Part 34
Volgens een oud volksverhaal had een der latere heeren van Ellangowan, om vermetele vreemdelingen voor de gevaren van dit toovergewelf te bewaren, hier eene deur laten maken, welke altijd gesloten moest zijn en waarvan de sleutel bij den geestelijke moest berusten. Hoe groot was dus de verbazing van den goeden Sampson toen, terwijl hij den toren naderde, deze deur eensklaps geopend werd en de hem wel bekende, ofschoon in vele jaren niet door hem geziene Meg Merrilies zich plotseling aan hem vertoonde! Zij bleef vlak vóor hem op het voetpad staan, zoo dat hij haar niet ontwijken kon zonder terug te keeren, en daarvan hield zijn mannelijke moed hem terug.
„Ik wist dat gij hier zoudt komen,” zeide zij met hare ruwe, holle stem; „ik weet, wien gij zoekt; maar gij moet doen wat ik u zeg.”
„Verwijder u,” riep Sampson onthutst, „verdwijn! Conjuro te, scelestissima, nequissima, spurcissima, iniquissima, atque miserrima – Conjuro te!!!” [21].
Meg week niet voor deze verschrikkelijke hagelbui van fraaie namen, welke Sampson diep uit de borst ophaalde en haar met eene donderende stem toevoegde. „Is de vent gek, met zijn geschreeuw?” zeide zij.
„Conjuro,” vervolgde Sampson, „adjuro, contestor, atque viriliter impero tibi!” – [22].
„Waar, in den naam des satans, waar vreest gij toch voor, met uwe Fransche brabbeltaal, die iemand dol zou maken? Luister naar hetgeen ik u zeg, of het zal u berouwen, zoo lang uwe dorre beenderen aan elkaâr hangen! – Zeg den kolonel Mannering, dat ik wel weet dat hij mij zoekt. Hij weet en ik weet, dat het bloed gewroken, de verlorene gevonden zal worden,
„En Bertram’s recht en Bertram’s macht Wordt eind’lijk aan het licht gebracht.”
„Hoor! hier is een brief voor hem. Ik wilde het schrijven eerst langs een anderen weg zenden. Ik kan zelve niet schrijven, maar er zijn er, die even goed voor mij schrijven en lezen, als loopen en rijden. Zeg hem, dat de tijd nu komt; het woord wordt vervuld en het rad draait. Zeg hem, dat hij naar de sterren ziet evenals hij voorheen gedaan heeft. Zult gij dit alles onthouden?”
„Zeker!” antwoordde Sampson, „maar ik weet niet – want, vrouw, ik ben ontzet over uwe woorden en mijn knieën knikken, als ik u hoor.”
„Ze zullen u geen kwaad doen en misschien veel goeds.”
„Laat af van mij! ik begeer geen goeds, dat langs ongeoorloofde wegen komt.”
„Dwaas die gij zijt!” riep Meg Merrilies met een toornig gelaat, waarbij hare zwarte oogen als vlammen onder het gefronsde voorhoofd schitterden, terwijl zij nader naar hem toetrad; „dwaas, die gij zijt! Als ik u kwaad wilde doen, kon ik uw dan niet van gindsche rots werpen? en zou iemand er meer van weten, hoe gij om het leven gekomen waart, dan men het van Frans Kennedy weet? Hoort gij dit, gij schrikvogel?”
„In den naam van al wat goed is,” riep Sampson, terwijl hij achteruit trad en zijn langen wandelstok met een zwaren tinnen knop als eene speer tegen de vermeende tooveres ophief, „in den naam van al wat goed is, laat af van mij! Ik wil niet door u aangeroerd worden. Vrouw, verwijder u om uw eigen wil! Laat af, zeg ik u. Zie toe, ik ben sterk en zal u weerstaan!”– Hier werd hij in zijne rede gestoord, doordien Meg hem, na een mislukten stoot, dien hij haar toebrengen wilde (zoo als hij naderhand zelf verhaalde), met bovenmenschelijke kracht aangreep en hem als een kind in het gewelf droeg.
„Ga daar zitten,” zeide zij, en duwde den half onmachtigen dominé vrij onzacht op een gebroken stoel neder; „blijf daar zitten, gij magere kerkrot! schep weder adem en zoek uwe zinnen bij elkander! – Hebt gij gegeten of zijt gij nog nuchter?”
„Nog geheel nuchter, behalve van zonden,” antwoordde Sampson, die nu weder geheel tot zich zelven kwam, en, daar hij vond dat zijne bezweringen de onbuigzame heks slechts nog meer verbitterden, het raadzaam oordeelde, haar eene onderworpene vriendelijkheid te betoonen. Bij zich zelven herhaalde hij evenwel de heilzame bezweringen, welke hij niet langer overluid durfde uitspreken. Daar echter de hersenen van den goeden man in het geheel niet geschikt waren, om twee onderscheidene denkbeelden te gelijker tijd te bevatten en te vervolgen, zoo gebeurde het soms, dat hem een paar woorden van zijne inwendige alleenspraak ontsnapten en zich al zeer koddig in zijn gesprek met Meg Merrilies mengden, te meer daar de arme man bij iedere uitdrukking, die hem ontglipte, als van schrik ineenkromp, dewijl hij vreesde de gevoeligheid van de heks op nieuw te prikkelen.
Meg ging intusschen naar een grooten zwarten ketel, die over een vuur, dat op den vloer brandde, hing. Toen zij het deksel er afnam, verspreidde zich een geur door het gewelf, welke, indien men een heksenketel vertrouwen kon, betere dingen beloofde, dan de helsche brij, welke gewoonlijk in zulke ketels gekookt wordt. Het was de geur van hazen, patrijzen en ander wild, behoorlijk met aardappelen, uien en preien gestoofd, en, naar de grootte van den ketel te oordeelen was dit gerecht ten minste voor een half dozijn menschen gereed gemaakt. „Gij hebt dus heden nog niets gegeten?” vroeg Meg, terwijl zij een’ bruinen schotel met dit gerecht vulde en er zout en peper op strooide [23].
„Niets,” antwoordde Sampson, – „Scelestissima! – dat is, – goede vrouw!”
„Nu, neem dit dan,” zeide zij en plaatste den schotel vóor hem; „dat zal u het hart versterken.”
„Ik heb geen honger, – Malefica! – dat is te zeggen, – vrouw Merrilies!” „De reuk is wel lekker,” zeide hij bij zich zelven, „maar het is door eene Canidia of Ericthoe gekookt.”
„Indien gij niet dadelijk eet en op die wijze wat leven in u brengt, dan zal ik u het, willens of onwillens, dit zweer ik bij het brood en het zout, zoo kokend heet, als het is, met den lepel in de keel schuiven. Den mond open, zondaar! en ingeslikt.”
Sampson, die voor salamanderoogen, kikvorschteenen, tijgeringewanden en wie weet waar meer voor, vreesde, had besloten niet te eten, maar de lekkere geur overwon bijna zijne hardnekkigheid, die als sneeuw voor de zon begon te smelten, en de bedreigingen van de heks haalden hem geheel en al over. Honger en vrees zijn uitmuntende casuïsten.
„Saul,” zei de Honger „spijsde met de heks van Endor.” „En het zout, dat zij op de spijs gestrooid heeft,” voegde de Vrees er bij, „bewijst duidelijk, dat het geen toovermaaltijd is: want daarbij kan geen zout gebruikt worden.” „En buitendien,” zei de Honger, na den eersten lepelvol, „is het immers goed, lekker vleesch.”
„Smaakt het goed?” vroeg zijne gastvrouw.
„Ja”, antwoordde Sampson, „en ik bedank u – Sceleratissima! – dat wil zeggen – vrouw Margareta!”
„Nu, eet dan maar volop. Als gij echter wist, hoe het verkregen was, zou het u misschien zoo goed niet smaken.”
Sampson liet den lepel, dien hij naar den mond bracht, weder vallen.
„Veel waken bij het licht der maan heeft het gekost,” vervolgde Meg, „om dit alles bij elkaâr te krijgen, en de lieden, die dit eten zullen, dachten weinig aan uwe jachtwetten.”
„Is het anders niet?” dacht Sampson en vulde zijn lepel weder, „daar zal ik het eten niet om laten staan.”
„Nu moet gij ook een slokje nemen.”
„Zeer gaarne,” antwoordde hij, – „conjuro te – dat is – hartelijk dank:” want, dacht hij bij zich zelven, of ik nu veel of weinig gebruik, de zonde blijft toch even groot, en hij ledigde, zonder verder bedenken, den beker op de gezondheid van de heks. Toen hij deze versterking bij den lekkeren maaltijd gevoegd had, gevoelde hij zich, zoo als hij zeide, machtig gesterkt en bemoedigd, en vreesde hij voor geen kwaad meer, dat hem overkomen kon.
„Wilt gij nu mijne boodschap onthouden – en uitvoeren?” vroeg Meg Merrilies. „Ik zie aan uwe oogen, dat gij een geheel ander mensch zijt, dan toen gij hier kwaamt.”
„O ja, vrouw Margareta!” antwoordde Sampson op vasten toon; „ik zal hem den verzegelden brief overhandigen en alles, wat gij hem door mijn mond nog wilt laten zeggen, getrouw overbrengen.”
„Dan zal ik het kort maken,” hernam Meg. „Zeg hem, dat hij zonder mankeeren heden nacht naar de sterren moet zien en doen, wat ik in dezen brief van hem verlang, als hij wenscht
„Dat Bertram’s recht en Bertram’s macht Wordt eind’lijk aan het licht gebracht.”
„Ik heb hem tweemalen gezien, dat hij mij niet gezien heeft. Ik weet, wanneer hij voor het eerst in dit oord geweest is, en ik weet, wat hem weder hierheen brengt. Nu opgestaan en u op weg begeven! Gij hebt hier reeds te lang getalmd. Volg mij!”
Sampson volgde zijne gastvrouw, die hem omstreeks een kwartiertje langs een veel korter pad, dan hij zelf gevonden zou hebben, door het bosch naar de heivlakte leidde, waar zij nog steeds met groote schreden voor hem uit ging, tot dat zij den top van eene kleine hoogte aan den kant van den weg bereikte.
„Hier,” zeide zij, „sta hier stil! Zie, hoe de ondergaande zon door gindsche wolk breekt, welke den geheelen dag de lucht verdonkerd heeft. Zie, waarop de eerste lichtstraal valt; – op Donagild’s ronden toren, den oudsten toren van het slot Ellangowan; – dat is niet zonder beteekenis! Zie, hoe de lucht ginds, boven dat schip in de baai, weder betrekt, – dat is ook niet zonder beteekenis. – Hier, op deze plaats stond ik,” vervolgde zij, terwijl zij hare buitengewoon lange gestalte zoo hoog mogelijk oprichtte en haren gespierden arm en gesloten vuist uitstrekte, – „hier stond ik, toen ik den heer van Ellangowan zeide, wat over zijn huis komen zou. – En is mijne voorzegging valsch geweest? – Neen, het is maar al te nauwkeurig zoo uitgekomen! – En hier, waar ik den vredestaf over hem gebroken heb, sta ik nu weder en bid God om zegen en voorspoed voor den rechtmatigen erfgenaam van Ellangowan, die spoedig weder in zijn eigendom hersteld worden en de beste heer zijn zal, dien Ellangowan in drie eeuwen gehad heeft. – Misschien beleef ik het niet; maar menig gelukkig oog zal het zien, ofschoon het mijne reeds gesloten is. En nu, Abel Sampson! Als gij het huis van Ellangowan ooit lief gehad hebt, dan voortgemaakt met mijne boodschap aan den Engelschen kolonel, alsof leven en dood van uwen spoed afhingen.”
Met deze woorden verliet zij plotseling den verbaasden Sampson en begaf zich met groote en snelle schreden weder op dezelfde plaats in het bosch, waar zij er uitgekomen was en waar de boomen het verst op heivlakte vooruitsprongen. Sampson staarde haar eene poos in de uiterste verbazing na, en snelde vervolgens, gehoorzaam aan hare bevelen, met ongewonen spoed naar Woodbourne, terwijl hij driemalen uitriep: „Ver–ba–zend! Ver– ba–zend! Ver–ba–zend!”
ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
Geen taal van een waanzinnige Heb ik gesproken. Stel me op de proef!
Hamlet.
Zoodra Sampson met verwilderde blikken in huis trad, ijlde de goede huishoudster, die op zijn terugkomst wachtte, hem te gemoet en zeide: „Wat is dat, Mijnheer Sampson? Zoo erg is het nog nooit geweest! Dat lange vasten zal u waarlijk kwaad doen. Niets is zoo nadeelig voor de maag. Waarom naamt gij niet een weinig pepermuntwater en een paar boterhammen mede?”
„Verwijder u!” hernam Sampson, nog vervuld met zijne ontmoeting met Meg Merrilies en snelde, zonder zich langer op te houden, naar de eetzaal.
„Daar behoeft gij niet heen te gaan,” riep de huishoudster weder, „de tafel is reeds meer dan een uur geleden afgenomen en de kolonel zit bij zijn wijn. Kom liever op mijne kamer; ik heb nog een lekker stukje, dat de kok in een oogenblik gereed kan maken.”
„Exorciso te!” antwoordde Sampson, „dat is – ik heb reeds gegeten.”
„Reeds gegeten! Onmogelijk. Bij wien kunt gij gegeten hebben, daar gij nooit ergens binnen gaat?”
„Bij Beëlzebub, geloof ik,” hernam Sampson.
„Nu is hij zeker behekst!” zei de huishoudster bij zich zelve en liet hem gaan. „Hij is zeker behekst of gek, en de kolonel moet hem weder terechtbrengen. Ach, lieve hemel! het is toch ongelukkig dat de geleerdheid de menschen soms zoo ver brengt!” Na deze ontboezeming van haar innig medelijden, begaf zij zich weder aan hare bezigheden.
Het voorwerp van haar medelijden was intusschen de eetzaal binnen getreden en ook hier baarde zijn voorkomen geene geringe verwondering. Hij was tot aan de schouders met slijk bespat, en schrik, vermoeidheid en ontroering hadden zijn natuurlijk bleek gelaat met eene doodskleur bedekt.
„Om ’s Hemels wil, wat beteekent dit alles, Sampson?” riep Mannering uit, toen hij zag, met welke hevige ontroering Lucie Bertram haren eenvoudigen, maar getrouwen vriend aanstaarde.
„Exorciso,” antwoordde Sampson.
„Wat zegt gij?”
„Vergeef mij! maar mijn verstand –”
„Is op hol, geloof ik. Ik bid u, Mijnheer Sampson, bedaar en vertel mij wat dit alles beteekent.”
Sampson wilde antwoorden. Maar daar zijne Latijnsche bezweringsformulieren hem steeds onwillekeurig op de lippen kwamen, zag hij voorzichtigheidshalve hiervan af en overhandigde Mannering den brief van de Heidin. De kolonel brak het schrijven open, las den inhoud met verwondering en zeide: „Dit schijnt eene scherts te zijn en wel eene zeer zotte scherts.”
„De brief komt toch van iemand, die niet van schertsen houdt,” hernam Sampson.
„Van wien komt die dan?”
De dominé, die dikwijls blijken van een fijn en kiesch gevoel met betrekking tot Lucie Bertram gaf, dacht aan de smartelijke herinneringen, welke door den naam van Meg Merrilies bij haar opgewekt moesten worden, keek de jonge dames aan en zweeg.
„Wij zullen spoedig aan de theetafel weder bij u komen Julia!” sprak Mannering tot haar; „ik zie, dat Mijnheer Sampson mij alleen wenscht te spreken.”
De dames verlieten het vertrek en de kolonel vervolgde: „Wij zijn nu alleen; zeg mij nu in ’s Hemels naam toch wat dit beteekent.”
„Het kan eene boodschap van den Hemel zijn,” hernam Sampson, „maar door eene bodin van Beëlzebub is ze tot mij gekomen. Meg Merrilies, die reeds voor twintig jaren als eene heks, dievegge, tooveres en Heidin in eene teerton verbrand had moeten worden, heeft mij den brief gegeven.”
„Zijt gij er zeker van, dat zij het geweest is?” vroeg Mannering met veel belangstelling.
„Of ik er zeker van ben, kolonel? Haar evenbeeld wordt nergens gevonden.”
De kolonel wandelde in gepeins de kamer op en neder. „Zal men haar zoeken te vatten?” sprak hij bij zich zelven; „maar het is te ver, om naar Mac-Morlan te zenden, en Sir Robert Hazlewood is een verwaande gek. Misschien zou men haar ook niet meer op die plaats vinden, of zij kon het in het hoofd krijgen, geen woord te willen zeggen, even als voor mijne terugkomst. – Neen, men moge mij vrij een dwaas noemen, ik wil den wenk, dien zij mij geeft, niet in den wind slaan. Velen van hare soort zijn eerst bedriegers en worden eindelijk geestdrijvers, of bewandelen een weg, die tusschenbeide ligt, tot dat zij bijna zelf niet meer weten, of zij anderen of zich zelven misleiden. – Welaan, de weg dien ik insla, is in elk geval de eenvoudigste; en zijn mijne pogingen ook vruchteloos, dan zal ten minste geen te groot vertrouwen op mijne eigene wijsheid de schuld daarvan dragen.”
Hierop schelde hij en beval Barnes, hem in zijn schrijfvertrek te volgen. Voor dat wij echter het gevolg der bevelen, welke hij dezen hier in stilte gaf, vernemen, moeten wij ons met eene andere gebeurtenis van dezen merkwaardigen dag bezig houden.
Karel Hazlewood had het niet gewaagd, gedurende de afwezigheid van den kolonel een bezoek op Woodbourne af te leggen. Het was hem uit Mannerings geheele gedrag gebleken, dat deze dit niet gaarne zien zou; en de invloed, welken de bekwame en hoogst beschaafde krijgsman op het gedrag van den jongeling verkregen had, was zoo groot, dat deze hem om niets ter wereld zou willen beledigen. Hij meende wel uit Mannering’s gedrag te kunnen opmaken, dat deze zijne neiging voor Lucie Bertram niet afkeurde; doch tevens, hoe onbetamelijk elke poging zou zijn, om heimelijk eene verstandhouding aan te knoopen, welke zijne ouders, zoo als hij duidelijk begreep, niet zouden goedkeuren; en hij eerbiedigde den scheidsmuur, welke tusschen hem en zijne geliefde bestond, beide om Mannering’s wil en om haar niet van de bescherming van dezen warmen en belangeloozen vriend te berooven, „Neen,” zeide hij bij zich zelven, „ik wil mijne Lucie niet aan het gevaar blootstellen, deze schuilplaats te verliezen, vóor dat ik haar een eigen huis kan aanbieden!”
Hoewel hij den eersten dag Woodbourne tweemalen voorbijreed en zijn paard uit gewoonte steeds den weg naar het huis insloeg, weerstond hij, getrouw aan zijn dapper besluit, zijn hevig verlangen om er heen te rijden, ten einde naar den welstand der jonge dames te vernemen en haar te vragen, of hij haar gedurende de afwezigheid van den kolonel ook van eenigen dienst kon zijn. Den volgenden keer vond hij de verzoeking echter zoo sterk, dat hij er zich niet ten derden male aan wilde blootstellen. Hij vergenoegde zich dus met zijne hartelijke groeten naar Woodbourne te zenden en er nu en dan om tijding te laten vragen, en besloot een reeds lang beloofd bezoek bij eene familie af te leggen, die op eenigen afstand woonde, en dadelijk na Mannering’s tehuiskomst terug te keeren, om een der eersten te zijn die den kolonel met zijne veilige terugkomst uit Edinburg geluk kwamen wenschen. „Hij begaf zich dus op weg, na de noodige maatregelen genomen te hebben, dat hij weinige uren na Mannering’s aankomst te Woodbourne bericht daarvan kreeg. Dan wilde hij afscheid van zijne vrienden nemen bij wie hij zoo lang vertoeven zou, en het middagmaal te Woodbourne gebruiken, waar hij als huisvriend verkeerde, en vleide zich (want hij dacht veel ernstiger over de zaak, dan noodig was), dat dit gedrag natuurlijk en ongezocht zou schijnen.
Het noodlot, waarover verliefden zoo dikwijls klagen, was Karel Hazlewood bij deze gelegenheid niet gunstig. Wegens de ingevallen vorst moest zijn paard op nieuw beslagen worden. Zijne gastvrouw verkoos juist op den tot zijn vertrek bestemden morgen buitengewoon lang op hare kamer te blijven, zoodat het met het ontbijt zeer laat werd; en zijn vriend wilde hem volstrekt nog eerst de jongen laten zien, welke zijn schoonste hond dien morgen geworpen had. De kleur had eenigen twijfel over de echtheid van het ras doen ontstaan. Hazlewood moest in dezen gewichtigen strijd tusschen zijn vriend en diens rijknecht uitspraak doen, en daardoor de vraag beslissen, welke van de jongen verdronken en welke in het leven behouden zouden worden. Bovendien vertraagde zijn gastheer het vertrek van zijn jongen vriend nog geruimen tijd door eene wijdloopige en sierlijke rede, welke ten doel had, Sir Robert Hazlewood, door diens zoon, tot zijne eigene denkbeelden omtrent eenen nieuw aan te leggen weg over te halen. Maar (tot schande van het verstand des jongen mans moet het bekend worden), na eene tienmalige herhaling van de geheele zaak, zag hij nog het voordeel niet in, dat deze weg over Lang-hirst, Windy-knowe, Goodhouse-park, Hailziecroft, bij Simon’s pool over de rivier, en zoo naar den weg van Kippletringan, zou opleveren, boven den, door den Engelschen landmeter voorgestelden, die over het grondgebied van Hazlewood, op omstreeks een kwartier afstands van het huis loopen, en dus, zoo als de spreker betoogde, de vrijheid en rust van dit landgoed benadeelen zou.
Om kort te gaan, het mislukte zijn vriend (wiens doel het eigenlijk was, de brug zoo dicht mogelijk bij eene van zijne eigene hoeven geplaatst te hebben) geheel en al, de aandacht van den jongen Hazlewood te boeien, tot hij zich liet ontvallen, dat het door den landmeter voorgestelde plan door dien Glossin, dien gelukzoeker, die zich thans zoo veel gezag wilde aanmatigen, ondersteund werd. Eensklaps werd de jonge Hazlewood opmerkzaam en scheen hij belang in de zaak te stellen. Hij vroeg nauwkeurig, hoe Glossin den weg verlangde te hebben, en verzekerde zijn vriend, dat het zijne schuld niet zou zijn, als zijn vader niet ieder ander voorstel aangaande dezen weg ondersteunde. Onder al deze bedrijven was de morgen verloopen. Hazlewood steeg ten minste drie uren later, dan hij voorgenomen had, te paard, bij zich zelven den jachthond en den weg verwenschende, waardoor hij zoo lang opgehouden was, dat hij met welvoegelijkheid geen bezoek meer bij de familie te Woodbourne kon afleggen.
Hij was dus den weg, die naar dat landhuis leidde, voorbijgereden en werd alleen gesticht, door van verre den rook te kunnen beschouwen, die dwarlend in de bleeke avondlucht opsteeg, toen hij onverwachts Sampson langs een voetpad door het bosch naar huis meende te zien snellen. Hazlewood riep hem, maar te vergeefs: want de goede man, buitendien nooit zeer vatbaar voor uiterlijke indrukken, was juist op dat oogenblik van Meg Merrilies gescheiden, en veel te diep in gedachten over hare voorspellingen verzonken, om op het geroep te antwoorden. Hazlewood moest hem dus zijn weg laten vervolgen, zonder hem naar de gezondheid van de jonge dames te kunnen vragen, of een gesprek met hem te kunnen beginnen, waarin de goede man den naam van Lucie Bertram misschien toch genoemd zou hebben. Hazlewood, die nu geen reden meer had om zich te haasten, legde zijn paard de teugels op en hals en liet het dier langzaam den steilen zandigen weg opstappen, welke tusschen twee heuvels doorliep en hem eindelijk op eene aanzienlijke hoogte bracht, vanwaar hij een ruim uitzicht over het omliggende land had. Hij bekommerde zich weinig om dit gezicht, niettegenstaande het grootste gedeelte dier landerijen aan zijn vader behoorde en dus eens zijn eigendom moest worden, maar hield zijne blikken onafgebroken op de schoorsteenen van Woodbourne gericht, wat toch bij iedere schrede van het paard moeielijker voor hem werd. Plotseling werd hij uit de droomen, waarin hij verzonken was, gewekt door eene stem, welke te ruw voor eene vrouw, maar ook te schel voor een man was, en hem toeriep: „Waarom talmt gij zoo lang op den weg? Moeten anderen uw werk doen?”
Hij keek op en ontwaarde eene zeer lange vrouw, die een dikken doek, waaronder hare grijze haren in verwarde lokken weg hingen, om het hoofd gewonden had. Zij droeg een langen rooden mantel en had een stok met eene ijzeren punt in de hand. Met één woord, Meg Merrilies stond voor hem. Hazlewood had deze merkwaardige vrouw nog nooit gezien. Door haar voorkomen verrast, trok hij de teugels aan en hield stil. „Mij dunkt,” vervolgde zij, „dat iedereen, die belang stelt in het huis van Ellangowan, heden nacht niet slapen zou. Drie mannen hebben u gezocht, en gij gaat naar huis, om in uw bed te slapen? Denkt gij, dat de zuster gelukkig kan zijn, als de broeder valt? neen, neen!”
„Ik begrijp u niet, goede vrouw,” antwoordde Hazlewood. „Bedoelt gij Juffrouw – ik wil zeggen iemand van de voormalige familie van Ellangowan, zoo zeg mij, wat ik doen kan.”
„Van de voormalige familie van Ellangowan?” antwoordde zij driftig; van de voormalige familie Ellangowan! En wanneer was er ooit, of wanneer zal er ooit eene familie van Ellangowan zijn, die den edelen naam van de dappere Bertram’s niet draagt?”
„Maar wat wilt gij toch, goede vrouw?”