dagen lang, weten wat zij willen. Maar zelfs deze troost zou hem spoedig benomen worden.
Des avonds om zes uur kwam er namelijk een renbode, „zoo dronken als een zwijn,” gelijk de dienstmeid zich uitdrukte, met een’ langen brief van den kolonel, welken hij vier dagen vroeger uit eene stad omstreeks dertig uren van Kippletringan afgezonden had, inhoudende eene behoorlijke volmacht voor Mac-Morlan, of voor wien ook, die door hem aangewezen mocht worden, om de heerlijkheid Ellangowan met hare aanhoorigheden te koopen. Mannering meldde tevens, dat eene gewichtige familiezaak hem naar Westmoreland riep en verzocht hem, zijne brieven onder adres van den heer Arthur Mervyn van Mervyn-Hall te zenden.
Mac-Morlan wierp in zijne eerste drift de volmacht de onschuldige dienstbode naar het hoofd, en kon zich niet dan met moeite weerhouden, zijne gramschap aan den renbode te koelen, door wiens traagheid en dronkenschap hij zoo deerlijk teleurgesteld was.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Jan Schraap, – mijn goed, mijn goud zijn weg, Koop nu mijn land van mij! Geef me wat goud, o brave Jan, Mijn land ten uwe zij! Jan ving daarop te rekenen aan; De som kwam keurig uit; Hij gaf hem voor elken schellings waard Niet meer dan twee drie duit.
De Erfgenaam van Linne.
De Jan Schraap van Ellangowan was nog knapper dan die van wien de dichter spreekt. Het gelukte hem bezit van de landerijen te krijgen zonder een enkelen duit uit te betalen.
Zoodra Lucie Bertram deze smartelijke en, in de laatste dagen, geheel onverwachte tijding kreeg, bespoedigde zij hare toebereidselen, om onverwijld de vaderlijke woning te verlaten. Mac-Morlan bood haar hierbij de behulpzame hand en verzocht haar zoo vriendelijk en dringend, om in zijn huis te vertoeven tot zij antwoord van hare nicht ontvangen, of een vast levensplan gemaakt zoude hebben, dat zij meende, zulk eene welgemeende en hartelijke uitnoodiging niet van de hand te kunnen wijzen zonder onbeleefd te zijn. De echtgenoote van Mac-Morlan was eene zeer beschaafde vrouw, door geboorte en manieren best berekend, om zulk een bezoek te ontvangen en Lucie het verblijf in haar huis aangenaam te maken. Daar juffrouw Bertram nu niet langer voor huisvesting behoefde te zorgen en van eene vriendelijke ontvangst verzekerd was, maakte zij zich met een lichter hart gereed, om den weinigen dienstboden van haren vader hun loon te betalen en vaarwel te zeggen, wat, door de plaats hebbende omstandigheden, dubbel treffend voor haar moest zijn. Zij ontvingen allen nog eene kleinigheid, boven hetgeen zij te vorderen hadden, en namen onder dankzeggingen en heilwenschen afscheid van hunne jonge meesteres. Er bleef niemand meer in het vertrek dan de heer Mac-Morlan, die gekomen was om zijn gast naar zijn huis te geleiden, dominé Sampson en Lucie Bertram.
„En nu,” zeide het arme meisje, „nu moet ik nog een’ mijner oudste en beste vrienden vaarwel zeggen. God zegene u, beste Mijnheer Sampson, en vergelde u al het goede, dat gij, vooral door uw’ onderricht, aan mij gedaan hebt, en beloone u voor uwe vriendschap jegens mijn gestorven vader! Ik hoop, dat ik nog dikwijls van u mag hooren!” Met deze woorden drukte zij hem een papier met eenige goudstukken in de hand en stond op, om de kamer te verlaten.
Sampson stond ook op, maar bleef sprakeloos van verbazing voor haar staan. Het denkbeeld, van Lucie te scheiden, waarheen deze zich ook mocht begeven, was in zijne eenvoudige ziel niet opgekomen. Hij legde het geld op de tafel.
„Het is zeker te weinig,” zeide Mac-Morlan, die Sampson’s bedoeling verkeerd opvatte, „maar de tegenwoordige omstandigheden –”
Sampson wenkte ongeduldig met de hand. „Het is niet om het geld,” zeide hij, „om het geld is het niet – maar dat ik, die gedurende meer dan twintig jaren mij aan haars vaders disch verzadigd heb, haar nu verlaten, haar in smart en droefheid verlaten zal. – Neen, juffrouw Lucie, dat kan uwe bedoeling niet zijn! Gij zoudt uws vaders ouden hond niet verstooten, en zoudt gij mij erger behandelen dan een dier? Neen, Lucie Bertram! zoo lang ik leef, kan ik niet van u scheiden. Ik zal u niet tot last zijn, daar zal ik wel voor zorgen. Maar, gelijk Ruth tot Naomi sprak: „verg niet dat ik u verlaten en zonder u terug zou keeren. Waar gij henen gaat, zal ik henen gaan waar gij blijft, daar zal ik blijven; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God; waar gij sterft, daar zal ik sterven en ook mijn graf hebben. Jehova straffe mij, zoo iets, dan de dood alleen, ons van elkander zal scheiden.”
Bij deze woorden, het langste antwoord dat Sampson ooit gegeven had, stroomden den goeden man de tranen uit de oogen. Lucie en Mac-Morlan werden, door deze onverwachte uitbarsting van zijn gevoel en de uiting van zijne onwankelbare gehechtheid, diep getroffen.
„Sampson,” zeide Mac-Morlan met vochtige oogen, „mijn huis is groot genoeg; indien gij daar vertoeven wilt, zoo lang juffrouw Bertram mij met haar bezoek wil vereeren, zal ik mij gelukkig rekenen, zulk eenen waardigen en getrouwen vriend onder mijn dak te hebben.”
Om alle mogelijke tegenwerpingen van Lucie tegen het medebrengen van zulk eenen onverwachten begeleider te voorkomen, voegde hij er op kiesche wijze bij: „mijne zaken vorderen dikwijls eenen beteren rekenaar, dan ik onder mijne klerken heb; het zou mij dus zeer aangenaam zijn, als gij mij nu en dan daarbij wildet helpen.”
„Zeer gaarne, zeer gaarne,” antwoordde Sampson levendig; „ik versta het gewone en het Italiaansche boekhouden.”
De voerman, die intusschen in de kamer gekomen was, om te berichten dat het rijtuig gereed stond, was onbemerkt getuige van alles en verzekerde naderhand aan de waardin van Kippletringan, dat „dit het roerendste en treffendste tooneel was, dat hij ooit gezien had, het sterven van den grijzen schimmel was er niets bij.” Deze onbeduidende omstandigheid had later gewichtige gevolgen voor Sampson.
Mevrouw Mac-Morlan heette hare gasten hartelijk welkom. Haar gemaal vertelde haar, even als den overigen huisgenooten, dat hij Sampson’s hulp tot het uitpluizen van eenige verwarde rekeningen noodig had, en dat deze, gemakshalve, zoo lang dit duurde, bij hem zoude inwonen. Mac-Morlan’s wereldkennis bewoog hem de zaak op deze wijze voor te stellen, daar hij wel inzag, dat Sampson, hoe eerbiedwaardig zijne trouwe verkleefdheid zoo wel voor zijn hart als voor de familie Ellangowan ook was, nochtans ongeschikt was als gezelschap van de dames en, over het geheel, als begeleider van een mooi, jong meisje van zeventien jaar, een vrij belachelijke figuur maakte.
Sampson verrichtte alles, wat Mac-Morlan hem toevertrouwde, met veel ijver. Spoedig bemerkte men echter, dat hij iederen morgen, na het ontbijt, op een bepaald uur verdween en tegen den tijd van het middagmaal terug kwam. Den namiddag besteedde hij aan het kantoorwerk. Eindelijk trad hij op een Zaterdag met zegevierende blikken voor Mac-Morlan en legde twee goudstukken op tafel. „Waartoe moet dat dienen, Sampson?” vroeg deze.
„Ten eerste, om u voor de onkosten, welke ik u veroorzaak, schadeloos te stellen; het overige is ten behoeve van Mejuffrouw Bertram.”
„Maar, beste Sampson, uw werk op mijn kantoor vergoedt mij alles rijkelijk; ik blijf nog in uw schuld, vriend!”
„Dan is alles voor juffrouw Bertram,” hernam Sampson dadelijk.
„Maar dominé! maar dit geld –”
„Is eerlijk verdiend, Mijnheer Mac-Morlan! Het is de milde belooning van een jongen heer, dien ik dagelijks drie uren onderwijs in de oude talen geef.”
Na eenige vragen bleek het, dat deze milde leerling niemand anders dan de jonge Hazlewood was. Deze nam zijne lessen ten huize van vrouw Candlisch, die Sampson’s belangelooze verkleefdheid overal ten hoogste roemde en hem daardoor zulk eenen onvermoeiden en edelmoedigen leerling verschaft had.
Mac-Morlan was hierover zeer verwonderd. Dominé Sampson was wel een zeer geleerd en uitmuntend man en de klassieke schrijvers waren zonder twijfel wel waard gelezen te worden; maar dat een jongeling van twintig jaren zulk eene vurige zucht voor de letteren zou hebben, dat hij dagelijks een paar uren ver heen en terug reed, enkel om onderwijs van Sampson te ontvangen, kwam hem toch vrij ongeloofelijk voor. Er was weinig list noodig, om Sampson uit te hooren, daar de eerlijke man nooit aan strikvragen dacht. „Weet juffrouw Bertram wel, hoe gij uwen tijd besteedt, vriend?”
„Tot nog toe niet. Mijnheer Karel Hazlewood heeft mij bevolen, dat voor haar geheim te houden, uit vrees, dat zij anders zwarigheid zou maken, den kleinen bijstand, die hieruit voor haar voortvloeit, aan te nemen; maar het kan zeker niet lang voor haar verborgen blijven, daar de jonge heer voornemens is, bij gelegenheid, zijne lessen hier in huis te nemen.”
„Zoo! zoo! Is dat zijn bedoeling. Nu wordt het mij duidelijk. Maar zeg mij eens, Sampson, brengt gij deze drie uren enkel met lessen en vertalen door?”
„Dat juist niet, wij voeren tusschenbeide ook wel gesprekken, om het leeren te veraangenamen: Neque semper arcum tendit Apollo.” (Apollo houdt den boog niet altijd gespannen.)
Mac-Morlan vroeg verder naar den hoofdinhoud van die gesprekken.
„Wij spreken over onze voormalige ontmoetingen op Ellangowan, maar ook zeer dikwijls over juffrouw Lucie. Mijn leerling gelijkt in dat opzicht op mij, Mijnheer Mac-Morlan. Wanneer ik over haar begin te spreken, weet ik nooit wanneer ik ophouden zal; en, zoo als ik dikwerf schertsende zeg,” voegde hij er bij; „zij ontrooft ons de helft onzer uren.”
„Zoo, zoo,” dacht Mac-Morlan, „waait de wind uit dien hoek!” Hij had ook reeds vroeger iets van eene goede verstandhouding tusschen de jonge lieden gehoord.
Hij overlegde nu, welke houding voor Lucie en ook voor hem zelven het raadzaamst zou zijn, daar de oude Hazlewood machtig rijk, eerzuchtig en wraakgierig was, en bij eene verbintenis voor zijn zoon bovenal rijkdom en aanzien verlangde. Eindelijk besloot hij, bij de eerste gelegenheid, dat hij Lucie, van wier verstand en doorzicht hij een gunstig denkbeeld koesterde, alleen zoude aantreffen, haar de zaak als een onbeduidend nieuws mede te deelen. Dit deed hij zoo natuurlijk mogelijk. „Ik wensch u geluk, juffrouw Bertram, met onzen vriend Sampson’s fortuin; hij heeft een’ leerling gekregen, die hem voor zes lessen in de week in het Grieksch en Latijn twee guinjes betaalt.”
„Waarlijk? dat verheugt mij evenzeer, als het mij verwondert. Maar wie kan zoo edelmoedig zijn? Is kolonel Mannering teruggekomen?”
„Neen, neen, de kolonel Mannering niet; maar wat denkt gij van uw kennis Karel Hazlewood? Hij spreekt er over, om zijne lessen hier te nemen. Ik hoop, dat wij dit zullen kunnen schikken.”
Een hooge blos bedekte Lucie’s wangen. „Om ’s hemels wil, Mijnheer Mac-Morlan!” zeide zij, „veroorloof dat niet; Karel Hazlewood heeft daarover reeds verdriet genoeg gehad.”
„Over de klassieke schrijvers, mijne lieve? Het gaat den meesten jongen heeren zeker wel eens zoo; maar tegenwoordig studeert hij uit eigene verkiezing.”
Lucie antwoordde niet en haar gastheer deed geene pogingen om het gesprek verder voort te zetten, daar zij over zijn bericht scheen na te denken om bij zich zelve een besluit te nemen.
Den volgenden dag vond zij gelegenheid, om met Sampson te spreken. Zij betuigde hem zeer vriendelijk haren hartelijken dank voor zijne belangelooze gehechtheid en hare vreugde over zijne voordeelige lessen, maar gaf hem tevens te kennen, dat de wijze, waarop hij thans het opzicht over Karel Hazlewood’s studiën hield, zoo lastig voor zijn leerling zijn moest, dat hij beter doen zoude, zoo lang dit onderwijs duurde, van haar te scheiden en bij zijn kweekeling in huis, of, ten minste, zoo dicht mogelijk bij hem te wonen.
Sampson wilde, zoo als zij wel verwacht had, van dit voorstel niets hooren. Hij wilde haar niet verlaten, al kon hij ook onderwijzer van den prins van Walles worden. „Maar ik zie het wel,” voegde hij er bij; „gij zijt te trotsch, om mijnen bijstand aan te nemen; ik word u misschien tot last.”
„Neen, waarlijk niet! Gij waart mijns vaders oudste en bijna eenige vriend. Ik ben niet trotsch, dat weet God; ik heb er geene reden toe. In andere dingen kunt gij doen, wat u goed dunkt; maar doe mij het genoegen en zeg den jongen Hazlewood, dat gij met mij over zijne studiën gesproken hebt en dat ik van gevoelen was, dat er niet aan te denken, ja dat het onmogelijk voor hem zou zijn, zijne lessen hier in huis te nemen.”
Sampson verliet haar geheel ter neer geslagen, en toen hij de deur dicht deed, kon hij zich niet weerhouden, de uitroeping van Virgilius over de veranderlijkheid der vrouwen, „varium et mutabile,” tusschen de tanden te mompelen. Den volgenden dag kwam hij met een droevig gelaat bij Lucie en overhandigde haar een brief. „Karel Hazlewood wil met zijne lessen uitscheiden,” zeide hij; „maar hij heeft mij grootmoedig schadeloos gesteld voor hetgeen ik hierbij verlies. Hoe zal hij echter zich zelven het verlies der kundigheden, welke hij onder mijne leiding verkregen zou hebben, vergoeden? Ook ten opzichte van het schrijven had hij mijn onderwijs zoo noodig. Hij besteedde een geheel uur, om dit kleine briefje te schrijven, en bedierf vier pennen en menig vel papier. In drie weken zou hij eene vaste, vlugge, duidelijke, leesbare hand gekregen hebben – ik had eenen meesterlijken schrijver van hem gemaakt. Maar, Gods wil geschiede.”
De brief was kort en vol klachten over de wreedheid van juffrouw Bertram, die niet alleen weigerde hem te zien, maar hem zelfs niet vergunnen wilde, zijdelings naar haar welzijn te vernemen en haar eenigen dienst te bewijzen. Aan het slot verzekerde hij, dat hare strengheid te vergeefs en niet in staat zou zijn, zijne genegenheid te doen wankelen.
Sampson kreeg, door medewerking van vrouw Mac-Candlish, wel weder eenige andere leerlingen, maar van een geheel anderen stand en op verre na zoo mild niet in het beloonen van zijn onderwijs als Karel Hazlewood. Hij verdiende iets en stelde er zijnen grootsten roem in, zijne geringe verdiensten, waarvan hij slechts eene kleinigheid voor rook- en snuiftabak aftrok, wekelijks aan Mac-Morlan ter hand te stellen.
En nu moeten wij Kippletringan verlaten, om naar den held onzer geschiedenis om te zien, opdat onze lezers niet vreezen mogen, hem nog eenmaal gedurende een vierde van eene eeuw uit het oog te verliezen.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Ons Grietje is ’n slordige meid, geeft niets om onze lessen; Een dochter is een last voorwaar, die niet loont onze zorgen, Want, is zij eenmaal opgeschikt en klaar op allen zessen, Werpt zij zich weg zoodra zij kan, liever van daag dan morgen.
Bedelaars-opera.
Na den dood van Bertram had Mannering eene kleine reis ondernomen, met het voornemen, vóor den verkoop van het goed Ellangowan terug te komen. Hij bezocht dus Edinburg en meer andere plaatsen, maar op zijn terugreis naar het zuidwestelijk gedeelte van Schotland, waar ons verhaal te huis behoort, ontving hij in eene stad, omstreeks dertig uren van Kippletringan verwijderd, een brief van zijn vriend Mervyn, welks inhoud niet zeer aangenaam voor hem was. Wij hebben ons het recht aangematigd de geheimen van den heer Mannering mede te deelen en zullen dus den lezer een uittreksel aanbieden van hetgeen zijn vriend hem schreef.