Part 31
Glossin boog driemalen en ieder keer dieper, éens ter eere van den ridder die rechtop voor hem stond, éens om de stomme personaadjen, welke geduldig aan het beschot hingen, zijne achting te bewijzen, en ten derde maal om zijne eerbied voor den jongeling te betoonen, die hun naam en geslacht ophouden moest. Sir Robert vond zich aangenaam gestreeld door de hulde die Glossin, ofschoon maar van geringe burgerlijke afkomst, hem bewees en vervolgde op den toon eener genadige gemeenzaamheld: „en nu, Mijnheer Glossin, mijn uitmuntende vriend, moet gij mij veroorloven, van uwe rechtsgeleerde kennis bij deze zaak partij te trekken. Ik ben niet gewoon de werkzaamheden van vrederechter uit te oefenen; dat voegt beter aan andere heeren, wier huiselijke en familiezaken een minder onafgebroken opzicht en nauwkeurige oplettendheid vorderen, dan de mijne.”
Glossin antwoordde dat sir Robert vrij over hem kon beschikken, doch dat hij, daar de naam van den baronet als rechtsgeleerde met zoo veel roem bekend was, nauwelijks hopen durfde, dat zijne hulp noodig of nuttig kon zijn.
„Gij moet mij goed verstaan, Mijnheer Glossin! Ik bedoel eigenlijk slechts, dat de practische kennis van den gewonen loop der rechtszaken mij niet gemeenzaam bekend is. Ik ben wel voor de balie opgevoed en durf mij beroemen, dat ik aanmerkelijke vorderingen in de theoretische en bespiegelende kennis van onze wetten gemaakt heb; maar er is thans zoo weinig gelegenheid voor een man van rang en vermogen om als rechtsgeleerde zoo hoog te klimmen als – gelukzoekers, die even gaarne voor geringe lieden als voor den eersten edelman van het land pleiten, dat ik zeer spoedig een afkeer van de practijk gekregen heb. De eerste zaak, welke mij opgedragen werd, deed mij inderdaad walgen. Het was over het koopen en verkoopen van smeer, tusschen een slager en een kaarsenmaker, en men verwachtte dat ik mijne lippen niet alleen met hunne gemeene namen, maar ook met alle kunstwoorden en uitdrukkingen van hunne morsige beroepen zou bezoedelen. Op mijn woord van eer, Mijnheer Glossin, ik heb sedert dien tijd de reuk van eene vetkaars nooit kunnen verdragen.”
Glossin betuigde, zoo als verwacht scheen te worden, zijn leedwezen over het onwaardige doel waartoe de baronet zijne kundigheden bij die ongelukkige gelegenheid had moeten vernederen en bood aan, om in de tegenwoordige zaak als griffier of bijzitter, of hoe hij slechts van nut kon zijn, te dienen. „Ik zal u met korte woorden een volledig overzicht van de zaak geven,” vervolgde hij. „In de eerste plaats geloof ik, dat het niet moeielijk zal zijn, de hoofdzaak, dat de gevangene dezelfde persoon is die het geweer afgeschoten heeft, te bewijzen. Zou hij het ontkennen, dan kan de heer Hazlewood, naar ik vertrouw, het door zijne getuigenis bewijzen.”
„Mijn zoon is heden niet te huis, Mijnheer Glossin!”
„Dan kan de bediende, die hem vergezeld heeft, als getuige dienen; maar ik geloof niet, dat de daad zelve ontkend zal worden. Ik vrees veeleer dat de ontmoeting, uithoofde van het al te gunstige en verschoonende licht, waarin de heer Hazlewood de zaak gelieft voor te stellen, als enkel toevallig, en het toebrengen der wond als onopzettelijk en onvoorbedachtelijk beschouwd, en dus de dader aanstonds op vrije voeten gesteld zal moeten worden, om nog meer onheil aan te richten.”
„Ik heb de eer niet den tegenwoordigen procureur-generaal te kennen,” hernam sir Robert ernstig; „maar ik vertrouw, ja ik ben overtuigd, dat hij het bloote feit, dat de jonge Hazlewood van Hazlewood, ofschoon, om de zaak uit het zachtste, gunstigste en onwaarschijnlijkste oogpunt te beschouwen, door onachtzaamheid of onvoorzichtigheid gekwetst is, als eene misdaad beschouwen zal, waarvoor gevangenis een veel te lichte straf en deportatie naar een strafkolonie nauwelijks zwaar genoeg zou zijn.”
„Ik ben volkomen van uw gevoelen, sir Robert,” antwoordde de gedienstige Glossin; „maar ik weet niet, hoe het is; ik heb opgemerkt, dat de rechtsgeleerden te Edinburg, en zelfs koninklijke ambtenaren, er eene eer in schijnen te stellen, bij de rechtspleging geene acht op rang en familie te slaan, en ik zou vreezen” –
„Hoe, Mijnheer! geen rang of aanzien in aanmerking nemen? Wilt gij mij diets maken, dat zulk eene leer door mannen van stand en eene beschaafde opvoeding opgevolgd kan worden? Neen, Mijnheer! even als het stelen van eene kleinigheid op straat eenvoudig diefstal is, maar heiligschennis wordt, wanneer dezelfde misdaad in eene kerk gepleegd wordt, even zoo behoorde, wegens de verschillende standen in de maatschappij, de strafwaardigheid van eene misdaad grooter te zijn, naar gelang van den rang van dengenen tegen wien ze bedreven of beraamd is.”
Glossin gaf zijne goedkeuring door eene diepe buiging te kennen en verklaarde tevens, dat er in het ergste geval, indien namelijk deze onnatuurlijke leer thans werkelijk beleden zou worden, nog eene andere reden bestond, om den heer Van Beest Brown in handen der gerechtigheid te doen blijven.
„Van Beest Brown? heet de kerel zoo? Goede hemel! en door zulk een onbekenden ellendeling, Van Beest Brown genaamd, moest het leven van den jongen Hazlewood van Hazlewood ìn gevaar gebracht worden! Het sleutelbeen van den rechterschouder was aanmerkelijk beschadigd en verscheidene groote hagels waren in den vooruitstekenden knobbel van het acromion gedrongen, zoo als het bericht van onzen wondarts uitdrukkelijk vermeldt.”
„Waarlijk, Sir Robert, de gedachte aan zoo iets is nauwelijks te verdragen; maar ìk verzoek tienduizend male verschooning, dat ik nog eens terugkom op hetgeen ik zeggen wilde. Een persoon van denzelfden naam is, zoo als uit deze papieren,” (het zakboek van Dirk Hatteraick voor den dag halende) „blijkt, stuurman op het smokkelschip geweest, waarvan de manschappen zulk een gewelddadigen aanval op Woodbourne deden; en ik twijfel geenszins, of het is éen en dezelfde persoon. Uw scherpziendheid zal u hiervan gemakkelijk overtuigen.”
„Dezelfde, mijn goede man! het moet zeker dezelfde zijn. Men zou zelfs den geringsten lieden onrecht doen, indien men veronderstelde, dat er onder hen twee personen gevonden konden worden, die gedoemd waren zulk een wanklinkenden naam te dragen als die van Beest Brown.”
„Zeer waar, Sir Robert! het is buiten twijfel. En deze omstandigheid verklaart de wanhopige houding van dezen mensch. Gij, Sir Robert, zult de beweegredenen dezer misdaad wel ontdekken, als gij de zaak onderzoekt. Ik, voor mij, kan het vermoeden niet weren, dat wraak over de dapperheid, waarmede de heer Hazlewood met al den moed zijner beroemde voorvaderen Woodbourne tegen dezen schurk en zijne nietswaardige makkers verdedigd heeft, de eigenlijke drijfveer geweest is.”
„Ik zal het onderzoeken,” hernam de baronet, „en waag het reeds te vermoeden, dat de oplossing van dit raadsel, vraagstuk of geheim, welke gij als het ware reeds gegeven hebt, de juiste is. Ja! wraak moet het zijn. En, goede hemel! door wien en tegen wien gekoesterd? Gekoesterd, gevoed en gekweekt tegen den jongen Hazlewood van Hazlewood, en gedeeltelijk volbracht, uitgevoerd en voltrokken door de hand van Van Beest Brown! Het zijn thans verschrikkelijke tijden, geachte buurman!” (dit bijvoegsel bewees, hoe snel Glossin in de gunst van den baronet steeg) – „tijden, waarin de bolwerken der maatschappij tot in hunne hechtste grondvesten geschokt worden, en rang en aanzien, de grootste sieraden van het maatschappelijk gebouw, met de geringere deelen daarvan verward en vermengd worden. O, beste Mijnheer Gilbert Glossin! in mijn tijd was het gebruik van degen en pistolen en soortgelijke eervolle wapens alleen voor den adel en de aanzienlijken bewaard, en werden de geschillen van het gemeen met de wapens, die de natuur geeft, of met knuppels, in het naaste bosch afgebroken of gesneden, beslist. Maar thans, Mijnheer, thans durft een boer met zijne bespijkerde schoenen een hoveling op de teenen trappen. De lagere standen hebben hunne geschillen, hun punt van eer, en vorderen voldoening, die waarlijk door een tweegevecht gegeven moet worden. Het zal, helaas, mijn tijd wel uit duren – maar laat ons den gevangene, dezen Van Beest Brown, doen binnen brengen en de zaak met hem, ten minste vooreerst, afdoen.”
DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
– Hij was het, Die het vuur ontstak, waardoor hij zelf Gekwetst werd, – naar ik hoop Gevaarlijk noch onherstelbaar.
De schoone uit de herberg.
De gevangene werd voor de beide waardige rechters gebracht. Glossin, wiens geweten in deze oogenblikken niet geheel zweeg, en die volgens zijn plan het geheele verhoor schijnbaar aan sir Robert Hazlewood overliet, keek voor zich op de tafel. Hij hield zich schijnbaar bezig met het lezen en schikken der papieren betrekkelijk de zaak, en sprak slechts nu en dan een enkel woord, wanneer hij zag, dat de edele rechter, in schijn de hoofdpersoon, een wenk noodig had. Sir Robert poogde in zijn geheele gedrag den strengen ernst van den rechter met de waardigheid, die hem als baronet van oude afkomst toekwam, te vereenigen.
„Plaats hem dáar onder aan de tafel,” sprak hij tot de gerechtsdienaren, en vervolgens tot den gevangene: „Zie mij aan en verhef uwe stem, als gij antwoordt op de vragen, die ik u doen zal.”
„Mag ik eerst weten,” hernam Bertram, „wie het is, die zich de moeite geeft om mij te ondervragen? De mannen, die mij hier gebracht hebben, hebben mij op dit punt geene opheldering willen geven.”
„En wat heeft mijn naam of stand met mijne vragen te doen?”
„Misschien niets, Mijnheer, maar beide kunnen grooten invloed hebben op mijn wil, om ze te beantwoorden, of niet.”
„Nu, dan verklaar ik u, dat gij voor sir Robert Hazlewood van Hazlewood en een anderen vrederechter van dit graafschap staat. Meer heb ik u niet te zeggen.”
Daar deze verklaring geenszins den indruk scheen te maken, welken sir Robert verwacht had, zette deze het verhoor met een klimmend misnoegen tegen den gevangene voort, en vroeg:
„Is uw naam Van Beest Brown?”
„Ja.”
„Goed. En verder uw stand, uw beroep?”
„Ritmeester bij het ** regiment koninklijke dragonders.”
Bij het hooren van dit antwoord zweeg de baronet een oogenblik uit verbazing, maar herstelde spoedig, doordien Glossin hem een ongeloovigen blik vergezeld van een zacht gefluit, die verachting en ongeloof uitdrukten, toewierp. Sir Robert vervolgde: „Ik geloof, vriend, dat wij, voor dat wij van elkander scheiden, wel een nederiger titel voor u zullen vinden.”
„Indien gij dit kunt, Mijnheer, dan zal ik mij gewillig aan elke straf onderwerpen, die zulk een bedrog verdiende.”
„Welnu, wij zullen zien. – Kent gij den jongen Hazlewood van Hazlewood?”
„Ik heb den heer, die, zoo als ik hoor, dezen naam draagt, slechts éenmaal gezien en, helaas, onder zeer onaangename omstandigheden.”
„Gij erkent dus, dat gij den jongen Hazlewood van Hazlewood de wond hebt toegebracht, waardoor zijn leven in gevaar gebracht, het sleutelbeen van zijn rechterschouder aanmerkelijk beschadigd is en tevens, volgens de verklaring van den wondarts, verscheidene groote hagels in den vooruitstekenden knobbel van het acromion gedrongen zijn?”
„Het is mij onbewust hoedanig en hoe gevaarlijk de wond was, welke de jonge heer, tot mijn groot leedwezen, ontvangen heeft. Ik ontmoette hem op een smal voetpad, waar hij met twee dames en een knecht wandelde; en vóor dat ik hen voorbijgaan, of spreken kon, nam deze jonge Hazlewood zijn knecht het geweer af, legde op mij aan en beval mij op zeer hoogen trotschen toon, mij te verwijderen. Ik had even weinig lust om aan zijn bevel te gehoorzamen, als hem in het bezit van een wapen te laten, waarvan hij zoo onbezonnen gebruik scheen te willen maken. Ik begon dus met hem te worstelen, om hem te ontwapenen, en had mijn doel bijna bereikt, toen het geweer toevallig afging en den jongen heer, tot mijn diep leedwezen, eene hardere tuchtiging deed ondergaan, dan ik wenschte, ofschoon de gevolgen, zoo als ik met genoegen hoor, niet erger schijnen dan zijne dwaasheid verdiende.”
„En dus,” vervolgde de baronet met een gelaat, dat van het gevoel van beleedigde waardigheid gloeide, „dus bekent gij, dat het uw voornemen en opzet, en het ware oogmerk en doel van uw aanval was, om den jongen Hazlewood van Hazlewood zijn geweer, jacht- of vogelroer, of hoe gij het gelieft te noemen, op den openbaren weg te ontnemen? – Ik denk dat dit voldoende is, geachte buurman! Ik denk, dat wij hem in hechtenis kunnen houden!”
„Gij kunt dit zeker verre weg het best beoordeelen, sir Robert; maar mag ìk u herinneren, dat er ook iets omtrent de smokkelaars aan te merken was.”
„Zeer waar, beste Mijnheer Glossin!” antwoordde de baronet en wendde zich hierop weder tot den gevangene: „en buitendien zijt gij, Van Beest Brown, die u ritmeester in dienst des konings noemt, niets meer en niets minder dan een ellendige stuurman op een smokkelschip!”
„Inderdaad, Mijnheer gij zijt een oud man en verkeert in eene zeldzame dwaling; anders zou ik zeer boos op u worden.”
„Een oud man! eene zeldzame dwaling!” riep sir Robert rood van toorn, „ik betuig en verklaar – Hoe! hebt gij papieren of brieven, waardoor gij uw voorgewenden rang, stand of waardigheid bewijzen kunt?”
„Op dit oogenblik niet, Mijnheer, maar binnen een paar dagen” –
„En hoe komt het, dat gij, indien gij werkelijk een officier in dienst des konings zijt, in Schotland reist zonder aanbevelingsbrieven, zonder reisgoed of iets anders, dat aan uw rang of stand past, of waarmede gij dezen kunt bewijzen, zoo als ik reeds gezegd heb?”
„Ik heb het ongeluk gehad, Mijnheer, van mijne kleederen en reisgoed beroofd te worden.”
„Aha! dan zijt gij de man, die een reiswagen van ** naar Kippletringan heeft genomen, den voerman op den weg heeft laten staan en twee van zijne medeplichtigen afgezonden, om den armen knaap te overvallen en de koffers weg te nemen.”
„Ik was in een rijtuig, zoo als gij beschrijft, Mijnheer, en verdwaalde terwijl ik den weg naar Kippletringan zocht. De waardin, bij wie ik den volgenden dag bij mijne aankomst aldaar mijn intrek nam, kan getuigen dat mijne eerste vraag was naar het lot van den voerman.”
„Dan moet ik u nog vragen waar gij den nacht doorgebracht hebt? niet in de sneeuw denk ik. Gij veronderstelt toch niet dat wij zoo iets voor goede munt aannemen, gelden laten en gelooven zullen?”
„Verschoon mij,” antwoordde Bertram, daar hij zich de Heidin en de belofte welke hij haar gedaan had, herinnerde, „houd het mij te goed, Mijnheer; het antwoord op deze vraag moet ik u schuldig blijven.”
„Dat dacht ik wel! Waart gij dien nacht niet in de bouwvallen van Derncleugh? In Derncleugh niet waar?”
„Ik heb u gezegd, dat ik op deze vraag niet verkies te antwoorden.”
„Best! dan blijft gij in hechtenis en wordt naar de gevangenis gebracht. Zie deze stukken in en antwoord of gij de daarin genoemde van Beest Brown zijt?”
Glossin had eenige papieren daaronder geschoven, welke Bertram werkelijk toebehoorden en door de gerechtsdienaren in het oude gewelf, waar de roovers zijn valies uitgeplunderd hadden, gevonden waren.
„Eenige van deze papieren,” hernam Bertram, terwijl hij ze doorzag, „behooren mij inderdaad toe, en lagen in mijne brieventasch toen die uit den wagen gestolen werd. Dit zijn aanteekeningen van weinige waarde en ik zie dat ze als geen bewijs voor mijn rang of stand, welken vele der overige papieren voldoende gestaafd zouden hebben, opleveren, zorgvuldig uitgezocht zijn. De overige stukken, scheepsrekeningen en dergelijken, behooren waarschijnlijk aan iemand anders, die denzelfden naam voert.”
„En wilt gij mij zoeken wijs te maken, dat zich hier op denzelfden tijd twee personen met denzelfden ongewonen wanklinkenden naam bevinden?”
„Ik zie niet in, Mijnheer, waarom er niet even goed een oude en jonge van Beest Brown zouden wezen, als er een oude en jonge Hazlewood zijn. En, ernstig gesproken, ik ben in Holland opgevoed en weet dat deze naam, hoe vreemd en onaangenaam die in Britsche ooren moge klinken –”
Toen Glossin bemerkte dat de gevangene eene gevaarlijke snaar begon te roeren, mengde hij zich, ofschoon geheel noodeloos, in het gesprek om de aandacht van sir Robert af te leiden: want deze was door verontwaardiging over de vermetele vergelijking en het laatste antwoord van Bertram spraaken bewegingloos geworden. Zijn hals- en hoofdaderen waren inderdaad tot barstens toe gezwollen en hij geleek op iemand, die zich doodelijk beleedigd acht door eenen persoon, van wien hij, naar zijne begrippen van eer, geene voldoening kan vorderen. Met een gefronsd voorhoofd en toornigen blik haalde hij langzaam en diep adem en scheen naar lucht te snakken. Nu kwam Glossin hem te hulp en zeide: „Mij dunkt, sir Robert, indien ik zoo vrij mag zijn, mijn gevoelen te zeggen dat de zaak nu als afgedaan kan worden beschouwd. Behalve de gewichtige bewijzen, die wij reeds hebben, biedt een der gerechtsdienaren aan bij eede te bevestigen, dat het zwaard, hetwelk den gevangene heden morgen ontnomen werd (terwijl hij het gebruikte, om zich tegen de wettige macht te verzetten) een houwer is, welken hij in een gevecht met de smokkelaars, kort voor hun aanval op Woodbourne, verloren heeft. Ik wil u met dat al niet tot eene overijlde gevolgtrekking uit deze omstandigheid verleiden; misschien kan deze persoon ophelderen, hoe hij aan dat wapen gekomen is.”
„Deze vraag moet ik mede onbeantwoord laten, Mijnheer!”
„Er is nog eene andere omstandigheid welke opgehelderd moet worden. Deze gevangene heeft een pakje, waarin een menigte gouden muntstukken en andere zaken van waarde, aan vrouw Mac-Candlish te Kippletringan in bewaring gegeven. Misschien zult gij het gepast oordeelen, sir Robert, om te vragen, hoe deze zeldzaam voorkomende voorwerpen in zijne handen gekomen zijn.”
„Van Beest Brown, – hoe heet ge ook – gij hoort de vraag die deze heer u doet.”
„Ik heb bijzondere redenen het antwoord op deze vraag schuldig te blijven.”
„Dan is het onze plicht, een hevel van voorloopige aanhouding tegen u uit te vaardigen.”
„Zoo als het u gelieft, Mijnheer! bedenk echter wel wat gij doet. Overweeg het wel! Ik ben, zoo als ik u reeds gezegd heb, ritmeester bij het koninklijke regiment **, voor korten tijd uit Indië teruggekomen, en kan dus onmogelijk met de smokkelaars van wie gij spreekt, in betrekking staan. Mijn luitenant-kolonel is tegenwoordig te Nottingham, de majoor en andere officieren bevinden zich te Kingston aan den Theems, en ik zal mij gewillig aan iedere onteerende straf onderwerpen, indien ik deze beide punten, na aankomst der posten uit Kingston en Nottingham, niet met voldoende bewijzen kan staven. Ook kunt gij wel aan den betaalmeester van het regiment schrijven, indien gij verkiest en –”
„Dit is alles goed en wel,” hernam Glossin, die begon te vreezen dat deze krachtige en standvastige verklaring van Bertram eenigen indruk zou maken op sir Robert, die bijna van schaamte sterven zou, als hij de onwelvoeglijkheid beging van een dragonder-officier in de gevangenis te zetten „Dit is goed en wel, maar woont hier niemand naderbij, tot wien gij ons verwijzen kunt?”
„Hier te lande zijn slechts twee personen, die iets van mij weten. De eene is een eenvoudige pachter in het Liddesdal, met name Dinmont van Charlies-hope; hij weet echter niets meer van mij, dan ik hem gezegd heb en nu ook zeg.”
„Al fraaier en fraaier, sir Robert! Ik denk dat hij ons dien dommen landman op den hals wil schuiven, opdat deze bezweren mag, dat hij gelooft wat men hem verhaald heeft, ha, ha, ha!”
„En wie is uw andere getuige, vriend?” vroeg de baronet.
„Een heer, dien ik om bijzondere redenen niet gaarne wil noemen, maar onder wiens bevel ik eenigen tijd in Indië gediend heb en die al te zeer man van eer is, om mij de getuigenis te weigeren dat ik officier en eerlijk man ben.”
„Maar wie is toch die gewichtige getuige? waarschijnlijk een gepensioneerde wachtmeester of korporaal?”
„De kolonel Guy Mannering, vroeger bevelhebber van het regiment **, waarbij ik, zoo als ik u zeide, een escadron kommandeer.”
„De kolonel Guy Mannering,” dacht Glossin, „wie drommel kon dat raden?”
„De kolonel Guy Mannering!” herhaalde de baronet, niet weinig aan het wankelen gebracht. „Waarde buurman!” (fluisterde hij Glossin in) „dit jonge mensch, met zijn verschrikkelijk gemeenen naam en zijne zedige vrijmoedigheid, heeft met dat al iets van den toon, de manieren en gevoelens van een fatsoenlijk man, of schijnt ten minste in goed gezelschap verkeerd te hebben. – In Indië gaat men dikwijls heel lichtzinnig, onnauwkeurig en achteloos te werk met het begeven van ambten. – Mij dunkt het was best, dat wij de terugkomst van den kolonel Mannering, die thans, geloof ik, te Edinburg is, afwachten.”
„Gij kunt dit zeker het best beoordeelen,” hernam Glossin, „in alle opzichten het best beoordeelen.” Ik wilde u enkel met allen eerbied onder het oog brengen, of wij recht hebben om dezen man op eene verklaring, welke hij met geene bewijzen staven kan, te ontslaan; en dat wij ons aan eene zware verantwoordelijkheid zullen blootstellen, indien wij hem in onze bijzondere bewaring houden en hem niet in eene openbare gevangenis doen brengen. Gij kunt dit zonder twijfel het best beoordeelen, Sir Robert, en ik wilde stechts zeggen, dat ik nog zeer onlangs een scherpe berisping ondergaan heb, omdat ik een persoon, ofschoon onder behoorlijk opzicht van gerechtsdienaren, op eene bijzondere plaats, welke ik voor volkomen veilig hield, in hechtenis gezet heb. De man ontvluchtte, en ik twijfel er niet aan of mijn goede naam als waakzaam en voorzichtig ambtenaar heeft eenigszins hierdoor geleden. Ik wilde dit slechts ter loops aanhalen; doch zal mij met elken maatregel, welken gij het voegzaamst oordeelt, vereenigen.”
Glossin was echter wel overtuigd dat deze wenk voldoende was om het besluit van zijn ambtgenoot, die wel een hoog denkbeeld van zijn gewicht maar weinig zelfvertrouwen had, te bepalen.
De uitkomst beantwoordde ook inderdaad aan Glossin’s verwachting, want sir Robert sloot de zitting met de volgende aanspraak, die ten deele op de veronderstelling dat de gevangene werkelijk een fatsoenlijk man, en ten deele op het tegenovergestelde gevoelen, dat hij namelijk een booswicht en moordenaar moest zijn, gegrond was:
„Mijnheer Van Beest Brown – ik zou u kapitein Brown noemen, indien er de minste grond, reden of oorzaak was, te veronderstellen dat gij kapitein zijt of een escadron bij het door u genoemde, zeer achtenswaardig regiment, of bij eenig ander regiment in dienst van Zijne Majesteit kommandeert, over welk punt ik, zoo als gij wel behoort op te merken, thans geene stellige verklaring, bepaald gevoelen of beslissend oordeel wil uitspreken. Ik zeg u dus, Mijnheer Brown, dat wij, in aanmerking nemende den onaangenamen en bedenkelijken toestand, waarin gij u op dit oogenblik bevindt, als zijnde, volgens uw zeggen, van alles beroofd (eene verklaring, waarover ik echter mijn oordeel opschort), doch tevens in het bezit van een aanzienlijken schat en van een houwer met een koperen gevest, en gij ons geene opheldering gelieft te geven, waar of hoe gij deze voorwerpen verkregen hebt – dat wij, zeg ik, alles wel overwogen hebbende, besluiten en concludeeren, u in de gevangenis te doen brengen, of liever, u een vertrek daarin aan te wijzen, tot dat gij, na de terugkomst van den kolonel Mannering, weder voor het gerecht zult kunnen verschijnen.”
„Mag ik met allen eerbied vragen, Sir Robert,” viel Glossin in, „of het uw voornemen is, dezen jongen man naar de algemeene gevangenis van het graafschap te doen brengen? Indien gij hierop niet gesteld zijt, wilde ik de vrijheid nemen, u, onder verbetering, voor te stellen, dat het minder hard zou zijn hem naar het huis van arrest te Portanferry te zenden, waar hij veilig bewaard kan worden zonder opzien te verwekken; eene omstandigheid die, om de bloote mogelijkheid dat zijn verhaal waar zou kunnen zijn, vooral in aanmerking behoort te worden genomen.”
„Wel nu, er is eene militaire wacht ter beveiliging der goederen in het tolhuis te Portanferry; en alles wel overwogen, en in aanmerking genomen dat het bedoelde huis voor zulk eene plaats nog al gemakkelijk ingericht is, zoo willen wij, alles wel overwogen zeg ik, dezen persoon in het huis van arrest te Portanferry doen zetten, of liever, hem machtigen, om aldaar voorloopig in bewaring te blijven.”
Het bevelschrift werd diensvolgens uitgevaardigd en den gevangene aangezegd, dat hij den volgenden morgen naar Portanferry gebracht zou worden, daar sir Robert besloten had, dat hij, uit vrees voor ontsnapping of gewelddadige bevrijding, niet gedurende den avond of nacht vervoerd zou worden. Tot zoo lang zou hij op Hazlewood-house bewaakt worden.