Part 17
Vrouw Dinmont, die er meer aan gewoon was haren man met een gat in ’t hoofd te huis te zien komen, dan aan het bezoek van eenen dragonder officier, zag eenigszins verlegen naar het niet meer geheel schoone tafelgoed, en bedacht zich eenige oogenblikken, hoe zij het met het avondeten zou maken. Zij klopte daarop haren man op den schouder en verzocht hem te gaan zitten, er bijvoegende, dat hij een dolle stijfkop was, die zich zelven en anderen gedurig in vechtpartijen wikkelde.
Dinmont deed, om met de bezorgdheid zijner vrouw den spot te drijven, eerst een paar vroolijke sprongen door het vertrek, vóor dat hij zich nederzette om zijn rond, zwartharig hoofd door haar te laten onderzoeken. Brown dacht, dat hij den regiments-heelmeester bij lichtere wonden wel eens een ernstiger gezicht had zien trekken. De vrouw toonde echter eenige kennis van de heelkunde te bezitten; zij knipte de bebloede haren, die haar bij de behandeling hinderden, weg, legde wat pluksel met eene zalf, welke in het geheele dal voor het beste heelmiddel gehouden werd, en wier genezende kracht door de gevolgen van kermisnachten dikwijls proefondervindelijk bevestigd was, op de wonden, deed er zorgvuldig een verband over, en zette eindelijk haren man, hoeveel deze er ook tegen inbracht, eene slaapmuts op het hoofd, om alles behoorlijk in orde te houden. Eenige kneuzingen aan voorhoofd en schouders moesten met brandewijn gewasschen worden, wat de gekwetste echter niet toeliet, vóor dat het geneesmiddel een zwaren tol aan zijne lippen betaald had. Toen zij hiermede gereed was, bood zij Brown ook vriendelijk hare hulp aan.
Deze verzekerde dat hij ze niet behoefde, en niets noodig had dan eene waschkom en een handdoek.
„Daaraan had ik eerder moeten denken,” antwoordde zij. „ik heb er eigenlijk wel aan gedacht, maar ik durfde de deur niet opendoen; onze kinderen staan daar allen voor, die arme schapen; ze willen zoo gaarne bij vader komen.”
Dit gezegde verklaarde de beteekenis van een hard getrommel en gekerm dat Brown, niet zonder verwondering, buiten de kamer hoorde, van welke de moeder, zoodra zij het bemerkte, de deur gegrendeld had. Nauwelijks opende zij ze nu, om waschwater en een handdoek te halen (want het kwam haar niet in de gedachte om haren gast in een ander vertrek te brengen), of een drom blondharige kinderen stormde de kamer in. Eenigen kwamen uit den stal, waarheen zij geweest waren, om het geliefde paard met een gedeelte van hunne boterhammen te verwelkomen; anderen uit de keuken, waar zij naar de vertellingen en liedjes van de oude Lijsje geluisterd hadden. Het jongste was half naakt uit bed geklommen, en wilde met geweld vader ook zien en hem vragen, wat hij hun van de onderscheidene jaarmarkten, die hij bezocht had, medegebracht had. Onze ridder van het bebloede hoofd kuste en omhelsde ze eerst allen, en deelde vervolgens fluitjes, trompetten en peperkoek uit. Toen eindelijk hunne vreugde over de ontvangene schatten en de tehuiskomst van hun vader onverdragelijk luidruchtig werd, riep hij zijn gast toe: „Het is moeders schuld, ritmeester! zij geeft den kinderen te veel hunnen zin.”
„Lieve hemel!” zeide Ailie, die juist met eene kom met water en een handdoek de kamer intrad, „wat zal ik er aan doen? Ik heb hun immers niets anders te geven, die arme kinderen!”
Eindelijk liet Dinmont zijn vaderlijk gezag gelden en, deels vleiende, deels dreigende en gedeeltelijk de kinderen buiten de deur schuivende, zuiverde hij het vertrek van de geheele wilde schaar, behalve een knaap en een meisje, de beide oudsten, die zich, zoo als hij zeide, reeds behoorlijk wisten te gedragen. Om dezelfde reden, maar met veel minder omstandigheden, werden alle honden weggejaagd, behalve de eerwaardige oudsten, de grijze Peper en Mosterd, die door menigvuldige tuchtigingen en hun hoogen ouderdom zoo verdraagzaam geworden waren, dat zij den kleinen Wesp, die tot hiertoe onder den stoel zijns meesters eene schuilplaats had gezocht, na eenige wederzijdsche brommende verklaringen, veroorloofden, een gedroogd schapenvel, met de wol naar boven, waarop zij lagen, met hen te deelen.
De zorgvuldige huisvrouw had intusschen ter eere van haren gast een paar kippen geofferd, welke, uit gebrek aan tijd om ze anders gereed te maken, op den rooster gebraden waren en dampend op de tafel gezet werden. Een ontzachlijk groot stuk koud gezouten rundvleesch, eieren, boter, gebak en een overvloed van pannekoeken van gerstemeel, benevens voortreffelijk zelfgebrouwen bier en eene flesch brandewijn, maakten het feestelijk onthaal uit. Weinige krijgslieden zouden, na een moeielijken dag, en een gevecht bovendien, iets op zulk een maaltijd hebben aan te merken, en ook Brown deed den gerechten veel eer aan. Terwijl de huisvrouw, na geëindigden maaltijd, eene groote, stevige dienstmaagd, met wangen even rood als haar strik in het haar, hielp, om het tafelgereedschap op te ruimen en suiker en heet water in de plaats te brengen (wat zij bijna in haren ijver, om een kapitein in levenden lijve goed te bekijken, vergeten zou hebben), nam Brown de gelegenheid waar, om zijn gastheer te vragen of het hem niet berouwde, dat hij de waarschuwing van de Heidin in den wind geslagen had.
„Wie weet, of het mij geholpen zou hebben?” antwoordde hij. „Het is een raar volk. Misschien was ik de eene bende ontsnapt, om de andere in handen te vallen. Ik wil dit echter niet stellig beweren; en als dat oude wijf te Charlies-hope kwam, zou zij een flesch brandewijn en een pond tabak voor den winter hebben. Het is een drommels raar volk, de Heidenen, zoo als mijn oude vader placht te zeggen. Zij zijn het ergste daar, waar men hen het slechtst voorgaat; zij hebben zoo wel hunne goede als hunne kwade zijde.”
Onder deze en andere gesprekken moesten de bierkan en punchkom nog eens aangesproken worden. Maar daarop weigerde Brown volstrekt om langer op te blijven zitten en meer te drinken, buitengewone vermoeidheid en slaperigheid, als gevolgen van zijne lange wandeling en het doorgestane gevecht, voorwendende, daar hij wel inzag, dat voorstellingen bij zijn gastheer niets zouden baten en dit het eenige middel was, om dezen voor het gevaar te vrijwaren, om zijne opene wonden en zijn bebloed hoofd door onmatigheid te benadeelen. Een klein slaapkamertje met een uitmuntend bed stonden voor den reiziger gereed, en de gastvrouw verzekerde, dat hij er meê tevreden kon zijn, „daar het linnen gewasschen was in de Tooverbron, gebleekt werd op de witte zandheuvels en door de meid en haar zelve gerekt en gevouwen – en dat, als zij eene koningin was, zij niet meer voor hem zou kunnen doen.” De kleine Wesp lekte zijn meester de handen en legde zich, na bekomen verlof, op de deken aan zijne voeten neder, terwijl de oogen van den reiziger weldra door een weldadigen slaap gesloten werden.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
– Op dan gij Britten, onbevreesd Vervolgt den roover, die de kudde jaagt, ’s Nachts zijn smoode handwerk roekeloos drijft, En dan een schuilplaats in de rotsen zoekt.
Thomson.
Brown stond den volgenden morgen vroeg op en ging uit, om de, hoeve van zijn nieuwen vriend te bezichtigen. In den omtrek van het huis was alles ruw en verwaarloosd. In den kalen tuin was volstrekt geene moeite aangewend, om den bodem geschikt en vruchtbaar te maken. Nergens zag hij sporen van de netheid, waardoor eene Engelsche pachthoeve zulk een bekoorlijk gezicht oplevert. Het was evenwel duidelijk te zien, dat zulks alleen uit gebrek aan smaak of uit onkunde, en niet uit armoede en verwaarloozing, het gewone gevolg daarvan, voortsproot. Integendeel, een fraaie stal vol schoone melkkoeien, een andere met tien uitmuntend gemeste ossen, twee goede spannen paarden, het noodige werkvolk, dat vlijtig en met zijn lot tevreden scheen, met één woord, een zekere overvloed, die, ofschoon met slordigheid gepaard, in alles zichtbaar was, getuigde van de ruime omstandigheden van den pachter. Het huis lag op eene zacht hellende hoogte bij de rivier, en werd dus gevrijwaard voor al het vuil, dat anders daaromheen opgestapeld had kunnen blijven. Op eenigen afstand was de geheele troep kinderen aan het spelen en vermaakte zich met het bouwen van huisjes van turf rondom een ouden eikenboom, die den naam droeg van Charlies-boom, naar een vrijbuiter, die, volgens de overlevering, den reeds genoemden oude burcht bewoond zou hebben. Tusschen het huis en een’ grasrijken heuvel was een diep moeras, dat eens tot verdediging van het kasteel gediend had, waarvan thans geene sporen meer aanwezig waren.
Brown zocht kennis met de kinderen te maken; maar toen hij nader kwam, namen zij alle den vlucht, en slechts de beide oudsten waagden het van verre te blijven staan en hem aan te zien.
Brown nam nu zijn weg over eenige groote steenen, die lang niet vast lagen, maar als tot eene soort van pad door het moeras gelegd waren naar den heuvel. Terwijl hij dien beklom, zag hij een man van boven afkomen, in wien hij spoedig zijn vriendelijken gastheer herkende, die nu zijn reisgewaad met een grijs geruiten herdersmantel verwisseld en, gemakshalve, zijn verbonden hoofd met een muts uit het vel van eene wilde kat vervaardigd, in plaats van met een hoed bedekt had. Toen Brown, die gaarne sterke, menschen zag, hem uit den morgennevel te voorschijn zag treden, kon hij zich niet weerhouden, de hooge gestalte, de breede schouders en den vasten tred van den pachter te bewonderen, en Dinmont zag met hetzelfde gevoel op den forschen, gespierden jongeling, dien hij nu nauwkeuriger dan hij tot hiertoe gedaan had, beschouwde. Na den gewonen morgengroet vroeg Brown zijn gastheer hoe hij zich, na de ongemakken van den vorigen dag, bevond.
„Daar denk ik bijna niet meer om,” antwoordde de pachter; „maar mij dunkt dat, als wij thans in het moeras waren, ieder met een fikschen eiken knuppel gewapend, wij dan, nu ik frisch en nuchter ben, voor geen half dozijn zulke schelmen de vlucht zouden nemen.”
„Maar is het wel voorzichtig, vriend, dat gij, na zulke zware kneuzingen, geen uur of wat langer rust genomen hebt?”
„Daar moet een echte Bergschot niet van weten. Eens viel ik, bij eene vossenjacht, hals over kop van den top van de Christenbury-rots en toch sprong ik dadelijk weer op en bracht de honden op het spoor. – Neen, er is niets dat mij zwak van hoofd maakt, tenzij een slokje te veel. Buitendien moest ik heden morgen wel eens rondloopen, om te zien hoe het met mijn vee gaat: want er wordt somtijds geen acht genoeg op gegeven, als ik van huis ben. Ik heb zoo even Tam van Todshaw met eene menigte andere buren ontmoet, die op de vossenjacht gingen. Wilt gij ook mede? dan zal ik u mijn paard van gisteren avond geven en zelf de merrie nemen.”
„Ik zal heden morgen wel moeten vertrekken, Mijnheer Dinmont!”
„Daar wil ik niet van hooren! Binnen veertien dagen laat ik u volstrekt niet gaan. Neen, neen! zulke vrienden, als gij zijt, vindt men alle avonden niet op het Bewcastler-moeras.”
„Brown, die op deze reis niet aan den tijd bepaald was, nam deze hartelijke uitnoodiging aan, en beloofde ten minste eene week te Charlies-hope te zullen vertoeven.
Toen zij weer te huis kwamen, wachtte de huisvrouw hen reeds met het wel voorziene ontbijt. Zij keurde de voorgenomen vossenjacht wel niet volkomen goed, maar scheen er ook geenszins bekommerd of verwonderd over.
„Dandie, Dandie!” zeide zij, „gij zijt nog steeds de oude. Gij laat u door niets waarschuwen, zoo lang tot ge eens een zwaar ongeluk krijgt.”
„Kom, kom, vrouw! gij weet immers zelve, dat zulke tochten mij nooit kwaad gedaan hebben.”
Hij verzocht nu Brown zich met het ontbijt te haasten, daar het spoor, uit hoofde van het ingevallen dooiweder, dien morgen voortreffelijk te volgen zou zijn.
Hierop begaven zij zich op weg naar Otterscopescaur, waarheen Dandie hem den weg wees. Zij verlieten spoedig het dal, kwamen bij vrij steile bergen, langs wier zijden de bergstroomen in den wintertijd, of na hevige regens, woedend nederstortten. Grijze nevels, de overblijfsels der morgenwolken, hingen nog om de toppen der bergen, want de vorst was geweken voor een fikschen regenbui. Honderden kleine beekjes stroomden als zilverdraden langs de hellingen der bergen, en schitterden door den doorzichtigen nevelsluier. Langs smalle paden, welke voorbij deze steilten leidden en waarover Dinmont zonder de minste vrees voortdraafde, naderden zij eindelijk de verzamelplaats, waar de andere jagers zoowel te voet als te paard bijeenkwamen. Brown kon niet begrijpen, hoe eene vossenjacht in zulk eene bergachtige streek plaats kon hebben, waar geene andere, dan paarden aan die wegen gewoon draven konden, en waar de rijder, die even van het spoor afweek, gevaar liep in moerassen te verzinken of in afgronden te storten. Zijne verwondering verminderde niet, toen hij op de jachtplaats zelve aankwam.
Zij waren langzamerhand tot op eene aanzienlijke hoogte gekomen en bevonden zich nu op een bergrug, die een zeer diep, maar eng dal omsloot. Hier waren de jagers verzameld en bezig met geduchte toebereidselen te maken, die een Engelschen jager geërgerd zouden hebben; want daar men de uitroeiing van een schadelijk en vernielend dier op het oog had, evenzeer als het vermaak door de jacht opgeleverd, gunde men den armen vos veel mindere kansen om te ontsnappen dan in het open jachtveld. Maar de sterkte van zijn hol en de gesteldheid van den grond rondom stelden hem hiervoor schadeloos. De zijden van het dal, gedeeltelijk kale rotsen, waren vol kloven en scheuren, en helden steil naar beneden tot aan den kleinen stroom, die door het diepe dal kronkelde. Slechts hier en daar waren ze met eenige struiken of heiplanten bezet. De jagers schaarden zich te paard en te voet langs den rand van dit nauwe en diepe dal. Bijna iedere pachter had ten minste een koppel vurige windhonden van de grootste soort bij zich, van denzelfden aard als gebruikt werd op de hertejacht, maar door kruising van ras van mindere grootte. De districtsjager, een provinciaal beambte, die eene zekere hoeveelheid meel en eene belooning voor iederen gedooden vos ontvangt, was reeds beneden in het dal, waar de echo’s het zware geblaf der voshonden terugkaatsten. Een goed aantal dashonden, waaronder het geheele geslacht van Peper en Mosterd, door een herder reeds hierheen gebracht, stonden ook bij den rand van het dal geschaard, waar men ook allerlei andere soorten van honden ontwaarde, terwijl de toeschouwers hunne windhonden gereed hielden om hen op den vos los te laten, zoodra de jagers onder in het dal hem uit zijn schuilhoek verdreven zouden hebben.
Dit tooneel, ofschoon vreemd voor het oog van een ervaren jager, had niettemin veel bekoorlijks. Tegen den blauwen hemel schenen de heen en weder loopende gestalten op den bergrug zich, als het ware, in de lucht te bewegen. De ongeduldige honden, door het geblaf in de diepte nog woedender geworden, sprongen heen en weder en rukten aan de touwen, waarmede zij teruggehouden werden. Niet minder treffend was het gezicht, wanneer men naar beneden zag. Een dunne nevel hing nog over het dal, zoodat men de bewegingen der jagers daar beneden dikwijls door dezen doorschijnenden sluier moest trachten te volgen. Soms verstrooide een windvlaag den nevel; dan werd het geheele tooneel zichtbaar en men ontdekte het heldere beekje, als eene glinsterende streep, door het woeste eenzame dal kronkelen. Dan zag men de jagers, die in de diepte wegens den grooten afstand wel dwergen schenen, vroolijk en onbeschroomd van het eene gevaarlijke punt op het andere springen, om de honden op het spoor te leiden. Dan werden zij weder door den nevel verborgen en men vernam niets van het voortzetten der jacht dan het geroep der mannen en het geblaf der honden; stemmen, die als het ware, uit het binnenste der aarde schenen op te stijgen. Toen de vos eindelijk van het eene hol tot het andere vervolgd, genoodzaakt was het dal te verlaten en eene verder afgelegen schuilplaats op te zoeken, lieten de jagers, die al zijne bewegingen van boven af nauwkeurig gade sloegen, hunne windhonden los, die, daar zij vlugger dan de vos en even zoo wreed en moedig waren, hem spoedig afmaakten.
Op deze wijze werden er, tot groot genoegen van de jagers, vier vossen gedood: en zelfs Brown, die in Indië vorstelijke jachtfeesten bijgewoond en den Nabob van Arcof bij eene tijgerjacht op een olifant vergezeld had, betuigde dat hij zich dezen morgen uitnemend vermaakt had. Toen de jacht geëindigd was, gingen de meeste jagers, overeenkomstig de gastvrije gewoonten des lands, met den pachter naar Charlies-hope, om het middagmaal te houden.
Onder het naar huis rijden reed Brown eenigen tijd naast den districtsjager en deed hem onderscheidene vragen aangaande zijn beroep. Weldra bemerkte hij, dat deze man zijne blikken zocht te vermijden en scheen het hem alsof hij gaarne van zijn gezelschap en zijne gesprekken ontslagen wilde zijn, waarvoor Brown volstrekt geene reden kon vinden. De jager was een magere maar gespierde knaap, naar het uiterlijke zeer geschikt voor zijn vermoeiend beroep; zijne trekken vertoonden niets van de openhartige uitdrukking van den vroolijken jachtgezel; hij sloeg de oogen steeds neder, en was verlegen en scheen de blikken van dengenen, die hem sterk aanzag, te willen vermijden. Na eenige onbeduidende woorden over de goede vangst van den dag, gaf Brown hem eene kleinigheid en reed verder met zijn gastheer naar Charlies-hope, waar de huisvrouw reeds alles tot hunne ontvangst gereed had.
Het vriendelijke en gulle onthaal vergoedde het gebrek aan pracht en goeden smaak bij dit feestmaal, waartoe de schaapskooi en het hoenderhok rijkelijk het hunne hadden bijgedragen.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De Elliotts en Armstrongs waren allen bij elkaâr, Een schoone troep van dappre liên, dat wist men wel, voorwaar?
Ballade van Johnnie Armstrong.
De beide volgende dagen werden met de gewone landelijke vermaken doorgebracht en leveren dus weinig aantrekkelijks voor den lezer op; maar Brown moest nog een feest bijwonen, dat haast alleen aan Schotland eigen is en eene soort van zalmjacht genoemd kan worden. Deze jacht, waarbij de visch met eene speer met weerhaken, of een soort van drietand met langen steel, vervolgd en gedood wordt, is in de monding van de Esk en andere zalmrijke rivieren in Schotland veel in gebruik. Soms heeft ze bij dag, doch meestentijds des nachts plaats. De visch wordt dan bij het licht van fakkels, of van bekkens, gevuld met brandende stukken van teertonnen, welke een sterk maar ongelijk licht over het water verspreiden, opgespoord.
Bij deze gelegenheid was eene breede, vrij diepe plaats der rivier tot de zalmvangst uitgekozen. Eenigen van het gezelschap zaten in eene oude wrakke boot, terwijl de anderen langs den oever liepen, met hunne toortsen en speren zwaaiden en dus de zalmen vervolgden, waarvan sommigen zochten te ontsnappen door tegen den stroom op te zwemmen, terwijl anderen zich voor de nasporingen hunner vervolgers onder boomwortels en groote stukken steen zochten te verbergen. Deze laatsten werden bij het geringste teeken door de visschers in de boot ontdekt; de beweging van eene vin, het opstijgen van eene luchtbel was genoeg, om dezen ervarenen jagers te doen weten, welke richting zij aan hunne harpoenen moesten geven
Allen, die aan deze zalmjacht gewoon waren, vonden er een bijzonder vermaak in. Maar Brown, die in de behandeling van de speer of drietand niet geoefend was, werd zijne vergeefsche pogingen spoedig moede, daar hij, in plaats van den bedoelden zalm, meestal de stukken rots op den bodem der rivier trof, en de schok hem alles behalve prettig door den arm voer. Ook smartte het hem, de doodstuipen der getroffen zalmen, welke in de boot lagen te spartelen en die met hun bloed verfden, van zoo nabij te aanschouwen, ofschoon hij dit gevoel, hetwelk toch niemand verstaan zou hebben, zorgvuldig verborg. Hij verzocht dus dat men hem aan wal zou zetten, en beklom den steilen oever, vanwaar hij het tooneel veel beter overzien kon. Dikwijls dacht hij aan zijn vriend Dudley, als hij de schilderachtige werking van het sterke roode licht op de schoone oevers, waaronder de boot voortgleed, beschouwde. Nu verdween het licht bijna in de verte en geleek op een ster, die op het water scheen te zweven, even als de lichtjes, welke de watergod, volgens de oude volksvertelling, uit de diepte doet opstijgen, om het vochtige graf zijner offers aan te wijzen. Dan naderde het weder en werd al grooter en helderder, tot dat de hoogflikkerende vlam oever, rotsen en boomen zichtbaar maakte en een roodachtigen gloed daarover verspreidde, en ze vervolgens, onder het verder gaan, langzamerhand weder met schemering en duisternis bedekte. Bij hetzelfde licht zag hij de gestalten in de boot, die nu hunne wapens opgeheven hielden, zich dan bukten om toe te stooten en dan weder rechtop stonden, allen door denzelfden rooden gloed gekleurd, welke hun het voorkomen van verschijningen uit het Pandaemonium gaven.
Na zich eenigen tijd met dit gezicht vermaakt te hebben, keerde Brown langzaam naar de pachthoeve terug en bleef van tijd tot tijd stil staan, om naar de bezige visschers te zien. Gewoonlijk zijn er twee of drie bij elkander, waarvan de eene de toorts draagt, terwijl de anderen hunne speren gereed houden, om naar den visch te steken. Brown bemerkte een visscher, die eenen zwaren zalm, welken hij reeds getroffen had, maar niet geheel en al uit het water kon krijgen, niet meester kon worden, en trad nader bij den oever, om den uitslag te zien. De man, die op dit oogenblik de fakkel hield, was de districtsjager, wiens norsch: en onvriendelijk gedrag Brown vroeger reeds met verwondering opgemerkt had. „Hier, Mijnheer! kom hier! zie eens wat een visch!” „Hij heeft een’ rug als een gemest varken!” riepen de omstanders Brown toe, toen zij hem zagen aankomen.
„Druk den drietand neer! druk hem beter neer! Houd hem toch vast! Hebt gij dan geen merg meer in de beenderen?” riepen de jagers, die op den oever waren, den man toe, die tot aan de heupen tusschen ijsschotsen in het water tegen de kracht van den visch en den sterken stroom stond te worstelen en niet best wist, hoe hij zijn buit in veiligheid zou brengen. „Houd uw fakkel omhoog, jager!” riep Brown, toen hij naderbij kwam, den fakkeldrager toe, wiens norsch gelaat hij reeds bij het sterke licht herkend had. Maar nauwelijks hoorde en herkende de kerel Brown’s stem, of hij liet de fakkel, in plaats van die hooger te houden, schijnbaar toevallig in het water vallen.
„Dat u de duivel –!” riep de visscher, toen de brandende toorts voor den stroom afdreef en spoedig uitdoofde; „plaagt u de duivel, Gabriël? Ik kan hem zonder licht niet meester worden! Een schooneren zalm hebt gij nooit gezien; als ik hem maar aan land kon krijgen om hem in den schoorsteen te hangen” [11].
Eenige mannen sprongen in het water om den visscher te helpen, en de zalm, die, toen hij gewogen werd, dertig pond zwaar was, werd gelukkig op den oever gebracht.
Dit gedrag van den jager verwonderde Brown niet weinig. Hij herinnerde zich echter niet, dat hij zijn gelaat ooit vroeger gezien had, en kon volstrekt niet begrijpen, waarom deze man, zoo als klaarblijkelijk het geval was, zijne blikken zocht te vermijden. Was het misschien een van de roovers, die hem weinige dagen te voren aangerand hadden? Dit vermoeden was niet geheel onwaarschijnlijk, ofschoon Brown in des mans gestalte en gelaat geene bewijzen daarvoor vond. Maar met grond kon hij ook geene vergelijking maken: de roovers hadden hunne hoeden te diep in de oogen getrokken, wijde jassen aan en geene bijzonder kennelijke gestalte gehad. Hij besloot hierover met zijn gastheer te spreken, maar begreep, dat het, om zekere redenen, verstandig zou zijn, dat tot den volgenden morgen uit te stellen.