Part 18
Met rijken buit beladen, keerden de visschers huiswaarts. Meer dan honderd zalmen waren er bij deze gelegenheid gevangen. De beste werden voor de pachters zelven uitgezocht; de overige onder hunne herders, arbeiders en andere geringe lieden, die bij de jacht tegenwoordig geweest waren, verdeeld, die ze in hunne hutten rookten, om ze, als een lekker beetje, bij hunne gewone winterspijs, aardappelen en uien, te nuttigen. Intusschen liet Dinmont rijkelijk bier en brandewijn onder hen ronddeelen en in een grooten ketel een paar zalmen voor hun avondmaal koken. Toen zij goed en wel aan den maaltijd zaten, trad Brown met zijn opgeruimden gastheer en de andere pachters in de groote, rookerige keuken, waar het smakelijke gerecht op een groote eiken tafel dampte. Allen waren van harte vroolijk en juichten onder schertsen en lachen. Brown zocht overal naar het donkere gelaat van den vossenjager; maar de man was nergens te zien. Eindelijk vroeg hij naar hem en zeide:
„Dat was een domme streek van een van u allen, om zijne fakkel juist in het water te laten vallen, toen zijn kameraad met dien grooten visch bezig was.”
„Dom!” hernam een van de herders (dezelfde jonge held, die den zalm gestoken had), „hij verdiende er, ik weet niet wat, voor; het licht uit te dooven, als men den visch in zijne kneukels heeft! Ik ben overtuigd, dat Gabriël de fakkel opzettelijk in het water liet vallen. Hij kan niet dulden, dat een ander iets beter doet dan hij zelf.”
„Hij zal zich wel schamen,” zeide een derde; „anders zou hij hier niet wegblijven. Gabriël houdt evenveel van wat goeds, als een van ons allen.”
„Is hij hier, uit deze landstreek, geboortig?” vroeg Brown.
„Neen, hij is eerst sedert kort aangesteld, maar hij is een flinke jager. Hij is van Dumfries, of ten minste van dien kant van daan.”
„En hoe is zijn naam eigenlijk?”
„Gabriël.”
„Maar hoe meer dan Gabriël?”
„Ja, dat weet de lieve hemel! wij bekommeren ons hier niet veel om de achternamen van de menschen. En zij zijn in onderscheidene oorden zoo verschillend.”
„Hoor, Mijnheer,” zei een oude herder, terwijl hij opstond, „hier in de omstreek heeten de menschen allen Armstrong, Elliot, of zoo iets; wij hebben hier maar zeer weinig namen [12]. Ter onderscheiding voeren de heeren en pachters den naam van de plaats, welke zij bewonen; bij voorbeeld, Tam van Todshaw, Hobbie van Sorbitrees, en onze goede meester hier van Charlies-hope. En dan moet gij weten, Mijnheer, dat de geringe menschen door bijnamen onderscheiden worden, die gewoonlijk van iemands beroep afkomstig zijn. Zoo noemen wij, bij voorbeeld, dezen knaap Gabriël Vos of Jager Gabriël. Hij is nog niet lang hier geweest en ik geloof niet, dat iemand hem bij een anderen naam kent. Maar wij moeten achter zijn rug geen kwaad van hem spreken: want hij is een flinke vossenjager, ofschoon hij misschien nog niet zoo goed met den drietand kan omgaan, als sommigen onder ons.
Spoedig hierop verwijderde Brown zich met zijn gastheer en de andere pachters, ten einde de luidruchtige vreugde bij dezen maaltijd door hunne tegenwoordigheid niet langer te storen, en zelven den avond onder onschuldige scherts en gezellige vroolijkheid door te brengen. Intusschen zouden de mannen bij hunne punchkom de grenzen der matigheid misschien overschreden hebben, indien niet verscheidene naburige pachtersvrouwen, welke mede te Charlies-hope gekomen waren om dezen gedenkwaardigen avond te vieren, hiertegen gewaakt hadden. Toen zij de punchkom zoo dikwijls zagen vullen, dat zij gevaar liepen dat hare tegenwoordigheid vergeten zou worden, trokken zij, onder aanvoering van de huisvrouw, moedig op de drinkebroeders los en haalden hen spoedig over, om eenen vroolijken dans te beginnen, waartoe reeds bij voorraad een paar muziekanten besteld waren, zoodat Bacchus spoedig door Venus op de vlucht gejaagd werd.
De volgende dag was aan eene otterjacht gewijd, en den hierop volgenden ging Brown met zijn gastheer op de dassenvangst uit. Nadat de jonge Peper bij deze gelegenheid, in een gevecht met een das, eenen voorpoot en Mosterd de tweede bijna het leven verloren had, verzocht Brown, als eene bijzondere gunst, aan den heer Dinmont, den armen das, die zich zoo dapper verdedigd had, niet langer te vervolgen en verder ongestoord in zijn hol te laten.
De pachter, die dit verzoek, wanneer iemand anders het gedaan had, ongetwijfeld met verachting van de hand gewezen zou hebben, vergenoegde zich thans Brown hierover zijne verbazing te betuigen. „Dat is wel een wonderlijk verzoek!” zeide hij. „Maar, daar gij u voor hem in de bres stelt, zoo zal de drommel den hond halen, die hem weer te na komt, als ik er bij ben. Ja, wij zullen het dier teekenen en het des ritmeesters das noemen. Het verheugt mij, dat ik u hiermede een dienst kan doen. Maar lieve hemel! ìk begrijp niet, hoe gij u zoo om een das bekommeren kunt!”
Na verloop van eene week, welke Brown onder soortgelijke vermaken bij zijn braven gastheer, van wiens hartelijke vriendschap hij de duidelijkste bewijzen ontvangen had, doorbracht, zeide hij de oevers van de Liddel en het gastvrije Charlies-hope vaarwel. Al de kinderen, wier lieveling hij reeds geworden was, weenden bij zijn vertrek, en hij moest hun wel twintigmaal beloven, dat hij spoedig weder komen en dan al hunne lievelingsdeuntjes zoo lang op de fluit zou voorspelen, totdat zij ze van buiten kenden.
„Kom weder ritmeester!” zei een onbeschroomde kleine jongen, „en Jenny zal uwe vrouw worden.” Het meisje, omstreeks elf jaar oud, liep weg en verschool zich achter hare moeder.
„Ritmeester, kom terug!” riep een poezelig zesjarig meisje, terwijl zij hem haar mondje tot een kus toehield, „en ik wil zelve uwe vrouw wezen.”
Waarlijk, dacht Brown, men moest een hart van steen hebben, om zonder aandoening van zulke goede, brave menschen te kunnen scheiden.
Ook de goede huisvrouw bood den vertrekkenden gast hare wang aan, met de eerbare zedigheid en de eenvoudige vriendelijkheid van vroegere dagen. „Wij kunnen zeker slechts weinig, zeer weinig doen,” zeide zij, „maar – als ik maar iets wist, dat –”
„Lieve vrouw Dinmont,” viel Brown haar in de rede, „ik zal de vrijheid nemen u een verzoek te doen. Wilt gij zoo goed zijn, mij zulk eene grijze schouderdeken te laten weven, als uw man draagt?” Hij had, gedurende zijn kort verblijf in dit oord, de taal en het gevoel van de bewoners leeren kennen en wist met hoeveel genoegen men zijn verzoek hooren zou.
„Dat zult gij hebben,” antwoordde de vrouw, terwijl hare oogen van vreugde schitterden, „en zoo goed, als er ooit een gemaakt is, of er moest geen draad wol meer in het land zijn. Ik zal er morgen met den wever te Castletown over spreken. En nu vaarwel, Mijnheer! Mocht gij zelf zoo gelukkig zijn, als gij maar iemand toewenscht het te zijn – en dat zou ik niet tegen iedereen durven zeggen!”
Ik moet niet verzuimen mede te deelen, dat onze reiziger zijn getrouwen metgezel, den kleinen Wesp, te Charlies-hope achterliet, daar hij vooruitzag, dat zijn hond een lastig gezelschap zou zijn, in geval hij zich misschien om de eene of andere reden verborgen of onbekend moest houden. De oudste knaap nam het op zich, voor Wesp te zorgen, en beloofde met de woorden van een oud lied, dat de hond
„Een stukje van zijn brood, een plaatsjen op zijn bed”
zou hebben en nooit bij het gevaarlijke tijdverdrijf, waarbij het geslacht van Mosterd en Peper zoo dikwijls verminkt was geworden, gebruikt zou worden.
In deze bergstreek houdt men veel van paardrijden. Iedere landbouwer rijdt goed en zit den geheelen dag in den zadel. Het is waarschijnlijk, dat de uitgestrektheid der graslanden en de noodzakelijkheid om ze eens vlug te kunnen in oogenschouw nemen, deze gewoonte bevorderde, – of wellicht zou een ijverige oudheidkenner ze kunnen nasporen tot de tijden van den „Laatsten der Minestreelen”, [13] toen de alarmvuren een twintigduizend ruiters bijeenbrachten. Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar dat zij van paardrijden houden en slechts met moeite gelooven, dat iemand anders dan uit zuinigheid of noodzaak te voet gaat.
Dinmont drong er dus sterk op aan, dat Brown de reis te paard zou doen. Hij wilde hem dan ook tot aan de naaste stad in Dumfries-shire vergezellen, vanwaar Brown zijne voorgenomen reis naar Woodbourne, de verblijfplaats van Julia Mannering, verder voortzetten wilde.
Onderweg vroeg Brown zijn reisgezel naar den vossenjager, maar Dinmont kon hem weinig van den man zeggen, daar hij eerst in den tijd, dat deze de jaarmarkten in het Hoogland bezocht, zijne betrekking gekregen had.
„Het schijnt een gemeene vent,” antwoordde Dinmont; „ja, ik zou wel zeggen, dat hij Heidensch bloed in de aderen heeft. Maar hij is geen van de schurken, die ons in het moeras aangerand hebben; daar kunt gij gerust op wezen: die zou ik zeer goed herkennen als ik ze eens weder te zien kreeg. Onder de Heidenen vindt men echter niet enkel slechte lieden, en wanneer ik dat oude rimpelige wijf eens weder ontmoet, geef ik haar zeker iets om tabak te koopen: want ik ben nu bijna overtuigd, dat zij het goed met mij meende.”
Toen het oogenblik der scheiding kwam, hield de brave pachter Brown lang zwijgend bij de hand en zeide eindelijk: „Ritmeester, het gaat van het jaar zoo goed met de wol, dat ik daarvan de geheele pacht kan betalen; en als nu mijn vrouwtje haar nieuw kleed en de kinderen ook ieder iets nieuws gekregen hebben, weet ik niet, wat ik met het overige geld zal doen. Ik wilde het gaarne aan eene veilige hand toevertrouwen; want het is veel te veel, om in brandewijn en suiker te verdoen. Nu heb ik wel eens gehoord, dat gij, heeren van het leger, u somtijds een hoogeren rang kunt koopen, en indien u nu bij zulk eene gelegenheid een paar honderd pond sterling konden helpen, zou mij een stukje papier van uwe hand even lief zijn als mijn geld, en gij kunt naar uw eigen goedvinden den tijd bepalen, wanneer gij het mij terug geven wilt. Daarmede zoudt gij mij een grooten dienst doen.”
Brown wist de kieschheid van den pachter, die onder den schijn van eene gunst te verzoeken hem een dienst aanbood, naar eisch te waardeeren. Hij bedankte zijn welmeenenden vriend hartelijk en verzekerde hem, dat hij zonder schroom zijne toevlucht tot zijne beurs zou nemen, als de omstandigheden dit mochten vereischen. Hierop scheidden zij onder betuiging van wederzijdsche hoogachting.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Zoo gij weet wat het heet barmhartig te zijn, Keer mijn gelaat naar den muur en laat mij sterven.
Joanna Baillie.
Nadat onze reiziger afscheid van Dinmont genomen had, huurde hij een rijtuig naar Kippletringan, waar hij eerst eenige berichten aangaande de familie te Woodbourne wilde inwinnen, vóor dat hij het waagde, Julia Mannering van zijne tegenwoordigheid te verwittigen. De afstand was vrij groot, een uur of zes zeven, en de weg liep dwars door het veld. Niettegenstaande eene hevige sneeuwjacht hadden zij reeds een paar uren afgelegd, zonder dat de voerman in het minst scheen te twijfelen of zich te bedenken; eerst toen het volkomen duister werd, uitte hij eenigen twijfel, of zij wel op den weg waren. Een zeer onaangename toestand, daar er volstrekt geen weg te onderscheiden was, en de sneeuw, die den voerman onophoudelijk in de oogen joeg, zijne kennis van dit oord nog meer in de war bracht en het bijna onmogelijk maakte, het rechte spoor weder te vinden. Brown steeg eindelijk uit het rijtuig en keek overal rond, of hij ook ergens een huis ontdekte, waar hij naar den weg kon vragen. Maar te vergeefsch, en er bleef hem dus niets anders over, dan op goed geluk af verder door te rijden. Zij reden door zulke uitgestrekte plantsoenen, dat Brown vermoedde, dat zij niet ver van een landgoed konden zijn. Eindelijk hield de voerman, nadat zij met veel moeite nog een eindje afgelegd hadden, stil en verklaarde, dat zijne paarden geen voet meer verzetten wilden, maar zeide tevens, dat hij een licht tusschen de boomen zag, ’t welk zeker uit een huis moest komen, en dat zij dáar naar den weg konden vragen. Te dien einde steeg hij af en waadde op deze ontdekkingsreis, belast met zijn langen jas en zijne zware laarzen, welke in dikte met het zevenvoudig schild van Ajax hadden kunnen wedijveren, door de dikke sneeuw, tot dat Brown zijn geduld verloor, uit het rijtuig sprong en den knaap beval bij de paarden te blijven, terwijl hij zelf het huis wilde opzoeken; een bevel, waaraan de voerman met vreugde gehoorzaamde.
Onze reiziger liep eenigen tijd langs de omheining waardoor het licht scheen, totdat hij een hek en een voetpad vond, dat in het uitgestrekte plantsoen leidde. Brown volgde dit voetpad, dat naar het licht, het voorwerp van zijn zoeken, scheen te voeren, maar verloor het schijnsel spoedig tusschen de boomen uit het gezicht. Het pad, dat bij den ingang van het bosch, waardoor het ging, breed en zeer zichtbaar was, werd nu moeielijk te onderscheiden, ofschoon het door de versch gevallene sneeuw nog al eenigszins licht was. Terwijl hij zooveel mogelijk de meest open plaatsen van het bosch zocht, liep hij een heelen tijd door, zonder het licht weder te zien, of iets, dat op eene woning geleek, te ontdekken. Evenwel oordeelde hij het best, zijn weg in dezelfde richting te vervolgen: want het licht moest zeker uit de hut van een boschwachter geschenen hebben, daar het te onbewegelijk stond, om het schijnsel van een dwaallichtje te zijn. De grond werd eindelijk oneffen en begon sterk te hellen. Brown dacht nog steeds, dat hij op een spoor, hetwelk ten minste eens een voetpad geweest was, ging; maar het was nu zoo oneffen en de hoogten en laagten zoo zeer door de hoe langer zoo dichter vallende sneeuw bedekt, waarover hij zich in zijn ongeduld weinig bekommerd had, dat hij meer dan eens viel en ernstig aan terugkeeren begon te denken.
Eene laatste poging willende wagen, ging hij nog een weinig verder en ontdekte tot zijne groote vreugde op geringen afstand het licht weder, dat op dezelfde hoogte scheen te zijn als hij. Hij vond nochtans spoedig, dat hij zich hierin bedroog. De grond liep verder zoo steil naar beneden, dat het bleek, dat er een diep dal tusschen hem en het voorwerp zijner nasporingen was. Voorzichtig verder afdalende, kwam hij eindelijk beneden in een zeer diep, nauw dal, waardoor een beekje kronkelde, welks loop bijna door de sneeuw gestremd was. Hij kwam nu bij eenige verwoeste hutten, van welke de zwarte gevels, die bij de witte oppervlakte, waarboven zij zich verhieven, sterk afstaken, alleen nog stonden en waarvan de puinhoopen, welke verstrooid in het rond lagen en met sneeuw bedekt waren, zijne schreden dikwijls zeer belemmerden. Maar alle zwarigheden moedig trotseerende, ging hij door de beek, kwam, na veel moeite en gevaar, op den anderen ruwen oever en vervolgde zijnen tocht, tot dat hij het gebouw, vanwaar het licht scheen, bereikte.
Bij het flauwe licht was: het moeielijk te ontdekken, welk soort van gebouw dit was. Het scheen echter vierkant, niet groot en van boven geheel vervallen te zijn. Het was waarschijnlijk in vroegere tijden de woning van een geringen landedelman geweest, of had een aanzienlijk man, in geval van nood, tot schuilplaats gediend. Het onderste gewelf alleen was nog onbeschadigd en diende het gebouw, in zijn tegenwoordigen toestand, tot dak. Brown ging op het licht af, dat door eene lange, smalle spleet, of schietgat, zoo als men gewoonlijk in oude kasteelen vindt, straalde. Door nieuwsgierigheid gedreven, keek hij door deze opening, om, voor dat hij binnentrad, het inwendige van deze vreemde plaats op te nemen. Een erger tooneel van verwoesting laat zich bijna niet denken. Op den grond lag een vuur te branden. De rook trok door het geheele vertrek, voor dat hij door een in een boog van het gewelf gebroken gat een uitgang vond. Bij dit walmende licht hadden de muren het woeste voorkomen van ten minste driehonderdjarige bouwvallen. Een paar vaten, eenige gebroken kisten en pakken lagen in wanorde door elkander. Maar nog meer trokken de bewoners van dit gebouw Brown’s aandacht tot zich. Op een strooleger, waarover een deken gespreid was, lag eene menschelijke gestalte zoo stil en onbeweeglijk, dat Brown ze voor een lijk gehouden zou hebben, indien het gewone lijkgewaad niet ontbroken had. Maar spoedig verried een zwaar en diep zuchten en kermen, die den naderenden zwaren doodstrijd aankondigden, dat de zieke nog leefde. Eene vrouwelijke gedaante, in een langen mantel gehuld, zat op een steen bij dit ellendig leger. Zij rustte met de ellebogen op de knieën, wendde haar gelaat van het licht eener ijzeren lamp, welke naast haar stond, af en hield hare blikken op den stervende gevestigd. Van tijd tot tijd bevochtigde zij hem de lippen en zong tusschenbeide, op eene zachte, eentonige wijze, een van die gebeden of liever tooverspreuken, welke in eenige gedeelten van Schotland en het noorden van Engeland ìn gebruik zijn, om daardoor, zoo als het bijgeloof waant, het scheiden der ziel van het lichaam te verlichten, even als met het kleppen der klok geschiedde in de tijden van het katholicisme. Zij vergezelde deze treurige tonen met eene langzame, wiegende beweging van haar lichaam, alsof zij daardoor de maat van haar gezang wilde aangeven. De woorden luidden bijna als volgt:
„Wat, vermoeide! toeft gij toch? Kampt met stof en aarde nog? Schei van ’t lichaam, loom en log! Hoor de Misse zingen!
Maak u van uw hulsel vrij; Sta de Moeder Gods u bij! Heil’gen staan aan uwe zij – Hoor de doodklok luiden!
Vrees noch sneeuw, noch hageljacht, Noch den langen winternacht! In de doodkist slaapt men zacht, Om niet weer te ontwaken.
Haast u! dat geen vrees u stuit’! De aard’ snelt voort – ’t is tijd – besluit! Blaas den laatsten adem uit – Zie den morgen naken!
Hier zweeg de zangster en werd door een diep, hol zuchten en steunen beantwoord, dat den laatsten doodstrijd scheen aan te kondigen.
„Het gaat nog niets mompelde zij bij zich zelve. „Hij kan niet sterven met zulk een zwaren last op zijne ziel. Dat houdt hem hier vast.” –
Ach, de Hemel duldt hem niet! De aarde ontzegt hem haar gebied [14]!
„Ik moet de deur opendoen.” Zij stond op, ging naar de deur, zorg dragende haar hoofd niet om te draaien, en lichtte, nadat zij een paar sterke grendels voor de deur, welke, niettegenstaande het armoedige voorkomen van het vertrek, zeer zorgvuldig gesloten was, weggeschoven had, de klink op, waarbij zij zong;
„Slot, ontsluit u! – Strijd, bezwijk! Kom, o Dood! en, Leven, wijk!”
Brown had intusschen zijne standplaats verlaten en stond vlak voor haar, toen zij de deur opendeed. Zij deinsde van verbazing eene schrede achteruit, waarop hij binnentrad en dadelijk, maar met geene aangename gewaarwording, dezelfde oude Heidin herkende, die hij vroeger te Bewcastle ontmoet had. Zij herkende hem oogenblikkelijk. In hare houding en blikken verried zij eene angstige bezorgdheid, en had geheel het voorkomen van de goedaardige reuzin in het tooversprookje, die den vreemdeling waarschuwt, het gevaarlijke paleis van haren gemaal niet binnen te treden. Het eerste dat zij zeide (terwijl zij de hand bestraffende ophief) was: „Heb ik u niet gezegd, bemoei u nergens mede? – Wacht u voor bloedige slagen. Gij komt hier bij geen vreedzaam sterfbed.”
Bij deze woorden hief zij de lamp op en liet het licht op de woeste en ruwe gelaatstrekken van den stervende vallen, die onder stuiptrekken den laatsten adem uitblies. Een lap linnen, waarmede zijn hoofd omwonden was, was met bloed bevlekt. Zelfs de dekens en het stroo waren vol bloed, zoo dat alles verried, dat deze ongelukkige een geweldigen dood stierf. Brown huiverde bij dit verschrikkelijk gezicht terug en riep, zich tot de Heidin wendende: „Ellendig wijf, wie heeft dit gedaan?”
„Zij, aan wie dit veroorloofd werd,” antwoordde Meg Merrilies, terwijl zij een scherpen, vorschenden blik op den stervende sloeg. – „Hij heeft een zwaren strijd gehad. Maar het is voorbij. Ik wist, dat hij den geest zou geven, toen gij binnentradt. Dat was de laatste doodsnik – hij is dood!”
Op dit oogenblik lieten zich van verre stemmen hooren. „Zij komen,” zei de Heidin tegen Brown; „gij zijt een man des doods, al hadt gij zoo vele levens, als haren op uw hoofd.”
Brown zag schielijk naar eenig wapen tot zijne verdediging rond, maar vond niets. Nu snelde hij naar de deur, om zich achter de boomen te verbergen er dan door eene snelle vlucht dit verblijf, dat hij voor een moordenaarshol hield, te ontvluchten. Maar Meg Merrilies hield hem met een krachtigen arm terug en zeide: „Hier! hier! Wees stil en gij zijt veilig – verroer u niet, wat gij ook hoort of ziet, en u zal geen leed geschieden.”
In deze wanhopige omstandigheden herinnerde Brown zich den vroegeren goeden raad van de oude vrouw, en geloofde dat gehoorzaamheid het eenige middel tot zijne redding was. Hij moest zich in een’ hoop stroo, dat in een hoek van het vertrek tegenover den doode lag, nederleggen, waarop zij hem zorgvuldig bedekte en eenige oude zakken, die op den grond lagen, over hem heen wierp. Zeer begeerig te weten, wat er gebeuren zou, schikte Brown zoo zacht mogelijk de zakken, waaronder hij verborgen lag, zoodanig, dat hij toch iets zien kon, en verbeidde met een kloppend hart den afloop van dit vreemd en zeer onaangenaam voorval. De oude Heidin hield zich intusschen met den overledene bezig, legde het lijk terecht en de armen langs de zijden, terwijl zij bij zich zelve mompelde: „Het is best dat te doen, voor dat hij stijf wordt.” Zij legde een houten bord met een weinig zout op de borst van den doode, plaatste eene kaars bij zijn hoofd en eene andere bij zijne voeten en stak beide aan. Na gedaan te hebben, begon zij weder te zingen en wachtte de komst af van hen, wier stemmen zij van buiten gehoord hadden.
Hoe dapper en onversaagd Brown ook was, begaf hem op dit oogenblik de moed en vermeesterde de vrees hem zoodanig, dat het koude angstzweet hem aan alle leden uitbrak. Het denkbeeld, door booswichten, wier handwerk de nachtelijke moord was, uit zijn ellendigen schuilhoek gesleept te worden, zonder wapens of het geringste middel tot zijne verdediging dan gebeden, waarmede zij slechts zouden spotten, of hulpkreten, die tot geen ander oor dan het hunne, konden doordringen; de gedachte, dat zijne veiligheid enkel op het onzekere medelijden van een wezen berustte, dat met deze schelmen in verstandhouding leefde en wier hart door gewoonte aan roof en bedrog voor alle menschelijk gevoel verstompt moest zijn – deze bittere gedachten doodden hem bijna. Hij beschouwde het rimpelig, somber gelaat van de Heidin, waarop nu het licht der lamp viel, om er iets in te vinden, ’t welk dat meêwarig gevoel verried, dat vrouwen, zelfs de meest verdorvene, zelden geheel kunnen onderdrukken. Er was geen enkele zachte, menschelijke trek in het gelaat van deze vrouw. De opwelling, of wat het ook zijn mocht dat haar gunstig voor hem innam, sproot niet uit medelijden, maar uit eene geheime, zonderlinge mengeling van aandoeningen, welke hij zich niet verklaren kon. Misschien had het geen anderen grond, dan eene denkbeeldige gelijkenis, even als die welke Lady Macbeth in den slapenden koning met haren vader meende te vinden. Soortgelijke gedachten verdrongen elkander in zijne ziel, terwijl hij deze wonderlijke vrouw uit zijn schuilhoek waarnam. Intusschen kwam de bende nog niet nader en kreeg Brown grooten lust, om zijn eerste voornemen, dit verblijf te ontvluchten, nu nog uit te voeren, bij zich zelven de besluiteloosheid verwenschende, welke hem in een toestand gebracht had, waar geen wederstand of vlucht mogelijk zou zijn.