Part 14
Men zou echter eene onrechtvaardigheid jegens Mannering begaan, indien men niet erkende dat ook zijn wensch, om de ongelukkige Lucie van dienst te zijn, een groot aandeel in zijn besluit had. Het nut, dat Julia uit het gezelschap van Lucie Bertram, op wier voorzichtigheid en gezond verstand bij zich gerust verlaten kon, zou kunnen trekken, was door hem niet onopgemerkt gebleven, en zijne achting voor haar was nog zeer vermeerderd, sedert Mac-Morlan hem onder het zegel der strengste geheimhouding haar gedrag jegens den jongen Hazlewood had toevertrouwd. Mannering’s voorstel, om bij hem in te wonen, kon misschien hare kieschheid beleedigen, indien zij zich daardoor van de tooneelen harer jeugd en de weinige menschen, die zij hare vrienden noemde, moest verwijderen; maar zij kon zich gemakkelijk laten overhalen, om eenigen tijd als gast te Woodbourne door te brengen, zonder zich eenigszins vernederd te gevoelen. Lucie Bertram nam, na eenig beraad, het verzoek aan, om eenige weken bij Julia Mannering te vertoeven. Zij gevoelde maar al te goed, dat het hoofddoel van Mannering was, hoezeer hij uit kieschheid de waarheid zocht te verbloemen, haar in haar ongeluk te ondersteunen en te beschermen. Te zelfder tijd ontving zij van mevrouw Bertram, hare bloedverwante, aan wie zij geschreven had, zulk een koelen en troosteloozen brief terug, als zij ooit had kunnen verwachten. De brief bevatte wel eene kleinigheid aan geld, maar tevens eene dringende vermaning, om daarmede zeer zuinig om te gaan. Zij raadde, of liever vermaande Lucie zeer ernstig, alle pogingen in het werk te stellen, om bij eene stille familie te Kippletringan, of in dien omtrek, in den kost te komen. Ten slotte verzekerde zij Lucie evenwel dat, ofschoon haar eigen inkomen zeer bekrompen was, zij hare nicht toch geen gebrek zou laten lijden. Deze koude, gevoellooze brief perste Lucie tranen af, te meer daar de goede dame, bij het leven van Lucie’s moeder, omstreeks drie jaren lang gastvrij te Ellangowan onthaald was en eerst, toen haar eene erfenis van 400 pond sterling jaarlijksch inkomen te beurt viel, dat gastvrije huis verlaten had, waar zij anders tot aan den dood van den eigenaar eene gewenschte schuilplaats zou hebben gevonden. Lucie had veel lust om deze armzalige gift, welke de hoogmoed der oude dame, na een harden strijd met hare gierigheid, afgedwongen had, terug te zenden, maar na eenig beraad bestoot zij aan hare bloedverwante te schrijven, dat zij deze geringe som niet als een geschenk, maar als geleend geld zou behouden, dat zij hoopte haar spoedig weder te kunnen betalen, en raadpleegde haar tevens over de uitnoodiging, welke zij van den kolonel Mannering en zijne dochter ontvangen had. Reeds met den omgaanden post ontving zij een antwoord op dezen brief, uit vrees dat eene ijdele kieschheid of dwaasheid, zoo als hare oude nicht het noemde, haar verleiden mocht, om zulk een gunstig aanbod van de hand te wijzen en daardoor hare bloedverwanten tot last te blijven. Er bleef Lucie dus geene keus over, tenzij zij haren tegenwoordigen gastheer, den braven Mac-Morlan, die te milddadig was, om rijk te zijn, nog langer lastig wilde vallen: want door wie zij in het eerst zoo dringend uitgenoodigd was, hadden allengskens, het zij zwijgend, hetzij onder het uiten van hun misnoegen over de voorkeur, die zij aan Mac-Morlan’s uitnoodiging gegeven had, opgehouden zich om haar te bekommeren.
Het lot van Dominé Sampson zou treurig genoeg geweest zijn, indien het van iemand anders dan van Mannering, die steeds een bewonderaar van origineele menschen was, had afgehangen. Mac-Morlan had hem omstandig verhaald, hoe de brave man ten opzichte van de dochter van zijn overleden begunstiger gehandeld had. In antwoord op dien brief vroeg Mannering, of Sampson nog die bewonderenswaardige stilzwijgendheid bezat, waardoor hij zich te Ellangowan zoo bijzonder onderscheidde. Toen de kolonel hierop een bevestigend antwoord ontving, schreef hij in zijn volgenden brief aan Mac-Morlan: „Ik verzoek u, den goeden Sampson te laten weten, dat ik zijne hulp noodig zal hebben, om de boekverzameling, die ik van mijn oom, den bisschop, geërfd heb en die ik per scheepsgelegenheid naar Schotland laat brengen, te rangschikken en er een catalogus van te maken. Ook zal hij eenige papieren moeten afschrijven en in orde brengen. Bepaal zijne belooning zoo, als u goeddunkt. Bezorg den armen man eene behoorlijke kleeding en laat hem met juffrouw Bertram te Woodbourne komen.
De brave Mac-Morlan was zeer verheugd over deze opdracht. Lang dacht hij er over na, hoe hij het aanleggen zou, om den goeden man van kleeding te doen veranderen, wat toch volstrekt noodzakelijk was, daar zijne tegenwoordige kleêren in een beklagenswaardigen toestand waren. Gaf men hem het geld, om zelf het noodige aan te schaffen, dan liep hij groot gevaar zich belachelijk te maken: want als Sampson, ofschoon dit eene groote zeldzaamheid was, een enkele maal zelf nieuwe kleedingstukken aankocht, was zijne keus doorgaans zoo vreemd, dat hij de geheele dorpsjeugd verscheidene dagen achter zich aan kreeg. Ook kon men niet zoo maar in eens een kleermaker bij hem zenden, om hem de maat te nemen, en hem dan de nieuwe kleederen, als of hij een’ schooljongen ware, in huis laten brengen, daar hij dit waarschijnlijk zeer kwalijk zon nemen. Mac-Morlan besloot eindelijk Lucie Bertram om raad te vragen en om hare bemiddeling te verzoeken. Zij antwoordde hem, dat, ofschoon zij zich geenszins het bestuur over de garderobe van een heer kon aanmatigen, er nochtans niets gemakkelijker was, dan Sampson op nieuw te kleeden.
„Wanneer mijn vader,” zeide zij, „toen wij nog te Ellangowan woonden zag dat een kleedingstuk van Sampson vernieuwd moest worden, moest een dienstbode des nachts in zijne kamer gaan (de goede man slaapt heel vast), de oude kleeren wegnemen en nieuwe er voor in de plaats leggen. Men merkte nooit op, dat Sampson op deze verandering in zijn uiterlijk de minste acht sloeg.”
Mac-Morlan ging dus naar eenen bekwamen kleermaker, die na eene opmerkzame beschouwing van den ouden man, op zich nam, om twee stel kleederen, het eene zwart, het andere donkergrijs, voor Sampson te maken, die hem (zoo als de kunstenaar zich uitdrukte) zoo goed zitten zouden, als iets voor een man van zulk eene wonderlijke gestalte, met de bloote hulp van menschelijke scharen en naalden, gemaakt kon worden. Nadat de kleederen te huis gekomen waren, wilde Mac-Morlan zijn voornemen wijselijk slechts langzamerhand uitvoeren, nam dienzelfden nacht een zeer noodzakelijk stuk van zijne kleeding weg en legde het nieuwe er voor in de plaats. Toen deze verwisseling onopgemerkt scheen te blijven, ging Mac-Morlan spoedig tot het vest en eindelijk tot den rok over. Toen Sampson dus, als het ware, geheel herschapen en voor het eerst van zijn leven behoorlijk gekleed was, meende men toch te bemerken, dat de goede man eene verwarde en duistere bewustheid had, dat er eene verandering in zijn uitwendigen mensch had plaats gehad. Zoo dikwijls men nu dit gevoel op zijn gelaat kon lezen en de goede man eenen strakken blik op de mouw van zijnen rok, of op zijne knieën vestigde, waar hij waarschijnlijk eenige oude lappen, of blauwe stoppen op een zwarten grond, welke daardoor eenigszins naar borduurwerk zweemden, miste, zocht men zijne opmerkzaambeid op iets anders te leiden, totdat hij door den tijden het gebruik aan zijne nieuwe kleeding gewoon was geworden. De eenige aanmerking, welke hij ooit over deze zaak maakte, was, dat de lucht te Kippletringan gunstig voor de kleederen scheen te zijn, daar zijn rok er bijna nog even nieuw uitzag, als toen hij hem voor de eerste maal aantrok, en dat was, toen hij zijn examen als predikant zou doen.
Toen hij het grootmoedig aanbod van Mannering vernam, wierp hij eerst een bezorgden en vragenden blik op Lucie Bertram, alsof hij vreesde dat hij daardoor van haar zou moeten scheiden; maar zoodra Mac-Morlan hem verzekerde, dat Lucie cok eenigen tijd als gast te Woodbourne zou doorbrengen, wreef hij zich de groote handen en barstte in een schaterlach uit. Na deze ongewone uiting zijner vreugde, bleef hij voor het overige in de geheele zaak geheel lijdelijk.
Het was bepaald, dat de heer Mac-Morlan en zijne vrouw het huis eenige dagen vóor Mannering’s aankomst betrekken zouden, zoowel om alles in orde te brengen, als om Lucie Bertram’s overgang in zijne familie met de meest kiesche verschooning van haar gevoel te doen plaats hebben. Dien ten gevolge betrok de familie Woodbourne, de aanstaande woning van den kolonel, in het begin van de maand December.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
– Een reusachtig genie – tegen geheele bibliotheken bestand!
Boswell’s Leven van Johnson.
De bepaalde dag, waarop Mannering en zijne dochter te Woodbourne verwacht werden, verscheen. Het uur naderde en ieder van het kleine gezelschap in huis had zijne bijzondere redenen tot bezorgdheid. Mac-Morlan wenschte natuurlijk, zich in de gunst en bescherming van zulk een rijken en invloedrijken man, als Mannering, te bevestigen. Met behulp van zijne menschenkennis had hij spoedig bemerkt dat Mannering, ofschoon edelmoedig en weldadig, het zwak had, eene stipte vervulling van zijne bevelen tot in de geringste kleinigheden te verwachten en te vorderen. Hij zag dus nauwkeurig na, of alles overeenkomstig de wenschen en bevelen van den kolonel ingericht was, en doorliep, in deze onzekerheid, meer dan eens het geheele huis van de vliering tot de stallen. Zijne vrouw bewoog zich in een kleineren kring, waartoe alleen de eetkamer, het vertrek van de huishoudster en de keuken behoorden. Zij vreesde niets anders, dan dat het middagmaal niet goed zou zijn, en daardoor haren roem, als eene zorgvuldige en bekwame huisvrouw, benadeeld zou worden. Zelfs Sampson werd in zooverre in zijne gewone gemoedsrust en lijdelijkheid gestoord, dat hij tweemaal naar het venster liep, dat op den weg uitzag, en beide malen uitriep: „Waarom toeven de wielen van hun rijtuig zoo lang?”
Lucie, de bedaardste onder de wachtenden, had hare eigene treurige gedachten. Zij was nu op het punt, om aan de zorg, ja bijna aan de weldadigheid van vreemdelingen overgelaten te worden, wier karakter, hoe vriendelijk het haar tot hiertoe ook voorgekomen was, zij toch niet dan onvolkomen kende. Vol angstige verwachting gingen voor haar de oogenblikken van onzekerheid voorbij.
Eindelijk hoorde men het ratelen van den wagen. De bedienden, die reeds aangekomen waren, plaatsten zich in het groote portaal, om hun meester en meesteres te ontvangen, met een vertoon van gewicht en eene drukte, welke voor Lucie, die aan geen gezelschap, noch aan de zeden en gebruiken der groote wereld gewoon was, iets verontrustends hadden, Mac-Morlan ging naar de deur, om den heer en de dame des huizes te ontvangen, en na weinige oogenblikken waren zij in de zaal.
Mannering, die volgens gewoonte de reis te paard gedaan had, trad met zijne dochter aan den arm binnen. Julia was eerder klein dan groot, maar had eene zeer fraaie gestalte, doordringende donkere oogen en lang gitzwart haar, dat zeer goed bij het levendige, geestige gelaat stond, waarop een weinig hoogmoed en een weinig beschroomdheid, veel scherpzinnigheid en eenige aanleg tot bijtende scherts geteekend stonden. „Ik zal niet van haar houden,” dacht Lucie bij het eerste gezicht; bij den tweeden blik dacht zij: „ik zal toch wel veel van haar houden.”
Julia was om het ruwe winterweder tot aan de kin in mantel en pels gehuld; haar vader droeg zijnen militairen overrok. Hij boog voor mevrouw Mac-Morlan, voor wie Julia ook eene beleefde, maar zeer kleine neiging maakte. Hierop leidde Mannering zijne dochter naar Lucie, en deze vriendelijk, ja bijna met vaderlijke teederheid bij de hand vattende, zeide hij: „Julia, dit is Lucie Bertram, die mijne goede vrienden hier, naar ik hoop, overgehaald hebben, om ons huis met een langdurig bezoek te vereeren. Het zal mij bijzonder verheugen, als gij Woodbourne voor haar zoo aangenaam kunt maken, als Ellangowan voor mij was, toen ik voor den eersten keer, als reiziger, dit land bezocht.”
Julia beloofde dit met eene buiging en vatte liefderijk de hand harer nieuwe vriendin. Mannering wendde zich nu tot Sampson, die, sedert de kolonel in de kamer was gekomen, zonder ophouden buigingen had gemaakt en zijn rug boog, even als een kunstbeeld dat dezelfde bewegingen gedurig herhaalt, totdat de wil des kunstenaars ze doet ophouden. Mannering wierp een strengen, bestraffenden blik op zijne dochter, niettegenstaande hij zelf eenige moeite had om het lachen te onderdrukken, waartoe deze oogenschijnlijk veel lust had, terwijl hij den braven man met de volgende woorden aan haar voorstelde: „Mijn goede vriend, de heer Sampson, die mijne boekverzameling in orde zal brengen, zoodra ze aankomt, en van wiens groote geleerdheid ik nog veel nut hoop te trekken.”
„Ik ben overtuigd, papa, dat wij dezen heer veel dank verschuldigd zijn, en om mijne dankbetuiging klem bij te zetten, moet ik bekennen, dat ik nooit het oogenblik zal vergeten, waarop wij hem voor ’t eerst ontmoetten.” – Haar vader fronsde de wenkbrauwen en hij vervolgde haastig, zich tot Lucie wendende: „juffrouw Bertram, wij hebben heden eene lange reis afgelegd: veroorloof mij, dat ik mij eenige oogenblikken vóór het middagmaal verwijder!”
Hierop verstrooide zich het geheele gezelschap, behalve Sampson, wien het nooit in de gedachten kwam om zich te kleeden, dan wanneer hij opstond, of zich uit te kleeden, behalve als hij naar bed ging. Hij bleef dus alleen en herkauwde intusschen een wiskunstig betoog, tot het gezelschap weder bij elkander kwam om naar de eetzaal te gaan.
Des avonds nam Mannering de gelegenheid waar, om zijne dochter een oogenblik alleen te spreken, en hield met haar het volgende gesprek.
„Hoe bevallen u uwe gasten, Julia?”
„O! juffrouw Bertram bijzonder; maar die geestelijke is een origineel, lieve vader, dien geen mensch bijna zonder lachen kan aanzien.”
„Zoo lang hij onder mijn dak woont, Julia, moet een ieder dàt leeren.”
„Lieve hemel, vader! zelfs de bedienden konden niet ernstig blijven!”
„Dan mogen zij mijne liverei uittrekken, en lachen, als zij niet meer in mijn dienst zijn. Sampson is een man, dien ik om zijne eenvoudige oprechtheid en goedhartigheid hoogacht.”
„Ook ben ik overtuigd van zijne milddadigheid,” hernam Julia lachende, „want hij kan geen lepel vol soep naar den mond brengen, zonder aan alles, wat nabij hem is, iets mede te deelen.”
„Julia, gij zijt onverbeterlijk; onthoud dit echter wel: ik verwacht, dat gij uwen spotlust zooveel in toom zult houden, dat gij noch dezen waardigen man, noch Lucie Bertram, die iedere beleediging, hem aangedaan, misschien grievender zal krenken dan hem zelven, beleedigt. En nu, goede nacht, kindlief, – maar laat ik u nog dit zeggen: Sampson heeft wel niet de Gratiën gehuldigd, maar er zijn vele dingen in deze wereld, die wezenlijk veel belachelijker zijn dan eenvoudigheid van karakter en onbeschaafde manieren.”
Een paar dagen later verlieten de heer Mac-Morlan en zijne vrouw, na een hartelijk afscheid, Woodbourne, waar de nieuwe huishouding thans behoorlijk ingericht was. De beide meisjes oefenden zich onderling en deelden elkanders genoegens. Mannering werd aangenaam verrast door de ontdekking, dat Lucie Bertram zeer bedreven was in het Fransch en Italiaansch, wat zij mede aan den ijver van Sampson, die zich in stilte, door onvermoeide vlijt, de meeste nieuwe zoo wel als de oude talen eigen gemaakt had, te danken had. Van de toonkunst verstond zij weinig of niets, maar hare nieuwe vriendin ondernam, om haar daarin te onderwijzen; waartegen deze aan Lucie de gewoonte om groote wandelingen te doen, het paardrijden en den noodigen moed, om alle soorten van weder te trotseeren, leerde. Mannering zorgde dat het haar, tot uitspanning in de lange winteravonden, aan geene boeken, waarin onderhoud en leering gepaard gingen, ontbrak. Dus verliepen de avonden, te meer daar hij zelf met veel smaak en gevoel voorlas, zeer aangenaam.
Spoedig werd Woodbourne, waar zoo veel tot gezellig verkeer uitlokte, door de meeste aanzienlijke familiën uit den omtrek bezocht, zoo dat de kolonel weldra diegenen tot zijn omgang kon uitkiezen, die hem het best bevielen. Karel Hazlewood werd bijzonder door hem onderscheiden en bezocht hem dikwijls met volkomene toestemming van zijne ouders, die dachten, dat men de gelegenheid niet moest laten voorbijgaan, en de schoone Julia, met hare Indische schatten, was een prijs, die wèl eenige moeite waardig was. Verblind door dit vooruitzicht, vergaten zij het gevaar, dat zij reeds eenmaal gevreesd hadden; namelijk, dat hun zoon in plaats van koel zijn belang te raadplegen, zijne genegenheid op Lucie Bertram vestigen kon; op de arme Lucie, die niets in de wereld bezat dan een fraai gelaat, eene goede afkomst en een zeer beminnelijk karakter. Mannering was voorzichtiger. Hij beschouwde zich als Lucie Bertram’s voogd, en ofschoon hij zich in ’t geheel niet verplicht rekende, haren omgang met een jongeling te beletten, voor welken zij in alle opzichten, het verschil in vermogen niet medegerekend, eene geschikte partij was, legde hij hun verkeer toch ongevoelig zoo veel dwang op, als noodig was, om eene verklaring en wederzijdsche verbintenis te voorkomen, vóor dat de jongeling iets meer van de wereld en het leven gezien en den leeftijd bereikt had, waarop niemand hem het recht zou kunnen betwisten, om voor zich zelven in eene zaak, waarvan het geheele geluk des levens voornamelijk afhangt, te beslissen.
Terwijl dit een en ander de opmerkzaamheid der overige bewoners van Woodbourne bepaalde, was Sampson met lijf en ziel bezig om de bisschoppelijke boekverzameling, welke van Liverpool verzonden en van de haven, waar het schip aangekomen was, op een veertigtal karren naar het landgoed gebracht was, in orde te brengen. Onbeschrijfelijk was zijne vreugde, toen hij op den vloer van het vertrek den rijken inhoud der kisten uitgepakt zag, welken hij in de kasten rangschikken zou. Grijnzend zwaaide hij met de armen als de wieken van een windmolen, spalkte den mond wijd open en juichte zijn: „Ver–ba–zend!” dat het huis er van dreunde. „Nooit,” zeide hij, „had hij zoo vele boeken bij elkander gezien, behalve in de bibliotheek der hoogeschool,” en verrukt door het denkbeeld de opzichter van dezen heerlijken schat te zijn, stond hij, in zijne eigene oogen, bijna gelijk met den bibliothecaris der akademie, dien hij altijd als den grootsten en gelukkigsten man ter wereld beschouwd had. Zijne vreugde verminderde niet, toen hij de boeken vluchtig inzag. Sommige werken over de fraaie letteren, gedichten, tooneelspelen en gedenkschriften wierp hij wel verachtelijk met een: „Is het anders niet?” of: „nutteloos goed!” ter zijde; maar de meeste en dikste werken waren van geheel anderen aard. De bisschop, een zeer geleerde geestelijke van den ouden stempel, had zijne kasten met werken over godgeleerde geschillen, bijbeluitleggingen en bijbels in onderscheidene talen, kerkvaders en predikatiën, welke ieder tien hedendaagsche korte leerredenen konden opleveren, andere oude en nieuwe wetenschappelijke werken, benevens de beste en zeldzaamste drukken der klassieke schrijvers gevuld. Over deze eerwaardige boekverzameling van den overleden bisschop liet Sampson de oogen met verrukking gaan. Hij maakte er eenen catalogus van, welken hij zoo sierlijk en zorgvuldig schreef, als ooit een minnaar een teeder briefje aan zijne beminde, en plaatste ieder boekdeel, met al den eerbied, welken eene vrouw voor eene oude Chineesche porseleinen vaas kan hebben, op de daarvoor bestemde plank. Bij al zijn ijver vorderde de arbeid zeer langzaam. Dikwijls sloeg hij een boek open, wanneer hij de ladder half opgeklommen was, en vond hij iets, dat zijne weetgierigheid uitlokte, dan vergat hij alles rondom zich en las, zonder zijne ongemakkelijke standplaats te verlaten, steeds voort, tot een bediende hem bij den rokspand trok en hem aankondigde, dat men met het middagmaal op hem wachtte. Dan begaf hij zich naar de eetkamer, verslond zijne spijzen bijna zonder kauwen, antwoordde, op goed geluk af, ja en neen, op alle vragen, die hem gedaan werden, en snelde weder naar het boekvertrek, zoodra hij zijn servet nedergelegd had, of soms daarmede als met een voorspelder om den hals fladderende.
Wij verlaten hier de voornaamste personen van ons verhaal in een voor hen aangename positie, die echter den lezer weinig onderhoudends kan opleveren, en vatten de geschiedenis op van iemand, die hem tot hiertoe bijna niet den bij naam bekend is, en alle deelneming, welke het ongeluk toekomt, met recht mag vorderen.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Gij zegt, alwijze, dat der minne kracht, Het noodlot weet te dwingen en zegeviert; ’t Is ook niet vreemd, dat goeds het goede zoekt, En zich vereenigt genie met hooge afkomst.
Crabbe.
V. Brown – ik wil dezen driemaal ongelukkigen naam niet voluit schrijven – was sedert zijne kindsheid een speelbal van de fortuin geweest; maar de natuur had hem die veerkracht van geest geschonken, welke door tegenstand versterkt wordt. Hij was van eene groote, gespierde gestalte; zijn gelaat, ofschoon ver van regelmatig, verried veel verstand en geest, en wanneer hij sprak of hevig aangedaan was, kon men het zeer belangwekkend noemen. Zijne manieren verrieden, dat hij zich aan den krijgsdienst gewijd had, waarin hij thans tot den rang van ritmeester opgeklommen was, daar kolonel Mannering’s opvolger het onrecht, dat Brown door diens ingenomenheid tegen hem geleden had, weder had zoeken goed te maken. Maar deze bevordering van Brown, zoowel als zijne bevrijding uit zijne gevangenschap, was voorgevallen na Mannering’s vertrek uit Indië. Brown volgde hem spoedig, daar zijn regiment naar Europa teruggezonden werd. Bij zijne aankomst in het vaderland deed hij aanstonds onderzoek naar de familie Mannering en vernam zonder moeite, dat deze naar het noorden gereisd was; waarop hij denzelfden weg insloeg, met het vaste voornemen, om zijn aanzoek bij Julia te hervatten. Haar vader behoefde hij, naar zijn oordeel, niet verder te ontzien, want, geheel onkundig van den argwaan, welken de kolonel tegen hem koesterde, beschouwde hij dezen als een heerschzuchtigen aristocraat, die zijne macht misbruikt had, om hem de welverdiende bevordering te onthouden, en die hem tot een tweegevecht gedwongen had, alleen omdat hij de schoone Julia, die hem geenszins ongenegen was, en wier moeder daar niets tegen had, maar hem eerder aanmoedigde, zijne hulde bewezen had. Hij wilde van niemand, dan van het meisje zelve, dit was zijn vast en onherroepelijk besluit, een weigerend antwoord aannemen. De rampen, die hij als gevolgen der beleediging welke hem door haren vader aangedaan was, geleden had, eene pijnlijke wonde en eene smartelijke gevangenschap, gaven hem, naar zijn oordeel, het recht om zich met hem niet verder op te houden. In hoe verre zijn plan gelukt was, toen zijne nachtelijke bezoeken door den heer Mervyn ontdekt werden, is reeds bekend.
Dit onaangename voorval bewoog Brown, de herberg, waar hij zich onder den naam van Dawson ophield, te verlaten, zoo dat kolonel Mannering’s pogingen om hem op te sporen, mislukten. Geene zwarigheden zouden hem nochtans van zijne onderneming terughouden, daar Julia hem alle hoop niet benomen had. Zij had hem het gevoel, dat hij haar ingeboezemd had, niet kunnen verbergen, en met al den moed van een verliefden ridder besloot hij te volharden. Doch hij moge zijne denkwijze en bedoelingen zelf ontvouwen in een brief aan zijnen boezemvriend, den kapitein Delaserre, een Zwitser, die eene kompagnie bij zijn regiment had.
UITTREKSEL.
Laat mij spoedig van u hooren, waarde Delaserre! Bedenk, dat ik alleen door u iets van ons regiment vernemen kan en natuurlijker wijze van het een en ander gaarne iets wensch te weten, vooral hoe het met het krijgsgerecht over Acyre’s gedrag is afgeloopen, of Elliott majoor wordt, en hoe het met de rekruteering gaat en hoe den jongen officieren de regimentstafel bevalt. Naar onzen goeden vriend, den luitenant-kolonel, behoef ik niet te vragen; toen ik op mijne reis door Nottingham kwam, trof ik hem gelukkig in den schoot van zijn huisgezin aan.