Chapter 8 of 43 · 3962 words · ~20 min read

Part 8

Het lijk was in denzelfden toestand, waarin het gevonden werd, in eene naburige visschershut gebracht. Bij een nauwkeurig onderzoek vond men dat het deerlijk gekneusd en verpletterd was door den verschrikkelijken val, maar tevens ontdekte men eene diepe wonde in het hoofd, welke, naar het gevoelen van een kundigen wondarts, met een sabel of houwer moest toegebracht zijn. Deze ervaren man ontdekte nog andere verdachte teekens. Het gelaat was geheel zwart, de oogen verdraaid en de halsaderen gezwollen. De bonte halsdoek, welken de ongelukkige droeg, zat niet zoo als het behoorde, maar veel te los; de knoop zat op eene verkeerde plaats en was zeer vast toegetrokken; bovendien was de geheele doek zóo gekreukeld, alsof de overledene daaraan naar den afgrond gesleept was. Van den anderen kant was de beurs van den armen Kennedy onaangeroerd gebleven, en zijne pistolen, die hij gewoonlijk bij zich droeg, als hij op gevaarlijke tochten uitging, vond men ìn zijn zak. Dit was nog vreemder, omdat hij door alle sluikhandelaars gekend en gevreesd was als een onverschrokken man, die zich goed van zijne wapens wist te bedienen. De sheriff vroeg, of Kennedy niet gewoon was andere wapens te dragen. Bertram’s dienstboden wisten wel, dat hij gewoonlijk een jachtmes, of hartsvanger droeg, maar zoo iets werd niet bij het lijk gevonden, en niemand kon met zekerheid verklaren, of hij dat wapen op den dag van zijn dood bij zich gehad had.

Het lijk leverde geene andere teekens op, welke eenig licht over het lot van Kennedy konden verspreiden. Zijne kleeding was wel zeer in wanorde en de ledematen waren gekneusd en gebroken; maar het eerste scheen een waarschijnlijk en het laatste een zeker gevolg van zulk een val te zijn. De handen van de overledene waren dicht geknepen en vol gras en aarde; maar ook dit bewees niets.

De sheriff ging hierop naar de plaats, waar het lijk was, en liet zich nauwkeurig verhalen, in welke ligging men het gevonden had. Een groot stuk rots scheen met den ongelukkige van boven, of hem achterna gevallen te zijn. Deze harde steenklomp was door den val zoo weinig beschadigd, dat men, bij nauwkeurig onderzoek, ontdekken kon, waar en hoe die met de rots verbonden geweest was. Dit kon men gemakkelijk zien uit den verweêrden toestand van dat gedeelte van den steen, dat niet in den grond gelegen had. Toen men nu op de rots geklommen was, om de plaats, waar de steenklomp moest gelegen hebben, te onderzoeken, scheen het onbetwistbaar, dat de zwaarte of de kracht van éen mensch niet toereikend was, om den steen met zich naar buiten te scheuren, maar dat aan den anderen kant het stuk ook zoo los gelegen had, dat het door de vereenigde kracht van drie of vier menschen gemakkelijk van zijne plaats had kunnen gerukt worden. De grond op den rand van den afgrond droeg sporen van diepe voetstappen en scheen aan te duiden, dat hier hevig geworsteld was. Dergelijke, maar minder zichtbare sporen leidden den opmerkzamen onderzoeker naar het bosch, dat op deze plek tot den bovensten rand van de rotsen groeide. Geduldig volgde men ze tot in het dichtste gedeelte van het bosch; een weg, welken niemand gekozen zou hebben, dan met het voornemen om zich te verbergen. Hier vond men, naarmate men verder doordrong, op verschillende punten duidelijk sporen van gepleegd geweld, of van een hevigen strijd. Dunne takjes waren neder gescheurd, alsof een ongelukkige, die gewelddadig voortgesleept werd, ze gegrepen had, om weerstand te bieden, en waar de grond maar eenigszins week was, zag men vele voetstappen en vermoedelijke sporen van bloed. Zoo veel was zeker, dat hier verscheidene personen met geweld door het kreupelhout, dat tusschen de eiken en notenboomen stond, gedrongen waren, en op sommige plaatsen scheen het alsof een zak vol graan, een lijk, of iets van die zwaarte en grootte langs den grond gesleept was. Nog was er in het kreupelbosch een klein moeras, waarvan de slijk witachtig, waarschijnlijk met mergel vermengd was; zulke vlekken had men ook op den rug van Kennedy’s rok gevonden. Het spoor vervolgende, vond men, op eenigen afstand van den rand van de noodlottige rots, eene opene plaats, welke plat getreden en kennelijk met bloed bevlekt was, ofschoon er verwelkte bladeren op gestrooid waren, en men door andere in haast bedachte middelen deze sporen van een wanhopige worsteling had zoeken te verbergen. Ook vond men hier den hartsvanger van den ongelukkige, in het kreupelhout geworpen, en niet ver van dáar, ofschoon beter verborgen, den draagriem en de schede.

Bij een nauwkeurig onderzoek bleek het, dat sommige der voetstappen met den voet van het ongelukkige slachtoffer overeenkwamen, dat eenige grooter en andere kleiner waren, zoodat men vast aannemen kon, dat er ten minste vier of vijf menschen met hem bezig geweest waren. Bovendien zag men hier, en ook nergens dan hier, de voetstappen van een kind, en dewijl de harde rijweg door het bosch van Warroch niet ver verwijderd was van deze plek, moest men natuurlijk veronderstellen, dat de knaap, onder de verwarring, in deze richting ontvlucht moest zijn. Daar men echter niets van het kind vernam, was de sheriff, na een bedaarde overweging van alle omstandigheden, welke hij nauwkeurig opteekende, van gevoelen, dat Kennedy verraderlijk overvallen was en dat de moordenaars, wie zij ook zijn mochten, zich meester van het kind gemaakt hadden.

Nu werden alle middelen in het werk gesteld, om de schuldigen te ontdekken. Het vermoeden was verdeeld tusschen de sluikhandelaars en de Heidenen. Het lot van het schip van Dirk Hatteraick was aan geen twijfel onderhevig. Twee mannen van de andere zijde van de Warrochbaai (dus werd de inham aan de zuidzijde van kaap Warroch genoemd) hadden van verre gezien, dat het schip, nadat het de kaap omgezeild had, oostwaarts dreef, en, naar de bewegingen er van te oordeelen, was het geheel ontredderd. Kort daarop zagen zij, dat het aan den grond geraakte, begon te rooken en eindelijk geheel in brand stond. Terwijl het in volle vlam was, voer een koninklijk schip, met de vlag in top, om de kaap. Het geschut van het brandende schip ging los, toen het vuur het bereikte, en eindelijk vloog het schip zelf met een verschrikkelijken slag in de lucht. De oorlogssloep moest, om hare eigene veiligheid, op eenen afstand blijven en zette, nadat het schip in de lucht gevlogen was, met volle zeilen koers naar het zuiden. De sheriff vroeg deze lieden, of er ook booten uitgezet waren. Zij hadden geene gezien, nochtans was het wel mogelijk, dat ze door het brandende schip en de landwaarts drijvende rookwolken voor hunne oogen verborgen werden.

Niemand twijfelde, dat het verbrande schip aan Dirk Hatteraick toebehoorde. Men wist, dat het aan de kust was en sedert eenigen tijd gewacht werd.

Op verzoek van den sheriff deelde de bevelhebber van het koninklijke schip de berichten, welke hij geven konde, mede, en gaf zelfs uittreksels uit zijn journaal. Deze luidden, dat hij op den uitkijk was geweest naar het schip van een smokkelaar, Dirk Hatteraick genaamd, op requisitie en informatie van Frans Kennedy, van het tolambt. Dat genoemde Kennedy ook aan wal op den uitkijk zou blijven, in geval Hatteraick, die bekend stond als een zeer gevaarlijk mensch, pogen mocht zijn vaartuig aan wal te brengen. ’s Morgens ten negen uur hadden zij het schip van Hatteraick ontdekt en er jacht op gemaakt, en na herhaalde signalen om bij te draaien, er op gevuurd. Het schip heesch toen de Hamburger vlag en vuurde terug en het gevecht duurde drie uren lang, toen men bij het omzeilen van kaap Warroch ontwaarde dat de ra doorschoten was en het vaartuig dus onklaar was. Het oorlogschip kon hiervan geen gebruik maken, om dat het te dicht aan wal was om de kaap om te zeilen. Na tweemaal overstag te zijn gegaan, was dit eindelijk gelukt, en vonden zij het smokkelaars schip in brand en schijnbaar verlaten. De brand eenige vaten sterken dranks bereikt hebbende, die met andere brandstoffen, waarschijnlijk met deze bedoeling op het dek geplaatst waren, konden de booten het schip niet naderen, vooral omdat de geladen stukken achtereenvolgens, naar mate de gloed ze bereikte, losgingen.

Hij hield het voor zeker, dat het scheepsvolk het schip zelf in brand gestoken en zich met de booten gered had. Hij had met zijn schip de kusten van het eiland Man onderzocht, ten einde de schuilplaatsen van de sluikhandelaars te ontdekken, die zich wellicht een dag of wat in de bosschen zouden schuilhouden, en dan trachten deze wijkplaats te verlaten; maar volstrekt geen spoor van hen gevonden.

Dit was het bericht van Willem Pritchard, bevelhebber van Z. M. schip „de Haai,” die eindigde met te verklaren, dat het hem zeer leed deed, dat hij het geluk niet had gehad de schurken te kunnen vinden, die de onbeschoftheid hadden gehad te vuren op ’s Rijks vlag, terwijl hij verzekerde, dat als hij op een lateren tocht den heer Hatteraick ontmoette, hij niet nalaten zou hem aan wal te slepen om alles te verantwoorden wat men tegen hem in te brengen had.

Dus vaststellende, dat het scheepsvolk van Dirk Hatteraick zich gered had, was de dood van Kennedy gemakkelijk te verklaren, indien hij in het bosch in handen van deze woestelingen, door het verlies van hun schip, waarvan hij gedeeltelijk de oorzaak was, woedend tegen hem geworden, gevallen was. Ook was het niet onwaarschijnlijk, dat zij het kind vermoord hadden, te meer daar het bekend was, dat Hatteraick zeer verbitterd tegen diens vader was, die zooveel ijver in het vervolgen der smokkelaars betoond had, en ijselijke verwenschingen tegen hem uitgebraakt had. Tegen dit vermoeden werd ingebracht, dat vijftien of twintig menschen zich niet gemakkelijk hadden kunnen verbergen op eene kust, waar aanstonds, na het verongelukken van hun schip, zulke nauwkeurige nasporingen in het werk waren gesteld, en waar men, in dat geval, ten minste hunne booten had moeten vinden. En was het wel te denken, dat zij in een zoo bedenkelijken toestand, welke hunne vlucht zoo gevaarlijk, ja bijna onmogelijk maakte, op die plaats bij elkander zouden komen, om, alleen uit wraakzucht, een nutteloozen moord te begaan? Zij, die dit gevoelen koesterden, veronderstelden, dat de booten onbemerkt door allen, die naar het brandende schip zagen, in zee gekomen en ver genoeg verwijderd waren, vóor dat de sloep de kaap omzeilen kon, of dat het scheepsvolk, indien de booten door het vuur van de oorlogssloep vernield waren, het wanhopige besluit hadden genomen, met hun schip om te komen. Dit laatste vermoeden kreeg eenigen grond, doordien men noch van Dirk Hatteraick, noch van zijne matrozen, die door hunnen smokkelhandel op de geheele kust en op het eiland Man zeer bekend waren, niettegenstaande de strengste nasporingen, iets vernemen kon, en dewijl er slechts éen lijk, waarschijnlijk van een in het gevecht gesneuvelden zeeman, aan het strand gespoeld was.

Er bleef dus niets anders te doen dan de namen, beschrijving en uiterlijk van de manschappen tot het schip behoorende op te teekenen, en om een belooning uit te schrijven voor hunne aanhouding, aan iedereen, die zelf de moordenaar niet was, die de uitlevering en de veroordeeling van de aanvallers van Frans Kennedy kon bewerken.

Anderen, wier gevoelen ook zeer aannemelijk scheen, wilden de schuld van deze verschrikkelijke misdaad op de verdreven bewoners van Derncleugh werpen. Het was bekend, dat zij door het gedrag van den heer van Ellangowan tegen hen uiterst verbitterd waren, en verschrikkelijke bedreigingen tegen hem uitgesproken hadden, tot welker volvoering ieder hen in staat hield. Het stelen van het kind was ook eene daad, welke men veel eerder aan hen, dan aan de smokkelaars toeschrijven zoude; en kon Kennedy niet, bij zijne pogingen om het kind te redden, omgekomen zijn? Bovendien had hij een paar dagen te voren, bij het verdrijven der Heidenen uit Derncleugh, eene groote rol gespeeld, zoo dat er bij die gelegenheid hevige, en dreigende woorden tusschen hem en eenige der hoofden van den stam gewisseld waren. De ongelukkige vader en zijn dienaar legden ook voor den sheriff eene verklaring af, betreffende hunne laatste ontmoeting met de Heidenen op de grenzen van het grondgebied van Ellangowan.

De woorden van Meg Merrilies vermeerderden den argwaan. Er was, zooals de magistraat in zijn rechtsgeleerde taal opmerkte, een damnum minatum – een bedreiging van onheil – in de woorden opgesloten en een malum secutum – een onheil van voorspelden aard, was gevolgd. Ook meende een meisje, dat noten in het bosch van Warroch gezocht had, dat zij Meg Merrilies, of ten minste eene vrouw van hare buitengewone grootte en met hare bijzondere kleeding, door het bosch had zien snellen. Het meisje had haar bij haren naam geroepen; maar daar de gestalte van haar weggeloopen was en haar geen antwoord gegeven had, kon zij niet weten, of het de Heidin zelve of hare schim geweest was, en zij had gevreesd een wezen na te sporen, in welks nabijheid het, volgens hare uitdrukking, „niet zuiver was.” Dit verhaal scheen bevestigd te worden door de omstandigheid, dat er op denzelfden avond vuur in den schoorsteen van de verlaten hut van Meg Merrilies gevonden werd, wat ook getuigd werd door Bertram en den tuinman, ofschoon het aan den anderen kant bijna niet te denken was, dat de Heidin, indien zij medeplichtig was aan de gruwelijke misdaad, zich zoo spoedig na de volvoering daarvan naar eene plaats zoude begeven, waar men haar het eerst moest zoeken. Meg Merrilies werd evenwel in hechtenis genomen en verhoord. Zij ontkende stellig, dat zij op den dag van Kennedy’s dood te Derncleugh of in het bosch van Warroch geweest was, en bovendien bevestigden verscheidene van haren stam met eede, dat zij hunne legerplaats in een dal, omstreeks tien Engelsche mijlen van Ellangowan, in het geheel niet verlaten had. Op hunne eeden was wel niet veel te vertrouwen; maar welke andere zekerheid kon men in deze omstandigheden hebben? Door haar verhoor kwam er echter éene opmerkelijke omstandigheid aan het licht. Haar arm scheen namelijk door een scherp werktuig gewond te zijn en was met een zakdoek van den kleinen Hendrik verbonden. Het opperhoofd van de bende verklaarde echter, dat hij haar op dien dag met zijn dolk „getuchtigd” had; zij zelve en anderen gaven dezelfde verklaring wegens hare wond; en daar er in de laatste maanden zoo veel linnengoed te Ellangowan gestolen was, liet het zich gemakkelijk verklaren, hoe Meg Merrilies aan den zakdoek gekomen was, zonder haar juist daarom van eene snoode misdaad te betichten.

Bij haar verhoor was het opmerkelijk, dat zij bij de vragen, betrekkelijk den dood van Kennedy, of „den douane-man,” zoo als zij hem steeds noemde, onverschillig bleef, maar daarentegen zeer verstoord en verontwaardigd scheen, dat men haar in staat achtte, den kleinen Hendrik Bertram het minste leed te doen. Men liet haar echter lang in de gevangenis zuchten, in de hoop dat er nog iets ontdekt mocht worden, dat licht over deze geheimzinnige en bloedige daad kon verspreiden. Daar er echter niets aan den dag kwam, werd zij ten laatste ontslagen, maar tevens als landloopster en diefegge uit het graafschap verbannen. Er werd evenwel hoegenaamd geen spoor van den knaap gevonden, en eindelijk hield men op van deze onverklaarbare zaak, die in het eerst zoo veel gerucht gemaakt, had, te spreken. Het aandenken daaraan bleef nochtans levendig onder de benaming van „opzichterssprong” welke aan de rots, waar Kennedy zijn dood gevonden had, gegeven werd.

ELFDE HOOFDSTUK.

De Tijd treedt op.

– Ik, die sommigen behaag, – op proef stel allen, De vreugd der goeden en der boozen schrik, – Ik, die dwaalbegrippen in ’t leven roep, En dwaalbegrippen ook ophelderen kan, Neem thans op mij met snelle vlucht voorbij te gaan, En over zestien jaren heen te vliegen als een pijl – Zonder te melden wat in dien tijd geschiedt.

Shakspeare.

Ons verhaal gaat hier een tijdvak van omstreeks zeventien jaren, waarin niets merkwaardigs voorviel, met stilzwijgen voorbij. Eene groote gaping voorwaar; maar den lezer, die reeds op zoo vele levensjaren terug kan zien, zal dit tijdperk in de herinnering nauwelijks langer voorkomen, dan de tijd, welken hij noodig heeft, om dit verhaal te doorbladeren.

Zeventien jaren dus na de ongelukkige gebeurtenis, welke wij in het vorige hoofdstuk verhaald hebben, zat een vroolijk gezelschap, op een kouden stormachtigen Novemberavond, aan den haard in de kleine maar gezellige herberg te Kippletringan. Het gesprek dat daar gevoerd werd, maakt het overbodig voor mij om de weinige voorvallen te melden, die in den langen tusschentijd, waarvan ik gesproken heb, gebeurd waren.

De waardin, vrouw Mac-Candlish, zat in een gemakkelijken leuningstoel en onthaalde een paar buurvrouwen op een kopje geurige thee, terwijl de zorgvuldige huisvrouw nochtans niet vergat, een waakzaam oog op de heen en weêr loopende bezige dienstboden te houden. De koster en voorzanger van het dorp zat op eenigen afstand en rookte genoegelijk zijn gewoon zaterdagavonds-pijpje, terwijl hij tusschenbeide de lippen met een teugje brandewijn en water bevochtigde. De diaken en kruidenier Bearcliff, een man van groot gewicht in het dorp, hield het met beide partijen; hij rookte zijne pijp en dronk een kopje thee, waarin hij een weinig brandewijn deed. Een weinig verder zaten een paar landlieden bij een kan dun bier.

„Is de kamer in orde?” vroeg de waardin aan hare kamermeid! „brandt het vuur goed en rookt het er niet?”

Het meisje verklaarde dat alles in orde was.

„Men mag niet onbeleefd jegens hen zijn, vooral niet in hun ongeluk,” hernam de waardin, zich tot den winkelier wendende.

„Zeker niet, vrouw Mac-Candlish, zeker niet”, antwoordde Bearcliff. „Geloof mij, als zij eenige kleinigheden uit mijn winkel noodig hebben, welke niet meer dan zeven, acht of tien pond zwaar zijn, geef ik hun die even gaarne op krediet, als den voornaamste hier uit den omtrek. Komen zij met de oude koets?”

„Dat geloof ik niet;” zei de voorzanger. „juffrouw Bertram rijdt altijd op den grijze hit naar de kerk. Het lieve meisje is eene vlijtige kerkgangster, en het is een lust, haar de psalmen te hooren zingen.”

„Ja, en de jonge heer van Hazlewood rijdt altijd halfweg met haar, wanneer zij, als de kerk uit is, naar huis gaat,” hernam eene der buurvrouwen. „Ik zou wel willen weten wat de oude Hazlewood er van denkt.”

„Wat hij er van denkt, weet ik niet,” hernam een andere uit het gezelschap; „maar er is een tijd geweest, toen Ellangowan het even ongaarne zou gezien hebben, dat zijne dochter zich met den zoon van Hazlewood inliet.”

„Ja, er was een tijd,” antwoordde de eerste met nadruk.

„Ja zeker, buurvrouw Ovens,” sprak de waardin; „het geslacht der Hazlewoods is wel een goede oude familie hier in het graafschap; maar voor een twintigtal jaren dachten zij er nog niet aan, zich met de Ellangowans gelijk te stellen. De Bertrams van Ellangowan zijn de oude Mac-Dingawaies, zoo als een oud lied zegt. Mijnheer Skreigh zou het wel voor ons kunnen zingen.”

„Beste vrouw,” antwoordde de koster, zijn glaasje met veel deftigheid aan den mond brengende; „onze talenten zijn ons tot andere doeleinden gegeven, dan om, zoo kort voor den dag des Heeren, zulke oude dwaze liedjes te zingen.”

„Wel zoo! ik heb u toch meer dan eens op een zaterdagavond een vroolijk liedje hooren zingen. Maar om weder op de koets terug te komen, buurman Bearcliff, die is sedert den dood van Mevrouw Bertram niet uit het koetshuis geweest, en dat is nu omstreeks zeventien jaren geleden. Ik heb Hans Jabos met zijn wagen gezonden, om hen te halen. Het verwondert mij, dat hij nog niet terug is. Het is wel stikdonker, maar de weg is over het algemeen goed; er zijn slechts een paar gevaarlijke plaatsen en de brug over de beek te Warroch is veilig genoeg, als men aan den rechterkant blijft, Het eindje moeras, wat verder op, is ook wel lastig voor de paarden, maar Hans kent den weg best.”

Hier hoorde men hevig aan de deur kloppen.

„Dat zijn ze niet, ik hoor geen rijtuig,” zei de waardin; „Grietje! loop eens zien wie er is.”

„Het is een heer alleen,” berichtte de meid „zal ik hem in de zaal brengen?”

„Bij je leven niet! ’t zal wel de een of ander Engelsche reizende koopman zijn, die zoo laat ’s avond zonder bediende aankomt. Heeft de stalknecht hem zijn paard afgenomen? Leg maar een kooltje vuur in de roode kamer aan.”

„Ik wenschte wel,” zei de reiziger, naar den algemeenen haard tredende, „dat ik mij hier maar eerst wat warmen kon; het is een zeer koude nacht.”

Zijn uiterlijk, zijne stem en manieren maakten dadelijk een gunstigen indruk. Het was een schoon, rijzig man, in het zwart gekleed, zoo als men zag toen hij zijn mantel afgelegd had, tusschen de veertig en vijftig jaren oud, met ernstige belangwekkende gelaatstrekken, iets krijgshaftigs in zijne houding, die zoo wel als zijne bewegingen den fatsoenlijken man verraadden. Vrouw Mac-Candlish had het, door lange ondervinding, zeer ver gebracht in de kunst, om den rang harer gasten op het eerste gezicht te raden, ten einde hen dien overeenkomstig te ontvangen. Bij deze gelegenheid was zij zeer mild met hare komplimenten en beleefde woorden; en toen de vreemdeling verzocht, dat zijn paard toch goed opgepast mocht worden, ging zij zelve naar den stal, om er naar te zien. De knecht verzekerde, dat er nog nooit een schooner dier in den stal te Kippletringan gestaan had, en deze verklaring vermeerderde den eerbied der waardin jegens den ruiter.

Daar de vreemdeling niet verkoos in eene andere kamer te gaan, die, zoo als zij zelve bekende, kil en vol rook zou zijn tot het vuur flink doorbrandde, bezorgde zij hem de beste plaats bij den haard, en bood hem alles aan, wat kelder en keuken konden opleveren.

Hij verlangde niets dan een kopje thee. Zij haastte zich, om een kopje beste heisan voor hem gereed te maken, bood het den vreemdeling beleefd aan, en zeide tot hem: „Wij hebben eene zeer aardige zitkamer, Mijnheer, met alles, wat een fatsoenlijk man verlangen kan; maar die is ongelukkig voor dezen nacht besproken door een heer met zijne dochter, die deze plaats verlaten willen. Ik laat hen met mijn wagen halen; zij zullen wel aanstonds hier zijn. Het gaat hun tegenwoordig niet zoo goed, als voorheen; doch zoo gaat het in de wereld, nu vóor dan tegen den wind, zoo als Mijnheer zeker wel meer gezien zal hebben. Maar hindert u de tabaksrook niet, Mijnheer?”

„In het minste niet,” antwoordde de vreemdeling; „ik ben een oud krijgsman, en wel aan den rook gewoon. – Mag ik u wel eenige vragen doen aangaande eene familie, welke verscheidene jaren geleden hier in den omtrek woonde?”

Op dit oogenblik hoorde men een rijtuig aankomen. De waardin ijlde naar de deur, om hare gasten te ontvangen, maar kwam oogenblikkelijk met den voerman alleen terug. „Neen,” zeide deze, „zij kunnen volstrekt niet komen; Mijnheer is zoo ziek.”

„Dan helpe hen God!” antwoordde de waardin; „en morgen is reeds de laatste, de allerlaatste dag, dat zij nog in het huis blijven kunnen. Er is geen uitstel te krijgen.”

„Ja,” hernam de voerman, „maar zij kunnen onmogelijk komen, zeg ik. Mijnheer Bertram kan niet vervoerd worden.”

„Wie,” vroeg de vreemdeling, „Mijnheer Bertram? Ik hoop toch niet Bertram van Ellangowan?”

„Juist dezelfde,” was het antwoord. „Indien gij zijn vriend zijt, komt gij juist op een tijd, dat het hem heel slecht gaat.”

„Ik ben lang uitlandig geweest,” hernam de vreemdeling. „Is zijne gezondheid in zulk een slechten toestand?”

„Ja, beide zijne gezondheid en zijne zaken,” hervatte de kruidenier. „Zijne schuldeischers vervolgen hem en zijne goederen zullen verkocht worden. Menschen, die het meest aan hem verdiend hebben, – ik zal geen naam noemen, maar vrouw Mac-Candlish weet wel, wien ik bedoel – vervolgen hem het ergst. Ik zelf heb ook iets te vorderen, maar liever zou ik het verliezen, dan den ouden man nu, terwijl hij stervende is, uit zijn huis zetten.”